De woordenboekschrijver

woordenboek

 

Er was eens een geleerde die schreef aan een reusachtig woordenboek. Hij werkte in het paleis, want de opdracht was hem verleend door de koning. Die wilde een boek met alle woorden die in zijn koninkrijk bestonden. Niet om te lezen. Nee, eerder om de heb.

De woordenboekschrijver was nog niet eens op de helft. Toch had hij al elf dikke delen geschreven: de A, de B, de C, de D, de E, de F, de G, de H, de I, de J en de K. Alles was geschreven op perkament en gebonden in het fijnste kalfsleer. De enige in het hele koninkrijk die het woordenboek las was de woordenboekschrijver zelf. Alle andere mensen gebruikten de woorden van A tot en met K zonder ze ooit op te zoeken. ‘Waar halen de mensen de woorden vandaan?’ vroeg de woordenboekschrijver zich soms af, als hij eenzaam in zijn kamer zat te pennen. Maar hij kreeg nooit antwoord, omdat er niemand was om antwoord te geven. Hijzelf haalde zijn woorden uit andere boeken, zoals kronieken met de heldendaden van de negenendertig voorvaderen van de koning. De woordenboekschrijver ging nooit de straat op om nieuwe woorden te zoeken. Want hij had zijn tijd hard nodig voor het schrijven van deel twaalf, de L. Hij had “Leven” af en wist daar dus alles van. Nu moest hij beginnen aan “Liefde”. Om goed voorbereid te zijn nam de woordenboekschrijver zijn eerste deel ter hand om “Aanhankelijkheid” te zoeken.

Tot zijn ergernis zag hij dat het schutblad van deel een was losgeraakt. Meteen dacht de woordenboekschrijver aan de werkster, de enige buitenstaander die wel eens in zijn studeerkamer kwam. Ze las nooit in het woordenboek. Daar had ze het druk voor en bovendien kon ze niet lezen. Maar misschien had ze het eerste deel bij het afstoffen onvoorzichtig behandeld. De woordenboekschrijver was juist van plan het schutblad vast te plakken, toen hij een ontdekking deed. Op de achterkant stond een woord! Het was het zelfstandig naamwoord Liefde, voorafgegaan door het tussenwerpsel O. De woordenboekschrijver werd zo nieuwsgierig, dat hij het schutblad niet vastplakte, maar verder lostrok. Wat daar tevoorschijn kwam was meer dan een woord. Het was een hele regel:

O Liefde die mij slaat met stomheid,

Maar dat was het handschrift van de onsterfelijke hofdichter, die al jaren dood was! De hofdichter, die bekend had gestaan om zijn dichterlijke vrijheid. Hoe kwamen zijn woorden onder het schutblad terecht? Voordat hij daarover nadenken kon, deed de woordenboekschrijver een tweede ontdekking. Onder de regel had de hofdichter geen tweede regel geschreven, maar eigenhandig een tekening gekrabbeld van een vrouw. Het was een onbekende vrouw, die met haar lichaam het hele schutblad onder de regel vulde. Beduusd sloeg de woordenboekschrijver zijn woordenboek dicht. Wat een vreemde gedachte, dat er al die jaren een vrouw in zijn eerste deel verborgen had gezeten, geplakt tussen band en schutblad! Hij sloeg het woordenboek open en keek opnieuw. Eerst naar de tekening en vervolgens naar de regel. En omdat hij nooit een leesteken over het hoofd zag, merkte hij de komma aan het einde van de regel op. Er was dus meer. De woordenboekschrijver begreep dat het vervolg van het liefdesgedicht op de schutbladen van de volgende delen van zijn woordenboek stond. Hij moest die allemaal voorzichtig lostrekken en het gedicht overschrijven. Maar eerst de koning op de hoogte brengen van zijn ontdekking. Dan zou hij niet alleen beroemd worden als de schrijver van het wetenschappelijke woordenboek, maar ook als de kenner en ontdekker van grote poëzie!

De koning was enthousiast over het gedicht en bijzonder benieuwd hoe het afliep. Hij noemde het gedicht en vooral de tekening grensverleggend. En toevallig had juist het verleggen van grenzen zijn grote belangstelling. Onmiddellijk gaf hij zijn ceremoniemeester opdracht het paleis in gereedheid te brengen voor een poëziefestival met de beste wijn, de welluidendste muziek en de mooiste vrouwen uit het koninkrijk. Op het hoogtepunt van het festival zou de woordenboekschrijver het liefdesgedicht van de onsterfelijke hofdichter voordragen.

Terug in zijn studeerkamer pulkte de woordenboekschrijver vol verwachting het schutblad van zijn tweede deel los. Wat hij vond waren klodders stinkende beenderlijm. Geen spoor van de tweede regel van een liefdesgedicht. Hij pakte het derde deel en trok daarvan het schutblad los. Geen woord. Met heftige rukken trok hij al zijn delen aan flarden.

Niets!

De woordenboekschrijver besefte dat hij op het poëziefestival met zijn mond vol tanden zou staan en als woordenboekschrijver ontslagen zou worden. Er zat maar één ding op: het liefdesgedicht zelf afmaken. Wat “Gedicht” betekende wist hij precies: dat stond onder de G in deel zeven. “Liefde” was lastiger, want dat kwam nog niet in zijn woordenboek voor. Hij sloeg al zijn delen op om woorden te zoeken die met “Liefde” te maken hadden. “Aanhankelijkheid”, las hij, was een eigenschap van honden, dus geen woord voor een gedicht over een vrouw. Bij “Aantrekkingskracht” las hij iets over magneten waar hij voor het liefdesgedicht niet direct iets aan had. Het “Hart” in deel acht was een spier die bloed door het menselijk lichaam pompte. En zijn woordenboek noemde “Geluk” het gevoel van een schrijver bij de voltooiing van een woordenboek. “Liefde”, “Liefde” had hij nodig. Dat hij daar nog niet aan toe was in zijn woordenboek! Hij speurde in de aantekeningen voor de woorden met de L, maar raakte in de ontelbare losse blaadjes de weg kwijt.

