De verdwenen prinses

af17a219851e5a7c5bb317f1c0c9e0a6

 

Nachman van Bratslav

Er was eens een koning die zes zoons had en een dochter. Hij was erg aan zijn dochter gehecht, hij hield veel van haar en kon goed met haar overweg. Toen hij op een dag bij haar was, werd hij kwaad op haar en voor hij het wist had hij gezegd: ‘De Duivel hale je!’

’s Avonds ging ze naar haar kamer. ’s Morgens wist niemand waar ze was. Haar vader had veel verdriet en ging haar overal zoeken. Toen de onderkoning zag dat de koning groot verdriet had, stond hij op en vroeg om een dienaar met een paard en een geldbedrag. En hij ging op weg. Het duurde heel lang voor hij haar vond.

Hij trok lang door woestijnen, door velden en door bossen om haar te zoeken. Toen hij door de woestijn trok, zag hij een zijweg. Hij dacht: ik trek al zo lang door de woestijn zonder haar te vinden, laat ik die weg inslaan, dan kom ik bij de bewoonde wereld. Na lange tijd zag hij een kasteel, waar een heleboel soldaten omheen stonden. Het was een mooi kasteel en de soldaten stonden strak in het gelid. Hij was bang dat ze hem niet door zouden laten. Hij dacht: “Laat ik het proberen.” Hij liet zijn paard achter en ging naar het kasteel. Ze lieten hem door. Niemand vroeg wat hij kwam doen en hij ging van de ene kamer naar de andere, zonder dat iemand hem tegenhield. Hij kwam in een zaal en zag daar de koning met een kroon op zijn hoofd en er stonden veel wachters om hem heen. Een heleboel muzikanten speelden voor hem op instrumenten en het was daar heel mooi en aangenaam. Noch de koning, noch iemand anders vroeg wat hij kwam doen. Hij zag er heerlijke gerechten en at ervan. Toen ging hij in een hoekje liggen om te zien wat er zou gebeuren. Hij zag dat de koning verzocht de koningin binnen te brengen en ze gingen haar halen. Er was veel opgewekt rumoer en de muzikanten speelden en zongen. Ondertussen werd de koningin binnengebracht. Ze zetten een troon voor haar klaar en lieten haar plaatsnemen naast de koning. En dat was de dochter van de koning. Toen hij haar zag, herkende hij haar meteen. Toen zag de koningin iemand in een hoekje liggen die ze herkende; ze stond op van haar troon, ging naar hem toe, raakte hem aan en vroeg:

‘Kent u mij?’

‘Ja,’ antwoordde hij. ‘Ik ken u. U bent de dochter van de koning, die verdwenen is.’ En hij vroeg: ‘Hoe komt u hier?’

Ze antwoordde: ‘Doordat mijn vader dat woord liet vallen; en dit is de plaats van de Duivel.’

Hij vertelde dat haar vader veel verdriet had en haar al jaren en jaren zocht. Hij vroeg: ‘Hoe kan ik u bevrijden?’

‘U kunt me niet bevrijden,’ antwoordde ze, ‘tenzij u een plaats uitzoekt waar u een jaar lang blijft zitten. Dat hele jaar moet u naar mijn bevrijding verlangen en de hele tijd maar één ding willen en hopen: mijn bevrijding. En u moet de laatste dag van het jaar vasten en het hele etmaal mag u dan niet slapen.’

Hij ging weg en deed dat op de laatste dag van het jaar. Hij vastte en sliep niet. En hij stond op om op weg te gaan. Onderweg zag hij een boom waaraan heel mooie appels groeiden. Hij had er erg veel zin in, ging ernaartoe en at ervan. Zodra hij de appel gegeten had, viel hij in een diepe slaap. Nadat hij lange tijd geslapen had, probeerde zijn dienaar hem wakker te maken, maar dat lukte niet. Toen hij uit zichzelf wakker geworden was, vroeg hij zijn dienaar:

‘Waar ter wereld ben ik?’

