De vloek

schreeuw
 

Er was eens een vloek, die hard werkte. Vooral op zondag, wanneer hij in het trainingspak kroop en meeging naar het voetbalveld. Daar spande hij zich in om telkens weer wat nieuws te bedenken. En dat fluisterde hij dan van onder de kraag van het shirt in het oor van zijn baas. Omdat zijn baas hem niet persoonlijk kende, dacht die iedere keer dat hij de krachtterm zelf verzonnen had. Er ging geen wedstrijd voorbij of de vloek zorgde op moeilijke momenten voor opluchting. Ook voor ergernis, maar dat alleen bij de tegenpartij en de scheidsrechter.

Op een dag fluisterde de vloek zijn baas een venijnige verwensing in. Die werd door de scheidsrechter gewaardeerd met een gele kaart. In zijn enthousiasme besloot de vloek verder te gaan, op de man te spelen en de scheidsrechter aan te pakken. De vloek begreep dat hij voor de scheidsrechter iets beters moest verzinnen dan de modewoorden die zijn collega’s van de tribunes lieten roepen. Het mooiste was een respectloos woord dat de man in het zwart totaal belachelijk zou maken.

De vloek wachtte tot er gefloten werd voor een smerige overtreding door zijn baas voor het vijandelijke doel. In een vloek en een zucht bedacht hij een woord. Vervolgens fluisterde hij het in. Hij had het helemaal opgehangen aan het lullige fluitje van de scheidsrechter.

Alle voetballers kwamen aanlopen en toen ze hoorden wat de vloek verzonnen had kwamen ze niet meer bij van het lachen. En vervolgens ging het nieuwe woord als een lopend vuurtje over de tribunes.

De scheidsrechter kreeg een rode kop en trok direct een kaart in dezelfde kleur.

De vloek knarsetandde tevreden toen hij met zijn baas het veld werd uitgestuurd. Collega’s van de tegenpartij en de tribune waren stinkend jaloers dat zijn werk nu officieel erkend werd en vastgelegd in het boekje van de scheidsrechter. Hij had het hoogste bereikt wat er te bereiken was, na majesteitsschennis en hardop vloeken in de kathedraal. Op maandag werd zijn tekst geplaatst in alle kranten en op dinsdag belegde de voetbalbond een vergadering waarin alleen maar uit zíjn werk gelezen werd.

De week na die mooie dagen viel tegen. De vloek had niet verwacht dat de schorsing zo godvergeten saai zou zijn. Zijn baas, die de hele dag chagrijnig op de bank zat, herhaalde wel wat hem ingefluisterd werd, maar niemand luisterde meer naar hem. Zijn dochter trok zich met haar vriend terug op haar kamer. Zijn vrouw pakte haar nachthemd en tandenborstel in en kondigde aan dat ze terugging naar haar moeder. Die woonde in het huis ernaast, dus dat was gauw geregeld.

‘Bliksems!’ zei de vloek. ‘Dat is mijn kans om verlost te worden van de werkeloosheid! Hij voegde de daad bij het woord en kroop haastig in de klaarstaande tas van de vrouw. Toen hij aan het donker gewend was ontdekte hij in het nachthemd een oude kennis: het compliment. De vloek had hem altijd een schijnheilige vent gevonden, maar wel een vakman met een goede opleiding in een chique modezaak. ‘Verrek!’ zei de vloek. ‘Ik dácht al dat jij hier zou zitten!’

‘Wat knap dat je dat dacht,’ zei het compliment met een glimlach. ‘Tja, ik heb de laatste tijd niks meer te doen. Ik fluister de vrouw de aardigste dingen in, maar luisteren ho maar.’

‘Mijn baas is geschorst,’ legde de vloek uit. ‘We hebben de scheidsrechter stijf gevloekt na een strafschop tegen.’

‘Weet ik,’ zei het compliment. ‘Prima beslissing. Normen en waarden, daar gaat het om.’

Daar ging de vloek niet op in. ‘Lijkt het je geen verdomd goed idee om eens een tijdje te ruilen?’ zei hij.

‘Nou,’ zei het compliment, ‘dat is een uitdaging. Ik kom nooit op een voetbalveld, dus dat wil ik wel eens meemaken. Prima gefloten, scheids! Tien met een griffel! En wat kleedt je zwarte tenue mooi af!’

De vloek sloeg zijn ogen neer. ‘Christenezielen,’ zuchtte hij. ‘Zo zal ik het wel nooit kunnen…’

‘Ik verheug me al op de heerlijke wedstrijden,’ zei het compliment.

‘Door die verdomde schorsing kun je voorlopig alleen tráinen,’ zei de vloek.

‘Geeft niks!’ zei het compliment. ‘Geeft niks! Des te meer tijd heb ik om de positieve dingen te zien. Prachtige voorzet, kerel! Sportief gespeeld, boys! Respect!’

Om zich voor te bereiden op zijn nieuwe werk liep de vloek naar de keuken. Daar klom hij in de gootsteen om onder de druppende kraan zijn mond te spoelen. Vervolgens installeerde hij zich achter de pluim op de hoed van de vrouw.

De moeder van de vrouw had haar dochter niet zo vroeg verwacht. Ze droeg haar ochtendjas en slofjes en had haar gebit nog niet in.

