Een kennis van me

m4-OYTPLqeM9VnVtQtA6ZQw

 

Der Nister

Ik kende hem al vanaf mijn jeugd. Hij boeide me door de goedmoedige, bijna zoete glimlach van de slimme man die hij was, de man die overal verstand van had. Maar je voelde dat onder die glimlach de verbittering school van iemand die het moeilijk had en nergens werkelijk in geslaagd was; het was de glimlach van iemand die ondanks zijn jonge leeftijd de ouderdom al in zich droeg en een voorgevoel had van het allesbehalve gelukkige lot dat hem vroeg of laat te wachten stond. Uit zijn ogen sprak een ingehouden treurnis, blijkbaar door die al te vooruitziende blik, en misschien knipperde hij daarom zo vaak, dat je maar niet zou zien dat hij niet leefde, maar óverleefde en dat hij iedere minuut en ieder moment al een beetje verder verwijderd was van waar hij nu was.

En zo vreemd en nogal afgeleefd als hij was, zo excentriek kleedde hij zich, met een smalgerand hoedje, dat nauwelijks bleef zitten op zijn dikke, krullende haar, waar nooit een kam doorheen ging, en iedere keer als je hem zag met die hoed begreep je niet hoe die bleef zitten en niet afviel, zelfs als er buiten geen wind was. Daarbij zag je hem altijd in een openhangende jas met daarover een luchtige cape, die hij bijna het hele jaar droeg, behalve misschien in de winter, bij de ergste kou, als hij hem verwisselde voor een jas, die ook niet bepaald modieus was. Met zijn lange, magere gestalte en zijn iets gebogen rug in zijn openhangende jas leek hij altijd, en vooral als het waaide, een antiek schip uit de tijd van Columbus, dat ploegde en zwoegde door de golven van de zee, zo beukte hij met zijn hoofd door de lucht, terwijl de panden van zijn cape als zeilen bolden.

Hij was nog helemaal niet oud: een jaar of vijf-, zesentwintig, toen ik hem tegenkwam in een vroegere provinciehoofdstad in het zuidwesten van Rusland, een stad die ondanks haar respectabele status een nogal provinciale indruk maakte met haar smalle, slaperige straten vol boomgaarden en tuinen, stille boulevards waar gepensioneerde ambtenaren en militairen konden wandelen onder de hoge populieren, die ’s zomers bebladerd waren en ’s winters kaal, ‘s zomers vol nesten krassende kraaien en ‘s winters leeg.

Daar ontmoetten we elkaar. Hij had al naam gemaakt in de toen illustere Hebreeuwse literatuur, vanaf het moment dat hij Hebreeuws was gaan schrijven. Ik was nog een jongen. Hij was al uitgenodigd om mee te werken aan het indertijd toonaangevend maandblad De Eeuw, dat uitgegeven en geredigeerd werd door een omstreeks die vijfde jaargang heel bekende persoonlijkheid, een schrijver en criticus met een scherpe pen, die zowel aan zichzelf als aan anderen heel hoge eisen stelde, en van hem, die redacteur, had hij, die kennis van me, die nog zo jong was en maar net de pen ter hand genomen had, op zijn eerste ingestuurde bijdrage een antwoord gekregen met een heel zelfbewust welkom: “De poorten van De Eeuw staan voor je open” en de toevoeging “Jouw naam wordt afgedrukt in het geselecteerde rijtje medewerkers van ons tijdschrift…” En ik, die zoals gezegd nog een jongen was die van zo’n buitengewone ontmoeting niet eens kon dromen en die nu mee mocht maken, voelde natuurlijk een grote, aan hoogmoed grenzende eerbied en achting.

Die kennis van me bleef in die provinciestad in plaats van te verhuizen naar waar hij beroepshalve eigenlijk had moeten wonen: in een van de grote centra van de literatuur, waar mensen als hij gewoonlijk bij elkaar komen, en dat kwam door een liefde die hij lang gekoesterd had, die niet zo goed was afgelopen en het stempel van de asceet op zijn gezicht gedrukt had, die maakte dat hij goedmoedig kon glimlachen, maar onder die glimlach bitterheid voelde, dat hij zowel in staat was oprechte bewondering voor iets te voelen als er een steen naar te gooien, dat hij zich vreemd kleedde en liep – nee, niet liep, maar rende – terwijl hij met zijn hoofd door de lucht ploegde en er met de wapperende panden van zijn alom bekende jas uitzag als een antiek schip uit de tijd van Columbus.

Hij hield van de dochter van een rijke zakenman, die hij had leren kennen toen hij haar leraar was en zij als meisje van zestien, zeventien uitgroeide tot een jonge vrouw. Ze hing aan zijn lippen en was diep onder de indruk van het talent en de kennis die hij tentoonspreidde als alwetende leraar en belangrijker nog, als iemand die zijn kennis gebruikte als wapen, gericht op een vrouw die hem mateloos fascineerde.

Hij als oudere was verliefd op haar jeugd en zij, zoals gezegd, op zijn kennis, die ze zo gretig opnam dat ze niet zag dat degene die die kennis voor haar tentoonspreidde allesbehalve knap was en met zijn hele gedrag en discutabele beroep bovendien niet thuishoorde in het toenmalige zakenmilieu van haar vader, waar ze in het beste geval medelijden hadden met zo iemand en hem in het slechtste geval openlijk uitlachten, omdat ze hem een volkomen onpraktisch persoon vonden of iemand die niet in staat was zich op te werken tot iets behoorlijks.

Maar voor haar was hij in die tijd wel degelijk knap, al had hij een mager, pokdalig gezicht en een wilde haardos en al stak hij zijn hoofd raar vooruit bij het lopen, alsof hij geen mens van déze wereld was en zeker niet van de wereld van haar vader, de rijke zakenman. Omdat ze onervaren was, dacht zij net zo min praktisch en ze kende de betekenis van dat woord nog niet eens.

Haar vader en alle anderen in huis: haar moeder, broers en zusters en de gasten, voelden direct de aantrekkingskracht van hun eigen geslaagde dochter van zeventien op de verstrooide, ongekamde, gebochelde, ouwelijke figuur met zijn jaspanden vol wind en zijn zakken vol kennis, maar ze sloegen er geen acht op, omdat ze de gedachte niet toelieten dat er achter de gewone belangstelling en de bewondering van een leerlinge voor haar leraar iets serieuzers schuil kon gaan.

Maar toen ze dat ten slotte in de gaten kregen, hielden ze haar bij hem weg, staken de draak met hem en lachten hem uit, tot ze haar overtuigd hadden dat het niets voorstelde, en ze besloten er abrupt een eind aan te maken door hem gewoon de deur te wijzen en hem als leraar te ontslaan.

Maar ze hadden geen succes: de relatie bleef bestaan en de twee bleven elkaar ontmoeten, alleen clandestien, in het geheim en met veel moeite, omdat ze het meisje in de gaten hielden, haar volgden en uit de buurt van die man hielden en probeerden haar te interesseren voor jongeren van haar eigen stand, die het huis van haar rijke vader natuurlijk liever binnenhaalde als gezelschap voor hun dochter.

Heel langzaam lukte dat. Heel langzaam raakte de jonge minnares ontnuchterd en maakte zich los uit de verstikkende omhelzing van die kennis van ons, terwijl ze in hem steeds vaker de dingen zag waarop haar gewezen was door haar huisgenoten, naar wie ze niet had willen luisteren en die ze niet had willen begrijpen. Nu begreep ze wel dat op degene die ze eerst gezien had als de belichaming van de grootste menselijke en mannelijke volmaaktheid heel wat af te dingen was: hij was veel ouder en had heel andere opvattingen, manieren en voorkeuren dan de jongeren uit haar eigen milieu met wie ze omging en opgroeide en van wie ze zich de opvattingen zo eigen had gemaakt dat ze er moeilijk meer afstand van kon doen.

