De ware held

A-butcher-sharpens-his-kn-005_2

 

Jehoeda Amichai

 

De ware held van het Offer van Isaak was de ram,
die geen idee had van de samenzwering tussen de anderen.
Hij mocht vrijwillig sterven in plaats van Isaak.
Ik wil hem herdenken met een lied
over zijn krullende wol en zijn menselijke ogen,
en over de hoorns, zo stil op zijn levende kop.
Na de slacht maakten ze daar sjofarot van
om hun strijdkreten te laten schallen
of hun vulgaire vreugde rond te brallen.

Ik wil het laatste beeld onthouden
als een mooie foto in een glossy modeblad:
de gebruinde, verwende jongeman in zijn snelle pak
en naast hem de engel in een lange zijden jurk
voor een feestelijke receptie.
Beiden starend met lege ogen
naar twee lege plaatsen
en achter hen, als een kleurige achtergrond, de ram,
verstrikt in het struikgewas vóór de slacht,
het struikgewas, zijn laatste vriend.
De engel is naar huis.
Isaak is naar huis.
Abraham en God waren allang vertrokken.

De ware held van het Offer van Isaak
is toch de ram.

 

Jehoeda Amichai, Ha-gibor ha-amiti sjel ha-akeida. In Sje’at ha-chesed. Tel Aviv: Schocken Books, 1982.

Het gedicht is een omkering van de bijbeltekst Genesis 22:1-19, die hieronder volgt in een eigen vertaling.

Een tijd later stelde God Abraham op de proef.

‘Abraham!’ zei hij.

‘Ja?’ antwoordde Abraham.

‘Neem je zoon, je enige, van wie je zoveel houdt, Isaak, en ga met hem naar het gebied waarin de Moria ligt. Offer hem daar op een berg die ik je wijzen zal.’

[. . .]

Toen ze waren aangekomen bij de plaats die God had genoemd, bouwde Abraham daar een altaar, schikte het hout erop, bond zijn zoon Isaak vast en legde hem op het altaar, boven op het hout. Toen stak Abraham zijn hand uit en pakte het mes om zijn zoon te slachten.

Maar een engel van de Heer riep vanuit de hemel: ‘Abraham, Abraham!’

‘Ja?’ antwoordde die.

‘Steek je hand niet uit naar de jongen, doe hem niets aan! Want nu weet ik dat je ontzag hebt voor God: je hebt je zoon, je enige, niet bij mij weggehouden.’

Toen Abraham opkeek, zag hij een ram die met zijn horens verstrikt was geraakt in de struiken. Abraham pakte de ram en offerde die in plaats van zijn zoon.

[. . .]

Toen sprak de engel van de Heer met Abraham een tweede keer vanuit de hemel. Hij zei: ‘Ik zweer bij mijzelf – spreekt de Heer – Omdat je dit hebt gedaan, omdat je je zoon, je enige, niet bij mij hebt weggehouden, zal ik je rijkelijk zegenen en je zoveel nakomelingen geven als er sterren aan de hemel zijn en zandkorrels op het strand langs de zee, en je nakomelingen zullen de steden van hun vijanden in bezit krijgen. [. . .] Want jij hebt naar mij geluisterd.’
Daarna ging Abraham terug naar zijn knechts.