De rijke burger en de arme man

sabbat_opened_letter

 

Nachman van Bratslav

Er was eens een burger die heel rijk was. Hij bezat veel handelswaar, zijn wissel- en kredietbrieven gingen de hele wereld over en hij had alles wat zijn hart begeerde. Beneden hem woonde een man die straatarm was en in alles het tegendeel van de rijke burger. Ze hadden geen van beiden kinderen, de rijke burger noch de arme man. Op een keer droomde de rijke burger dat er mensen bij hem kwamen om alles in te pakken. Hij vroeg:

‘Wat doen jullie?’

Ze antwoordden dat ze alles weg wilden brengen naar de arme man.

De rijke man was ontsteld en verontwaardigd dat ze al zijn bezittingen naar de arme man wilden brengen, maar kwaad worden had geen zin, omdat ze met zovelen waren. Ze pakten alles wat hij bezat, al zijn handelswaar en al zijn bezittingen en brachten alles weg naar de bovengenoemde arme man. Het enige wat hij nog had waren de kale muren en hij maakte zich grote zorgen.

Toen werd hij wakker en zag dat hij het gedroomd had. Maar al zag hij dat het een droom geweest was en dat hij, God zij geloofd, al zijn bezittingen nog had, hij kreeg toch hartkloppingen en de droom verontrustte hem zo dat hij hem niet van zich af kon zetten.

 

***

De rijke burger bekommerde zich altijd om de arme man en zijn vrouw en stak hun vaak iets toe. Nu, na de droom, deed hij dat nog vaker dan vroeger. Maar wanneer de arme man of zijn vrouw bij hem binnenkwamen trok hij een ander gezicht en schrok van hen, doordat hij aan zijn droom moest denken. Zij, dat wil zeggen de arme man en zijn vrouw, kwamen vaak bij hem langs. Op een dag klopte de vrouw van de arme man bij hem aan. Hij gaf haar wat hij altijd gaf, maar zijn stemming sloeg om en hij voelde zich erg ongemakkelijk.

Ze vroeg: ‘Neemt u me niet kwalijk, maar wat is er aan de hand? Als we bij u komen kijkt u zo vreemd!’

Hij vertelde haar het hele verhaal: dat hij die droom had gehad en sindsdien veel last van hartkloppingen had.

Ze vroeg: ‘Was die droom soms in die en die nacht?’

‘Ja,’ antwoordde hij. ‘Hoezo?’

‘Die nacht,’ antwoordde ze, ‘had ik ook een droom: ik was heel rijk en er kwamen mensen bij me thuis om alles in te pakken. Ik vroeg: ‘Waar brengen jullie dat naartoe?’ Ze antwoordden: ‘Naar de arme man.’ Dus piekert u maar niet over een droom, want ik had ook een droom.’

De rijke burger werd nu nog banger en raakte in verwarring na het horen van haar droom, want het leek erop dat de arme man al zijn rijkdom en bezit zou krijgen en hijzelf de armoede van de ander. En hij werd erg bang.

 

***

Op een dag maakte de vrouw van de rijke burger een tocht met een rijtuig. Ze nam andere vrouwen mee, onder wie ook de vrouw van de arme man. Onderweg kwamen ze een generaal met zijn leger tegen. Ze gingen naar de kant van de weg om het leger te laten passeren. Toen de generaal zag dat er vrouwen in het rijtuig zaten gaf hij opdracht er een uit te halen. Ze grepen de vrouw van de arme, duwden haar in de wagen van de generaal en reden met haar weg. De vrouwen konden natuurlijk niets doen, want de generaal reed weg en beschikte bovendien over een heel leger. De generaal nam haar mee naar zijn land, maar als godvrezende vrouw gehoorzaamde ze hem niet en ze huilde veel. Ze smeekten haar en probeerden haar te overreden, maar ze bleef een godvrezende vrouw.

Toen de vrouwen terugkwamen van hun tocht zonder de vrouw van de arme man, was die in tranen en sloeg met zijn hoofd tegen de muur. Hij bleef treuren om zijn vrouw.

Op een dag kwam de rijke burger voorbij het huis van de arme man en hoorde hem bitter huilen en zijn hoofd tegen de muur slaan. De rijke burger ging bij hem naar binnen en vroeg:

‘Waarom moet je zo huilen?’

‘Waarom zou ik niet huilen?’ antwoordde hij. ‘Wat heb ik nu nog? Anderen hebben hun bezit of hun kinderen, maar ik heb helemaal niets meer! En mijn vrouw is ontvoerd! Wat heb ik nog over?’

