De wolf, een kroniek

1280-sheep-heart-monitor-wolf-attack-population-growth

 
 

H. Lejvik

 

1

… En het was op de derde ochtend;
Toen de zon in het oosten opkwam,
Was er van de hele stad al geen spoor meer te bekennen.
 
En de zon steeg al hoger en hoger,
Tot ze het hoogste punt van de hemel bereikte
En haar stralen de ogen van de rebbe ontmoetten.
 
En de rebbe lag op een berg as en stenen,
Met samengeperste lippen en starende ogen,
En in zijn ziel was het stil en duister en verder niets.
 
En toen zijn ogen de warme stralen voelden,
Gingen ze wijd open en keken en keken,
Tot zijn lichaam begon te bewegen en opstond.
 
En toen de rebbe was gaan staan en zag
Dat hij als enige overgebleven was in een uitgemoorde stad
Zonder sjoels en zonder joden en zonder zijn vrouw en kinderen –
Wist de rebbe niet wat hij moest doen.
 
Hij stond daar te piekeren en zich af te vragen
Waarom ze hem hadden overgeslagen en in leven gelaten.
 
En hij spande zijn ogen en oren in
Om te zien of er iemand onder het puin vandaan kroop
En om te horen of er een schot klonk, om daar dan heen te gaan.
 
Maar vergeefs spande hij zijn ogen en zijn oren in,
Want er kwam niemand onder het puin vandaan
En nergens was ook maar een schot te horen.
 
En hij spande zijn ogen en oren nog meer in
Om tenminste een glimp te zien van de overwinnaars: –
Maar ook de overwinnaars waren nergens te zien. –
Ashopen, schoorstenen, smeulende vuren,
Stilte – en verder niets.
 
Hij stond daar en het was een moeilijke toestand,
En hij wist nog steeds niet wat hij moest doen.
 
De rebbe verroerde zich en kwam van zijn plaats
En zocht met zijn handen in de hopen as
Om tenminste nog de resten van de omgekomenen te vinden
En die een joodse begrafenis te geven.
 
Maar vergeefs was zijn zoeken in de hopen as,
Want geen spoor van een mens was er te vinden,
Want alles was as en kolen en verder niets.
 
De rebbe ging zitten op een omgevallen schoorsteen
En deed zijn schoenen uit en wilde klaagliederen zingen –
Maar hij kon niet op de woorden van de liederen komen.
 
En toen hij voelde dat hij alle woorden vergeten was,
Kreeg hij een oprisping diep vanuit zijn maag;
En toen de oprisping er niet uit kon komen
En bleef steken in zijn samengeknepen keel –
Wist de rebbe niet meer wat hij moest doen…
 
Toen de nacht de verwoeste stad
Kwam toedekken met een diepe duisternis,
Stond de rebbe op van de schoorsteen
Waarop hij gezeten had,
Keerde zich met zijn gezicht naar het westen
En begon op kousenvoeten te lopen
Op de brede landweg die leidde naar het bos.
 
De brede landweg was bedekt met allerlei rommel,
met geweren en met petten en gebroken wielen,
En de aarde was omgewoeld en vertrapt
Door kogels en door granaten,
Door paardenhoeven en soldatenlaarzen,
En naast de weg en boven de weg –
Duisternis en stilte en verder niets.
 
En toen de rebbe een paar mijl gelopen had,
Stak er een koude wind op uit het noorden,
En de rebbe voelde een diepe vermoeidheid in zijn lichaam
En een kou in al zijn botten.
 
De rebbe ging zitten op de grond om uit te rusten,
En daarna strekte hij zich uit, midden op de weg,
Met zijn ogen gericht op de hemel.
En de hemel was hoog en diep en bezaaid
Met myriaden sterren.
 
En terwijl de rebbe daar lag te kijken,
Begonnen de myriaden sterren
Van hun plaats te komen en te draaien
En elkaar te snijden en elkaar te slaan
En elkaar te splijten,
Tot ze verslonden werden door de duisternis.
 
En toen de rebbe zag hoe ze doofden,
Deerde hem dat niet en hij bleef kijken.
En toen één ster, de laatste, zich verzette
En niet gedoofd wilde worden,
Stak de rebbe zijn rechterhand uit
En wees omhoog met een vinger.
Hij wees zo lang met zijn vinger, dat de ster
Groen werd en geel en rood
En nog steeds niet gedoofd wilde worden.
 
De rebbe liet zijn rechterhand zakken
En hield die voor zijn ogen,
Want de laatste ster kon hem niet meer schelen.
En zijn hand lag op zijn ogen,
Totdat die op de grond gleed,
Want zijn oogleden werden zwaar van de slaap.
 
En toen hij begon in te dommelen,
Drong het tot hem door dat hij nog niet gebeden had,
Geen middaggebed en geen avondgebed en geen gebed voor het slapengaan;
En hij ging zitten om te gaan bidden –
Maar hoe je moest bidden was hij vergeten.
 
