De wind die woedend werd

De wind

 

Moisje Koelbak

 
 

Een cadeautje voor de kinderen van het Dinezon-kindertehuis in Wilna

 

De oude wind zwierf moe over de besneeuwde velden. Hij was in vele steden en dorpen geweest. En nergens had hij uitgerust. Hij was over alle daken gekropen, hij had met zijn lange, koude vingers op de ruiten geklopt en in de schoorstenen gefloten.

Plotseling begon het in de steden te dooien. Het lukte de wind maar nauwelijks om uit de schoorsteen te kruipen waar hij juist in lag te zingen en hij kon maar net zijn leven redden door te vluchten naar de velden.

Helderwit fonkelde de sneeuw op de velden, blauw was de hemel en de wind zwierf moe rond op zoek naar een plek om uit te rusten. Daar in de verte, waar de hemel het veld ontmoette, stond een eik. De wind dacht: onder die eik wil ik uitrusten. Meteen sleepte hij zich naar die plek en aan het eind van zijn krachten viel hij onder de eik neer.

Daar lag hij, de wind. Zijn ogen vielen dicht van vermoeidheid en hij sliep al bijna. Plotseling hoorde hij hoe de eik zijn grove stem verhief:

‘Wat voor een idioot is hier komen liggen? Ik voel een bijtende kou tot in de punten van mijn wortels!’

De wind zei:

‘Doe niet zo lelijk, beste eik! Ik ben een oude wind, een zwerver. Dit jaar wilde ik overwinteren in de steden, maar ineens viel de dooi in, daardoor kreeg ik geen adem meer en ik kon maar nauwelijks vluchten naar de velden.’

De eik antwoordde, al wat vriendelijker:

‘Beste wind, ik heb het aan mijn hart. Heel de winter stond ik naakt, zonder één blad aan mijn takken en als ik mijn wortels niet in de grond houd weet ik niet of ik in de lente weer opleef. Beste wind, zoek het een beetje verderop. Er ligt een steen aan de weg, waar je op kunt gaan zitten om uit te rusten.’

De oude wind woei op en ging op weg naar de steen.

Hij ging almaar verder tot hij langs de weg een steen zag, een grote, stille steen. Hij ging erop zitten, stopte zijn handen in zijn mouwen en wilde al indommelen. De steen voelde dat er iemand op zijn rug zat en gromde:

‘Wie is daar?’

De wind antwoordde:

‘Ik.’

De steen vroeg:

‘Wie is die ik?’

De wind antwoordde:

‘Ik ben het, een oude wind, een zwerver. Dit jaar wilde ik overwinteren in de steden, maar ineens begon het te dooien. Ik kreeg zo weinig lucht dat ik vluchtte naar de velden. Ik wilde onder een eik gaan liggen om uit te rusten, maar de eik zei dat ik te veel op zijn wortels drukte en zijn wortels waren hem zo dierbaar als het leven…’

‘Wortels? Wat een flauwekul…’

De steen was zo gemeen om hem in de rede te vallen. ‘Als je op iemand wilt gaan zitten, moet je dat eerst vragen en niet zomaar neervallen… Ik ben ook koud en droog van binnen en ik sta op het punt om te barsten en dan spring jij op me. Is dat het enige waar een oude zwerver toe in staat is?!’

De steen haatte iedereen die kon bewegen en dat wist de wind niet.

Wat moest de wind doen? Verder gaan… Ondertussen werd het avond. De zon ging onder. In het westen ontvlamde iets, een soort groot vuur. De witte sneeuw werd roze, en witte, roze en blauwe vlokken fonkelden op alle velden.

Zo vervolgde de wind zijn weg wel een uur lang, en hij was aan het einde van zijn krachten. Hij zag een grote herberg met groot, rood portiek. Zijn ogen lichtten op, maar hij was bang om zomaar in het portiek te gaan zitten. Hij dacht bij zichzelf: ik zal de herbergier vragen of ik bij hem uit mag rusten in het portiek. Hij ging naar de deur en klopte aan:

‘Meneer!’

Niemand gaf antwoord. Hij zette een huilende stem op en vroeg:

‘Meneer!’

Ook deze keer kreeg hij geen antwoord. De herbergier lag op de tegelkachel te slapen. De boeren gingen immers op maandag naar de markt in de stad, en het was dinsdag, dus de herbergier dacht: omdat er dinsdag toch geen mensen komen, ga ik op de kachel slapen.

De wind opende stilletjes de deur en stak zijn hoofd naar binnen om een kijkje te nemen.