De rijke burger was onder de indruk en had diep medelijden met de arme man, die zo wanhopig was. Hij was zo treurig, dat hij een gewaagde stap ondernam. Eerlijk gezegd was het waanzin. Hij ging navragen in welk land de generaal woonde en trok daarheen. Vervolgens ondernam hij een gewaagde stap en ging naar het huis van de generaal. Dat werd bewaakt door lijfwachten, maar in zijn verwarring lette de rijke burger niet op hen en zij schrokken ook van hem en dachten: hoe komt die hier? En in hun verwarring lieten alle lijfwachten hem door. Hij passeerde hen allemaal, tot hij het huis van de generaal binnen was en bij de plaats kwam waar zij lag. Hij maakte haar wakker en zei:

‘Kom mee!’

Ze schrok toen ze hem zag.

Hij zei: ‘Kom onmiddellijk met me mee!’

Ze ging mee en ook nu passeerden ze alle lijfwachten tot ze buiten waren. Pas toen hij om zich heen keek, besefte hij wat hij gedaan had, wat een waagstuk het was, en hij begreep dat er bij de generaal natuurlijk meteen een groot tumult zou uitbreken.

Toen er inderdaad een groot tumult uitbrak in het huis van de generaal, rende de rijke burger weg en verstopte zich met haar in een put met regenwater om te wachten tot het tumult voorbij was. Hij bleef daar twee dagen met haar. Ze zag hoe hij zichzelf voor haar opofferde en hoeveel ellende hij verdroeg omwille van haar. Ze zwoer bij God dat ze alle geluk, grootheid en succes die haar misschien ooit nog ten deel zouden vallen met de rijke man zou delen. En als hij haar grootheid en succes wilde overnemen, zodat zij zou blijven zoals ze was, zou ze hem niet tegenhouden. Alleen: waar haalde ze een getuige vandaan? Ze koos de put als haar getuige.

Na twee dagen kwam hij met haar uit de put en trok verder en verder, want hij begreep dat ze daar in de buurt gezocht werden. Hij verstopte zich met haar in een mikwe. Daar merkte ze opnieuw hoeveel zelfopoffering hij voor haar opbracht en hoeveel ellende hij doormaakte omwille van haar. En net als de eerste keer legde ze een gelofte af, waarbij ze het mikwe als getuige koos. Nadat ze daar ook ongeveer twee dagen gebleven waren, kwamen ze eruit en trokken verder. Opnieuw besefte hij dat ze ook hier gezocht werden en weer verstopte hij zich met haar. Zo ging het verschillende keren. Telkens verstopte hij zich met haar op een andere plaats en wel een plaats waar water was: de bovengenoemde put en het mikwe, een vijver, een bron, een beek, een rivier en een meer. En overal waar ze zich verstopten zag ze hoe hij zich opofferde en ellende omwille van haar doorstond en ze legde haar gelofte af en nam de plaats als getuige – zie boven. Telkens trokken ze verder en verstopten zich, tot ze bij de zee kwamen. Omdat de rijke burger een groot zakenman was en de zeeroutes kende, regelde hij de reis over zee naar zijn land. Zo kwam hij thuis met de vrouw van de arme man en bracht haar naar haar echtgenoot. En iedereen was blij.

 

***

En omdat de rijke burger zoiets had gedaan en de verleiding met haar had weerstaan, werd hij beloond en kreeg dat jaar een zoon. En zij, dat wil zeggen de vrouw van de arme man, die de verleiding had weerstaan tegenover de generaal en tegenover hem, werd ook beloond. Ze kreeg een dochter, die een schoonheid was zoals de wereld nog nooit aanschouwd had. ‘Dat ze zo mag blijven tot ze volwassen is!’ zeiden de mensen, zo ongewoon was haar schoonheid. Ze kwamen binnen om haar te zien en zich te verwonderen over haar uitzonderlijke schoonheid en ze gaven haar uit liefde zoveel cadeaus dat de arme man rijk werd. De rijke man kwam op het idee met de arme man een huwelijk te arrangeren, omdat haar schoonheid zo opmerkelijk was. En hij bedacht dat de betekenis van de droom waarin zijn bezit naar de arme werd gebracht en dat van de arme naar hem kon zijn dat hun kinderen met elkaar moesten trouwen om de families door een huwelijk met elkaar te verbinden.

