De slimme en de simpele

shoe-repair

 

Nachman van Bratslav

Er woonden eens twee huisvaders in dezelfde stad. Ze waren heel rijk en hadden een groot huis. Die twee huisvaders hadden twee zoons, dat wil zeggen ieder had één zoon. De twee zoons gingen naar dezelfde school, maar de een was slim en de ander was simpel. De twee zoons waren erg op elkaar gesteld, al was de een slim en de ander simpel met een gewoon verstand. Toch waren ze erg op elkaar gesteld.

 

***

Na verloop van tijd raakten de huisvaders veel van hun vermogen kwijt. Het ging van kwaad tot erger, tot ze alles kwijt waren en arme mensen werden, die alleen nog maar hun huizen bezaten. En de zoons werden groot en de huisvaders zeiden tegen hen:

‘Wij kunnen jullie niet meer onderhouden. We kunnen niet meer voor jullie zorgen. Probeer jezelf te redden.’

De simpele leerde het vak van schoenmaker. De slimme was iemand met verstand. Hij had geen zin in zo’n gewoon beroep en besloot de wereld in te trekken en te zien wat hij zou doen. Hij liep rond op de markt en zag een grote wagen bespannen met vier paarden voorbijkomen. Hij riep tegen de kooplieden:

‘Waar komt u vandaan?’

‘Van Warschau!’ antwoordden ze.

‘Waar gaat u heen?’

‘Naar Warschau!’

Hij vroeg of ze een knecht nodig hadden. De kooplieden zagen dat hij een slimme en handige jongen was en hij beviel hun wel. Ze namen hem mee. Hij ging met hen mee en hielp hen onderweg heel goed. Toen hij in Warschau kwam dacht hij, omdat hij een slimme jongen was:

‘Nu ben ik in Warschau. Waarom zou ik bij de kooplieden blijven? Misschien is het ergens anders beter. Laat ik gaan zoeken, dan zie ik wel.’

Hij ging naar de markt en begon te denken en na te vragen over de mensen die hem gebracht hadden of het ergens anders beter was dan bij hen. Hij kreeg als antwoord dat die mensen eerlijk waren en dat je het goed bij hen had, maar wel moeilijk, omdat ze voor zaken verre reizen moesten maken. Terwijl hij daar liep zag hij winkelbedienden over de markt lopen, met hun modieuze hoeden, puntige schoenen en andere dingen, alles even elegant. Hij was een slimme jongen en een intelligente jongen en alles beviel hem omdat het mooi was en zich in dezelfde plaats afspeelde. Hij ging naar de mensen die hem hier gebracht hadden en nam ontslag. En hij zei dat hij beter niet bij hen kon blijven en dat hij voor de reis betaald had met zijn diensten onderweg. Hij ging bij een baas werken waar de gewoonte was dat je begon als jongste bediende en zwaar werk deed voor een laag loon en dat je daarna opklom. De baas liet hem hard werken en stuurde hem naar rijke heren. Hij moest veel sjouwen, zoals alle bedienden en kreeg veel zware stoffen te dragen. Het was zwaar werk. Soms moest hij met zijn spullen veel trappen op. Het werk viel hem niet mee. Omdat hij een slimme jongen was met een filosofische inslag, dacht hij:

‘Wat heb ik aan dit werk? Ik doe het vooral om praktische redenen, om te kunnen trouwen en een gezin te onderhouden. Maar daar hoef ik nog geen rekening mee te houden, dat is van later zorg. Tot die tijd kan ik beter de wereld in trekken en landen bekijken.’

Hij ging naar de markt en zag daar kooplieden rijden op een grote wagen. Hij vroeg:

‘Waar gaat u heen?’

‘Naar Livorno,’ antwoordden ze.

Hij vroeg: ‘Kan ik met u mee?’

‘Ja,’ antwoordden ze.

Ze namen hem mee. Van daar ging hij naar Italië en van Italië door naar Spanje. Vele jaren gingen voorbij en hij werd nog slimmer, doordat hij in een heleboel landen geweest was. Hij dacht:

‘Nu moet ik eens aan mijn toekomst gaan denken.’

En met zijn filosofische inslag bedacht hij wat hij zou gaan doen. Het leek hem een goed idee om het vak van goudsmid te leren, want dat was een hoogstaand beroep en een mooi beroep, het vereiste veel vakmanschap en bracht veel geld in het laatje. En omdat hij slim was en een filosofische inslag had, hoefde hij geen jaren te studeren. Na een kwartaal kende hij het vak en was een volleerd vakman en hij had het vak beter in zijn vingers dan de meester die hem opgeleid had. Daarna dacht hij:

“Ik ken dat vak nu wel, maar dat is niet genoeg. Want vandaag staat dit hoog aangeschreven en morgen dat.”

En hij ging in de leer bij een diamantslijper. Met zijn slimheid kende hij dat vak ook in korte tijd, al na een kwartaal. Daarna dacht hij met zijn filosofische inslag:

“Ik ken nu wel twee vakken, maar misschien staan die over een tijd laag aangeschreven. Daarom is het goed als ik een vak leer dat altijd hoog aangeschreven zal staan.” Met zijn slimheid en zijn filosofische inslag bedacht hij dat hij medicijnen moest studeren, want daar was altijd behoefte aan en dat stond altijd hoog aangeschreven. Als je medicijnen wilde studeren was het gebruikelijk dat je eerst Latijn leerde lezen en schrijven en dat je filosofie studeerde. Met zijn slimheid had hij dat in korte tijd onder de knie, na een kwartaal. En hij werd een groot arts en een filosoof, die verstand had van alle wetenschappen. Nu vond hij de wereld onbeduidend, dat wil zeggen: hij vond iedereen dom. Door zijn intelligentie en zijn grote vakmanschap als dokter leek iedereen om hem heen onbeduidend. Hij begon aan toekomstplannen te denken en hij zou een vrouw nemen. Hij zei tegen zichzelf:

“Als ik hier trouw, wie weet dan wat ik bereikt heb? Ik kan beter terug naar huis gaan, dan kunnen ze zien wat ik bereikt heb. Ik ben weggegaan als jonge jongen en nu ben ik zo groot geworden.”