En die vertelde hem het hele verhaal. ‘U slaapt al heel lang. Er zijn heel wat jaren voorbijgegaan sinds u in slaap gevallen bent. En ik heb me in leven gehouden met de vruchten.’

De onderkoning had heel veel spijt. Hij ging op weg en vond haar.

Ze beklaagde zich bij hem en was heel bedroefd. ‘Om één dag hebt u het laten mislukken; als u die dag gekomen was had u me kunnen bevrijden. Het is waar: niet eten is moeilijk, zeker de laatste dag, wanneer de verleiding te groot wordt. Daarom moet u weer een plaats uitzoeken om een jaar te blijven zitten. Op de laatste dag mag u wel eten, maar niet slapen. En u mag geen wijn drinken, om niet in slaap te vallen, want daar gaat het om.’

Hij vertrok en hield zich daaraan. De laatste dag ging hij op weg. Onderweg zag hij een opwellende bron en de bron was rood van kleur en rook naar wijn. Hij vroeg zijn dienaar:

‘Zie je dat? Een bron met een rode kleur, die naar wijn ruikt.’

Hij ging naar de bron om te proeven en meteen viel hij neer en sliep zeventig jaar. Er gingen een heleboel soldaten voorbij met de tros van het leger erachteraan. De dienaar verstopte zich voor de soldaten. Daarna kwam er een rijtuig en daarin zat de prinses. Ze hield stil naast hem en stapte uit. Ze ging naast hem zitten, herkende hem en probeerde hem wakker te schudden, maar hij werd niet wakker. Ze beklaagde zich over hem:

‘U hebt zoveel moeite gedaan, zoveel jaar geploeterd en geleden om mij te bevrijden en de enige dag dat u me kunt bevrijden laat u het afweten.’ En ze moest erg huilen. Ze zei:

‘Ik ben heel zielig, net als u. Ik ben hier al zo lang en ik kan niet weg’ – zie boven. Vervolgens nam ze haar hoofddoek af, schreef daarop met haar tranen, legde de doek naast hem neer, ging in het rijtuig zitten en reed weg.

Daarna werd hij wakker en vroeg zijn dienaar: ‘Waar ter wereld ben ik?’

Die vertelde hem het hele verhaal. Hoe er een heleboel soldaten voorbijgemarcheerd waren, dat het rijtuig hier geweest was, dat ze om hem gehuild had en geroepen had hoe zielig hij en zijzelf waren. Enzovoort, zie boven.

Ondertussen viel zijn oog op de hoofddoek die naast hem lag en hij vroeg:

‘Waar komt die vandaan?’

Hij antwoordde: ‘Die heeft zij achtergelaten en ze heeft erop geschreven met haar tranen.’

De onderkoning pakte de hoofddoek op, hield hem omhoog tegen de zon en las de letters die daar geschreven stonden: haar klachten en haar noodkreten – zie boven. En dat ze nu niet meer in het kasteel was en dat hij daarom een gouden berg en een kasteel van parels moest zoeken: daar zou hij haar vinden.

Hij liet zijn dienaar achter en ging alleen op weg om haar te zoeken. Vele jaren zocht hij haar. Hij besefte dat er in de bewoonde wereld natuurlijk geen gouden berg en een kasteel van parels te vinden waren, want hij had veel in de kronieken gelezen. Daarom zou hij haar in de woestijnen gaan zoeken. Hij ging op weg en zocht haar jaren en jaren in de woestijnen. Toen zag hij een man die onmenselijk groot was en die een boom droeg zo groot als er in de bewoonde wereld niet te vinden was. De man vroeg:

‘Wie ben jij?’

De onderkoning antwoordde: ‘Ik ben een mens.’

Daar keek de reus van op. Hij zei:

‘Ik ben al zo lang in de woestijn en ik heb hier nog nooit een mens gezien.’

De onderkoning vertelde hem het hele bovengenoemde verhaal en dat hij een gouden berg en een kasteel van parels zocht.

De reus antwoordde: ‘Zoiets bestaat echt niet,’ want dat wilde er bij hem niet in. En hij zei: ‘Ze hebben je wat wijsgemaakt, want zulke onzin bestaat niet.’