Toen de vrouw van de arme man op een dag bij de rijke burger kwam, zei hij dat hij aan een huwelijk dacht, waardoor de droom verwezenlijkt kon worden – zie boven.

‘Dat dacht ik ook,’ antwoordde ze, ‘alleen durfde ik niet over dat huwelijk te beginnen. Maar als u het wilt, ben ik natuurlijk bereid en ik zal u niets in de weg leggen, want ik heb gezworen u in al mijn bezit en succes te laten delen.’

De zoon en de dochter gingen naar dezelfde school, waar ze talen leerden en andere gebruikelijke vakken. En de mensen kwamen de dochter bekijken omdat ze zo bijzonder was en ze gaven haar zoveel cadeaus dat de arme man rijk werd. En er kwamen edelen om haar te zien en ze viel erg bij hen in de smaak door haar opmerkelijke schoonheid, die niemand ooit gezien had. En door die ongewone schoonheid kwamen edelen op het idee een huwelijk te arrangeren met de arme man. Een van de edelen had een zoon die hij met haar wilde laten trouwen. Alleen trouwden edelen niet beneden hun stand en daarom moesten ze de status van de arme man verhogen. Ze zorgden dat hij in dienst trad bij de keizer, eerst als luitenant en daarna in een steeds hogere rang. Ze deden hun best om hem snel te bevorderen en zo klom hij op tot de rang van generaal. Nu wilden de edelen wel een huwelijk met hem arrangeren, alleen waren er heel veel die op dat idee kwamen en zich inspanden om hem iedere keer te bevorderen. Daar kwam bij dat hij met geen van hen een huwelijk kon arrangeren, omdat hij dat al had afgesproken met de rijke burger. De arme man die generaal geworden was had steeds meer succes, en de keizer liet hem oorlogen voeren, waarin hij altijd overwon. De keizer bevorderde hem opnieuw en steeds had de arme man succes. Toen de keizer overleed, besloot het hele land dat hij keizer moest worden. En alle edelen kwamen bij elkaar en waren het erover eens dat hij tot keizer benoemd moest worden. En dat gebeurde dan ook. Hij voerde oorlogen en overwon en veroverde landen, en hij voerde nog meer oorlogen en steeds overwon hij en veroverde nog meer meer landen, tot andere landen zich vrijwillig aan hem onderwierpen, want ze zagen dat hij veel succes had en dat alle schoonheid van de wereld en alle geluk van de wereld aantrok. Zo kwamen alle koningen bij elkaar en waren het erover eens dat hij keizer moest worden over de hele wereld en ze gaven hem een oorkonde met gouden letters.

 

***

De keizer weigerde nu een huwelijk te arrangeren met de rijke burger, omdat een burger beneden de stand van de keizer was. Maar zijn vrouw, de keizerin, nam geen afstand van de rijke burger. De keizer zag in dat hij geen huwelijk kon arrangeren door de rijke burger, die de steun had van zijn vrouw, de keizerin. Daarom begon hij plannen te beramen tegen de burger. Eerst probeerde de keizer hem te verarmen en deed dat zo dat het leek of hij met de verliezen van de arme man niets te maken had, wat voor een keizer natuurlijk gemakkelijk was. Zo werd hem steeds meer schade toegebracht, tot hij straatarm was. Maar de keizerin bleef de rijke burger trouw. Later begreep de keizer dat hij geen ander huwelijk kon arrangeren zolang de zoon in leven. Daarom bedacht hij een plan om de jonge man uit de weg te ruimen. Hij bracht valse beschuldigingen tegen hem in en gaf rechters instructie om hem te veroordelen. De rechters begrepen dat het de wil van de keizer was hem uit de weg te ruimen en ze veroordeelden hem. Hij zou in zee worden gegooid. Dit ging de keizerin erg aan het hart, maar zelfs zij kon niets tegen de keizer beginnen. Ze ging naar degenen die hem in zee moesten gooien, viel voor hen op haar knieën en smeekte hun dringend hem vrij te laten, omwille van haar. Want waarom verdiende hij de doodstraf? En ze smeekte hun dringend dat een andere ter dood veroordeelde te nemen, die in zee te gooien en de jonge man vrij te laten. Ze kon hen overtuigen. Ze zwoeren haar hem vrij te laten en deden dat ook. Ze namen een andere man, gooiden die in zee, terwijl ze hem vrijlieten en zeiden:

‘Maak dat je wegkomt!’