En toen hij merkte dat hij ook het bidden vergeten was,
Kwam er een tweede oprisping diep vanuit zijn maag,
En toen de oprisping er weer niet uit kon komen
En bleef steken midden in zijn keel –
Hield de rebbe het niet meer uit.
En hij sprong op en zette het op een lopen
Steeds verder en verder op de brede landweg.
 
De panden van zijn kaftan
Fladderden als twee zwarte vleugels,
En de wind blies de bonthoed van zijn hoofd,
En het zand trok de kousen van zijn voeten,
En zo, blootshoofds en barrevoets,
Verdween hij eensklaps in het duister
Van het grote, veertig mijl diepe bos.
En zijn brein werd daardoor ineens aangestoken
En opende zich in twee poorten,
En zijn ogen werden vervuld van een groot licht,
En hij zag het veertig mijl diepe bos
Door en door van de ene hoek tot de andere.
 
En toen hij het bos door en door zag, –
Verdroeg zijn oog niet langer
Het grote licht van de veertig mijl diepe ruimte,
En hij stootte de laatste stoten lucht uit
En zijn lijf ging naar de grond van verlangen,
En de eerste keer die hele dag
Perste zich uit zijn verstikte keel
Een hese kreet, de echo van een klank,
En een ogenblik later – dacht hij –
Zou het echte schreeuwen komen…
 
En hij viel met zijn voorhoofd tegen een boom,
En stootte en scheurde uit zijn ingewanden,
Slaand met beide handen op zijn borst,
Het niet geuite geschreeuw van zijn verlangen.
 
En hij wilde dieper het bos in lopen,
En toen hij de grens over ging
Voelde hij hoe zijn voeten werden gegrepen
En verstrikt in dicht prikkeldraad.
 
En voor hij zijn voeten los kon trekken
Vingen netten zijn hele lijf
En gooiden hem neer op handen en voeten,
En trokken hem en sleepten hem en rolden hem
Op en neer, door kuilen en over uitstekende boomwortels,
En scheurden stukken van zijn kleren,
En daarna – toen de kleren al waren gescheurd –
Stukken huid van zijn naakte lijf.
 
En toen de rebbe zag dat hij spiernaakt was,
Ging er een vreemde glimlach over zijn gezicht,
En er kwam scherpte over zijn tanden,
En er liep zoutig speeksel over zijn tong,
En zijn onderlip begon te hangen.
 
En toen hij het zoute speeksel spuwde uit zijn mond –
Begonnen dunne haartjes op te komen
Uit zijn hele huid, uit te steken en te groeien,
En zich neer te leggen in rijen en rijen,
Op de ene plek glad en op elkaar,
Op de andere plek stug en rechtop.
 
En toen de rebbe in zijn huiver
Zijn ogen wilde bedekken met zijn hand –
Zag hij hoe zijn vingers aaneengroeiden
En zich oprolden en zich puntten
Tot lange, gebogen, harde nagels;
En op zijn rug had hij het gevoel of iemand
Een stevige hoepel legde en samensmeedde
Zijn nek en zijn afhangende schouders.
En zijn oren begonnen langer te worden en om te vallen,
En zijn tong in zijn mond zwiepte van onder zijn gehemelte,
En rolde zich op en schoot naar voren tussen zijn tanden,
En gleed naar buiten en werd langer en langer,
En zijn ogen begonnen te bollen
En draaiden onder zijn oogleden als ronde wieltjes,
En werden groene, vorstige vuren.
 
En weer zag hij een veertig mijl diep bos
Door en door, van de ene kant naar de andere,
En zijn adem begon te jagen
In nieuwe, hete, pasgeboren stoten
En hij sprong op handen en voeten
Met een spitse rug met wilde haren
En vrat met zijn ogen de duisternis op.
 
En alsof alle ingewanden zich los wilden scheuren uit zijn buik,
Zo ging er een derde oprisping naar zijn keel
En bleef niet meer steken in zijn strot,
En een wild gebrul ging door het bos,
Steeds hoger en hoger en huilender,
En een flinke sprong volgde op het gebrul –
Een sprong die eruitzag als een halve boog.
 
En toen het bos het woeste gebrul hoorde
En de flinke sprong van een beest –
Hield het een ogenblik zijn stormachtige adem in;
En een ogenblik later liet het bos
De storm nog verder woeden,
En dieper en dieper trok het naar zich toe,
En scheurde aan stukken en smakte
En pakte terug en nam in zich op
Het wilde, brullende huilen.
 
En er was storm en duisternis en verder niets.

 

2

En er kwamen in de stad
joden, verdreven uit andere streken,
En ze begonnen de verwoeste huizen te herbouwen,
En allereerst de grote sjoel,
Omdat van de grote sjoel nog halve muren overeind stonden,
En omdat het aantal nieuwe joden nog klein was
Hadden ze nog niet meer dan één sjoel nodig.
 
En toen de sjoel klaar was met ramen en deuren,
Plaatsten ze in de heilige ark de Toirerol,
De enige Toirerol die gered was
En die ze uit hun eigen streek hadden meegenomen.
 