Haar liefde bekoelde een beetje en ze verdeelde haar tijd al tussen hem, die kennis van me, en anderen, die haar niet aantrokken door zoveel kennis en ernst als hij meetorste, waardoor hij niet zag wat om hem heen gebeurde, maar door belangrijker dingen als flirt, luxe en mooie kleren, die maakten dat je er beter en voordeliger uitzag.

Toch voelde ze nog steeds iets voor hem en kon niet vergeten dat hij als eerste de liefde in haar had gewekt: hij was de eerste geweest voor wie ze haar ogen beschaamd had neergeslagen en tot wie ze weer opkeek als hij tegenover haar zat of stond. En als hij, haar vroegere liefde, een andere man was geweest, dat wil zeggen niet zo terughoudend, beheerst en bescheiden, als zij toen tegenover hem wat koeler was geweest, had hij als de man die ze ook nú nog het meeste mocht van allemaal, haar voorgoed kunnen veroveren en dan was de zaak, met of zonder toestemming van haar ouders en het zakenmilieu, onherroepelijk beslist en dan hadden ze het misschien uiteindelijk ook met hem moeten bijleggen en hem goedschiks of kwaadschiks moeten accepteren, omdat ze geen keus hadden… Maar hij was die hij was en daardoor miste hij die laatste beslissende kans en eerlijk gezegd vond zij dat als zijn geliefde ook een slechte zaak en dat viel haar een beetje van hem tegen.

De liefde bekoelde verder. Toen begon die kennis van ons zichzelf te kwellen en ’s nachts te zwerven onder de ramen van het huis van zijn geliefde; hij keek naar binnen als de luiken nog open waren en waren ze al dicht, dan legde hij zijn oor te luisteren tegen haar kamertje om te horen of er misschien vreemden bij haar zaten, of het daar levendig toeging, of ze plezier hadden of misschien wel stil waren, wat hij nog erger vond dan plezier maken en lachen…

Ze kwam toen nog maar zelden bij hem thuis of ergens naar een afgesproken plaats in een achterafstraatje voor een ontmoeting net als vroeger, en als dat gebeurde was het blijkbaar meer uit medelijden; en toen begon hij, onze kennis, ook haar te kwellen, met woorden en met verwijten en door alles wat ze van haar rijke zakenmilieu had meegekregen omlaag te halen, en hij probeerde haar te vernederen door te laten zien dat zij net zo was als alle anderen, terwijl hij met zijn lessen altijd zijn best had gedaan om haar daarvan af te houden, omdat hij dacht dat zij veel meer in zich had dan de anderen. Het gevolg was dat zij zich in zijn bijzijn een beetje geneerde voor haar decadentie en voor het feit dat zij die hogere doelen niet bereikt had; maar ze was nog niet weg of ze viel weer terug in haar nieuwe voorkeuren en voelde zich bij haar zorgeloze vriendjes veel beter dan in zijn gezelschap, dat haar benauwde en bedrukte als een krap corset.

Toen zoals gezegd de poorten van De Eeuw, die voor veel anderen gesloten bleven, voor hem geopend waren en al zijn bijdragen aan dat tijdschrift bij veel lezers uit de provincie en daarbuiten groot enthousiasme, esthetisch genot en veel stof tot denken gaven, terwijl hij zich privé juist zo verslagen en terneergedrukt voelde, ging hij zover – maar dit moet onder ons blijven – dat hij een keer wraak nam op het weelderige huis van de vader van zijn geliefde, dat zijn luxe altijd etaleerde door zijn grote ramen aan de straat; op een mooie avond stond hij zichzelf toe om wraak te nemen, stilletjes uit een verborgen hoekje, en een steen te gooien, met lawaai, gebroken ruiten en schrik bij de bewoners en de toevallige gasten, zodat ze haast flauwvielen van de bloedende wonden die ze hadden kunnen oplopen door het naar binnen geslingerde voorwerp… Ze konden er niet achter komen wie het gedaan had, maar hem verdachten ze natuurlijk niet: het was natuurlijk een straatjongen geweest, een vandaal, een dronkelap, en ze kwamen beslist niet op het idee dat het zijn hand was die gegooid had.

Ze hadden zich ook niet kunnen voorstellen dat onze kennis in die tijd optrok met een dronken monnik van het plaatselijke klooster, dat aan een verre, afgelegen straat temidden van boomgaarden lag, en dat hij met hem, die monnik, hele dagen doorbracht ergens achter een boom, en dat hij bij die ontmoetingen altijd onder zijn jas meebracht waar die ander gek op was en dat hij daar zelf ook veel van innam, namelijk van drank.

Hij liet zich toen ook een tijdlang in met het roesverwekkende schaakspel met een bekende figuur daar in de stad, een heel vreemde figuur, die Bik heette, een man van zijn leeftijd, een wilde wiskundige en schaker, die zich van jongs af aan met het spel bezighield en er een grote erfenis door verspeeld had: een huis met inboedel en een goed onderhouden hopveld, dat hij als enige zoon na zijn vaders dood geërfd had en dat anderen, zogenaamde weldoeners die in werkelijkheid bedriegers waren, hem afgetroggeld hadden, waarna hij berooid was achtergebleven… Later had die Bik weer greep op zijn leven gekregen en terwijl hij zoals gewoonlijk zomer en winter met blote voeten in rubberlaarzen rondkuierde, doorliep hij in één jaar het hele curriculum van het gymnasium en in één moeite door op diezelfde rubber laarzen ook de universiteit, en zo was hij in de stad bekend geworden als de beste leraar, waardoor hij het allernodigste kon verdienen, want om geld gaf hij niet, omdat hij nog steeds de meeste tijd besteedde aan het spel.

En met die Bik raakte die kennis van ons nu bevriend; hij bracht hele dagen met hem door, ook wel avonden en soms zelfs nachten… Waar? Op Biks studentenkamertje, dat nooit schoongemaakt werd, waar de tafel niet opgeruimd werd en het harde ijzeren bed met het slechte, dunne matras niet opgemaakt.

Hij speelde overdag, in de schemering en ’s nachts zo lang door zonder de lamp aan te steken, wat hij gewoon vergat, dat hij zijn ogen bedierf en een tijdlang moest herstellen. Hij was bijna blind geworden.

In die tijd leerde hij ook mij kennen, doordat ik bij de familie van zijn geliefde net was aangesteld als leraar voor de jongere kinderen, haar broertjes en zusjes. Dat bracht ons bij elkaar… Omdat hij in de gaten had dat ik geen bewonderaar was en ook geen concurrent (want mijn onbetekenendheid reduceerde mij tot bijna niets), vond hij in mij de vertrouweling die hem de kans gaf een verbinding te onderhouden met het huis, voor het geval hij in het geheim iets moest doorgeven of te weten komen…

Zo ging het. In die tijd kwam hij regelmatig bij me langs, niet omdat ik hem uitgenodigd had, maar uit zichzelf, wanneer hij daar behoefte aan had, overdag of ’s avonds en soms zelfs heel laat, om dan de hele nacht te blijven zitten. Hij praatte over van alles, maar iedere keer kwam het gesprek op wat hem het meeste dwarszat en hij eindigde iedere, maar dan ook iedere zin met de naam van degene die hem zoveel hartzeer bezorgde. Hij geneerde zich altijd een beetje dat hij, die toch mijn meerdere was, zich zo vernederen moest om zijn hart uit te storten tegenover mij, want ik was nog een jongen, als leraar een beginneling en in alles zijn mindere: in jaren, in verstand en in de rest, en dat alleen omdat die jongen, dat leraartje, het voorrecht had dezelfde lucht in te ademen als het schepsel dat zijn grote ongeluk was, maar ook wat hij het meest liefhad. Ach, wat was hij diep gezonken… Maar aan de andere kant merkte hij dat ik hem bewonderde, met hem meevoelde en zogenaamd niet doorhad in wat voor toestand hij verkeerde, en daardoor kreeg hij blijkbaar ook een beetje respect voor mij en ging me zien als een broer, tegenover wie je openhartig mocht zijn en alles zonder gêne onthullen.