De vloek haalde diep adem. ‘God, mam, wat zie je er florissant uit vandaag…’ fluisterde hij, blozend van onwennigheid en schaamte. Onder zich hoorde hij een kleffe kus. Wel iets anders dan een elleboogstoot op het voetbalveld, dacht hij en kreeg een laffe smaak in zijn mond.

‘Isjie nog sjteedsj sjo glof in de momp?’ vroeg de moeder.

‘Ik zal maar niet herhalen wat hij allemaal zegt,’ zei haar dochter. ‘Ik weet niet wie of wat hem bezielt.’

De vloek gloeide van trots en moest zich bedwingen om het niet uit te krijsen van plezier. ‘Mam, wat ben ik blij dat ik eindelijk bij jou ben,’ fluisterde hij, toen hij eenmaal op de bank zat in de tas met nachthemd en tandenborstel. Nog meer dan in zijn vorige werk ging het om de juiste toon.

‘Ik heb je bed al opgemaakt, meiske,’ zei de moeder met haar tanden in. ‘Neem je spulletjes maar mee.’

Het eerste wat de vloek in de slaapkamer zag was een koperen kruisbeeld aan de muur. ‘Sjissus wat hangt hij daar mooi te glimmen,’ zei hij voor.

‘Wát zeg je?’ vroeg de moeder. ‘Begin jij nou ook al? Als je maar weet dat ik die taal hier in huis niet horen wil!’ Ze stak haar vinger op en wees vervolgens naar een andere muur.

De vloek zag een affiche met een waarschuwing tegen vloeken en napraten, geïllustreerd met een plaatje van een papegaai. Goddorie wat een vergelijking, dacht de vloek en hij voelde zich tot in zijn ziel gekwetst. Was het uit te houden in zo’n huis?

De vrouw en haar moeder hadden de kamer nog niet verlaten of de vloek kroop uit de tas en klom via het gordijn naar het slaapkamerraam, dat op een kier stond. Op de vensterbank kwam hij een andere oude kennis tegen. Het was de liefdesverklaring.

‘Zo, slijmerd, waar ga jij naar toe?’ vroeg de vloek.

‘Zie je dat niet, lekker vloekbeest?’ zei de liefdesverklaring met een stralend gezicht. ‘Ik ben op weg om een oude vrouw gelukkig te maken.’

‘Godzalmeliefhebben…’ zei de vloek. ‘Nou, je ziet het: voor mij is hier verrekt weinig te doen.’ Hij draaide zich om en wees naar het kruisbeeld en de affiche aan de muur. ‘Ik heb voor de verandering complimenten uitgedeeld, maar daarvoor ben ik verdomme niet fijngevoelig genoeg. Misschien kan ik het eens proberen in jouw vak. Als liefdesverklaring hoef je je minder in te houden dan als compliment.’

‘Lieve jongen,’ zei de liefdesverklaring, ‘waarom ga je niet naar de dochter van je oude werkgever?’

‘Verrek!’ zei de vloek. Dat híj niet op dat idee gekomen was!

‘Het is een schat van een meid,’ zei de liefdesverklaring. ‘Die vriend is wat slap… Maar goed, dat merk je vanzelf. Werk zat.’

‘Sodeknetter!’ riep de vloek. ‘Ik ga er meteen naartoe.’

‘Veel liefs!’ riep de liefdesverklaring. ‘Kusjes!’

Op het bed van de dochter lagen twee kussens. De vloek verstopte zich achter het kussen waarop een gouden meisjeshaar lag en wachtte af.

De liefdesverklaring had geen woord te veel gezegd, want nog diezelfde avond werd er tussen de dochter en haar vriend heel wat afgekust.

‘Ik hou verdomd veel van je,’ zei de vloek de dochter voor.

‘En ik hou verdomd veel van jou,’ antwoordde de vriend.

God, god, dacht de vloek, wat zijn we origineel… ‘Je bent een verrekte lekkere bink,’ fluisterde hij de dochter in.

Dat werkte, want niet lang daarna maakte de vriend aanstalten om zich te verkleden. Hij deed zijn hemd uit en trok langzaam de rits van zijn broek omlaag.

Opeens was het eruit. Te laat besefte de vloek wat hij gezegd had. Hetzelfde als tegen de scheidsrechter, over dat lullige fluitje, waarmee hij zijn grote succesnummer had gemaakt.

De dochter herhaalde het woord en schaterde het uit.

‘Dat pik ik niet!’ riep de vriend en hij hees zijn broek weer op. ‘Waar haal je dat vandaan? Je lijkt je vader wel!’

Al was hij uit zijn rol gevallen, de vloek voelde zich opgelucht. De knallende ruzie die ontstond deed hem goed en bezorgde hem heimwee naar het trainingspak, dat niet zoals het kussen naar parfum rook, maar naar oud zweet en gras. Misschien wilde het compliment weer ruilen. Met opmerkingen over sportieve tegenstanders en aardige scheidsrechters won je nooit een voetbalwedstrijd. Met woede en razernij, daarmee schopte je het ver! Knarsetandend keek de vloek omhoog naar de kalender aan de muur. Over een paar weken was de schorsing voorbij, dan kon het echte werk weer beginnen.

 

1996