En tot diep in de nacht na het avondgebed
Bleven ze in sjoel en verheugden zich.
En hun vreugde was gemengd met verdriet,
Want ze hadden nog geen eigen rebbe,
En nog groter was hun verdriet,
Omdat geen jood uit hun vroegere woonplaats
Nog was teruggekeerd naar zijn huis.
 
En terwijl ze zich verheugden –
Begonnen ze ineens te beven,
Want ze wisten niet wat ze hoorden,
Een vreemd gehuil, ergens in de verte.
 
En toen ze verstomden en hun oren spitsten –
Werd hun angst nog groter,
Want ze hoorden nu ook hoe van heel ver weg
In de sjoel naar binnen drong
Het langgerekte huilen van een dier.
 
Eerst boos en grommend, als in een stuiptrekking,
En dan dun en wanhopig, als het huilen
Van een hond die zijn hart openscheurt voor de maan,
En ten slotte steeds stiller snikkend,
En herinnerend aan het huilen van een mens.
 
En toen de joden de sjoel uit liepen
En luisterden in de duisternis van middernacht –
Hoorden ze niets anders
Dan het kloppen van hun eigen harten,
En het ruisen van de verschroeide bomen,
Die omhoog staken tussen de ruïnes
En in de nacht hun laatste blaren lieten vallen –
Want het was al herfst op aarde.
 
En de joden gingen zwijgend
En haastig naar hun huizen.
En ze dachten dat degene die gehuild had
Verborgen lag onder een muur of een schoorsteen
En zich met opzet stil hield, omdat hij lag te loeren
Om straks tevoorschijn te springen en aan te vallen…
 
En toen de joden zagen hoe aan de hemel
Opeens, als uit een kelder, de maan naar buiten kroop
En de verten achter de ruïnes aan het licht bracht
Tot aan de ronde wanden van de dichte bossen
Die de stad aan alle kanten omsloten, –
Zagen ze de naaktheid van de straten
En dat de ruïnes niet de hunne waren,
Want hier waren ze vreemden.
 
En toen ze al in hun huizen waren,
Bleven ze nog lang in het donker staan
En keken angstig door de ramen
Hoe het bleke schijnsel van de maan nog meer verbleekte,
En hoe de kieren in de ruïnes opengingen…
 
En zo angstig vielen ze vervolgens in slaap.
 
En de maan keerde haar gezicht van de stad af
En de kieren in de ruïnes sloten zich weer;
En de schoorstenen en de hopen as
Werden weer schoorstenen en hopen as.
 
En de schaduwen die waren opgestaan
En zich hadden opgericht met uitgestrekte nekken
Vielen weer neer in de kieren van de ruïnes
En bleven liggen zoals doden horen te liggen.
 
Intussen stond de maan al ver boven het bos
En zeefde zich door de takken en keek
In de groene ogen van de wolf,
Die daar lag, gekweld door het huilen.
En de ogen van de wolf kaatsten het licht
Met hun groenheid terug in het hart van de maan,
En aan de takken van de bomen bleven hangen
In elkaar gehaakte stralen,
Die dropen van bloed van wit en groen…
 
En de maan liet op de takken achter
Haar opgehangen dode stralen,
En verdween haastig achter het bos.
En de stralen bleven hangen tot
Ze begonnen los te scheuren van hun galgen,
En ze vielen een voor een in de nek van de wolf,
En priemden door zijn vel tot in zijn merg,
En herinnerden hem aan iets aangenaams en lichts…
 
En de wolf deed zijn ogen half dicht en rondde zijn rug
Als een hoepel, met zijn kop naar zijn achterpoten,
En zich nestelend in zijn eigen vel, glimlachte hij in zichzelf.
 
En het bos was dicht en ondoordringbaar,
En alleen de toppen van de bomen golfden van boven
En maakten de duisternis beneden nog dieper.
 
En opeens sprong de wolf op,
Met zijn ogen gericht op het westen,
Want de wind uit het westen voerde naar zijn neusgaten
Dezelfde geuren die hij bespeurd had bij het vallen van de nacht,
En die hem in de schemering duizelig en draaierig hadden gemaakt,
Doordat de storm alle winden dooreen woei.
 
En de neusgaten van de wolf trilden van scherpte
En vreugde beroerde zijn snorharen,
En zijn tanden knarsten en beten
Op elkaar tot in het tandvlees, –
 
En de stilte werd verstoord, en ring voor ring
Rolde ze van de ene kant van het bos naar de andere,
Tot alle vaten in de bomen sprongen
En ontploften in de wirwar
Van de triomfkreten van de wolf…
 
En de bladeren en de wortels en de sporen in het bos
Werden opgewerveld en geplukt onder de nagels
Van de jachtige tred van de wolf…

 

3

En het was in de ochtend, toen de joden
Uit de sjoel kwamen na het bidden,
En toen in hun harten nog het schallen klonk
Van de sjoifer van Ellel, en in hun ogen
Nog de angst van de nacht te lezen was, –
Zagen ze hoe op de brede landweg
Met haastige pas een jood naar de sjoel kwam gelopen,
En ze stonden allemaal klaar om hem te ontvangen.
 