En hij maakte dat hij wegkwam, want hij was verstandig genoeg.

En voor de jonge man vluchtte, riep de keizerin haar dochter en zei tegen haar:

‘Dochter van me, je moet goed begrijpen dat de zoon van de rijke burger jouw aanstaande man is.’ Ze vertelde wat haar allemaal overkomen was en hoe de rijke burger zich voor haar opgeofferd had: ‘Hij was met mij op die zeven plaatsen en ik heb gezworen bij God om hem in al mijn bezit te laten delen. De zeven plaatsen waren mijn getuigen. En nu jij mijn bezit en mijn geluk en mijn succes bent, behoor je hem toe en zijn zoon is jouw aanstaande man. Je vader wil hem uit hoogmoed doden, zonder reden. Ik heb al een poging gedaan hem te redden en ik heb bereikt dat ze hem hebben vrijgelaten. Bedenk dus dat hij jouw aanstaande is en wijs alle andere mannen af.’

De dochter liet de woorden van haar moeder tot zich doordringen, omdat zij ook godvrezend was en ze antwoordde dat ze natuurlijk woord zou houden. Ze stuurde een brief naar de zoon van de rijke burger, die in de gevangenis zat, om hem te vertellen dat ze hem trouw zou blijven, omdat hij haar aanstaande was. Ze stuurde hem ook een soort landkaart, waarop ze alle plaatsen had getekend waar haar moeder zich verstopt had met zijn vader. Die plaatsen, dat wil zeggen de put, het mikwe en de overige – zie boven – waren de zeven getuigen en die had ze aangeduid met tekeningen van een put, een mikwe en de overige wateren. Ze ondertekende de brief en drukte de jonge man op het hart hem heel goed te bewaren.

Daarna ging het zoals hierboven beschreven: de bewakers namen een andere man en hem lieten ze vrij. Hij ging weg en liep en liep tot hij bij de zee kwam. Daar ging hij aan boord van een schip en voer weg. Er stak een zware storm op die het schip op een woestijnachtige kust wierp. Door de grote kracht van de storm brak het schip, maar de opvarenden bleven in leven en bereikten het vasteland. In de woestijn gingen alle schipbreukelingen voedsel voor zichzelf zoeken, want omdat er zelden schepen in de buurt van de woestijnachtige kust kwamen, gingen ze er niet vanuit dat er een schip zou aanleggen dat hen terug naar huis kon brengen. Dus gingen ze de woestijn in om voedsel te zoeken, waarbij ieder zijn eigen weg ging. De jonge man trok de woestijn in en hij liep en liep tot hij ver van de kust verwijderd was. Hij wilde teruggaan, maar dat kon niet meer en hij verdwaalde steeds verder, tot hij zag dat er geen weg terug meer was. En hij liep en hij liep door de woestijn, met een boog om zich te beschermen tegen de wilde dieren en terwijl hij liep vond hij iets eetbaars. Zo liep hij verder tot hij de woestijn uit was en bij een onbewoond gebied kwam waar water was met fruitbomen eromheen. Hij at van de vruchten en dronk van het water en hield er rekening mee dat hij daar zou moeten blijven om te overleven, omdat de bewoonde wereld moeilijk te bereiken was en omdat hij niet wist of hij nog eens zo’n plaats zou vinden als hij hier wegging om verder te trekken. Hij besloot er de rest van zijn leven te blijven, omdat het er goed was, omdat hij vruchten te eten en water te drinken had. En soms ging hij eropuit om met zijn boog een haas of een hert te schieten en dan had hij vlees te eten. Hij ving ook vis, want er was heel goede vis in het water. En hier wilde hij de rest van zijn leven wel blijven.

 

***

De keizer kon, nadat het vonnis aan de zoon van de rijke burger was voltrokken, waardoor hij van hem verlost was, eindelijk een huwelijkskandidaat voor zijn dochter uitzoeken. De aanbiedingen van deze en gene koning werden met haar besproken en de keizer gaf haar een eigen hof, zoals gebruikelijk was, en daar nam ze haar intrek. Ze liet adellijke dochters komen om haar gezelschap te houden en ze maakte zoals gebruikelijk muziek op instrumenten. Als het over huwelijkskandidaten ging zei ze altijd dat ze daar niet over wilde praten en dat de kandidaat zelf maar moest komen. Ze was heel bedreven in de dichtkunst en ontwierp een kunstig podium, waar de kandidaat tegenover haar moest gaan staan om een gedicht voor te dragen, dat wil zeggen een lied van verlangen zoals een minnaar richt tot zijn beminde. Koningen kwamen om haar een aanzoek te doen en namen plaats op het podium, waarna ieder zijn gedicht voordroeg. Sommigen antwoordde ze via haar gezelschapsdames, eveneens met een gedicht en met affectie, terwijl ze degenen die haar beter bevielen zelf antwoord gaf. Dan bracht ze een gedicht ten gehore om hun affectie te beantwoorden. Voor degenen die haar nog beter bevielen verscheen ze persoonlijk met een bezield gedicht. En tegen iedereen zei ze ten slotte:

‘De wateren zijn niet over u gekomen!’

