De ruiter en het Bodenmeer

Horseman on the ice field 16
 

Gustav Schwab

 

De ruiter rijdt door het lichte dal,
De sneeuwvlakte is vol zon overal.
 
Hij draaft door de sneeuw in het koude weer,
Hij wil nog vandaag naar het Bodenmeer;
 
Vandaag nog met zijn paard op de boot,
Naar de overkant, vóór het avondrood.
 
Op een slechte weg, over doorn en steen,
Draaft hij op zijn ros door de velden heen.
 
Van de bergen naar het vlakke land,
Daar waar de sneeuw zich ophoopt als zand.
 
Ver achter hem wijken dorp en stad,
De weg wordt effen, het veld wordt glad.
 
En ver in de omtrek is heg nog steg,
De bomen verdwenen, de rotsen zijn weg;
 
Nadat er een mijl of twee vergleed,
Hoort hij in de lucht de sneeuwganzenkreet;
 
Het waterhoen fladdert voor hem door,
Geen ander geluid verneemt zijn oor;
 
Hoe ver hij kijkt, hij ziet niemand die reist
En die hem de juiste richting wijst.
 
Hij rijdt als op zijde, de sneeuw is zacht,
Wanneer komt het water, dat op hem wacht?
 
En dan valt de nacht, de zon verdwijnt,
En heel in de verte een lichtje schijnt.
 
En bomen doemen op aan de kant,
En heuvels omsluiten het wijde land.
 
Hij voelt steen en doornen op de grond,
En geeft zijn paard de sporen terstond.
 
En honden blaffen omhoog naar het paard,
Daar wenkt in het dorp de warme haard.
 
Hij vraagt bij een huis waar een meisje zit:
‘Ik moet naar het meer, hoever is de rit?’
 
De verbazing van het meisje is groot:
‘Het meer ligt achter u, met de boot.
 
En was het nu niet met ijs bedekt,
Dan zei ik: u komt van de boot direct.’
 
De vreemdeling huivert, hij ademt zwaar:
De vlakte hierachter, ik reed nog daar!’
 
Verschrikt zegt het meisje: ‘O God, meneer!
U bent gereden over het meer:
 
En boven de afgrond tijdens uw reis
Daar sloegen de hoeven op het ijs!
 
En raasde het water onder u niet?
En kraakte het ijs niet in dat gebied?
 
En was u geen prooi van het vissengebroed,
De hongrige snoek in de koude vloed?’
 
Ze roept de dorpelingen erbij,
De jongens staan om hem heen in de rij;
 
De moeders, de ouderen slaken een zucht:
‘Nu bent u zeker wel opgelucht?
 
Kom gauw bij de kachel en aan de dis,
Breek met ons het brood en eet van de vis!’
 
De ruiter zit op zijn paard, verstard,
En hoort van alles alleen nog een flard.
 
Zijn hart staat stil, overeind staat zijn haar,
Vlak achter hem grijnst het gruwlijk gevaar.
 
En peilloze diepte aanschouwt zijn blik,
Hij denkt aan de afgrond, stijf van schrik.
 
Het krakende ijs dondert door zijn oor,
En ijskoude golven ruisen in koor.
 
Hij zucht en zakt van zijn paardenrug af,
Daar werd de oever zijn droge graf.

 

Der Reiter und der Bodensee. Uit Gedichte, Band I, pp. 364-366. Stuttgart und Tübingen: Cotta, 1826.