En toen ze zagen dat de vreemdeling gekleed was
In een zijden jas en de bonthoed van een rebbe,
Kende hun vreugde geen grenzen
En ze staken hun handen uit voor een groet.
 
En toen de vreemdeling de groet niet beantwoordde
En toen hij op de sjoel afliep
En toen hij maar doorging zonder een moment in te houden
En er geen woord over zijn lippen kwam, –
Zagen de joden pas dat de vreemdeling
Geen schoenen aan zijn voeten had, alleen een paar gescheurde sokken,
En de bonthoed was smerig en versleten,
En de jas zat vol scheuren en winkelhaken,
En zijn behaarde, bebloede borst was bloot,
En zijn hele gezicht ging schuil
Onder de borstels van een vreemde, warrige baard;
En de joden voelden de treurnis van de vreemdeling,
En herinnerden zich dat zijzelf
Ook treurden, net als hij,
En ze keken naar elkaar en spraken niet,
En nieuwsgierig volgden ze de vreemdeling naar de binnenplaats,
En ze hoopten dat hij gauw zou gaan spreken,
En dat ze uit zijn mond treurige, maar voorname woorden zouden horen.
 
Maar de vreemdeling keek niet naar de joden op,
En zo, zonder iemand aan te kijken, kwam hij bij de deur van de sjoel
En duwde die open en stapte naar binnen
En ging zitten bij de oostelijke muur, naast de heilige ark,
En deed nog steeds zijn mond niet open om een woord te zeggen.
 
En de joden stonden om hem heen en steeds meer
Groeide hun angst voor zijn zwijgen,
Want nu zagen ze pas de kleur van zijn ogen
En hoorden de zware adem van zijn naakte borst.
En voor het aangezicht van zijn zwijgen onthulde de hele sjoel
Voor zijn ogen een kille ongezelligheid;
En zo wilden ze hun hoofden laten zakken
En schaamden zich om te kijken naar de naakte muren
En naar het kale kastje dat diende als heilige ark.
En plotseling stond de vreemdeling op en zei:
‘Wat moeten jullie? Ga weg! Dit is mijn plaats, de plaats van de rebbe.’
 
En de Joden begrepen dat hij niet bij zijn volle verstand was,
En ze keken naar elkaar en wisten niet wat ze moesten doen.
 
En de vreemdeling zag dat ze naar elkaar keken,
En hij wierp zijn kleren af,
En hij sloeg met beide vuisten op zijn hart,
En tussen zijn tanden gorgelden de woorden:
‘Wie zei dat jullie de ruïnes mochten herbouwen?
Wat ruïne is moet ruïne blijven…
En wie zei dat jullie mijn erfgenamen mochten worden?
Haal een bijl of een mes en geef me een behoorlijke begrafenis, –
Geef me een behoorlijke begrafenis, alsjeblieft…’
 
En de vreemdeling werd duizelig en zakte ineen op de bank,
Want hij had al weken geen mensenwoord meer gesproken,
En hij wist zelf niet waar de woorden vandaan kwamen,
En het was of er iets in hem was losgescheurd
En in een graf was gevallen en hem had meegesleurd…
 
En de joden dachten dat hij flauwgevallen was
En ze pakten zijn handen om hem bij te brengen;
Maar de vreemdeling herstelde zich snel en begon te praten
Met snikkende stem, alsof hij moest huilen:
‘Alsjeblieft, geef me een behoorlijke begrafenis, die komt me toe, –
Ik verdien een eigenaardige dood, een dood door vreemde hand;
Ik zou zelf mijn keel door willen snijden
En doorns in allebei mijn ogen steken
En mijn handen afhakken en ze voor de honden gooien –
Maar ik kan dat zelf niet – iemand anders moet het doen;
Alsjeblieft, haal een bijl en geef me een goede begrafenis…’
 
En terwijl hij zo sprak, viel hij op de grond
En klampte zich vast aan de voeten van de Joden,
Totdat zijn huilen plotseling ophield
En heel andere geluiden zijn keel verstikten.
 
En de joden hoorden de andere geluiden niet,
En ze bogen zich over hem om hem op te tillen,
Maar de vreemdeling bleef liggen, als lood zo zwaar,
En niemand kreeg hem meer van zijn plaats…
 
En een van de joden sprong plotseling op
En rende door de sjoel met geweldig geschreeuw,
Want de vreemdeling had hem in zijn hand gebeten met al zijn tanden.
 
En toen de joden de gebeten hand zagen,
Vluchtten ze de een na de ander de sjoel uit,
En lieten de gevallen vreemdeling achter…
 
En de vreemdeling bleef lang liggen met zijn gezicht naar de grond,
Met zijn voeten gedraaid en zijn handen voor zich uitgestrekt,
En zijn ogen waren open, en zijn oren staken omhoog,
En zijn schouders schokten steeds minder,
En op zijn lippen lag de glimlach van zijn beet.
 
