De stier en de ram

GreatFire-MichaelVoss-fromBorrego10-2-11

 
 

Nachman van Bratslav

Er was eens een koning die in zijn land een decreet uitvaardigde dat iedereen die zich niet bekeerde verbannen zou worden. Wie in het land wilde blijven moest zich bekeren. Wie dat niet deed zou uit het land verbannen worden. Sommigen gaven al hun bezittingen en rijkdom op en vertrokken arm om hun geloof te behouden en Joden te kunnen blijven. Anderen hechtten aan hun rijkdom en bleven; zij werden maranen. In het geheim hielden ze vast aan hun joodse geloof, terwijl ze zich in het openbaar niet als joden mochten gedragen.

Toen stierf de koning. Zijn zoon werd koning en begon te regeren met straffe hand. Hij veroverde vele landen en was een heel wijs man. Maar omdat hij zo streng optrad tegen zijn ministers, beraamden die een samenzwering tegen hem. Ze wilden hem aanvallen en hem en al zijn nakomelingen vermoorden. Een van de ministers was een maraan. Hij dacht:

‘Waarom ben ik een maraan? Omdat ik bezorgd was om mijn bezittingen en mijn rijkdom. Als er een aanslag gepleegd wordt en het land heeft geen koning meer, dan maken ze elkaar af, want een land kan niet zonder koning.’

Daarom besloot hij de koning in het geheim in te lichten. Hij ging naar de koning en vertelde hem dat er een samenzwering tegen hem beraamd werd – zie boven. De koning liet nagaan of dat waar was en zag dat het inderdaad zo was. Hij stelde wachters op. Toen de ministers ’s nachts een aanslag wilden plegen werden ze gegrepen en ieder kreeg de straf die hij verdiende. De koning riep de minister die maraan was bij zich en zei:

‘Hoe kan ik u belonen nu u mij en mijn kinderen hebt gered? Ik kan u minister maken, maar dat bent u al. Ik kan u geld geven, maar u hebt geld van uzelf. Zegt u maar wat u als beloning wilt en u krijgt het.’

De maraan antwoordde: ‘Doet u echt wat ik zeg?’

De koning zei: ‘Ja, ik doe echt wat u wilt.’

De maraan zei: ‘Zweert u dan op uw kroon en op uw rijk.’

Dat deed de koning.

De maraan riep uit: ‘Het enige wat ik wil is dat ik als Jood voor mijn geloof mag uitkomen, dat ik openlijk de talliet mag dragen en de tefilien aanleggen.’

Dat beviel de koning helemaal niet, want niemand in zijn hele rijk mocht Jood zijn. Maar hij had geen keus, omdat hij gezworen had te doen wat de ander vroeg.

’s Morgens droeg de maraan openlijk de talliet en legde de tefilien aan.

Toen stierf de koning. Zijn zoon werd koning en regeerde het land met mildheid, omdat hij gezien had hoe ze zijn vader wilden uitschakelen – zie boven. Hij veroverde vele landen en was een heel wijs man. De koning gaf opdracht alle sterrenwichelaars bijeen te roepen om hun te vragen welke gevaren het leven van zijn nakomelingen bedreigden, dat hij daar rekening mee kon houden. De sterrenwichelaars zeiden dat zijn nakomelingen niet uitgeroeid zouden worden, maar dat hij wel moest oppassen voor een stier en een ram. Dat werd opgeschreven in de kronieken. De koning droeg zijn kinderen op het land te regeren met mildheid, net als hij. Toen stierf hij.

Zijn zoon werd koning en regeerde het land met straffe hand, net als zijn grootvader. Hij veroverde vele landen en kwam op een goed idee: hij verordende dat er zich in zijn land geen enkele os en geen enkel schaap mocht bevinden, om te zorgen dat zijn nakomelingen niet uitgeroeid zouden worden. Hij dacht dat hij nu niets meer te vrezen had, hij regeerde met straffe hand en werd een heel wijs man.