Hoewel hij iets heel anders van plan was, werd hij een tijdlang ook mijn leraar; hij kwam alleen maar bij me om me te gebruiken voor zijn treurige, geheime doel, en om de schijn op te houden en die doelen een beetje te maskeren richtte hij tussen het ene en het andere gesprek over háár, over degene die zijn lot als verstotene in handen had, zijn aandacht ook nog op mij en bekommerde zich af en toe om mijn achterlijkheid en probeerde te ontsluiten wat voor mij toen nog een gesloten boek was.

Om zichzelf gerust te stellen en op de een of andere manier even te ontsnappen aan zijn niet bepaald benijdenswaardige toestand, greep hij dan vaak naar de Griekse en Romeinse klassieken, vooral naar filosofen, die hij altijd in zijn zak had en waaruit hij voorlas als hij bij me kwam, zoals bijvoorbeeld Plato’s Symposium of Phaedo, waar hij veel van hield, en al lezend liet hij me vooral zien wat die gouden logica inhield, als je die zo kon noemen, en zei dat hij zich iedere keer als hij voor die bronnen stond een stil-vergenoegde toeschouwer waande bij het zilveren water van een kalme beek die stil en groen verborgen vloeide tussen bomen en grassen, terwijl hij toekeek hoe oude, wijze en serene mensen in alle rust hun gouden vissen vingen.

Ja, mij leerde hij rust, terwijl hijzelf uit al dat geleerde zo weinig rust putte… Op een keer stond hij op en verdween zonder ook maar gedag te zeggen naar de centra waarheen zijn interessen hem riepen en waaraan hij tot dan toe geen gehoor gegeven had, en daar, ver verwijderd van het voorwerp van zijn grootste belangstelling, bleef hij zo lang als zijn geduld hem toestond. Maar ook in dat centrum dacht hij vaak aan mij, nee, natuurlijk niet aan mij, maar aan haar, met wie ik me in dezelfde stad en in hetzelfde huis bevond, en hij vroeg me alles te vertellen wat ik maar over haar wist, wat ik natuurlijk deed, omdat ik hem graag een plezier deed.

Het liep zoals gezegd slecht af. Al gauw na zijn vertrek kwam hij terug, omdat hij voelde dat zij, de geliefde, steeds meer aan zijn nabijheid en invloed ontglipte. Ze had weliswaar nog een klein beetje belangstelling voor hem, als voor iemand die in bepaalde kringen heel goed bekend stond, maar dat was niet genoeg om haar vast te houden, want ten eerste had dat maar weinig met haarzelf te maken en ten tweede haalde haar vaders milieu haar terug door haar dringend te waarschuwen voor wat haar te wachten stond als ze hem in handen viel en een arm, onzeker leven moest leiden met een half-wanordelijke man als een luchtballon zonder vaste positie in de maatschappij, waar je volgens haar vader en zijn omgeving niet buiten kon.

Ze weifelde nog… In die tijd werden zijn wangen steeds holler, zijn rug werd steeds krommer, zijn loopje in vliegende haast met die jas steeds haastiger en verstrooider en zijn schijnbaar goedmoedige glimlach van een wijs man met levenservaring steeds droeviger.

In die tijd – en dat was aan het begin van de zomer – kwam hij gewoonlijk heel laat op de avond langs, met als excuus dat hij op de plek waar ik toen woonde, in een afgelegen straat met boomgaarden, ’s nachts het liefste zat, om de stilte en het zingen van die vogel met het klokkende zilveren flesje in zijn keel: de nachtegaal, die zich zingend in de maannacht in de verborgenheid van de boomgaard zo verloor in contemplatie dat hij bijna stikte in zijn eigen onbegrensde zangkunsten en eindeloze zoetheid.

Wanneer hij dan naast mij op de drempel van mijn huis zat, keek hij heel neerslachtig als hij hoorde hoe die verborgen boomgaarddichter zijn uitverkorene aanriep in zijn kwinkelerende mei-taal, die tot in de verste straten in de omtrek te horen was en misschien zelfs ook tot boven bij de sterren; en als hij dat hoorde dacht hij natuurlijk aan zijn eigen geliefde, die nu zo ver weg was – nee, niet ver weg, juist dichtbij, heel dichtbij, vrijwel binnen handbereik, in een huis een paar straten verder met een gezellig dak boven haar hoofd, waar maar een kleinigheid aan ontbrak: het hoefde maar een beetje anders te zijn met maar een klein beetje meer liefde van haar en dan had hij misschien ook als de zanger met het flesje in zijn keel gezongen…

Die kennis van me was er toen al heel slecht aan toe: hij was in staat er zelf een einde aan te maken of nog iets ergers te begaan. Het was een keer gebeurd (vertelde hij me zelf) dat toen zij, zijn geliefde, even bij hem langsgekomen was, zoals de laatste tijd meer uit gewoonte dan uit belangstelling en meer uit medelijden en hem bij het weggaan ook weer uit gewoonte omhelsde en zelfs kuste, waarbij hij haar heel dicht bij zich had, terwijl ze toch zo volkomen vreemd aanvoelde, dat hij toen een buiging voor haar maakte en heel rustig zei: ‘O, liefste, allerliefste van me…’ ‘Wat?’ vroeg ze meteen, alsof ze het niet goed gehoord had. ‘O, niets,’ antwoordde hij en op hetzelfde ogenblik flitste de krankzinnige gedachte door hem heen om nog een keer voor haar te buigen, heel dichtbij, en haar met een flinke beet met al zijn tanden een oor af te bijten: met hém of met niemand, moest dat betekenen, en dan maar verminkt…

Hij ging toen al gauw de stad uit, omdat hij bang was iets te doen wat hem slecht zou bekomen of háár nog iets ergers aan te doen, en hij voelde dat het einde naderde, wat ook zo bleek te zijn.

Zijn aanbedene verloofde zich namelijk al gauw met een ander. Er werd verteld dat ze echt gehuild had om de oude herinneringen, die haar niet loslieten, en ook omdat ze wist hoe hij, haar vroegere geliefde, zou kijken als hij de klap kreeg, als hij hoorde dat zij het had uitgemaakt… Toch deed ze het en kwam uiteindelijk tot rust.

Niet lang daarna kreeg ik uit de stad waarheen mijn kennis vertrokken was een brief met een bittere hartekreet: Elohei avi Adonai beëzri, die wilde zeggen dat God zelf hem helpen moest in de ellende, die niet meer te verdragen was.

Hij trouwde niet en bleef vrijgezel. Van toen af deed hij uit treurnis om het verleden geen afstand van de kleding die hij gedragen had in de stad waaruit hij leeg, naakt en bezeten vertrokken was als iemand wiens huis verbrand was, niet van de smalgerande hoed, die nauwelijks op zijn wilde haardos bleef zitten en ook niet van zijn jas met losse panden en zijn luchtige cape.

Hij trok zich toen terug in een kamertje op een hoge verdieping, dat hij huurde van allesbehalve rijke mensen en dat hij zich toen kon veroorloven; en omdat zijn enige raam uitkeek op het platte dak van het huis van de buren, gooide hij altijd stukjes brood en andere etensresten naar vlinders en duiven, die in hele zwermen kwamen om alles huppend, dansend en met veel misbaar en gefladder op te pikken.

En daar trof ik hem toen ik later, omstreeks 1910, ook in die stad kwam wonen, toen ik al schreef en zelf ook een plaats in de literaire wereld hoopte te veroveren. Ik zocht hem op en hij ontving me heel vriendelijk; hij vertelde me bij wie ik moest zijn en hielp me met de algemene aanwijzingen en adviezen die iemand uit de grote stad aan iemand uit de provincie geeft.

Ik kreeg bij hem ook onderdak. Hij liet me niet alleen: we aten en dronken samen en ’s avonds, als ik klaar was met mijn bescheiden dagelijkse bezigheden, kwam hij bij me zitten om me uit te horen over de stad waar ik vandaan kwam en die hij zo goed kende en zelfs herinneringen op te halen aan iedere steen, iedere straat en iedere steeg waar hij in zijn wanhoop met zijn hartzeer toen had rondgezworven.