En daarna, toen de glimlach verdwenen was,
Hielden zijn schouders op met schokken,
En zijn lijf draaide met het gezicht naar boven,
En zo bleef hij uitgestrekt liggen met zijn gezicht omhoog
Tot midden op de dag…
 
En in de middag, toen de zon al naar de avond begon te dalen
En haar koude stralen liet schijnen door de westelijke ruiten,
Stond de vreemdeling op van de grond en ging zitten
Op dezelfde plaats als ’s morgens, naast de heilige ark.
En hij zat te kijken naar de westelijke ramen,
En naar alle muren en naar alle banken,
Alsof hij ze voor de eerste keer zag.
 
En zo bleef hij lang zitten, tot er op zijn gezicht
De vage glimp van een gedachte verscheen.
En de vage glimp werd helderder en helderder,
En sprak uit zijn ogen als een vast en zeker besluit.
En hij begon rond te lopen door de sjoel,
Terwijl hij nu en dan een bank of een lessenaar vastgreep,
Want zijn knieën knikten onder hem,
En zijn lijf trok onophoudelijk naar de grond;
En zo liep hij rond met zijn ogen half dicht,
En hij had er een wild plezier in een lessenaar om te gooien,
En de klap echode in alle hoeken
En woei een wolk stof op in de westelijke stralen,
En de stralen werden troebel en wiegden als dode spinnenwebben.
 
En toen de klap van de eerste lessenaar weggestorven was,
Gooide hij er nog een om en in één moeite door
De rest, een voor een, totdat de sjoel
Gevuld was met een dikke, donkere stofwolk.
 
En de heftige haast in hem nam toe,
En hij danste rondjes om de bime.
Hij sprong over de omgevallen banken, stampte met zijn voeten
En zwaaide met zijn armen in het rond en joeg steeds meer
De stofkolommen op in wervelende, troebele kringen,
En geen enkel geluid ontsnapte daarbij aan zijn mond,
Want de geluiden waren in hem en wachtten tot later.
 
En toen zijn hoofd begon te draaien en te hangen,
En zijn gehemelte zich samentrok door de hitte en de droogte,
Liet hij zich zakken op handen en voeten en kroop
En sloop en rolde op zijn rug,
En bonkte met zijn hoofd tegen de muren en op de vloer.
En kruipend beklom hij de bime,
En daarna de tafel op de bime.
En daarop strekte hij zich uit met zijn hele lijf,
En zijn hoofd hing in de lucht, met zijn schouders.
 
En zijn ogen draaiden naar de kant,
En ze ontmoetten de heilige ark, aan de andere kant,
En een vleug van een verre herinnering flakkerde in hen op;
En toen de vleug meteen verdween,
Konden de ogen zich niet afhouden van het poroiches
En ze staken als naalden diep in zijn merg.
 
En de vreemdeling stond op en zwaar en moeizaam
Kroop hij van de tafel en vervolgens van de bime,
En sleepte zich met knikkende knieën naar de treden van de heilige ark.
 
En enkele ogenblikken stond hij bij de treden en daarna
Kroop hij omhoog tot zijn gezicht vlak voor het poroiches was,
En hij stond langere tijd als bevroren,
En hij voelde een stekende pijn in zijn slapen, en verder niets,
Want ook binnen in hem was alles bevroren.
En beetje bij beetje nam de stekende pijn bezit van zijn hele lijf,
En zijn handen omklemden de heilige ark als twee ringen,
En zijn hoofd begon zich te begraven en te draaien
En te wikkelen in de plooien van het poroiches;
En met het bovenste deel van zijn schedel, als een os met zijn hoorns,
Stootte en doorboorde hij de deurtjes
Tot de huid van zijn schedel opzwol en bloedde
En zijn hele gezicht gesprongen was en onder het bloed zat.
En toen zijn neusgaten de geur van zijn eigen bloed roken,
Kwamen de kreten die in zijn ingewanden verborgen lagen
Los en rolden door zijn strot.
 
En toen hij die voelde komen, gingen zijn ledematen
Met hem aan de haal en dansten van plezier,
En met de laatste stoot maakte hij gaten met zijn hoofd
In de deurtjes, tot die het begaven
En helemaal vol gaten zaten,
En in zijn ogen flitste de glans van de ejts chajiem
En het binnenste donker achter de Toirerol…
 
En toen zijn ogen de donkerte binnenin zagen,
Begonnen ze te rollen
En te zwellen en uit hun oogkassen te komen,
Alsof ze door wilden dringen in het hart van de duisternis.
 