Nu tochtte het koud in de kraag van de herbergier en die sprong woedend van de kachel en riep:

‘Gatver, wat een tocht! De deur staat open!’

De wind trok meteen zijn hoofd terug uit de deuropening en rende ijlings naar de weg, terwijl de herbergier achter hem stond te schreeuwen en te tieren.

De wind werd woedend op de hele wereld. Van niemand mocht hij uitrusten, nu hij zich niet lekker voelde. Hij ging als een reus midden in het veld staan, stroopte zijn mouwen op, haalde diep adem en begon van ellende uit alle macht te blazen. De sneeuw woei op van de aarde als zilveren meel en begon terug te vallen op de aarde…

De wind bleef uit alle macht blazen. Toen begon hij te fluiten, te blazen en te fluiten, te fluiten en te blazen, en het werd een sneeuwstorm en het werd een wervelwind en een gefluit en een geloei; en de sneeuw wervelde en ging tekeer en vloog als witte handdoeken door de lucht. En de wind begon te huilen. Hij huilde als een klein kind en wist van geen ophouden. Daarna jankte hij als een hond, en hij jankte en woei de sneeuw op en schreeuwde, en het werd donker en witte sneeuwvlokken waren alles wat je zag. En de witte sneeuwvlokken vielen uit de hemel op de aarde en van de aarde in de hemel. En de wind begon te miauwen, te huilen, te miauwen en te huilen. Zoals katten huilen ’s nachts in het donker. En het werd een grote sneeuwstorm. En de wind bedekte alle wegen. De voermannen die onderweg waren lieten hun paarden stilhouden. Je zag de weg niet meer. Naast hun volgeladen wagens stonden ze te trappelen en hun armen warm te zwaaien en ze zeiden verbaasd:

‘Wat een storm!’

‘Wat een wervelwind!’

‘Zo’n sneeuwstorm hebben we nog nooit gehad!’

Rond de dorpen en rond de sjtetls hadden zich bergen sneeuw opgehoopt. Honden stonden bij hun holen met uitgestrekte nekken te janken. Overal werden de winkels gesloten en de deuren goed vergrendeld, maar de wind sloeg tegen de deurposten, ging bij de schoorstenen staan en huilde zo dat de hele wereld het kon horen. Niemand kon in bed in slaap komen en zelfs de grote mensen wisten niet wat ze moesten doen.

En ergens in een klein, armoedig huisje aan de rand van de stad woonde een arme vrouw met twee kleine kinderen. De wind had heel het huisje overdekt met sneeuw. De kinderen kropen bij hun moeder, want ze waren bang voor de wind. Hun moeder aaide over hun hoofdjes om te zorgen dat ze in slaap vielen, maar de wind sloeg tegen de ramen en liet ze de slaap niet vatten.

‘Mama, vraag de wind of hij niet zo tegen het raam wil slaan!’

De wind stond achter de muur en hoorde wat de kleine kinderen hun moeder vroegen; er ging een steek door zijn hart, maar de goede wind was woedend op de wereld.

‘Mama, vraag de wind of hij niet zo in de schoorsteen wil huilen!’

De wind huilde nog luider. Het deed hem pijn dat hij zijn hele leven als een hond buiten moest blijven, terwijl kleine kinderen bang voor hem waren.

‘Mama, vraag de wind of hij niet meer woedend wil zijn!’

De moeder sloeg haar omslagdoek om en deed de voordeur open: het was donker. Ze ging op de drempel staan en zei in de duisternis:

‘Wind, wind, wees alsjeblieft niet woedend meer!’

De wind luisterde niet naar haar, hij werd nog woedender en smeet de moeder een hoop sneeuw in haar gezicht. De moeder veegde de sneeuw uit haar gezicht en sprak de wind nog een keer aan:

‘Wind, goede wind, kijk toch wat je doet!’

Ook deze keer luisterde de wind niet naar haar, maar sneeuw in haar gezicht smijten deed hij niet.

Toen zei de moeder met betraande ogen tegen de wind:

‘Wind, beste wind, doe het dan voor mijn kleine kinderen!’

De wind kwam tot bedaren. Het hield geleidelijk op met sneeuwen. Om de hoeken van de huizen hoorde je nog een verstikt gehuil, maar steeds zachter, tot het helemaal ophield.

De wind had zich verzoend…

 

***

’s Morgens trokken de jongens hun pet over hun oren, deden dikke handschoenen aan en pakten schoppen om de sneeuw voor alle deuren te ruimen.

 

 

Moisje Koelbak, Der wint, wos iz geween in kaas. Der Tsentraler Sjoel-Organizatsië, Wilna, Litouwen, 1921.