Ook als we toen over iets anders spraken, kreeg ik het idee dat hij in iedere zin terugkwam op degene die nog altijd niet vergeten was, op haar, en hij bleek haar nog af en toe brieven te sturen, waarop hij dan geen antwoord kreeg.

Ik bevredigde zijn verlangen om geïnformeerd te worden over de kleinste kleinigheden daar: hoe ze leefde, hoe het met haar ging, wie de persoon was die zijn plaats had ingenomen enzovoort.

Hij was me dankbaar. Als tegenprestatie volgde hij me door mijn mentor te blijven en mijn gids; en naast allerlei andere adviezen die ik van hem kreeg, adviezen waar ik bij mijn verblijf in de stad iets aan had, gaf hij er nog een, die hij als leidraad voor mij blijkbaar heel belangrijk vond: ‘Zorg dat je hier wegkomt,’ zei hij, ‘en moge de God van de provincie je onschuld bewaren. Hier is geen plaats voor mensen zoals jij.’ Daarbij keek hij naar me alsof hij wist dat mijn persoonlijkheid hier bedorven kon worden en te gronde gaan. ‘Hier,’ zei hij, ‘maken ze veel kabaal en ze verkopen waterige inkt en goedkope rommel; hier zitten de opscheppers met hun voeten op de tafel van de literatuur en nooit staan ze op…’ Daarbij gaf hij het voorbeeld van een bekende literator uit de stad, “de geniale gans”, zoals hij hem noemde, een smeerlap in alle opzichten, die vuil onder zijn nagels had en na het eten zijn mond niet afveegde, die rondliep met een schuinse, trotse blik en met zijn verwaande zwarte bek en kop nooit verder vloog dan de schutting en het park, zoals alle ganzen, maar deed alsof hij de weg wist in de wolken en een hooggeplaatst persoon was in de sjemei-hasjamajim, de hemel der hemelen; hij duldde niemand naast zich, dat kreeg hij niet voor elkaar, en als je een grote, wereldberoemde naam liet vallen waarvan hij wist dat die op veel respect kon rekenen van iedereen in het schrijversvak, dan zei hij, de geniale gans: ‘Tja… Hij kent zijn vak, maar hij schrijft ook middelmatige romans.’ En dat uit zijn mond; hij mocht willen dat hij iets, een greintje, een onsje van die zogenaamde middelmatigheid had.

Dat vertelde die kennis van me en aan wat hij zei en vooral aan de manier waarop hij het zei kon je zien dat hij hier zelf ook niet meer van harte was. Het voeren van de duiven op andermans dak en het advies om niet in de stad te blijven kwamen zeker voort uit zijn zelfbeeld, want al bevond hij zich hier, hij was eigenlijk al vertrokken en stond overal buiten; je merkte dat hij door zijn verloren liefde ook iets anders was kwijtgeraakt, namelijk het verlangen en de drang om meer plaats te veroveren en meer naam te maken dan collega’s in de literaire wereld, wat iedereen graag wil. Maar hij hoefde niet; nee, in dat opzicht was hij uitgeblust.

Toch merkte ik hoe hij anderzijds weer opflakkerde. Hij richtte zijn liefde op een gebied waarop hij vrij was, ongebonden, onbegrensd en zonder angst dat hij van de andere kant, dat wil zeggen van hetgeen waar zijn liefde nú naar uitging een hindernis, een weerstand, onwil of weerzin zou tegenkomen, zoals bij zijn eerste liefde. Hij stortte zich op dat nieuwe met de grote toewijding die iemand als hij kon opbrengen, met de gretigheid waartoe mensen soms in staat zijn na een ziekte of een schipbreuk, wanneer ze hun gezondheid herwinnen en weer vaste grond onder hun voeten voelen, wanneer ze de smaak van het leven op de wereld veel meer te pakken hebben dan toen ze op het punt stonden te zinken om nooit meer boven te komen. Die kennis van me gaf zich over aan de herleving van het volk zoals hij die in zijn tijd, volgens zijn opvoeding, vorming, milieu en intellectuele levensweg opvatte.

Al toen ik in de stad bij hem inwoonde zag ik op zijn tafel een notitieboekje liggen met daarop genoteerd de titel Pro et contra, “Voor en tegen”, waarin hij meningen en uitspraken verzamelde van allerlei vrienden en vijanden van het volk, en dat aan de ene kant begon met de tegenstanders, zoals de oude Appianus, en eindigde met die van onze tijd, met mensen als Drumont, Chamberlain en Stoecker, en met aan de andere kant meningen en uitspraken van apologeten en verdedigers van het volk, dat weer helemaal opnieuw begon met Philo van Alexandrië en via verschillende Roomse pausen, bisschoppen en humanisten doorliep tot mensen als Zola en tot de allerlaatsten die betrokkenheid hadden getoond en het volk bij een ramp onder hun beschermende vleugels hadden genomen.

Als hij toen met mij over dergelijke mensen sprak, vlamde er al vaak iets van hartstocht op, zoals vroeger in zijn liefde; met zijn vrij lange, wat gebogen gestalte, zijn warrige haardos, zijn donker getinte, pokdalige wangen, zijn tengere handen en zijn goedmoedige, maar ook verbitterde glimlach en vooral zijn halfgesloten en tegelijkertijd vurige ogen, met dat alles had hij toen al iets van een oude apostel die zowel bereid was zijn leven op het spel te zetten voor zijn geloof en in de woestijn te prediken tot de stenen en de bomen, als er in grote ijver en woede een steen naar te gooien.

Toen ik niet lang daarna weer in de provinciestad was waar ik volgens hem, die kennis van me, thuishoorde en op zijn advies lang bleef, waar ik overigens nooit spijt van kreeg, toen ik dus al een tijdje thuis was, kreeg ik een brief van hem, ergens uit een stad of stadje in Duitsland, waarin hij schreef dat hij nu, rijdend en lopend, de weg van de joodse diaspora volgde en “familiegraven” bezocht in onder andere Speyer, Worms en verscheidene steden in de Elzas, waar joden in de Middeleeuwen onderdrukking, vervolging en massaslachtingen hadden doorstaan en dat hij zo verder dacht te reizen naar Spanje, naar Toledo, Saragossa, Granada en Córdoba, die hij wilde bezoeken om te zien waar de gouden wieg gestaan had van onze grote dichters, Jehoeda Ha-Levi, Mozes Ibn Ezra, Gabirol, Abraham Ibn Ezra en anderen.

En hier moeten we het verhaal over onze kennis afbreken, omdat… het leven ons met geweld van elkaar scheidde. De oorlog van ’14 brak uit. Mijn kennis bleef waar hij was in Polen (laten we het nu maar bij de naam noemen), dat aan de andere kant van de grens lag, terwijl ik aan déze kant zat.

Ik zag hem nooit meer en had al voor die tijd heel weinig van hem gehoord. Maar dat nam niet weg dat ik steeds weer aan hem moest denken; dan verscheen hij in gedachten voor me en wekte zowel mijn menselijke als mijn literaire belangstelling… Want ja, om de waarheid te zeggen en ons nogal ruwe literaire jargon te bezigen, dacht ik er af en toe ook over hem te “gebruiken” bij een bepaalde gelegenheid en een bepaalde thematiek, maar dan wel met een heel ander begin en een ander eind, en daarom verzamelde ik ook veel meer gegevens over hem. Vooral over de onderbreking van de jaren waarin we elkaar niet gezien hadden – niet zoals op dit moment, waarop ik mezelf schromelijk tekort vind schieten en ik zou geen goede schrijver zijn als ik dacht hier even een compleet en gelijkend portret van die kennis van me te schilderen. Dat dacht ik, maar… zo vroeg en onverwacht het einde van die kennis van me kwam, zo vroeg en onverwacht is de dood van veel van onze broeders, die nu omkomen door de brute hand van de wrede vijand.

 

***

Hieronder volgt het laatste bericht dat ik over die kennis van me kreeg.