En opeens trokken zijn ogen zich terug,
En zijn hoofd draaide naar achter,
En zijn nek kraakte alsof hij gebroken was,
En zijn hele lijf rolde als een steen omlaag
En viel van alle treden naar de vloer,
En een abrupte brul bleef steken tussen zijn tanden…
 
Maar meer dan een ogenblik bleef hij niet liggen op de vloer,
Want meteen sprong hij met nieuwe heftigheid op, –
En tot in alle hoeken en gaten van de sjoel
Rolden zijn gorgelende kreten…
 
En daarna, toen hij al uit de sjoel gesprongen was,
Klonken nog over alle omververgegooide banken en lessenaars
De losse flodders van de echo van zijn huilen…

 

4

En het was al tijd voor het middaggebed, toen de vreemdeling
Van de sjoel naar de landweg rende die leidde naar het bos.
En toen de joden binnenkwamen en de catastrofe zagen
En de gebroken deurtjes van de heilige ark,
En het gescheurde en bebloede poroiches,
Barstten ze allemaal in huilen uit.
 
En toen ze op de grond de jas van de vreemdeling zagen,
Met niets daarin, begrepen ze niet wat er aan de hand was,
En hun hart bekroop een voorgevoel van ongeluk.
En ze baden het middaggebed en het avondgebed, en ze gingen naar huis,
En waren thuis bang om erover te praten,
Om de vrouwen en kleine kinderen niet aan het schrikken te maken.
 
En rond middernacht, toen ze allemaal al sliepen,
En een miezerige herfstregen uit de hemel droop
En de omliggende bossen door de duisternis
Dichter naar de donkere huisjes kropen, –
Hoorde iedereen in zijn slaap opeens bij het raam
Hetzelfde gehuil als de vorige dag.
En toen er een paar minuten voorbij waren en het huilen
Luider en sterker en nader kwam,
Begrepen ze al dat er een echt beest huilde,
En dat niet ergens in het bos, maar hier in de stad,
En ieder dacht dat het gevaar voor zijn raam stond,
En sloot de gordijnen en spijkerde de ramen dicht.
En de moeders drukten de kinderen aan hun borst,
Dat het beest hun stemmen niet zou horen;
Want allemaal dachten ze dat het beest rondrende
Van straat naar straat en van binnenplaats naar binnenplaats.
En met ingehouden adem luisterden ze
Of in de stilte de springende tred van het beest te horen was.
 
Alleen hoorde niemand de springende tred,
Want het beest liep niet door de binnenplaatsen.
Het stond midden op de markt, op de rand van de waterput,
En met zijn nek uitgestrekt naar de verduisterde huisjes
Haalde het diep uit zijn lijf het bizarre gehuil.
 
En er was rust noch onderbreking in het huilen.
Uur na uur, heel de tweede helft van de nacht,
Rolde over de stad, door regen en door wind,
Het onvermoeibare rauwe geschreeuw.
 
En het was een mengeling van brullen en blaffen,
Van gillend uithalen en stormachtig grommen,
En in iedere verandering in de kreten klonk
Een ingehouden uitdaging, een oproep en bovenal een gebed;
En dat laatste verontrustte de harten het meest,
Want het herinnerde aan het gehuil van een mens…
 
En degenen met het raam aan de kant van de markt
Staken hun hoofd uit het raam om te kijken,
Maar trokken hun hoofd meteen weer terug,
Want ze bespeurden in de duisternis
Het groene vuur van de twee wolvenogen.
 
En toen de wolf de uitgestoken hoofden zag,
Ging er een siddering door zijn hele lijf.
En zijn uitgestrekte nek werd nog langer
En brak uit in een gorgelend gejammer.
 
En tot het daglicht duurde het gejammer.
En toen de dag tevoorschijn kroop
Als een bevende blinde uit zijn schuilplaats,
En toen de wolf met zijn uitgehuilde hart
Nog steeds niemand gezien had die naar hem toe wilde komen –
Viel hij plotseling stil en sprong van de put
En verdween als een pijl uit een boog tussen de ruïnes.
 
En voor de joden tot zichzelf konden komen
Weerklonk in de lucht vanuit alle stallen
Het angstige koeiengeloei en paardengehinnik
En het geschrokken gefladder van krijsende kippen,
En opeens brak alles af en het werd stil.
 
En toen de joden in het volle daglicht uit hun huizen kwamen,
Vonden zij hun koeien en paarden en kippen
Gewurgd en met doorgebeten kelen…

 

5

En de nieuwe gemeente maakte moeilijke dagen door
En nog moeilijker waren de nachten,
Want iedere nacht, als het twaalf had geslagen,
Kwam daar uit het niets de wolf
Om zijn plaats midden op de markt in te nemen
En onophoudelijk te huilen tot het dag werd.
En al wat de joden deden om hem te verjagen
Prikkelde alleen maar de koppigheid van de wolf,
En steeds punctueler werd zijn bezoek.
 
En op een keer legden de joden vuren aan,
Rond de put en in alle hoeken van de markt,
En ze keken stiekem door de ramen,
Want ze wisten dat wolven bang zijn voor vuur.
 