Niemand begreep wat ze bedoeldeen als ze zich vertoonde viel iedereen op zijn knieën om haar grote schoonheid, waarbij sommigen flauwvielen en anderen gek werden van liefdesverdriet door haar inderdaad uitzonderlijke schoonheid. Maar al werden ze gek en vielen ze flauw, er bleven koningen komen om haar een huwelijksaanzoek te doen en ieder antwoordde ze als boven.

De zoon van de bovengenoemde rijke burger zat waar hij zat en maakte daar een onderkomen. Ook hij kon muziek maken en was bedreven in de dichtkunst. Hij zocht hout uit om muziekinstrumenten van te maken en maakte snaren van de ingewanden van dieren. En dan speelde hij en nam de brief die zij hem gestuurd had en dan zong en speelde hij weer en overpeinsde wat hij meegemaakt had. Over zijn vader, de rijke burger enzovoort en over de manier waarop hijzelf hier terechtgekomen was. Hij nam de brief, bracht een teken aan op een boom, maakte in die boom een bergplaats waar hij de brief verborg en bleef daar een tijd zitten. Op een dag stak er een zware storm op, die alle bomen die daar stonden omverblies. Daardoor kon hij de boom waarin hij de brief verborgen had niet meer vinden. Toen ze nog op hun plaats stonden had hij een herkenningsteken, maar nu ze omgevallen waren was de boom onvindbaar tussen de vele andere die er lagen en het was ondoenlijk om alle bomen te splijten. Er zat niets anders op dan de brief in de vele bomen te gaan zoeken. Hij kon wel huilen van teleurstelling en zag in dat hij gek zou worden van verdriet als hij hier bleef. Daarom besloot hij verder te trekken. Wat er ook gebeurde, hij moest weg, omdat zoveel verdriet hem noodlottig zou worden.

Hij pakte vlees en vruchten in een zak en ging op weg, nadat hij de plek vanwaar hij vertrok gemarkeerd had. Hij liep tot hij bij een nederzetting kwam.

‘Welk land is dit?’ vroeg hij. En nadat hij antwoord gekregen had, vroeg hij of ze hier wel eens van de keizer gehoord hadden.

‘Ja,’ antwoordden ze.

En hij vroeg of ze hier ook wel eens gehoord hadden van zijn dochter, die grote schoonheid.

‘Ja,’ antwoordden ze, ‘de dochter met wie niemand kan trouwen.’

Omdat hij daar niet heen kon gaan, besloot hij naar de koning van het land te gaan. Hij stortte zijn hart voor hem uit, vertelde dat hij haar aanstaande echtgenoot was en dat ze niemand anders wilde trouwen dan hem. En omdat hij er zelf niet heen kon, gaf hij de koning alle aanwijzingen die hij had, dat wil zeggen de zeven bovengenoemde wateren. Dan moest de koning erheen gaan om met haar te trouwen en hemzelf een geldbedrag geven. De koning begreep dat het waar was wat hij zei, omdat je zoiets niet verzinnen kon. Al vond de koning het een goed idee om haar hier te brengen, het was voor hem niet goed als de jonge man hier ook zou zijn. Hij wilde de jonge man niet vermoorden, want die had hem tenslotte een gunst bewezen. Daarom besloot de koning hem te verbannen naar een plaats op tweehonderd mijl afstand.

De zoon van de rijke burger was heel verontwaardigd dat hij verbannen werd nadat hij de koning zo’n gunst bewezen had. Daarom ging hij naar een tweede koning, wie hij hetzelfde vertelde – zie boven. Hij gaf hem alle aanwijzingen en voegde er nog een aan toe. Verder drong hij er op aan dat de koning onmiddellijk zou vertrekken, dan kon hij de eerste koning nog inhalen en eerder aankomen. En zelfs als hij niet eerder aan zou komen beschikte hij nog over een aanwijzing meer dan de eerste koning. De tweede koning besloot echter hetzelfde te doen als de eerste en verbande hem ook naar een plaats op tweehonderd mijl afstand. De jonge man was weer heel verontwaardigd. Hij ging naar een derde koning en gaf hem nog meer sluitende aanwijzingen.