Hij ging op weg naar huis en onderweg voelde hij zich ongelukkig door zijn slimheid. Hij kon met niemand praten, hij vond geen onderdak naar zijn smaak en hij was de hele tijd erg ongelukkig.

 

***

Laten we het verhaal van de slimme even onderbreken om het verhaal van de simpele te vertellen. De simpele leerde het vak van schoenmaker, maar omdat hij simpel was moest hij een heleboel leren tot hij het vak onder de knie had en hij had het vak niet echt in zijn vingers. Hij nam een vrouw en verdiende zijn brood in zijn vak. Maar doordat hij simpel was en geen groot vakman verdiende hij erg weinig. En hij had geen tijd om te eten, want doordat hij zijn vak niet grondig kende moest hij aan één stuk door werken. Terwijl hij aan het werk was en met de els een gat maakte en de draad erdoor trok nam hij een hap van een stuk brood en at. Hij was altijd in een vrolijk en opgewekt humeur en beschikte over alle spijzen en alle dranken en alle kledingstukken. Dan zei hij tegen zijn vrouw:

‘Vrouw, heb je iets te eten?’

Dan gaf ze hem een stuk brood en hij at.

Dan zei hij weer: ‘Geef me wat boekweitsoep.’

Dan sneed ze nog een stuk brood voor hem af en hij at het op. Dat vond hij dan erg lekker en hij zei:

‘Wat heerlijk en wat een lekkere soep is dat!’

En als hij om vlees vroeg gaf ze hem weer een stuk brood en dat at hij op. Hij vond het erg lekker en zei:

‘Wat een lekker vlees is dat!’

En zo vroeg hij om andere goede gerechten en in plaats van ieder gerecht waar hij om vroeg gaf ze hem een stuk brood. Hij at met veel smaak en vond de gerechten heerlijk: ‘Wat is dit lekker!’ Alsof hij het werkelijk at, want in het brood dat hij at proefde hij echt wat hij proeven wilde. Door zijn grote simpelheid en zijn vrolijkheid smaakt het brood hem alsof hij steeds iets anders at. En dan zei hij:

‘Vrouw, heb je een glas bier?’

Dan gaf ze hem water en dan zei hij hoe heerlijk het bier was. Daarna vroeg hij: ‘Heb je honingwijn?’

Dan gaf ze hem water en dat vond hij ook al zo lekker:

‘Wat een lekkere honingwijn is dit! Heb je wijn of iets anders te drinken?’

Weer gaf ze hem water en dat smaakte hem en hij vond het zo heerlijk of hij de echte drank dronk. En met kleren ging het net zo. Hij deelde met zijn vrouw een jas van schapenvacht. Als hij een jas nodig had, dat wil zeggen om naar de markt te gaan, zei hij altijd:

‘Vrouw, geef me de vacht eens aan!’

Dan gaf ze die aan hem. Als hij een bontjas nodig had om bij mensen op bezoek te gaan zei hij:

‘Vrouw, geef me de bontjas eens aan!’

Dan gaf ze hem de schapenvacht. Hij was heel blij en gaf hoog op van de bontjas:

‘Wat een fijne bontjas is dit!’

Als hij een kaftan nodig had om naar de synagoge te gaan vroeg hij:

‘Vrouw geef me de kaftan eens aan!’

Dan gaf ze hem de schapenvacht. Hij gaf hoog op van de kaftan en zei:

‘Wat een mooie, fijne kaftan is dit!’

En ook als hij een overjas aanmoest gaf ze hem de schapenvacht. Dan gaf hij hoog op van de overjas:

‘Wat een mooie, fijne overjas is dit!’

Zo ging het bij alle dingen en hij was dolgelukkig en altijd vrolijk en blij. Als hij een schoen gemaakt had was die gewoonlijk driehoekig van vorm doordat hij het vak niet genoeg in zijn vingers had. Dan pakte hij de schoen en gaf er hoog van op, was er heel blij mee en zei:

‘Vrouw, wat een mooi en wat een heerlijk schoentje is dit! Wat een fijn schoentje is dit! Wat een schattig schoentje is dit! Wat een dotje van een schoen is dit!’

Ze vroeg: ‘Als dat zo is, waarom vragen andere schoenmakers dan drie gulden voor een paar schoenen en jij maar anderhalf?’

Hij antwoordde: ‘Wat geeft dat nu? Dat is hun zaak en dit is mijn zaak. Wat hebben wij met anderen te maken? Laten we gewoon eens uitrekenen hoeveel ik op dit schoentje verdien. Het leer kost me zoveel, pek en draad kosten zoveel, zolen zoveel en de rest zoveel. Nu verdien ik er tien groschen op. Waarom zou ik me druk maken over zo’n winst?’ En hij bleef altijd vrolijk en opgewekt.

De mensen lachten hem uit en ze kregen wat ze wilden, want ze konden naar hartelust grappen over hem maken, omdat ze hem blijkbaar voor gek versleten. Dan kwamen ze een praatje maken om hem voor de gek te houden en dan zei de simpele tegen hen:

‘Geen gekheid, graag!’