Toen besloot hij woorden te zoeken die rijmden op de eerste regel. Dat was moeilijk, want in zijn eigen woordenboek stonden de woorden op een rij naar hun eerste letters en niet naar hun laatste. O Liefde die mij slaat met stomheid,

De woordenboekschrijver pakte zijn geruïneerde elf delen van A tot en met K en begon woorden te zoeken die rijmden op stomheid. Hij vond “Arbeid”, maar dat woord paste niet in een liefdesgedicht. “Bedenktijd” kon hij niet gebruiken. Of juist wel, maar niet in het gedicht. “Bedtijd”. Ook niet van toepassing. “Blindheid”. “Doofheid”. “Gekheid”. “Hooimijt”. “Huisvlijt”. “Kaalheid”. “Kaasmijt”. “Leertijd”. Ondanks zijn jarenlange ervaring in het schrijven lukte het hem niet ook maar één nieuwe regel te bedenken.

Er bleef hem niets anders over dan wachten tot het avond werd, om dan naar donkere plekken te gaan en te wachten tot hij nieuwe liefdeswoorden hoorde. In één nacht moest hij klaarkomen met het gedicht, want morgen was het poëziefestival in het paleis. De woordenboekschrijver trok de dikke winterjas aan met de ruime zakken en stak een ganzenveer bij zich, een inktkoker en papier. Hij sloop naar de donkerste steegjes en bosjes van het koninkrijk om liefdespaartjes af te luisteren. Het was koud en hij huiverde aan één stuk door. Overal hoorde hij nieuwe woorden en die schreef hij onmiddellijk op. Dat moest in het donker op gevoel. Toch lukte het wel, want de meeste woorden hadden maar een letter of drie. De juiste betekenis was hem niet altijd duidelijk, maar hij durfde niet tevoorschijn te komen om vragen te stellen. Voor het hooggestemde liefdesgedicht had hij er trouwens niets aan. Bij het laatste liefdespaartje hoorde hij een woord dat alleen uit de letter A bestond en niet in zijn woordenboek voorkwam. De woordenboekschrijver schrok er zo van, dat hij zijn inktkoker omstootte en zijn papier bevlekte. Het werd de zwartste bladzij in zijn wetenschappelijke loopbaan.

Ondanks zijn slechte nacht stapte de woordenboekschrijver redelijk gerust de grandioos versierde feestzaal van het paleis binnen. In zijn binnenzak had hij de zeven woorden van het liefdesgedicht, en dat was voor een poëziefestival wat weinig. Maar in zijn hoofd zat een enorme woordenschat, waarin hij onder druk van de omstandigheden de juiste woorden wel zou vinden.

Toen het slotakkoord van de feestmuziek geklonken had, gaf de koning een teken dat de voordracht kon beginnen.

De woordenboekschrijver stond op, hief zijn arm en sprak: ‘O Liefde die mij slaat met stomheid,’ Hij hield zijn ganzenveer in zijn hand, alsof híj de prachtige aanhef van het liefdesgedicht geschreven had.

Er viel een stilte in het poëziefestival. Alle ogen richtten zich op hem.

De woordenboekschrijver haalde diep adem. Hij slikte. Zijn hart begon te bonzen. Het zweet brak hem uit. Toen zakte zijn arm als verlamd. De ganzenveer viel op zijn punt en hijzelf viel op zijn knieën voor de koning.

Van achter een gordijn zag de werkster wat er gebeurde. Ze kreeg medelijden met de woordenboekschrijver, bij wie ze al jaren de studeerkamer schoonmaakte. Ze had zijn woordenboeken nooit ingekeken, maar wel trouw afgestoft. En altijd was haar opgevallen hoe koud de woordenboekschrijver het had, als hij daar in zijn eentje zijn vingers blauw zat te pennen. De werkster wilde een goed woordje voor de geleerde doen. Ze sprong achter het gordijn tevoorschijn, zwaaide met haar stofdoek en viel voor de koning op de knieën, naast de woordenboekschrijver. ‘Sire! Ik heb het liefdesgedicht zoekgemaakt! Ik heb de studeerkamer van de woordenboekschrijver opgeruimd en per ongeluk woorden weggegooid! Dat komt, ik kan niet lezen, sire, vergeef me…’

“Vergeving” kwam niet voor in het woordenboek van de koning. Hij liet de werkster met de woordenboekschrijver in de boeien slaan. Ganzenveer en stofdoek werden hun afgenomen.

Hoe moet dat nu met “Liefde” tot en met “Zwoelte”? piekerde de woordenboekschrijver, terwijl hij door zwaargewapende wachters de feestzaal werd uitgeleid. Maar voor hij het probleem wetenschappelijk kon aftasten, werd hij geraakt door het lichaam van de werkster, die niet alleen met dezelfde letter begon als hij, maar nu ook aan hem vastgeklonken zat. Voor het eerst in zijn leven kreeg hij het warm. En hij voelde iets waarvoor hij nog geen woorden had.

 

Eerder gepubliceerd in Trefwoord: Jaarboek lexicografie 1997-1998. Den Haag, Sdu Uitgevers.