De koning kwam op een goed idee: hij kon de hele wereld veroveren zonder oorlog. De wereld bestaat namelijk uit zeven delen, omdat ze in zevenen verdeeld is. En er zijn zeven planeten en iedere planeet schijnt op een van de zeven delen van de wereld. Er zijn zeven metalen en ieder van de zeven planeten schijnt op een aparte soort metaal. De koning verzamelde alle zeven soorten metaal en gaf opdracht hem alle gouden beeltenissen van alle koningen te brengen die in hun paleizen hingen. Daarvan maakte hij een mens met een hoofd van goud, een lichaam van zilver en de overige lichaamsdelen van andere metalen. Die mens bevatte alle zeven soorten metaal. En hij zette de mens op een hoge berg, waar alle zeven planeten hem beschenen. Als iemand een advies of een goede raad nodig had en niet wist of hij iets wel of niet moest doen, ging hij voor de soort metaal staan die bij het werelddeel hoorde waar hij vandaan kwam en dacht na over de vraag of hij het wel of niet moest doen. Zo ja, dan lichtte dat metaal op en zo nee, dan werd dat lichaamsdeel donker. En daarmee veroverde de koning de hele wereld en bracht heel veel geld bijeen. Maar de mens die hij van de zeven soorten metaal gemaakt had werkte alleen als de koning de hoogmoedigen vernederde en de nederigen verhoogde.

De koning vaardigde een decreet uit dat alle generaals en andere hoogwaardigheidsbekleders bij hem moesten komen. Ze kwamen allemaal. Hij degradeerde hen en ontnam hun de privileges, zelfs als ze die nog van zijn oude grootvader ontvangen hadden. Hij degradeerde hen allemaal, terwijl hij kleine mensen verhief en hun een plaats gaf tussen de hoogwaardigheidsbekleders wie hij de privileges ontnomen had. Toen was de maraan aan de beurt. De koning vroeg:

‘Wat is uw rang en wat zijn uw privileges?’

Hij antwoordde: ‘Mijn enige privilege is dat ik openlijk jood mag zijn wegens de goede daad die ik aan uw grootvader verricht heb.’

De koning ontnam hem zijn privilege en hij werd weer een maraan.

Op een keer, toen hij sliep, zag de koning in een droom een heldere hemel met alle twaalf tekens van de dierenriem. En hij zag dat van de tekens van de dierenriem de Stier en de Ram hem uitlachten. Woedend werd hij wakker en hij was erg geschrokken. Hij gaf opdracht het boek met de kronieken te brengen. Hij zag dat daar geschreven stond dat zijn kinderen uitgeroeid zouden worden door de Stier en de Ram. Een hevige angst overviel hem. Hij vertelde het de koningin en ook haar en de kinderen overviel een hevige angst. Zijn hart ging wild tekeer en hij riep alle droomuitleggers. Ieder van hen gaf zijn uitleg, maar ze vonden bij hem geen gehoor en een hevige angst overviel hem. Er kwam een wijze bij hem, die zei dat hij van zijn vader gehoord had dat de zon driehonderdvijfenzestig banen had en dat er één plaats was waar alle driehondervijfenzestig banen van de zon tegelijk schenen. En daar stond een ijzeren staf. Wie angstig was kon naar die staf komen om van zijn angst verlost te worden.

De koning was opgelucht en ging met zijn vrouw en kinderen en al zijn nakomelingen daarheen en de wijze ging met hen mee. Midden op de weg stond een engel; die engel hield toezicht op de boosheid, want door boosheid wordt een engel van verwoesting geschapen en die engel houdt toezicht op alle verwoestende krachten. Die engel vraag je de weg, want er is voor de mens een goede weg en een weg vol modder, en er is een weg vol kuilen en zo zijn er nog vele wegen. Er is ook een weg met een vuur dat ieder die dichterbij komt dan vier mijl verbrandt. Die weg sloegen ze in. De wijze keek de hele tijd uit naar het vuur, want hij had van zijn vader geleerd dat het daar moest zijn. Toen ontdekte hij het vuur en zag er koningen doorheen gaan en joden met talliet en tefilien. De wijze zei tegen de koning:

‘Ik heb geleerd dat je dichter dan vier mijl van het vuur verbrandt en daarom wil ik niet verder. U kunt gaan, als u wilt.’

De koning dacht na, want hij zag andere koningen door het vuur gaan en nam aan dat hij dat ook zou kunnen.

De wijze zei: ‘Ik heb van mijn vader geleerd dat ik niet verder moet gaan. U kunt gaan, als u wilt.’

De koning ging met al zijn nakomelingen. Ze vatten vlam en hij verbrandde met al zijn nakomelingen en allemaal kwamen ze om.

Toen de wijze terugkwam waren de hoogwaardigheidsbekleders stomverbaasd dat de koning met zijn nakomelingen omgekomen was. Hij was de Stier en de Ram toch uit de weg gegaan? Hoe kon hij dan met zijn nageslacht omgekomen zijn?