En als ze geen gekheid beloofden te maken luisterde hij naar hen en maakte een praatje, omdat hij niet over spitsvondigheden wilde nadenken, want die waren alleen maar gekheid en hij was simpel. En als hij zag dat ze gekheid maakten, zei hij altijd:

‘Als jullie slimmer zijn dan ik, wat dan nog? Dan zijn jullie nog steeds gek! Want wat ben ik nu helemaal? En als jij slimmer bent dan ik, ben je nog steeds gek!’

 

***

Ondertussen was er veel rumoer, toen de slimme terugkwam met groot vertoon en met veel wijsheid. En ook de simpele verwelkomde hem met grote vreugde en zei tegen zijn vrouw:

‘Geef me gauw de bontjas! Dan kan ik mijn goede vriend welkom heten, ik moet hem zien!’

Ze gaf hem de schapenvacht. Hij verwelkomde hem en de slimme reed in een chic rijtuig. De simpele ging hem tegemoet om hem blij en hartelijk gedag te zeggen:

‘Beste vriend, hoe gaat het? God zij geloofd dat Hij je hier gebracht heeft en dat ik je kan zien.’

De slimme staarde hem aan. De wereld betekende niets voor hem en zeker niet iemand met het gezicht van een gek. Maar omdat ze in hun jeugd nu eenmaal erg op elkaar gesteld waren geweest, deed hij vriendelijk en reed met hem de stad in.

De twee huisvaders, de vaders van de zoons, waren gestorven in de tijd dat de slimme in het buitenland was en ze hadden hun de huizen nagelaten. De simpele bleef in de stad en ging in het van zijn vader geërfde huis wonen. Maar de slimme was in het buitenland en niemand had op het huis gepast, waardoor het huis van de slimme een puinhoop was geworden. Er was niets van over. Omdat de slimme bij zijn terugkeer geen huis meer had om in te wonen ging hij naar een herberg. Daar voelde hij zich helemaal niet prettig, want de herberg voldeed niet aan zijn verwachtingen. En de simpele zag het nu als zijn taak om iedere keer naar de slimme te gaan en hem te omringen met liefde en geluk. Toen de simpele zag dat de slimme het in de herberg helemaal niet naar zijn zin had, zei hij tegen de slimme:

‘Broeder, kom met me mee naar huis. Je kunt bij mij logeren en ik zet mijn spullen in een hoek, dan heb jij het hele huis voor jezelf.’

Dat beviel de slimme wel en hij trok bij de simpele in om bij hem te logeren.

En de slimme was altijd ongelukkig, want hij had een naam op te houden als briljant man, groot vakman en zeer deskundig arts.

Er kwam een edelman, die opdracht gaf een gouden ring voor hem te maken. De slimme maakte een heel mooie ring voor hem en graveerde daarin heel mooie afbeeldingen en ook een bijzondere boom. Toen de edelman kwam, beviel de ring hem helemaal niet. De slimme was heel ongelukkig, want hij wist dat de ring met het boompje in Spanje een groot succes zou zijn geweest en hier blijkbaar niet. En op een dag kwam er een aanzienlijke edelman met een kostbare diamant die iemand voor hem mee had gebracht uit een ver land. En hij bracht nog een diamant mee met een afbeelding en gaf opdracht de afbeelding na te graveren op de eerste diamant. De slimme maakte de afbeelding precies na, maar liet iets weg dat niemand zag behalve hijzelf. De edelman kwam de diamant halen en was er tevreden over. Maar de slimme was heel ongelukkig door de fout die hij gemaakt had. Hij dacht:

“Zo slim als ik ben, heb ik toch een fout gemaakt.”

En in zijn dokterspraktijk was hij ook ongelukkig. Toen hij bij een zieke kwam en hem medicijnen gaf waarvan hij zeker wist dat ze de zieke het leven zouden redden, moest die natuurlijk beter worden, want het waren heel goede medicijnen. Maar de zieke overleed. De mensen zeiden dat hij overleden was door de schuld van de dokter. Die leed daar erg onder. En zo gaf hij een zieke een keer medicijnen waardoor die zieke beter werd. De mensen zeiden dat het toeval was. Daar leed hij ook erg onder. En hij ging altijd gebukt onder ellende. Toen hij een kledingstuk nodig had, riep hij de kleermaker en legde hem met veel moeite uit hoe hij het kledingstuk moest maken, volgens een bepaalde mode die hijzelf goed kende. De kleermaker had het begrepen en maakte het kledingstuk volgens de aanwijzingen. Alleen had hij een van de revers niet goed gemaakt. De slimme leed daar erg onder, want hij besefte:

“Hier hebben ze daar geen verstand van, maar als ik in Spanje was met die revers zouden ze me uitlachen en ik zou voor schut staan.”

En zo voelde hij zich altijd ellendig.

De simpele kwam vaak vol vreugde en geluk bij de slimme en trof hem dan altijd verdrietig en vol ellende aan. En hij vroeg:

‘Hoe kan iemand die zo slim en zo rijk is als jij altijd terneergeslagen zijn? En waarom ben ik altijd vrolijk?’

De slimme vond dat belachelijk en verklaarde hem voor gek.

De simpele zei: ‘Als gewone mensen die mij voor de gek houden zelf gek zijn, dan ben jij dat zeker met je slimheid. Dus wat heb je eraan dat je slimmer bent dan ik?’ En hij vervolgde: ‘Moge de Allerhoogste geven dat je mijn niveau bereikt!’