En hoe groot was hun verbazing, toen ze zagen
Dat de wolf niet schrok van de vuren,
Maar in de vlammen sprong en met zijn poten
Stukken brandend hout naar alle kanten slingerde,
En in een wervelende dans eromheen draaide,
Gehuld in wolken rook en vonken;
En toen hij genoeg gedanst had, sprong hij
Op zijn vaste plaats en begon te huilen.
En de joden begonnen beter te begrijpen
Dat er iets niet klopte. En hun angst voor de wolf
Veranderde in een angst voor zichzelf.
En de kreten van de wolf wortelden in hun harten,
ondergroeven hun nieuwe verwachtingen en dromen,
En weerkaatsten in stekende, ijzige echo’s…
 
En allerlei verhalen gingen van mond tot mond
En deden in de hele streek de ronde
En de groei van de nieuwe gemeente kwam tot staan.
 
En het verbazendste van alles was voor de joden
Dat de wolf nooit dicht bij de huizen kwam
En ook nooit probeerde de straten in te gaan,
Behalve de eerste nacht, toen hij zijn poten verwond had.
En ze zagen in dat hij niet kwam om te verscheuren
En om aan te vallen, maar voor iets anders.
 
En hun verbazing werd nog groter, toen op een dag
Een paar joden, de moedigsten, zich bewapenden
Met bijlen en geweren en optrokken naar de markt,
En van achter een puinhoop met hun geweren schoten.
En in plaats van op te springen van de put
En weg te vluchten of hen aan te vallen
Bleef de wolf op de rand staan, net als vroeger,
En staakte opeens zijn gebrul,
Stak zijn nek uit naar de verspieders en wachtte…
 
En toen de mannen in hinderlaag zijn ogen zagen,
En in hun glans zijn wachtende keel,
Begonnen hun handen en voeten te trillen,
En met ingehouden adem gingen ze terug naar huis.
En de schrik was hun zo om het hart geslagen,
Dat ze dagen achtereen niet tot zichzelf konden komen.
 
En toen voelden allen dat hun iets te wachten stond,
En ze zochten niet langer naar wegen om het beest te verjagen.
Maar met pijnlijk geduld en gebrokenheid
En met passende treurnis verdroegen ze de nachtelijke terreur.
En hele dagen en hele nachten
Reciteerden ze psalmen en zegden gebeden en huilden.
En zo biddend en vastend kwamen ze
De tien dagen van inkeer door tot Jomkiper.

 

6

En op de avond van Jomkiper, na het Kol Nidre,
Gingen de joden geen van allen naar huis.
En ze bleven in sjoel heel de nacht,
En door kaarsen omringd en gehuld in witte kleren
Stonden ze daar en baden tot God.
 
En bij de nadering van het middernachtelijk uur
Werd hun huilen nog luider en sterker,
En hun harten klopten in ongeduldig wachten,
Want elke minuut leek eeuwig te duren.
En ze voelden – en wisten zelf niet waarom –
Dat deze nacht de ontknoping van het raadsel zou brengen,
En dat er met hen iets buitengewoons zou gebeuren.
En ze sloegen hun gebedsmantels nog dichter om zich heen,
Alsof ze zich daaronder wilden verschuilen.
 
En toen de eerste van de twaalf slagen klonken,
Zwol hun huilen aan tot een ware storm,
Alsof ze het met hun kreten wilden verdrijven,
Het naderende gehuil, om het weg te houden uit de sjoel.
En in hun gebedsmantels schuilend en beschenen door kaarslicht
Leken ze zelf wel stukken aangestoken was –
Op het punt om te sputteren en weg te smelten.
En opeens vielen ze allemaal stil,
En terwijl ze hun hoofd uit hun gebedsmantel staken
Speurden ze met hun ogen in de stilte
Die tussen muren en dak van de sjoel hing…
 
En toen er één minuut verstreken was, en twee, en drie – en de stilte
Steeds dieper werd en door niemand verbroken,
Ging er een golf van geluk door de hoofden:
En ze stonden daar of ze uit een nachtmerrie waren ontwaakt,
Maar hun ogen nog niet konden geloven…
 
Maar de wijzers van de klok wezen ver, ver over twaalf. –
En het huilen van het beest was niet begonnen…
En ze vatten moed en gingen naar buiten op de binnenplaats,
En ze zagen van ver dat de put verlaten was,
En de hele stad was gehuld in het zilver van de maan;
Ze sloegen hun ogen op naar de hemel en betoverd,
Vervuld van zacht en licht verdriet,
Zagen en hoorden ze ruisen boven hun hoofden
De beschermende vleugels van de Heer van het Heelal.
 
En een kinderlijk medelijden overstroomde hun harten,
Een medelijden met zichzelf en hun vrouwen en kinderen,
En met al hun herbouwde, gebrandmerkte huisjes,
En met de nog niet herbouwde ruïnes,
Die beschaamd als zondaars, in hun vervallen staat,
Huilden tot de Heer van het Heelal om opbouw en herstel.
 