De bovengenoemde eerste koning ging onmiddellijk op weg en nadat hij aangekomen was bij de dochter van de bovengenoemde keizer, dus bij de grote schoonheid, droeg hij een gedicht voor. Daarin had hij kunstig alle plaatsen verwerkt, dat wil zeggen de bovengenoemde zeven getuigen, maar gedwongen door de regels van de dichtkunst had hij de zeven plaatsen niet in de juiste volgorde geplaatst, want dat kwam nu eenmaal beter uit. De koning betrad het podium en droeg zijn gedicht voor. Toen de dochter van de keizer de plaatsen hoorde was ze heel verrast. Ze was ervan overtuigd dat hij haar verloofde was, maar begreep niet waarom hij de plaatsen niet in de juiste volgorde noemde. Ze dacht: “Misschien doet hij dat om de regels van de dichtkunst te volgen.” Ze voelde dat hij de ware was en schreef hem dat ze met hem wilde trouwen. Iedereen was dolblij dat de grote schoonheid een echtgenoot gevonden had en bereidde zich al voor op de bruiloft.

Ondertussen kwam in allerijl de tweede koning aan. Ze vertelden hem dat de dochter van de keizer al een trouwbelofte had gedaan, maar daar besteedde hij geen aandacht aan en hij zei dat hij haar desondanks iets te vertellen had wat haar zeker zou overtuigen. Hij kwam zijn gedicht voordragen en daarin noemde hij alle plaatsen in de juiste volgorde en voegde er bovendien nog een aanwijzing aan toe.

De dochter van de keizer vroeg: ‘Hoe kon de eerste koning dit weten?’

De tweede koning begreep dat hij beter niet de waarheid kon zeggen en antwoordde dat hij dat niet wist.

Daar keek ze erg van op en wist zich geen raad, omdat de eerste koning ook alle plaatsen genoemd had en hoe kon iemand die aanwijzingen kennen? Toch had ze de indruk dat de tweede koning haar aanstaande echtgenoot was, want ze had zelf gehoord dat hij alles in de juiste volgorde verteld had met bovendien nog een aanwijzing meer. De eerste koning had de volgorde misschien veranderd om de regels van de dichtkunst te kunnen volgen. Ze kon geen beslissing nemen.

Toen de tweede koning de jonge man, dat wil zeggen de zoon van de rijke burger, verbannen had, was die weer heel verontwaardigd. Hij ging hij naar een derde koning en vertelde ook hem het hele verhaal – zie boven – met nog meer sluitende aanwijzingen. Voor de derde koning stortte hij zijn hart uit en vertelde dat hij een brief had gekregen waarin alle plaatsen getekend waren. Daarom moest hij alle plaatsen op een papier tekenen dat de koning haar dan moest brengen. Ook de derde koning verbande de jonge man naar een plaats op tweehonderd mijl afstand en haastte zich naar de dochter van de keizer. Toen hij aankwam vertelden ze hem dat er al twee koningen waren. ‘Geen probleem,’ antwoordde hij, want hij had iets in handen dat haar wel moest overtuigen. De mensen wisten niet waarom zij deze koningen de voorkeur gaf boven anderen. De derde koning droeg zijn gedicht voor met heel duidelijke aanwijzingen, die beter waren dan de vorige, en liet de brief zien met alle plaatsen erin getekend.

De dochter van de keizer was stomverbaasd, maar kon niets doen, want van de eerste had ze ook gedacht dat die de ware was en van de tweede had ze hetzelfde gedacht. Daarom zei ze dat ze iemand zou pas geloven als die haar haar eigenhandig geschreven brief zou kunnen overleggen.