De onderkoning moest erg huilen en zei: ‘Het bestaat echt en het moet ergens zijn.’

Maar dat wilde er bij de reus niet in: ‘Ze hebben je wat wijsgemaakt.’

En de onderkoning zei: ‘En toch bestaat het ergens.’

De reus zei: ‘Volgens mij is dat onzin, maar omdat je zo aandringt zal ik je helpen. Ik ben de baas van alle dieren en zal ze bij elkaar roepen. Ze lopen door de hele wereld en misschien kent een van hen die berg met dat kasteel’ – zie boven.

Hij vroeg het alle opgeroepen dieren van groot tot klein en allemaal antwoordden ze dat ze dat niet gezien hadden. Hij zei: ‘Zie je wel, ze hebben je wat wijsgemaakt. Luister naar mij en ga terug, want iets wat op de hele wereld niet bestaat kun je natuurlijk niet vinden.’

De onderkoning hield koppig vol en zei: ‘Toch moet het er zijn.’

De reus zei: ‘Ik heb een broer in de woestijn; hij is de baas van alle vogels en die kunnen het weten, want ze vliegen hoog in de lucht. Misschien hebben die de berg met het kasteel gezien. Ga naar hem toe en zeg dat ik je gestuurd heb.’

De onderkoning ging op weg en na jaren en jaren zoeken vond hij nog zo’n reus – zie boven. Die droeg ook een grote boom en stelde dezelfdevragen als de eerste.

En die zei: ‘Ik ben al zo lang in de woestijn, maar ik heb hier nog nooit een mens gezien.’

De onderkoning vertelde hem het hele bovengenoemde verhaal en dat de broer van de reus hem gestuurd had.

Dat wilde er ook bij deze reus niet in, want zoiets bestond echt niet.

Maar de onderkoning hield ook tegenover hem vol dat het er echt wel was.

De reus zei: ‘Ik ben de baas van alle vogels; ik zal ze roepen en misschien weten zij het.’ Hij riep alle vogels bij elkaar en vroeg het ze allemaal van groot tot klein.’

Ze antwoordden dat ze niets van die berg met dat kasteel wisten.

Hij zei: ‘Zie je wel? Dat bestaat echt niet op deze wereld; luister naar mij en ga terug, want zoiets bestaat echt niet.’

Maar de onderkoning hield koppig vol en zei: ‘Het bestaat echt in deze wereld.’

De reus zei: ‘Verderop in de woestijn woont mijn broer; hij is de baas van alle winden en die komen in de hele wereld en misschien weten die het.’

De onderkoning ging op weg en na jaren en jaren zoeken vond hij nog zo’n reus – zie boven. Die droeg ook een grote boom en stelde dezelfde vragen – zie boven. De onderkoning vertelde hem het hele verhaal – zie boven.

Dat wilde er ook bij deze reus niet in.

Maar de onderkoning hield koppig vol.

De reus zei dat hij speciaal voor hem alle winden op zou roepen om het hun te vragen. Hij riep ze op. Alle winden kwamen en hij vroeg het hun. Ze wisten niets van die berg met dat kasteel. Hij zei:

‘Zie je wel? Ze hebben je wat wijsgemaakt.’

De onderkoning moest erg huilen en zei: ‘Toch weet ik dat het bestaat.’ Ondertussen zag hij nog een wind aankomen.

De baas was kwaad op hem: ‘Waarom ben je zo laat? Ik zei toch dat alle winden moesten komen? Waarom ben je niet meegekomen?’

Hij antwoordde: ‘Ik ben te laat omdat ik een prinses naar een gouden berg met een kasteel van parels moest dragen.’

De onderkoning was heel blij.

De baas van de winden vroeg de wind: ‘Wat is daar voor kostbaars?’

Die zei tegen hem: ‘Alles is daar kostbaar.’

De baas van de winden riep de onderkoning en zei tegen hem: ‘Je hebt haar zo lang gezocht en zoveel moeite gedaan, dat ik je voor hindernissen die je nu nog tegen kunt komen een vaatje zal geven; als je je hand erin stopt kun je er geld uithalen.’ En hij gaf de wind opdracht hem erheen te dragen.