De maraan zei: ‘Door mij is hij omgekomen. De sterrenwichelaars keken wel, maar wisten niet wat ze zagen. Van de huid van een os worden tefilien gemaakt en van de wol van een schaap de tsitsiet voor de talliet. Daardoor is de koning omgekomen met zijn nageslacht. Koningen met joden in hun land die de talliet dragen en de tefilien aanleggen kunnen wel zonder gevolgen door het vuur gaan. Maar deze koning stond niet toe dat joden in zijn land de talliet droegen en de tefilien aanlegden, daarom is hij omgekomen met zijn nageslacht en daarom lachten de Stier en de Ram van de dierenriem hem uit. De sterrenwichelaars zagen wel dat zijn nageslacht door de Stier en de Ram uitgeroeid zou worden, maar ze begrepen niet wat ze zagen en daarom werd de koning met zijn nageslacht gedood.’

Amen. O G-d, laat zo al Uw vijanden ten onder gaan.

 

1816

 

Nachman van Bratslav, Sippoerei Maises. Jeruzalem–New York, z.j.: Keren Hadfasah D’Chasidei Breslov, pp. 71-82.

 

Nachman van Bratslav (1772-1810) was een chassidische leider, die zijn volgelingen verhalen vertelde. Na zijn vroege dood werden deze verhalen in het Hebreeuws en Jiddisj op schrift gesteld door Nosn Sjternharts en in de jaren 1815-1816 uitgegeven. Alle vertellingen kunnen gelezen worden als sprookjes zonder meer. Ze hebben echter een diepe religieuze betekenis, zoals de hieronder afgedrukte inleiding duidelijk maakt. De symboliek is zo gecompliceerd, dat het hier ondoenlijk is daar dieper op in te gaan. Goede toelichtingen zijn te vinden in de volgende vertalingen: Aryeh Kaplan, Rabbi Nachman’s Stories (Breslov Research Institute, Jeruzalem, 1983), Arnold J. Band, Nachman of Bratslav, The Tales (Paulist Press, New York, 1978) en Michael Brocke, Die Erzählungen des Rabbi Nachman von Bratzlaw (Hanser, München, 1985). De bekende uitgave door Martin Buber is een vrije bewerking, die Nachmans eenvoudige stijl geen recht doet.

Kees van Hage

 

De verhalen in dit boek bevatten de grote geheimen van de Tora. Ze handelen over belangrijke dingen en er staat geen alledaags woord in. Ook gewone mensen kunnen een hoge moraal ontlenen aan de verhalen, want die bezitten de kracht om alle mensen uit hun slaap te wekken en te voorkomen dat ze, God verhoede, hun jaren versuffen. Wie ze met een oplettend oog wil lezen, kan iets zien en begrijpen van Gods grootheid. Ze kunnen zelfs gewone mensen een sprankje moreel inzicht verschaffen en ervoor zorgen dat ze zien hoe de toestand in de wereld is en zich geen rad voor ogen laten draaien. De lezer moet dag en nacht bidden om verlost te worden van de dwaasheid van de wereld en te leven naar de wil van God, moge Hij gezegend zijn. De verhalen bevatten verborgen dingen die niet beschreven of verteld kunnen worden, maar wel tot inzicht kunnen leiden. Omdat wij de rabbi soms hebben horen zeggen dat hij de verhalen gedrukt wilde zien in de heilige taal het Hebreeuws en daaronder in het Jiddisj, hebben wij zijn heilige wil ten uitvoer gebracht en de verhalen zo gedrukt. Ook gewone mensen moeten kennis kunnen nemen van de verhalen, al zullen zij heel weinig begrijpen van de bedoeling en de strekking ervan. Zij zullen veel profijt hebben van het aandachtig lezen, want de verhalen hebben het vermogen de lezer nader tot de Allerhoogste te brengen. Het zijn, God verhoede, geen lege teksten. De rabbi, hij ruste in vrede, besloot veel verhalen met een paar verzen of opmerkingen om zijn toehoorders duidelijk te maken dat hij, God verhoede, geen onzin vertelde. Daarmee gaf hij een aanwijzing van de strekking van de verhalen, want ze bevatten alle de geheimen van de Tora.

 

Nachman van Bratslav, Sippoerei Maises. Jeruzalem–New York, z.j.: Keren Hadfasah D’Chasidei Breslov, p. 28.