Een Pools-joodse schrijver, die uit Polen had weten te ontsnappen na een tijd onder Hitlers juk geleefd te hebben, was de eerste van wie ik veel te weten kwam over het leed van de hele bevolking daar en in het bijzonder van de joden; toen ik daarna bij die schrijver informeerde naar bepaalde mensen en hem vroeg:

‘En hoe gaat het met die kennis van me? Hoe is het met hem? Leeft hij nog?’ Toen maakte hij een handgebaar en zei: ‘Olehasjolem…’ En hij voegde eraan toe: ‘Hij leeft niet meer, en als ik goed geïnformeerd ben is hij een ongewone dood gestorven.’

Die schrijver bleek een heel vertrouwelijke relatie met die kennis van ons gehad te hebben; hij was een van degenen die uitverkoren waren om verbeterd te worden en hij had meer vertrouwen gekregen dan alle andere schrijvers, net als ik bijvoorbeeld vroeger, toen ik als jonge man water over zijn handen mocht gieten, dat wil zeggen toen ik hem bediend had als een leerling een leraar. Die nog jonge schrijver had de laatste tijd ook op hem gepast, zoveel als nodig was bij een oudere vrijgezel, en hij, die schrijver, was met een paar anderen tot het einde bij hem geweest, waarover hij mij kon precies kon vertellen wat ik wilde weten.

Hij vertelde het volgende. De laatste jaren was de ander al erg versleten, zowel door zijn leeftijd als door allerlei ongeluk dat hem getroffen had. Hij droeg nog steeds de onmodieuze kleren waarvan hij geen afstand kon doen: het smalgerande hoedje op zijn warrige haardos, die er nu uitzag als gedoofde as en bovendien erg dun geworden was, op zo’n manier dat er opzij nog krullen waren, terwijl de rest vanaf het voorhoofd tot aan zijn achterhoofd volkomen kaal was. Ook kon hij geen afstand doen van zijn jas, die hij bijna het hele jaar door droeg en die maakte dat ieder die hem tegenkwam zich omdraaide en hem verwonderd nakeek, terwijl kinderen hem met de vinger nawezen en hem zelfs in zijn gezicht uitlachten.

De mensen lachten ook om zijn verstrooidheid, om het afwezige, mistroostige, melkachtige waas dat hij altijd voor zijn ogen had, als een haan die in slaap valt: een teken dat hij tussen zichzelf en de buitenwereld een doek liet vallen, dat hem moest afzonderen en verbergen voor anderen.

Met de buitenwereld had hij inderdaad nog maar heel weinig contact. Om zichzelf en de duiven op andermans dak te kunnen voeden hoefde hij maar een heel klein beetje schrijfwerk te doen, dat hem erg weinig tijd en moeite kostte; desondanks trokken bepaalde redacteuren en uitgevers dat altijd haastig en begerig uit zijn handen, alsof ze het heel belangrijk vonden en bang waren dat concurrenten het voor hun neus weg zouden kapen. En de meeste tijd, vlijt en moeite besteedde hij aan werk dat hem helemaal gegrepen had, waar hij zich jarenlang in verdiepte, dat hem volledig in beslag nam en hem niet meer losliet.

Dat was zijn tweede liefde, een met een verheven karakter, waarvoor hij het laatste merg uit zijn botten zoog tot er niets meer over was. Het was een werk dat ascese vereiste, dat wil zeggen isolement, en alles wat hij aan levenskracht, kennis, belangstelling en hartstocht had moest hij daaraan en alleen daaraan geven en buiten dat had zijn bestaan en verblijf in de wereld voor hem geen zin; hij had het werk een naam gegeven: Hajah, hoveh vejihijeh, “Het was, is en zal zijn”, een soort lofzang op alles wat opkwam en verging, wat ontstond en bestond door de vorm in de voortdurende kringloop van verandering en stofwisseling, die oneindig en eeuwig was; een werk met een beschouwing over het heelal, de natuur, de cultuur, dus het hoge menselijke streven deel te nemen en mee te helpen aan en zelf deel te zijn van al het zijnde, wordende en scheppende, dat heel lang geleden begonnen was, toen de mens naakt liep met een vacht als een dier, en doorliep tot onze tijd met zijn vele ontsluierde geheimen en raadsels van de vroeger gesloten, stomme, dove, ruwe, sfinxachtige en beangstigende natuur en eindigde met de verste toekomst, die nog met geen oog of telescoop te onderscheiden was en die je je alleen kon voorstellen als in verre nevelen gehuld, als een wonderlijk, kunstig gebouwd luchtkasteel voor ongekende wezens, en alleen het alleredelste gehoor kon de grote, vreugdevolle fanfare horen met het grote nieuws dat hun, die wezens, wachtte als hun tijd zou komen.

Die kennis van ons was al vergevorderd met zijn werk en had al een hele berg geschreven en er flitsten nu en dan vonken van hoop in zijn ogen, als hij zag dat het werk waaraan hij jarenlang zijn beste krachten had gegeven zijn voltooiing naderde. Nu eens wreef hij vergenoegd in zijn handen en dan weer stond hij met een ruk op van zijn stoel om lang door zijn kamertje te ijsberen en haast te rennen van blijdschap. Maar dat gebeurde niet vaak, omdat het nog te vroeg was om blij te zijn. Ondertussen was hij nog zo gegrepen door zijn werk en er zo in verdiept dat hij, als hij aan tafel zat te werken en alles gaf wat hij in zich had, helemaal warm werd van het scheppende werk; en als hij af en toe zogenaamd vrij was en op straat wandelde of in een café zat, omringd door het vreemde rumoer van een massa mensen, was hij in die omgeving ook zo verslaafd aan zijn werk dat hij niet merkte dat hij soms woorden mompelde, soms hardop praatte, en soms hele stukken reciteerde uit het werk waarmee hij bezig was, wat buitenstaanders dan wel merkten, die dan spottend of verbaasd naar zijn mond en naar zijn lippen keken…

Zijn collega-schrijvers, die op de hoogte waren van zijn werk, die zelfs de titel kenden en altijd veel respect voor hem hadden omdat hij zoveel wist en zover boven hun alledaagse gekissebis stond, konden het niet laten hem af en toe stilletjes belachelijk te maken, als ze zagen hoe hij in zijn vreemde kledij verscheen en hoe hij afstand hield van het gedoe en vaak wanneer ze hem tegenkwamen op straat of in het café, waar hij in zichzelf praatte, noemden ze hem naar zijn werk “Hij was, is en zal zijn”, waarmee ze wilden zeggen dat hij een vrijgezel geweest was, was en blijven zou, met wie je een beetje medelijden moest hebben, maar die je ook wel eens voor de gek mocht houden.

Die kennis van ons had daar geen last van. Hij merkte het niet en bemoeide zich met niemand, omdat hij zowel met zijn eigenlijke werk bezig was als met de vele boeken om zich heen, die hij op de kop getikt had, gekocht en geleend en die zich ordelijk en wanordelijk ophoopten in zijn kamer, in boekenkasten, op tafel, op het bed en zelfs daaronder.

Hij was al heel ver, die kennis van ons, en vaak keek hij omhoog naar het plafond, als een kip bij het drinken, zo overvol en overladen voelde hij zich, en er ging ook een kille huivering door zijn botten als hij besefte hoever hij genaderd was tot die mensen van de toekomst, tot dat in nevelen gehulde luchtkasteel, waar van de trappen en de toegangspoort al de schallende, zuiver-gouden trompetfanfares te horen waren bij een aankomst of vertrek.

Hij was al heel ver, die kennis van ons, en omdat hij met niemand iets te maken had, omdat hij zich zoals gezegd afzijdig hield van de grote massa collega-schrijvers, zocht hij soms toenadering tot een of twee die hij als de besten beschouwde, bijvoorbeeld tot de schrijver die ons over hem verteld had, een man die zelf talent had, maar vooral ook het vermogen om iemand te respecteren die ouder was en hoger leek te staan dan hijzelf; en voor die paar uitverkorenen trok hij dan van tijd tot tijd de la van zijn schrijftafel open om zijn werk tevoorschijn te halen en iets voor te lezen.