De slimme antwoordde: ‘Ik kan op jouw niveau komen als God mijn verstand wegneemt – de Hemel sta me bij – of als ik ziek word – de Hemel sta me bij. Dan word ik ook gek. Want gek ben je. Maar dat jij mijn niveau bereikt, dat je net zo slim wordt als ik, is absoluut onmogelijk!’

De simpele antwoordde: ‘Bij God is alles mogelijk. In een oogwenk ben ik net zo slim als jij!’

De slimme lachte hem vierkant uit.

 

***

De twee zoons werden door de mensen de slimme en de simpele genoemd. De een heette de slimme en de ander heette de simpele. Al zijn er in de wereld veel slimmen en simpelen, hier viel het erg op, doordat ze uit dezelfde stad kwamen en naar dezelfde school gegaan waren en doordat de een ongewoon slim was en de ander wel heel erg simpeltjes. In het koninklijke register werd iedereen ingeschreven onder zijn familienaam. De een was ingeschreven onder de naam De Slimme en de ander onder de naam De Simpele. Op een dag bezocht de koning het register en ontdekte dat de twee ingeschreven waren onder de naam De Slimme en onder de naam De Simpele. De koning vond het vreemd dat de twee De Slimme en De Simpele heetten en wilde hen heel graag ontmoeten. Hij dacht:

“Als ik ze overval met de mededeling dat ze bij mij moeten komen, dan schrikken ze, dan weet de slimme niet wat hij antwoorden moet en de simpele wordt misschien gek van angst.”

De koning besloot naar de slimme een slimme te sturen en naar de simpele een simpele. Alleen: waar haalde je in een hoofdstad een simpele vandaan? Want in een hoofdstad waren de meeste mensen slim. Alleen de schatbewaarder was echt simpel. Een slimme benoem je namelijk niet tot schatbewaarder, want die zou met zijn slimheid en intelligentie het geld maar uitgeven. Daarom benoemden ze een echte simpele tot schatbewaarder. De koning riep een slimme en die simpele en stuurde die twee op weg met voor ieder een aparte brief. Hij gaf ook een brief mee voor de gouverneur van het district waar de twee woonden, dat wil zeggen de slimme en de simpele. En in die brief droeg de koning de gouverneur op de brieven aan de slimme en de simpele in zijn eigen naam te sturen, opdat ze niet zouden schrikken. Hij moest ook schrijven dat de zaak niet dringend was, dat de koning geen bevel gaf om te komen, dat hij het aan henzelf overliet om te komen, maar dat hij hen graag wilde zien.

De slimme en de simpele boodschapper gingen op weg, kwamen bij de gouverneur

en overhandigden hem de brieven. De gouverneur deed navraag naar de twee zoons en hem werd verteld dat de slimme ongewoon slim was en heel rijk en de simpele wel erg simpeltjes en dat hij in plaats van verschillende kleren een schapenvacht had – zie boven. De gouverneur besefte dat het natuurlijk niet goed was als de simpele voor de koning zou verschijnen in een schapenvacht. Daarom liet hij fatsoenlijke kleren voor hem maken, legde die in de koets die naar de simpele zou gaan en gaf de brieven mee – zie boven.

De boodschappers gingen op weg en toen ze bij hen aangekomen waren, overhandigden ze de brieven. De slimme gaf hem aan de slimme en de simpele aan de simpele. En meteen toen hij de brief kreeg zei de simpele tegen de boodschapper die hem de brief overhandigde:

‘Ik weet niet wat er in de brief staat. Kunt u hem voorlezen?’

De boodschapper antwoordde: ‘Ik kan je uit mijn hoofd vertellen wat erin staat. De koning wil dat je onmiddellijk bij hem komt. Zonder gekheid.’

De simpele zei: ‘Is dat echt waar? Zonder gekheid?’ Hij was meteen dolgelukkig en rende naar zijn vrouw om te zeggen: ‘Vrouw de koning heeft iemand gestuurd om me te halen!’

Ze vroeg: ‘Hoezo? Waarom laat hij je halen?’

Hij had geen tijd om antwoord te geven, maakte voort, dolblij, en nam plaats in de koets om met de boodschapper mee te gaan. Toen hij de kleren vond, was hij nog blijer: had hij nog kleren ook! Hij was echt heel blij.

 

***

Ondertussen hadden de koning berichten bereikt dat de gouverneur strafbare daden beging. De koning ontsloeg hem en bedacht dat het goed zou zijn als de gouverneur een eenvoudig man was, dat wil zeggen een simpele. Een simpele zou namelijk regeren met waarheid en rechtvaardigheid, omdat hij geen intelligentie en slimme ideeën had. Het behaagde de koning de simpele tot gouverneur te benoemen. Hij vaardigde een decreet uit dat de simpele die hij ontboden had gouverneur moest worden. En als de simpele door de hoofdstad van het district reed, moesten ze bij de poorten van de stad gaan staan om hem meteen bij zijn komst aan te houden en hem te benoemen tot gouverneur. Zo gebeurde het. Ze stonden bij de poorten en meteen toen hij langskwam hielden ze hem aan en zeiden dat hij tot gouverneur benoemd was.

‘Zonder gekheid?’ vroeg hij.

Ze antwoordden: ‘Natuurlijk, zonder gekheid.’

Met onmiddellijke ingang werd de simpele benoemd tot gouverneur en met macht bekleed. En nu het geluk hem goedgezind was en doordat geluk slimmer maakt begreep hij iets meer. Desondanks maakte hij geen gebruik van zijn intelligentie, maar gedroeg zich even eenvoudig als eerst. Hij bestuurde het land met eenvoud en waarheid en met rechtvaardigheid en behandelde niemand achterbaks of onrechtvaardig. Om een land te regeren heb je geen grote intelligentie en geleerdheid nodig, maar rechtvaardigheid en eenvoud.