De stormwind kwam, droeg hem erheen en bracht hem naar de poort. Daar stonden soldaten die hem niet binnenlieten in de stad.

De onderkoning stopte zijn hand in het vaatje, haalde er geld uit om hen om te kopen en ging de stad binnen. Het was een mooie stad. Hij ging naar een rijke man en nam bij hem zijn intrek, omdat hij daar moest blijven en omdat hij moest proberen haar met wijsheid en intelligentie te bevrijden. Uiteindelijk kon hij haar bevrijden.

Amen sela.

 

1816

 

Nachman van Bratslav, Sippoerei Maises. Jeruzalem–New York, z.j.: Keren Hadfasah D’Chasidei Breslov, pp. 1-15.

 

Nachman van Bratslav (1772-1810) was een chassidische leider, die zijn volgelingen verhalen vertelde. Na zijn vroege dood werden deze verhalen in het Hebreeuws en Jiddisj op schrift gesteld door Nosn Sjternharts en in de jaren 1815-1816 uitgegeven. Alle vertellingen kunnen gelezen worden als sprookjes zonder meer. Ze hebben echter een diepe religieuze betekenis, zoals de hieronder afgedrukte inleiding duidelijk maakt. De symboliek is zo gecompliceerd, dat het hier ondoenlijk is daar dieper op in te gaan. Goede toelichtingen zijn te vinden in de volgende vertalingen: Aryeh Kaplan, Rabbi Nachman’s Stories (Breslov Research Institute, Jeruzalem, 1983), Arnold J. Band, Nachman of Bratslav, The Tales (Paulist Press, New York, 1978) en Michael Brocke, Die Erzählungen des Rabbi Nachman von Bratzlaw (Hanser, München, 1985). De bekende uitgave door Martin Buber is een vrije bewerking, die Nachmans eenvoudige stijl geen recht doet.

Kees van Hage

 

De verhalen in dit boek bevatten de grote geheimen van de Tora. Ze handelen over belangrijke dingen en er staat geen alledaags woord in. Ook gewone mensen kunnen een hoge moraal ontlenen aan de verhalen, want die bezitten de kracht om alle mensen uit hun slaap te wekken en te voorkomen dat ze, God verhoede, hun jaren versuffen. Wie ze met een oplettend oog wil lezen, kan iets zien en begrijpen van Gods grootheid. Ze kunnen zelfs gewone mensen een sprankje moreel inzicht verschaffen en ervoor zorgen dat ze zien hoe de toestand in de wereld is en zich geen rad voor ogen laten draaien. De lezer moet dag en nacht bidden om verlost te worden van de dwaasheid van de wereld en te leven naar de wil van God, moge Hij gezegend zijn. De verhalen bevatten verborgen dingen die niet beschreven of verteld kunnen worden, maar wel tot inzicht kunnen leiden. Omdat wij de rabbi soms hebben horen zeggen dat hij de verhalen gedrukt wilde zien in de heilige taal het Hebreeuws en daaronder in het Jiddisj, hebben wij zijn heilige wil ten uitvoer gebracht en de verhalen zo gedrukt. Ook gewone mensen moeten kennis kunnen nemen van de verhalen, al zullen zij heel weinig begrijpen van de bedoeling en de strekking ervan. Zij zullen veel profijt hebben van het aandachtig lezen, want de verhalen hebben het vermogen de lezer nader tot de Allerhoogste te brengen. Het zijn, God verhoede, geen lege teksten. De rabbi, hij ruste in vrede, besloot veel verhalen met een paar verzen of opmerkingen om zijn toehoorders duidelijk te maken dat hij, God verhoede, geen onzin vertelde. Daarmee gaf hij een aanwijzing van de strekking van de verhalen, want ze bevatten alle de geheimen van de Tora.

 

Nachman van Bratslav, Sippoerei Maises. Jeruzalem–New York, z.j.: Keren Hadfasah D’Chasidei Breslov, p. 28.