Van alle anderen zonderde hij zich af, zoals gezegd, om zich op te sluiten in zijn geliefde bovenkamertje, dat hij nooit verliet, zelfs niet toen de hoofdhuurders verhuisden. De huiseigenaren wisten dan ook dat ze iedere keer dat ze de woning verhuurden het recht van onze kennis op zijn kamertje moesten vastleggen en hem aan de nieuwe huurder moesten overdoen, net als de muren van de woning of een spijker in de muur.

Zo leefde hij, zo zag hij eruit en zo gedroeg hij zich, die kennis van ons, die jarenlang volkomen in zijn werk verdiept was in de hoop dat hij ieder moment de kust zou bereiken waar hij vol verlangen naar uitkeek, tot in ’39 de oorlog uitbrak, toen Polen zoals bekend een nederlaag leed en in twee, drie weken tijd verpletterd werd en achterbleef met een gebroken militaire ruggengraat.

Hoe de nieuwe machthebbers na hun overwinning de hele Poolse bevolking behandelden is bekend en zeker wat ze met de joden deden.

Dat ging zo: als de bezetters een Poolse stad of sjtetl binnentrokken, waaronder de sjtetl waar die kennis van me woonde, toonden ze nog niet hun ware gezicht, want dat deden ze pas later; hun allereerste maatregel was dan het herstel van de uitzonderingswetten van het oude middeleeuwse wetboek met betrekking tot de joden: eerst richtten ze getto’s in en lieten de joden uit alle plaatsen en districten verhuizen naar die speciaal voor hen bestemde wijken; die werden ommuurd en voorzien van prikkeldraad en zowel overdag als ’s nachts bewaakt door soldaten met geweren in de aanslag, alsof ze geen haar mochten afwijken van de Middeleeuwen, toen de poorten van het getto werden bewaakt door soldaten met hellebaarden.

Vervolgens werd uit dat beruchte archief ook de andere oude rommel tevoorschijn gehaald: joden mochten zonder vergunning het getto niet uit en niet-joden mochten er niet zonder vergunning in; op de markt moesten joden wachten tot niet-joden alles gekocht hadden wat ze nodig hadden en dan bleven er alleen kruimels, brokken en restanten over; joden kregen geen medische hulp, geen medicijnen en zelfs geen zeep, die de bezetters achterhielden en beschouwden als een grote luxe voor degenen die ze apart gezet hadden en walgelijk en smerig vonden, en ze gunden hun zelfs niet genoeg water, dat ze ook maar mondjesmaat distribueerden.

Die kennis van ons kreeg nu ergens een zolderkamertje en keek niet meer uit op een binnenplaats en het dak van een aangrenzend huis, maar op een drukke, lawaaiige straat. Hij had niets meer om de duiven te voeren, want hij verkeerde zelf in nood en moest hulp vragen bij de joodse kehille, die ook maar over beperkte middelen beschikte, doordat ze geen ondersteuning van buiten kreeg en zichzelf bedruipen moest, dat wil zeggen nemen van de armen om te geven aan de nog armeren…

Maar dat was allemaal nog niets vergeleken bij de schade die hij ondervond door het bombardement, waarbij een groot deel van zijn bijna voltooide werk verloren ging, terwijl de rest beschadigd werd, deels door water en deels door brand.

Hij was volkomen terneergeslagen, hij was geen mens meer en zag geen kans de schade ooit weer te herstellen, want daarvoor had hij door zijn gevorderde leeftijd en de dreigende donderwolk de kracht niet meer.

Je zag hem in die tijd al heel vaak met zijn hoofd en zijn ogen gericht naar het plafond, maar niet meer omdat hij zoals vroeger vol ideeën zat, maar omdat hij zich verloren voelde en op zoek was naar de zin van zijn bestaan, dat hij overbodig vond en niet iets om moeite voor te doen. Zijn verstrooidheid, die altijd een mistroostig, wit, melkachtig waas voor zijn ogen had gevormd, werd nu nog groter. Alleen niet zoals vroeger, toen hij altijd helderziend en –horend al de schallende trompetten van de vreugdevolle fanfares dacht te horen, maar al los van al zijn bindingen met de wereld, waarvan hij de werkelijkheid niet onder ogen wilde zien.

Als hij toch een keer door het raam naar buiten keek, zag hij alleen maar hoe ze op joden jaagden, jong en oud, hoe ze die vernederden en te schande maakten en hoeveel plezier de bezetters en zelfs gewone soldaten soms aan een voorstelling beleefden waarin ze een groot aantal bijeengedreven gettobewoners van de stoep naar de straat joegen om daar met hun handen en kleren als bezems het stof en het vuil op te vegen.

Hijzelf was sinds de bezetting al niet meer de straat opgegaan, omdat hij degenen die zich (naar later bleek, toevallig) niet herinnerden wie hij was en dat nog niet gevraagd hadden, uit de weg wilde gaan; hij probeerde hun niet onder ogen te komen en iedere confrontatie te vermijden, want hij wist dat iedere gettobewoner die ze tegenkwamen zelfs buiten de diensturen een koosjere prijs was waar ze plezier mee konden maken of erger: waarop ze de kracht van hun trejfe hand konden beproeven, zoals bij het slingeren van een steen naar een stilstaand doel.

Ondanks zijn eigen verslagenheid was hij natuurlijk ook verbijsterd door wat hij zag als hij uit het raam keek en door wat hij hoorde van kennissen die bij hem op bezoek kwamen, al gebeurde dat niet vaak, omdat iedereen zo weinig mogelijk de straat opging, wat altijd riskant was, en ook door wat hij hoorde van degenen bij wie hij zijn kamertje huurde: mensen met verschillende voorgeschiedenissen, levenswijzen, gewoonten, rangen en standen en en inkomens, die uit allerlei plaatsen en stadswijken opeens in het getto bijeengedreven waren, mensen met verschillende opleidingsniveaus, zoals Pools-joodse aristocraten, rijken en iets minder rijken, die zich de eerste tijd verre hielden van de gewone joodse massa en zich niet neerlegden bij het lot dat allen verenigde in hetzelfde verdriet en in dezelfde smerige, bekrompen woonomstandigheden, maar die langzamerhand toch wenden en uiteindelijk aansluiting vonden en die zich uitten in allerlei vroeger onbegrijpelijke talen en klaagden als met één stem. ‘Co to będzie?! Wat gaat er gebeuren?!’ klaagden de Poolstaligen. ‘Wej, wej, sara oemglik af oendz ongesjikt! Ach, ach, wat een ongeluk overkomt ons!’ klaagden dan de joden die altijd Jiddisj spraken.

Want de realiteit deed verschillen teniet en verenigde allen in hetzelfde ongeluk, zonder enige uitzondering en zonder onderscheid dat genade zou vinden in de ogen van de bezetters, die het komende oordeel al boven alle hoofden lieten zweven, maar er voorlopig nog niets over loslieten.

Die kennis van ons had het al opgegeven om iets te ondernemen en aan de toestand te ontsnappen, anders dan mensen die jonger en ondernemender waren en het getto ontvluchtten om ongezien de oostgrens over te steken naar het grondgebied van de Sovjet-Unie, waar redding nabij was. Hij deed dat niet, omdat hij al oud was en absoluut niet tot zoiets in staat en vooral ook omdat het door zijn onverschilligheid en geestelijke slapheid voor hem allemaal op hetzelfde neerkwam.

Hij lag al hele dagen uitgestrekt op bed met zijn ogen op het plafond gericht, zonder te wachten op redding, die soms onverwacht kwam, en ook niet eens op hulp van de kehille, die door een gebrek aan middelen minder toeschietelijk geworden was en met veel vertraging werkte, en zo bleef hij dagenlang van hulp verstoken. Hij wachtte er niet op en keek er niet naar uit, omdat zijn behoefte geslonken waren en omdat hij toch al geen aanspraak op hulp dacht te kunnen maken: anderen hadden die meer nodig dan hij, omdat ze jonger, gezonder en hulpbehoevender waren en er dus meer recht op hadden.