Toen er twee mensen bij hem kwamen over wie hij recht moest spreken, zei hij:

‘Jij bent schuldig en jij bent onschuldig.’ Zo eenvoudig en waarheidslievend was hij, zonder enige bedrieglijkheid en zonder achterbaksheid. En zo regeerde hij met oprechtheid. Ze hielden veel van hem in het land en hij had toegewijde raadgevers die echt op hem gesteld waren. En uit genegenheid voor hem gaf een van hen hem een goede raad:

‘U zult voor de koning moeten verschijnen, want hij heeft al iemand gestuurd om u te halen. Het is trouwens de gewoonte dat een gouverneur een bezoek aflegt bij de koning. Nu bent u heel eerlijk en de koning zal geen greintje onoprechtheid ontdekken in de manier waarop u het land bestuurt. Alleen is het de gewoonte van de koning dat hij in het gesprek allerlei zijpaadjes bewandelt en over geleerde dingen en vreemde talen begint te praten. Het zou dus mooi zijn en welgemanierd als u met hem kunt converseren. Daarom is het goed als ik u geleerde dingen en vreemde talen leer.’

Dat vond de simpele een goed idee. Hij dacht: ‘Het kan geen kwaad als ik geleerde dingen en vreemde talen leer.’ Hij studeerde om zich geleerde dingen en vreemde talen eigen te maken. En opeens schoot hem te binnen wat zijn vriend de slimme had gezegd: dat het absoluut onmogelijk was dat hij het niveau van zijn vriend zou bereiken. Toch had hij diens slimheid al geëvenaard.

Toen ontbood de koning de simpele die gouverneur was.

De simpele ging naar hem toe. De koning sprak eerst met de simpele over het landsbestuur. Hij viel erg in de smaak bij de koning, want die zag dat de simpele regeerde met rechtvaardigheid en met grote oprechtheid, zonder een greintje onrecht en helemaal zonder achterbaksheid. Daarna begon de koning over geleerde dingen en vreemde talen. De simpele converseerde zoals het hoorde en dat beviel de koning nog meer. Hij zei: ‘Ik zie dat hij heel slim is en toch regeert hij zo simpel en eenvoudig.’ Hij viel zo bij de koning in de smaak, dat die hem benoemde hem tot eerste minister. En de koning gaf opdracht hem geven een speciale stad te geven als residentie en een heel mooi gebouw op te trekken dat hem waardig was en dat hij verdiende. En hij gaf hem een oorkonde die bevestigde dat hij minister was. En zo gebeurde het. Ze bouwden voor hem een heel mooi gebouw op de door de koning aangewezen plaats en hij ontving de eer in waardigheid.

 

***

Toen de slimme de brief van de koning ontving antwoordde hij de slimme die de brief van de koning overhandigde:

‘Wacht, en overnacht hier, dan praten we erover en nemen we een beslissing.’

’s Avonds richtte hij een groot feestmaal aan. Onder het eten begon de slimme de zaak te overdenken en te analyseren met zijn intelligentie en filosofische inslag en hij zei tegen zichzelf:

“Wat kan dit betekenen? Waarom stuurt iemand als de koning een boodschapper naar zo’n kleine man als ik? Wie ben ik dat de koning iemand naar mij stuurt? Wat betekent dat? Zo’n grote koning heeft zoveel macht en grootheid en ik ben tegenover zo’n grote koning zo klein. Hoe is het redelijkerwijs mogelijk dat zo’n koning iemand naar mij stuurt? Dan moet mijn intelligentie wel de reden zijn dat hij iemand naar mij stuurt. Wat heb ik te betekenen tegenover de koning? Heeft de koning dan geen slimme mensen? De koning zelf is natuurlijk ook slim. Waarom stuurt hij dan iemand naar mij?”

Hij kon het maar niet begrijpen. En omdat hij zo verwonderd was zei hij tegen de slimme boodschapper:

‘Zal ik u eens wat zeggen? Ik ben tot de conclusie gekomen dat er op deze wereld helemaal geen koning is. De mensen hebben het bij het verkeerde eind als ze denken dat er een koning is. Dat kan helemaal niet, begrijpt u wel? Hoe kan het dat de hele wereld zich onderwerpt aan één man, die dan koning is. Daarom: de koning bestaat helemaal niet.’

De slimme boodschapper antwoordde: ‘Ik heb u een brief van de koning overhandigd.’

De slimme vroeg: ‘Hebt u die brief van de koning zelf gekregen?’

‘Nee,’ antwoordde hij. ‘Iemand anders heeft me die brief van de koning gegeven.’

‘Dat bedoel ik,’ zei de slimme. ‘Nu ziet u zelf dat ik gelijk heb, dat de koning helemaal niet bestaat.’ En hij vervolgde: ‘Vertelt u eens: u komt uit de hoofdstad en u bent daar opgegroeid. Hebt u de koning ooit gezien?’

‘Nee,’ antwoordde de slimme boodschapper.

‘Ziet u wel dat ik gelijk heb, dat er helemaal geen koning is? Want zelfs u hebt de koning nog nooit gezien!’

De slimme boodschapper vroeg: ‘Als dat zo is, wie regeert het land dan?’

‘Dat zal ik u precies vertellen,’ antwoordde de slimme, ‘want daar heb ik verstand van. Ik kan het weten, want ik ben in het buitenland geweest. Ik ben in Italië geweest en daar hebben ze zeventig raadsheren die het land een tijdlang besturen. Zij delen de macht in de staat en wisselen elkaar af.’