Ondertussen vroeg de jonge man zich af hoe vaak hij nog verbannen zou worden. Hij besloot zelf naar de dochter van de keizer te gaan om te proberen haar te overtuigen. Na een lange tocht kwam hij aan en vertelde dat hij een overtuigend bewijs had. Hij droeg zijn gedicht voor met nog meer sluitende aanwijzingen en herinnerde haar eraan dat hij met haar naar dezelfde school was gegaan. Hij gaf nog meer aanwijzingen en vertelde haar alles: dat hij de bovengenoemde koningen gestuurd had, dat hij een brief verstopt had in een boom en wat hem allemaal overkomen was. Maar ze besteedde daar geen aandacht aan. En ze kon hem natuurlijk niet herkennen, doordat er al zoveel tijd verstreken was. En ze legde alle aanwijzingen naast zich neer, tot er iemand zou komen met haar eigenhanding geschreven brief. Want ze had al gedacht dat de eerste de ware was, en hetzelfde van de tweede enzovoort. Daarom had ze geen behoefte meer aan aanwijzingen met enzovoort – zie boven. De jonge man besefte dat hij hier niet langer blijven kon. Hij besloot weer terug te gaan naar zijn oude plek in de woestijn om daar de rest van zijn leven te blijven. En hij begon aan de lange reis naar de bovengenoemde woestijn.

Ondertussen gingen vele jaren voorbij en de jonge man was ervan overtuigd dat hij de rest van zijn leven in de woestijn moest blijven. Dat bracht het leven van de mens nu eenmaal met zich mee, dacht hij. En hij kwam tot de conclusie dat het goed was je leven door te brengen in de woestijn. En zo bleef hij daar en at van de vruchten enzovoort – zie boven.

 

***

Op zee bevond zich een piraat en toen die hoorde dat er zo’n schoonheid bestond wilde hij die te pakken krijgen, niet voor zichzelf, want hij was een eunuch, maar alleen maar om haar voor veel geld te verkopen aan een koning. De piraat begon over de zaak na te denken en omdat een piraat een gewetenloos man is, besloot hij het erop te wagen. Als het hem lukte: prachtig! En als het niet lukte: pech gehad! Wat had hij te verliezen? Want hij was net als alle piraten gewetenloos. Hij ging op weg en kocht een enorme hoeveelheid handelswaar. En hij maakte gouden vogeltjes, die zo goed gemaakt waren dat ze wel levende vogeltjes leken. Hij maakte ook gouden korenhalmen en als de vogels daarop zaten was dat alleen al verbazingwekkend, want de halmen braken niet, terwijl het grote vogels waren. En de vogels waren zo kunstig gemaakt, dat het leek of ze zongen. Een kwinkeleerde, een ander floot en weer een ander zong en alles werkte door middel van een mechaniek: in de hut aan boord van het schip stonden mensen onder de vogels die een mechaniek met draden bestuurden om ze te bewegen en daardoor leek het of de vogels zelf zongen.

Met dat alles ging de piraat naar het land waar de bovengenoemde dochter van de keizer woonde. Nadat hij was aangekomen bij de stad waar ze resideerde, voer binnen met zijn schip en ging voor anker. Hij gedroeg zich als een grote koopman bij wie de mensen dure artikelen kwamen kopen. Hij bleef er een hele tijd, meer dan een kwartaal. En de mensen kwamen thuis met prachtige dingen die ze bij hem gekocht hadden. Ook de dochter van de keizer wilde dingen bij hem kopen en daarom stuurde ze iemand naar hem toe om te vragen of hij de artikelen wilde bezorgen. Hij liet haar zeggen dat hij geen bestellingen thuisbezorgde, zelfs niet bij de dochter van de keizer. Wie dingen wilde kopen moest naar hem komen en niemand kon een koopman verplichten om te bezorgen.

De dochter van de keizer besloot naar hem toe te gaan. Net als wanneer ze naar de markt ging droeg ze een sluier voor haar gezicht om niet herkend te worden en te voorkomen dat mensen flauw zouden vallen enzovoort door haar bovengenoemde schoonheid. Zo ging de dochter van de keizer op weg met haar gezicht bedekt. Ze nam haar gezelschapsdames mee en een lijfwacht volgde haar. Ze kwam bij de koopman en ze kocht een aantal dingen. Bij haar vertrek zei hij:

‘Als u nog een keer komt zal ik u nog mooiere dingen laten zien, echt heel mooie dingen!’

En ze ging terug naar huis. Daarna kwam ze nog een keer, kocht een aantal dingen en ging weer naar huis. De piraat bleef daar zo lang, dat de dochter van de keizer regelmatig bij hem kwam en een vaste klant bij hem werd.

Toen ze op een dag bij hem kwam, maakte hij de hut open waar de gouden vogels enzovoort stonden. Ze zag dat het iets heel bijzonders was. De mensen die haar gezelschap hielden wilden ook naar binnen in de hut, maar hij zei:

‘Nee, nee, dit laat ik niemand zien behalve u, omdat u de dochter van de keizer bent en anderen laat ik het beslist niet zien!’