Hij gaf niets meer om zichzelf en nauwelijks nog iets om zijn werk dat door het lot gespaard was gebleven; hij had besloten op bed te blijven liggen tot iemand hem vroeg om op te staan, tot een bezoeker hem kwam vertellen wat hij moest doen, als een oude man, als iemand die niets meer gaf om alles waar anderen zich met hun laatste krachten aan vastklampten.

En zo zei hij een keer tegen kennissen die rondom zijn bed stonden dat als de engel des doods zou komen om hem zonder plichtplegingen en gedoe te roepen, hij daar graag gehoor aan zou geven met volledige instemming en zonder een woord commentaar, integendeel: bedankt… God had gegeven, God had genomen en Zijn naam zij geprezen voor al het goede wat hij in zijn leven had genoten: de vele schoenen die hij versleten en koegels die hij gegeten had.

Gezien de situatie zeiden zijn kennissen maar niets terug, vielen hem niet in de rede en probeerden hem er niet van af te brengen, wat je anders doet als iemand zoiets zegt en je bent moedig genoeg om hem ervan te overtuigen dat hij ongelijk heeft en niet op de goede weg is. Nu gebeurde dat niet. Ze dachten zelf ook wel in die richting en vonden in stilte dat hij gelijk had.

Als je hem in die tijd opzocht, merkte je dat hij nogal vaak steelse blikken wierp op de verschoten en in de loop van de jaren grauw geworden foto’s op zijn tafel en je trof hem ook wel aan terwijl hij aan tafel over wat stoffige, half door water en vuur beschadigde bladen gebogen zat, en als hij dan iemand aan hoorde komen legde hij zijn werk gauw weg, alsof hij betrapt zou worden op een overtreding, iets verbodens, waarvoor je je moest schamen.

Het gebeurde vaak, vertelde de schrijver, dat hij niet in zichzelf mompelde, maar zelfs hardop praatte, zowel wanneer hij alleen was, als wanneer er anderen bij waren en er een gesprek gevoerd werd; dan sloot hij zich opeens af en zei dingen die daar niets mee te maken hadden, alsof er niemand in de kamer was die het kon horen.

Hij zag er toen al uit als een halve krankzinnige, die in helemaal in zichzelf gekeerd was… Je had het idee dat hij op iets heel belangrijks zat te wachten, als op erev-jontev, alsof hij klaarzat voor een bepaalde gast, die hem aan zou treffen met zijn uitgeteerde lichaam uitgestrekt op bed en die maar een handje hoefde te helpen om hem helemaal rustig te krijgen. Je kon dat duidelijk zien als hij midden in een gesprek vol verwachting naar de deur keek, alsof daar ieder moment degene kon verschijnen die als geroepen kwam.

De mensen bij wie hij de kamer huurde vertelden dat de huisgenoten die hem met het nodigste kwamen helpen hem soms aantroffen terwijl hij zich aankleedde om weg te gaan, alsof hij lang op iemand had zitten wachten en hem alvast tegemoetging, zonder erbij na te denken hoe gevaarlijk het was op straat, zeker voor mensen als hij, die zo kwetsbaar waren bij een willekeurige confrontatie of de minste geringste duw. Je moest hem daaraan herinneren om hem af te brengen van wat hij in zijn ernstige verstrooidheid besloten had, op een moment dat hij blijkbaar niet meer wist wat voor noodsituatie er heerste.

En voor we hier overgaan tot het vertellen van wat er op straat met hem gebeurde toen hij geconfronteerd werd met de bezetters, zeggen we eerst dat dat nog niets was vergeleken met wat die bezetters later presteerden.

Hij was op straat nog maar een paar huizen verder of hij stuitte op een groep bezetters, gewone soldaten met voorop iemand die hun commandant bleek te zijn.

Het ging zo: toen zij hem zagen in zijn vreemde kleren, met dat smalgerande hoedje, dat hij altijd op de kop tikte in de uitverkoop van de hoedenwinkel, en met de jas, die hij al vaak had verwisseld voor een nieuw exemplaar van dezelfde snit, waarmee hij er nu uitzag als een aftandse, uitgediende acteur, met de verwarde bos haar rond zijn verder kale hoofd en zijn holle wangen, vel over been, en zijn ogen, die half dicht zaten door de ouderdom en ook door het lange thuiszitten zonder buiten te komen, toen ze hem zagen, bleef de hele groep staan om een grapje met hem uit te halen, want ze voelden dat hij iemand was die net voor dat beetje vrolijkheid kon zorgen dat zo’n gezelschap nodig had op de wandeling na een stevige maaltijd, of ze hadden gewoon zin in een lolletje.

De commandant liep op hem af, ging vlak voor hem staan en zei:

‘Wie ben jij, vleermuis?’

‘Ik?’ zei die kennis van ons, die zag wat voor iemand hem staande hield om hem recht in zijn gezicht uit te schelden, en hij antwoordde, alsof de vraag serieus bedoeld was.

‘Ik ben een schrijver.’

‘Zozo, een schrijver dus,’ zei de commandant, die als een ontwikkeld man het woord genomen had namens de hele groep en het gesprek ook namens hen voort zou zetten. ‘En eh, nooit clown geweest? Nooit in een circus opgetreden?’

‘Nee,’ zei die kennis van ons.

‘Dan doe je dat nú!’

‘Hoe bedoelt u?’

‘Ik bedoel kopjeduikelen, capriolen maken en het brandende lampje in de reet van je clownsbroek laten zien.’

‘Hoe bedoelt u, meneer de officier?’ vroeg die kennis van ons, terwijl hij niet-begrijpend zijn schouders ophaalde. ‘Dat kan ik niet, zo iemand ben ik niet…’

‘Schiet op! En als je dat niet kunt, dan leren wij het je wel!’ De woede in de ogen van meneer de officier ging over op zijn gezicht en van daar naar zijn rechterhand, die hij uitstrekte naar het gezicht van die kennis van ons.

Heel rustig pakte hij hem met twee vingers bij zijn rechteroor en begon dat zwijgend, zonder een woord naar beneden te trekken, net zolang tot het hoofd van onze kennis en zijn hele lichaam mee moesten buigen en meegeven, omdat ze tussen zijn vingers klem zaten als in een ijzeren tang.

Hij trok net zo lang tot de mond van de ander het trottoir raakte waarop de soldaten stonden en zei toen:

‘Buk maar voor de Nationalgenossen.’

Omdat dat nog niet genoeg was, sleepte hij hem naar de rand van het trottoir, waar smerig gootwater stond of stroomde en dwong hem zijn mond, zijn gezicht en ogen tot aan zijn voorhoofd daarin onder te dompelen.

Omdat het nog steeds niet genoeg was dat de ander zo gebukt stond en vernederd en te schande gemaakt werd, trok de commandant om zijn onbeschaamdheid te bekronen het achterpand van de jas van onze kennis, trok het omhoog tot over diens hoofd en keerde zich vervolgens naar zijn kameraden, de soldaten, die het spel de hele tijd hadden bekeken en zei:

‘Kijk, Nationalgenossen, kijk en vertel me dan maar of het brandt of niet.’

‘Nee, het brandt niet…’ schreeuwden ze om het spelletje mee te spelen, terwijl ze keken waar de commandant wees en hinnikten van het lachen.

‘Nee? Wacht maar!’

En toen gaf de commandant die kennis van ons met de harde en scherpe punt van zijn laars, bepaald niet op een prettige plaats en al helemaal niet op een fraaie plaats, een soort trap die inderdaad brandde, niet als een klein lampje, maar als een grote lamp, en ook niet daar waar de commandant zijn kameraden gewezen had, maar in de ogen van die kennis van ons, die plotseling opflitsten en daarna helemaal donker werden, en toen viel hij, omgehakt, verdoofd, verblind en zeker niet meer in staat om op te staan.