Zijn woorden vonden gehoor bij de andere slimme en uiteindelijk kwamen ze samen tot de conclusie dat de koning helemaal niet bestond.

De slimme zei: ‘Wacht tot morgenochtend, dan zal ik u bewijzen dat de koning helemaal niet bestaat.’ Hij stond vroeg op, maakte de slimme boodschapper wakker en zei tegen hem:

‘Kom met me mee de straat op, dan zal ik u laten zien dat iedereen het bij het verkeerde eind heeft en dat de koning helemaal niet bestaat.’

Ze gingen naar de markt. Daar zagen ze een soldaat, spraken ze hem aan en vroegen: ‘Bij wie ben je in dienst?’

Hij antwoordde: ‘Bij de koning.’

‘Heb je de koning ooit gezien?’

‘Nee,’ antwoordde hij.

En de slimme zei: ‘Hoor nu toch eens wat een onzin!’

Daarna gingen ze naar een officier van het leger, knoopten een gesprek aan en vroegen hem: ‘Bij wie bent u in dienst?’

‘Bij de koning,’ antwoordde hij.

‘Hebt u de koning wel eens gezien?’

‘Nee.’

‘Nu ziet u zelf,’ zei de slimme, ‘dat iedereen het bij het verkeerde eind heeft en dat de koning niet bestaat.’

Ze waren het erover eens dat de koning niet bestond.

De slimme zei: ‘Kom, laten we een wereldreis maken, dan zal ik laten zien dat iedereen het bij het verkeerde eind heeft en onzin kletst.’

Ze gingen op weg om een wereldreis te maken. Overal waar ze kwamen ontdekten ze dat iedereen het bij het verkeerde eind had en dat verhaal van de koning werd voor hen een voorbeeld. Overal waar ze ontdekten dat iedereen het bij het verkeerde eind had gebruikten ze de koning als voorbeeld: ‘Dit is net zo waar als dat er een koning is.’ Zo bereisden ze de wereld tot hun geld op was. Eerst verkochten ze een paard en daarna een tweede, tot ze ze allemaal verkocht hadden en lopend verder moesten. En de hele tijd analyseerden ze de mensen en ontdekten dat de iedereen het bij het verkeerde eind had. Doordat ze landlopers geworden waren, telden ze niet meer mee en werden met de nek aangekeken.

Ze trokken verder tot ze bij de stad kwamen waar de minister woonde – zie boven. Daar in de stad woonde een echte wonderdoener en die wonderdoener stond hoog in aanzien, omdat hij inderdaad wonderen verrichtte. Zelfs bij de ministers was hij beroemd en stond hij hoog in aanzien. De slimmen kwamen de stad binnen, liepen rond en kwamen bij het huis van de wonderdoener. Daar zagen ze veel karren staan met zieken, wel veertig of vijftig. De slimme dacht dat daar een dokter woonde. Omdat hij zelf ook een groot dokter was, wilde hij naar binnen gaan om kennis te maken. Hij vroeg:

‘Wie woont hier?’

‘Een wonderdoener,’ antwoordden de mensen.

Hij barstte in lachen uit en zei tegen de andere slimme: ‘Dat is een leugen en onzin! Dat is nog grotere onzin dan dat misverstand over de koning! Beste man, ik zal je vertellen wat een onzin dat is, hoe iedereen het bij het verkeerde eind heeft en verstrikt is in een leugen!’

Ondertussen hadden ze honger gekregen. Ze ontdekten dat ze nog drie of vier groschen hadden en gingen naar de gaarkeuken, waar je voor drie of vier groschen kon eten. Ze bestelden een maaltijd. Die kregen ze. Terwijl ze zaten te eten spraken ze spottend over de leugen en over de misvatting van de wonderdoener. De eigenaar van de gaarkeuken hoorde hen praten en werd heel kwaad want de wonderdoener stond daar in hoog aanzien. Hij zei tegen hen: ‘Eet je bord leeg en verdwijn!’

Daarna kwam een zoon van de wonderdoener binnen. Ze gingen door met het bespotten van de wonderdoener waar zijn zoon bij was. De eigenaar voer tegen hen uit dat ze de wonderdoener bespotten waar zijn zoon bij was en ten slotte gaf hij hun een flink pak slaag en gooide hen de deur uit.

Ze waren heel kwaad en wilden hem een proces aandoen omdat hij hen mishandeld had. Ze besloten naar de herbergier te gaan bij wie ze hun bagage achtergelaten hadden en hem te vragen hoe ze het beste konden procederen tegen de eigenaar van de gaarkeuken die hen mishandeld had. Ze gingen naar de herbergier en vertelden hem dat de eigenaar van de gaarkeuken hun een flink pak slaag gegeven had.

Hij vroeg: ‘Waarom?’

Ze vertelden hem dat ze iets over de wonderdoener gezegd hadden.

De herbergier zei dat het natuurlijk verkeerd was om mensen te slaan. ‘Maar jullie hebben het helemaal verkeerd aangepakt. Waarom hebben jullie iets over de wonderdoener gezegd? Die staat hier namelijk hoog in aanzien!’

Ze zagen dat de herbergier het ook al bij het verkeerde eind had en vertrokken. Ze gingen naar de commissaris van politie, een niet-Jood, en vertelden hem het hele verhaal, dat ze mishandeld waren.

Hij vroeg: ‘Waarom?’

Ze zeiden dat het was omdat ze iets over de wonderdoener gezegd hadden.