En de hemelen waren diep en wijd open,
En in de wijdopen diepten, ijlend en trillend,
Schoten sterren voorbij en verdwenen
En lichtten weer op in verdrietige banen;
En die onder hen met een rustiger lot en eeuwige openheid
Keken nog opener en met meer rust naar de aarde beneden
Met hun heldere en doordringende ogen…

 

7

En de volgende dag verliep het vasten voor de joden
Makkelijk en snel en bijna ongemerkt.
En toen het tijd was voor Nile, en de schaduwen van de avond
De sjoel in een diep en vredig duister hulden,
Voelden de joden zich licht en gezuiverd,
En hun gezichten waren helder als spiegelbeelden;
En ze zegden met nieuwe kracht de gebeden van Nile.
 
En in niemand van hen kwam het op
Dat voor de deur van de sjoel de wolf stond
Die krabde met zijn poten en klaarstond om naar binnen te springen;
Want geen oog had gezien hoe de wolf
Uit het bos was gerend over de landweg en door de stegen,
En was binnengesprongen in het portaal van de sjoel om languit
Bij de deur te gaan liggen wachten.
 
En toen de sjoiferblazer naar zijn lippen bracht
De sjoifer en de signalen van Nile blies,
Sprong de deur van de sjoel met een knal open
En door het hart van de signalen sneed
Een dun en langgerekt gehuil.
 
En voor de joden om zich heen konden kijken,
Stond de wolf al op de treden van de bime,
En nam de gemeente met grote, brandende ogen in zich op,
En de mensen, als een kudde schapen, kropen bij elkaar
Rond de lessenaar van de voorganger,
En die bracht geen woord uit, want hij was met stomheid geslagen,
En kon geen vin verroeren om zich uit de voeten te maken.
En de wolf stond daar, zwijgend en wachtend.
En opeens sprong hij weg van de treden
En over alle hoofden heen besprong hij de voorganger
En greep die met zijn voorpoten bij de keel
En gooide hem op de grond om hem te wurgen.
 
En de gemeente vluchtte van schrik naar de deur,
En had de voorzanger haast aan zijn lot overgelaten
In de poten van de wolf, oog in oog met de dood, –
Toen een van de mannen plotseling een lessenaar pakte,
En met een scherp gepunte hoek
Sloeg hij de wolf op zijn kop en spleet zijn schedel in tweeën.
En de wolf rolde van zijn slachtoffer af
En zakte, doordrenkt van bloed, ineen op de grond.
 
En toen greep de hele gemeente in het rumoer en gedrang
Alles wat maar voor het grijpen lag,
En ze sloegen de wolf op zijn nek en zijn rug,
En trapten met hun voeten in zijn buik en tegen zijn knieën.
 
En plotseling klonk als van onder de aarde een kreet,
En alle handen, die stopten met martelen,
Bleven steken in de lucht als verlamd,
Want het stuk duisternis was opeens gaan bewegen,
En draaide zich om met zijn gezicht naar omhoog.
En twee mensenogen straalden door het duister
En vingen licht en rustig alle joden met hun blikken.
En de gemeente barstte uit in een luid huilen,
Want op de grond, gemarteld, in een plas bloed,
Lag geen wolf, maar een jood met een bonthoed,
En ieder herkende de vreemde bezoeker.
 
En de gepijnigde verzamelde zijn laatste krachten
En begon zijn stervende lippen te bewegen.
En allen hoorden zijn troostende woorden:
‘Nu is het goed, – jullie moeten niet huilen…’
 
En hij blies de laatste adem uit.

 

H. Lejvik, Der wolf. A chronik. Lider oen poëmen, Driter Band, pp. 123-159. Uitgeverij Koeltoer-Lige, Warschau, 1923. Een analyse van dit gedicht is te lezen in hoofdstuk 4.13 van A Tool of Remembrance, elders op deze website.

 
 

Woordenlijst

 

bime, platform in een synagoge, waarop de Toire voorgelezen en de sjofar geblazen wordt.
bonthoed, traditioneel hoofddeksel van een Oost-Europese rabbijn.

dagen van inkeer, tien dagen van bezinning tussen de Hoge Feestdagen Rosjesjone (Joods nieuwjaar) en Jomkiper (Grote Verzoendag).

Ellel, maand voorafgaand aan de Hoge Feestdagen.

… En het was op de derde ochtend, dat wil zeggen na de pogrom.

ejts chajiem, de handvatten van een Toirerol.

heilige ark, kast in de synagoge waarin de Toirerollen worden opgeborgen.

Jomkiper, Grote Verzoendag, belangrijkste Joodse feestdag, waarop de mens met God en zijn medemensen in het reine moet komen.

Kol Nidre, belangrijk gebed in de dienst van Jom Kippoer.

Nile, afsluitend deel van de dienst van Jomkiper.

oostelijke muur, de muur van de synagoge die naar Jeruzalem is gericht en waar de heilige ark staat.

poroiches, gordijn voor de heilige ark.

rebbe, rabbijn.

sjoel, synagoge.

sjoifer, ramshoorn, geblazen tijdens de Hoge Feestdagen (Rosjesjone en Jomkiper).

Toirerol, boekrol met een deel van de Hebreeuwse Bijbel.

witte kleren, worden gedragen in de dienst van Jomkiper.