Ja… En toen ze weg waren, klaar met hun fijne karweitje, zonder dat de omstanders iets hadden kunnen zeggen of hadden kunnen protesteren, omdat ze bang waren zich ermee te bemoeien of zelfs maar dichterbij te komen, toen ze weg waren, raapten omstanders onze omgerolde en bewusteloze kennis op en droegen hem naar zijn huis, naar zijn kamer op de bovenste verdieping om hem daarna als een zwijgende, bleke en halfdode op zijn bed te leggen…

Hij lag met zijn ogen dicht en zei geen woord, niet tegen de huisgenoten die toegesneld waren om hem te helpen en ook niet tegen zijn vrienden en kennissen die het verhaal te horen hadden kregen en bij zijn bed gekomen waren.

Hij wilde de eerste dag niet eten en daarna ook niet, en als ze eten kwamen brengen maakte hij een afwerend gebaar en liet het weer terugnemen. Er mocht ook geen dokter komen en weer gebaarde hij van nee, het is niet nodig.

Als hij nu wel een keer zijn ogen opendeed, zagen ze dat hij niet zoals vroeger naar de deur keek, maar naar het raam, en wat hem daar trok, dat wisten ze niet.

Hij wachtte nu niet meer op de gast naar wie hij de eerste dagen na de bovengenoemde gebeurtenis had uitgekeken; blijkbaar had hij besloten die gast de moeite te besparen.

De mensen bij wie hij zijn kamer huurde vertelden dat hij zich de nacht voor hij zijn besluit ten uitvoer bracht zelfs het bed uitgesleept had om lang rond te lopen met dromerige voeten, als een slaapwandelaar die geleid wordt door een vreemde kracht. Hij had die avond, vertelden ze ook nog, weer iets “gezegd” en ’s nachts gezongen.

En ’s morgens was het gebeurd.

Wij waren er niet bij, maar denken dat het ongeveer zo gegaan is: hij had eerst schoon ondergoed aangetrokken, want je zag het vuile ondergoed nog op een stoel liggen. Hij had zich aangekleed alsof hij de deur uitmoest en zijn jas aangetrokken. Daarna was hij met zijn gezicht naar de tafel gaan staan om te kijken naar de twee fotootjes die daar lagen en daar zwijgend afscheid van te nemen, of – of, of met een traan, of stijf bevroren.

En toen haalde hij de restanten van zijn werk uit de la, ging ermee naar het raam, deed het open en begon eerst losse bladen en daarna stapels aan te steken om ze brandend weg te gooien. Direct daarna klom hij op het raamkozijn en bleef daar even zitten. Kort daarop hoorden mensen op straat of op het trottoir aan de overkant een kreet, waarvan ze misschien de woorden hadden kunnen verstaan: “Het was, het is en zal zijn”, de kreet die hij in zijn verwarring als een soort Sjma Jisroël voor zijn dood had geroepen. Maar duidelijk hadden ze het niet kunnen horen, het leek eerder een kreet als van een vogel die onder een wiel verpletterd wordt. En toen, tegelijk met die kreet, zagen ze plotseling van een hoge verdieping, uit het raam van de kamer van onze kennis, tegelijk met brandende vellen die uit het raam alle kanten op vlogen, plotseling iets zwaars en duizelingwekkends vliegen als iets wapperends met zeilen, een ding, een mens of een vogel, maar meteen begrepen ze dat het ding geen ding was en de vogel geen vogel, want – een mens die al geen mens meer was smakte met zijn volle gewicht op het trottoir, waarbij zijn hele lichaam verpletterd werd… Ze schreeuwden, grepen naar hun hoofd, liepen hard weg, maar kwamen toen weer dichterbij en gingen rond de gevallene staan.

Daar lag die kennis van ons, uiteengevallen, weggerold, als een dode ter aarde, in stukken, in zijn kleren, met de jas die hij altijd zo graag gedragen had en waarvan hij zelfs in de dood niet kon scheiden.

En toen de schrijver en andere bekenden van die kennis van ons hoorden wat er gebeurd was en niet meteen, maar later op die dag naar de plaats gingen waar hij gevallen was, vonden ze hem daar niet meer, omdat hij al weggebracht was en het enige wat ze nog konden doen was de losse bladen bijeenrapen die brandend alle kanten uitgevlogen waren, waarvan de meeste al door anderen, omstanders en voorbijgangers, uit pure nieuwsgierigheid waren opgepakt. Er was niet veel meer en er bleef heel weinig voor hen over. En wat ze nog gevonden hadden bracht de schrijver, toen hij bij ons kwam, mee om het me te laten zien; ik herkende het handschrift van die kennis van me en begon toen aan het werk dat ik de lezer hier presenteer. Ter ere van zijn nagedachtenis!

Moskou, februari 1944

Majn bakanter (“Een kennis van me”). Uit: Dertseiloengen oen esejen (“Verhalen en essays”), Jidisjer Koeltoer Farband, New York, 1957, pp. 124-154.

 

Der Nister, “de verborgene”, was het pseudoniem van de Jiddisje schrijver Pinches Kahanowitsj (1884–1950). Hij werd geboren in Berditsjev in Oekraïne, verbleef lang in het buitenland en keerde in 1926 terug naar de Sovjet-Unie. Toen politieke druk het hem onmogelijk maakte om nog langer verhalen te schrijven in zijn fantastisch-symbolistische stijl, begon hij in de jaren 1930 aan een roman die tot op zekere hoogte beantwoordde aan de normen van het socialistisch-realisme. Van deze roman, Di misjpoche Masjber (“De familie Masjber”), verscheen deel I in Moskou (1939), maar deel II kon alleen in New York gepubliceerd worden (1948) en er is vermoedelijk een deel III geschreven, dat echter spoorloos is. De familie Masjber speelt in de jaren 1870 in een stad gemodelleerd naar Der Nisters geboorteplaats en behandelt de ondergang van een familie. In deze website zijn al zijn verhalen uit de jaren 1940 opgenomen, die voor het eerst in het Nederlands zijn vertaald. Ze schilderen op een subtiele manier vele aspecten van de jodenvervolging in het door Duitsland bezette Polen en Rusland, waarbij ze volgens getuigen gebaseerd zijn op historische gebeurtenissen. De meeste verhalen verschenen in de Verenigde Staten en pas lang na Der Nisters dood in de Sovjet-Unie, echter in een sterk gecensureerde versie, waaruit veel joods-religieuze elementen verwijderd waren. In het kader van de officiële liquidatie van de Jiddisje cultuur – in de nacht van 12 augustus 1952 zouden twaalf belangrijke Jiddisje auteurs vermoord worden – werd Der Nister in 1949 gearresteerd en naar een concentratiekamp gedeporteerd, waar hij in 1950 overleed.

 

Woordenlijst

 
Abraham Ibn Ezra (ca. 1089-ca. 1164), joods dichter en wetenschapsman in Andalusië.

Appianus (2e eeuw), Grieks geschiedschrijver.

Chamberlain, Houston Stewart (1855-1927), Brits-Duits schrijver en antisemiet.

Drumont, Édouard (1844-1917), Franse antisemitische journalist.

Elohei avi Adonai ezri, De God van mijn vader is mij te hulp gekomen (Exodus 18:4).

erev-jontev, de vooravond van een feestdag.

Gabirol, Salomo ben Jehoeda (ca. 1020-ca. 1057), joods dichter en filosoof in Andalusië.

Jehoeda Ha-Levi (voor 1075-1141), joods dichter in Andalusië.

kehille, joodse gemeente.

Mozes Ibn Ezra (ca. 1070-1139), joods dichter en filosoof uit Andalusië.

olehasjolem, hij ruste in vrede.

Philo van Alexandrië (ca. 20 voor de jaartelling-ca. 50), joods filosoof in Egypte.

Sjma Jisroël, Luister Israël, (de Eeuwige is onze God, de Eeuwige is Één!)

Stoecker, Adolf (1835-1909), protestants theoloog en antisemiet in Duitsland.

trejfe, niet-koosjer, onrein.

Zola, Émile (1840-1902), Frans schrijver en verdediger van Alfred Dreyfus tegen de antisemieten.