De commissaris gaf hun ook een flink pak slaag en gooide hen de deur uit.

Ze gingen weg om het hogerop te zoeken, maar bereikten niets. En zo gingen ze van de een naar de ander, steeds hogerop, tot ze bij de minister kwamen. Voor het ministerie stonden wachters. De minister kreeg te horen dat iemand hem wilde spreken. Hij gaf opdracht hem binnen te laten.

Zodra de slimme bij de minister binnenkwam, herkende de minister hem. Dat was de slimme, zijn vriend. Maar de slimme herkende hem niet, omdat de ander nu zo’n hoge functie had. Het eerste wat de minister tegen hem zei was:

‘Kijk eens wat ik met mijn eenvoud bereikt heb en wat u door uw slimheid bereikt hebt.’

De slimme zei: ‘Dat jij dat bent! Mijn vriend de simpele! Laten we het daar later over hebben. Zorg nu eerst dat ik kan procederen, want ze hebben me mishandeld.’

De simpele die minister was vroeg: ‘Waarom hebben ze je mishandeld?’

Hij antwoordde: ‘Omdat ik iets over de wonderdoener heb gezegd. Dat hij een leugenaar is en dat het bedrog is.’

De simpele die minister was zei tegen hem: ‘Je houdt nog steeds vast aan je slimmigheid. Ga eens na wat je gezegd hebt. Je zei dat jij makkelijk mijn niveau bereiken kon, maar ik niet dat van jou. Je ziet dat ik allang op jouw niveau ben, maar jij nog niet op dat van mij. Ik zie dat het voor jou moeilijker is mijn eenvoud te bereiken.’

Maar omdat de simpele die minister was de slimme gekend had toen hij nog groot was, liet hij hem kleren geven, dat hij iets behoorlijks aan kon trekken, en nodigde hem uit om met hem te eten. Aan de maaltijd raakten ze in gesprek. De slimme bleef bij zijn mening dat de koning niet bestond. De simpele die minister was riep uit:

‘Wat zeg je? Ik heb de koning zelf gezien!’

De slimme barstte in lachen uit. ‘Jij beweert dat het de koning was! Ken je hem? Heb je zijn vader en zijn grootvader gekend toen die koning waren? Hoe weet je dat het de koning was? De mensen hebben je verteld dat het de koning was! Ze hebben ze voor de gek gehouden!’

De simpele werd heel kwaad dat iemand het bestaan van de koning ontkende.

Ondertussen kwam er iemand anders binnen die zei: ‘De Duivel laat jullie halen!’

De simpele begon hevig te beven. Hij rende weg om zijn vrouw doodsbang te vertellen dat de Duivel hem liet halen. Ze gaf hem de goede raad de wonderdoener te laten halen. Hij liet hem halen.

Toen de wonderdoener kwam, gaf die hem amuletten en talismannen en zei dat hij nu helemaal niet bang meer hoefde te zijn. En daar vertrouwde de simpele op.

Daarna zaten ze weer bij elkaar, de simpele en de slimme. De slimme vroeg: ‘Waarom schrok je zo?’

De simpele antwoordde: ‘Omdat de Duivel ons liet halen!’

De slimme lachte hem uit en zei: ‘Denk je dat de Duivel bestaat?’

De simpele die minister was vroeg: ‘Wie liet ons anders halen?’

‘Dat was natuurlijk mijn broer,’ antwoordde de slimme. ‘Die wilde mij zien. Die organiseerde dat. Die liet mij zogenaamd halen.’

De simpele vroeg: ‘Als dat zo was, hoe kon hij de wachters dan passeren?’

De slimme antwoordde: ‘Hij had ze natuurlijk omgekocht. En als zij zeggen dat ze hem niet gezien hadden, dan liegen ze.’

Ondertussen kwam er weer iemand die hetzelfde zei: ‘De Duivel laat jullie halen!’

Deze keer schrok de simpele helemaal niet en voelde geen greintje angst meer door de amuletten die hij van de wonderdoener gekregen had. Hij zei tegen de slimme:

‘En wat zeg je nu?’

De slimme antwoordde: ‘Ik zal je vertellen: ik heb een broer die kwaad op me is. Hij heeft dit georganiseerd om me aan het schrikken te maken.’

De slimme stond op en vroeg de man die bij hen gekomen was: ‘Hoe ziet degene die jou gestuurd heeft om ons te halen eruit? Wat voor kleur haar heeft hij enzovoort en hoe ziet de rest eruit?’

Hij antwoordde: ‘Zo en zo.’

De slimme zei: ‘Zie je wel? Zo ziet mijn broer eruit.’

De simpele zei tegen hem: ‘Ga je met ze mee?’

‘Ja,’ antwoordde hij. ‘Ik ga met ze mee. Maar geef me een paar soldaten als escorte, dat ze me geen kwaad doen.’

De simpele gaf hem een escorte. De twee bovengenoemde slimmen gingen mee met degene die gekomen was om hen te halen.

Toen de soldaten terugkwamen van de escorte, vroeg de simpele die minister was: ‘Waar zijn de slimmen?’

Ze antwoordden dat ze niet wisten waar die gebleven waren.

De slimmen waren gegrepen en naar het moeras gebracht, waar de Duivel op een troon zat. Het moeras was dik en kleverig als lijm en de slimmen konden zich in het moeras helemaal niet bewegen. Ze riepen:

‘Misdadigers! Waarom martelen jullie ons? Bestaat de Duivel wel? Schoften zijn jullie dat jullie ons martelen voor niets!’ De twee slimmen lagen in het zuigende moeras en analyseerden de situatie:

‘Dit moeten de schoften zijn met wie we een keer ruzie gemaakt hebben! Die martelen ons nu!’

Ze lagen daar vele jaren in het moeras en werden daar vreselijk gepijnigd en gemarteld.

Op een dag kwam de simpele die minister was toevallig langs het huis van de wonderdoener. Hij herinnerde zich zijn vriend de slimme en ging bij de wonderdoener naar binnen. Hij boog voor hem, zoals gebruikelijk was, en vroeg of het mogelijk was hem de slimme te wijzen. En of hij hem eruit kon halen. En de simpele die minister was zei tegen de wonderdoener:

‘Herinnert u zich de slimme die de Duivel heeft laten halen om hem mee te nemen? Ik heb hem daarna niet meer gezien.’

‘Ja,’ antwoordde de wonderdoener, ‘Ik herinner me hem.’

De simpele die minister was verzocht hem hem de plaats te wijzen waar de slimme zich bevond en hem daar weg te halen.

De wonderdoener zei: ‘Ik kan zijn plaats wel wijzen en hem ook weghalen, maar er mag niemand mee behalve u en ik.’

Samen gingen ze op weg. De wonderdoener maakte gebruik van zijn kennis. Toen ze bij de plaats kwamen, zag hij hen daar liggen in het dikke moeras.

Toen de slimme de simpele die minister was zag, riep hij: ‘Broeder! Kijk hoe ze me slaan! De schoften pijnigen me zo vreselijk en dat voor niets!’

De minister riep terug: ‘Houd je nog vast aan je slimmigheden en wil je nergens in geloven? En zeg je zegt dat dat mensen zijn? Kijk eens: hier is de wonderdoener van wie je niets wilde weten! Moeten we laten zien dat niemand anders dan hij jullie eruit kan halen?’ De simpele die minister was verzocht de wonderdoener hen eruit te halen en hen te laten zien dat het duivels en geen mensen waren.

De wonderdoener deed wat hij doen moest. En zo stonden ze op het droge. Het moeras was verdwenen en de boze geesten waren veranderd in stof.

Toen onderkende de slimme eindelijk de waarheid en hij gaf alles toe, dat de koning bestond en dat er een echte wonderdoener bestond enzovoort.

 

1816

Nachman van Bratslav, Sippoerei Maises. Jeruzalem–New York, z.j.: Keren Hadfasah D’Chasidei Breslov, pp. 118-163.

Nachman van Bratslav (1772-1810) was een chassidische leider, die zijn volgelingen verhalen vertelde. Na zijn vroege dood werden deze verhalen in het Hebreeuws en Jiddisj op schrift gesteld door Nosn Sjternharts en in de jaren 1815-1816 uitgegeven. Alle vertellingen kunnen gelezen worden als sprookjes zonder meer. Ze hebben echter een diepe religieuze betekenis, zoals de hieronder afgedrukte inleiding duidelijk maakt. De symboliek is zo gecompliceerd, dat het hier ondoenlijk is daar dieper op in te gaan. Goede toelichtingen zijn te vinden in de volgende vertalingen: Aryeh Kaplan, Rabbi Nachman’s Stories (Breslov Research Institute, Jeruzalem, 1983), Arnold J. Band, Nachman of Bratslav, The Tales (Paulist Press, New York, 1978) en Michael Brocke, Die Erzählungen des Rabbi Nachman von Bratzlaw (Hanser, München, 1985). De bekende uitgave door Martin Buber is een vrije bewerking, die Nachmans eenvoudige stijl geen recht doet.

Kees van Hage

 

De verhalen in dit boek bevatten de grote geheimen van de Tora. Ze handelen over belangrijke dingen en er staat geen alledaags woord in. Ook gewone mensen kunnen een hoge moraal ontlenen aan de verhalen, want die bezitten de kracht om alle mensen uit hun slaap te wekken en te voorkomen dat ze, God verhoede, hun jaren versuffen. Wie ze met een oplettend oog wil lezen, kan iets zien en begrijpen van Gods grootheid. Ze kunnen zelfs gewone mensen een sprankje moreel inzicht verschaffen en ervoor zorgen dat ze zien hoe de toestand in de wereld is en zich geen rad voor ogen laten draaien. De lezer moet dag en nacht bidden om verlost te worden van de dwaasheid van de wereld en te leven naar de wil van God, moge Hij gezegend zijn. De verhalen bevatten verborgen dingen die niet beschreven of verteld kunnen worden, maar wel tot inzicht kunnen leiden. Omdat wij de rabbi soms hebben horen zeggen dat hij de verhalen gedrukt wilde zien in de heilige taal het Hebreeuws en daaronder in het Jiddisj, hebben wij zijn heilige wil ten uitvoer gebracht en de verhalen zo gedrukt. Ook gewone mensen moeten kennis kunnen nemen van de verhalen, al zullen zij heel weinig begrijpen van de bedoeling en de strekking ervan. Zij zullen veel profijt hebben van het aandachtig lezen, want de verhalen hebben het vermogen de lezer nader tot de Allerhoogste te brengen. Het zijn, God verhoede, geen lege teksten. De rabbi, hij ruste in vrede, besloot veel verhalen met een paar verzen of opmerkingen om zijn toehoorders duidelijk te maken dat hij, God verhoede, geen onzin vertelde. Daarmee gaf hij een aanwijzing van de strekking van de verhalen, want ze bevatten alle de geheimen van de Tora.

Nachman van Bratslav, Sippoerei Maises. Jeruzalem–New York, z.j.: Keren Hadfasah D’Chasidei Breslov, p. 28.