Ze ging alleen naar binnen, waarna hij volgde en de deur van de hut op slot deed. Hij ging ruw te werk, pakte een zak en duwde haar met geweld daarin. Hij had haar al haar kleren uitgetrokken en dwong een matroos die aan te trekken. Vervolgens bedekte hij het gezicht van die matroos, stuurde hem naar buiten en zei: ‘Vooruit!’ De matroos wist niet wat hem overkwam. Zodra hij naar buiten kwam met bedekt gezicht, herkende de lijfwacht hem niet als matroos en vertrok met hem, want iedereen dacht dat hij de dochter van de keizer was. En de matroos liet zich leiden door de lijfwacht en had geen idee waar ter wereld hij was. Toen hij in de kamer van de dochter van de keizer was, namen ze de sluier van zijn gezicht en zagen dat hij een matroos was. Er ontstond een heel tumult.

Ondertussen greep depiraat de dochter van de keizer en omdat hij begreep dat ze hem natuurlijk zouden achtervolgen ging hij van boord en verstopte zich met haar in een put met regenwater tot het tumult voorbij zou zijn. Tegen de matrozen van het schip zei hij dat ze onmiddellijk het anker moesten lichten om te vluchten, want ze zouden meteen achtervolgd worden. Er zou natuurlijk niet op het schip geschoten worden, omdat iedereen dacht dat de dochter van de keizer aan boord was. ‘Maar ze zullen jullie achtervolgen en daarom moeten jullie onmiddellijk vluchten! Krijgen ze jullie te pakken, dan hebben jullie pech gehad!’ Zoals alle piraten kon hem dat niet schelen. En zo ging het. Er ontstond grote paniek en ze gingen hen onmiddellijk achterna, maar vonden hen niet.

De piraat verstopte zich met haar in een put vol regenwater. Terwijl ze daar lagen maakte hij haar bang om te zorgen dat ze niet zou schreeuwen, waardoor mensen haar zouden horen. Hij zei tegen haar:

‘Ik heb mijn leven geriskeerd om jou in handen te krijgen en als ik je kwijtraak is mijn leven niets meer waard. Nu heb ik je in handen en als ik je weer kwijtraak is alles voor niets geweest. Daarom: zo gauw je gaat schreeuwen wurg ik je, wat er ook met mij gebeurt, want om mijn eigen leven geef ik niets.’

Ze was doodsbang voor hem. Tenslotte kroop hij eruit met haar en bracht haar in de stad. Ze liepen en liepen tot ze ergens kwamen waar de piraat begreep dat hij ook daar werd gezocht. Opnieuw verstopte hij zich met haar, deze keer in een mikwe. Toen ze daaruit kwamen, verstopte hij zich weer ergens anders in een ander water, en zo ging het door tot hij zich met haar verstopt had in alle zeven wateren, de zeven bovengenoemde getuigen, waar de rijke burger zich met haar moeder verstopt had.

Ten slotte kwam de piraat met haar bij de zee. Daar zocht hij een klein vissersbootje om met haar over te steken en vond er een. Hij pakte de dochter van de keizer, niet om haar te misbruiken, want hij was een eunuch – zie boven – maar om haar aan een koning te verkopen. Omdat hij bang was dat ze haar zouden ontvoeren trok hij haar matrozenkleren aan, zodat ze eruitzag als een man. En zo ging de piraat met hem de zee op. Er stak een zware storm op, die het schip naar een kust dreef, waar het schipbreuk leed. Zo belandden ze op de kust van de woestijn waar de bovengenoemde jonge man zat. Toen ze daar waren, wist de rover, die veel van de wereld gezien had, dat het hier een woestijn was waar nooit schepen kwamen. Daarom durfde hij haar alleen te laten. Ieder afzonderlijk gingen ze op zoek naar iets eetbaars. Ze verwijderde zich van de piraat, die zijn eigen gang ging en toen hij zag dat ze niet meer bij hem in de buurt was begon hij te roepen. Zij besloot niets te laten horen, want ze dacht:

‘Uiteindelijk gaat hij me verkopen, dus waarom zou ik antwoord geven? Als hij weer bij me is zal ik zeggen dat ik hem niet gehoord heb. Hij vermoordt me toch niet, want hij wil me verkopen.’ Ze antwoordde hem niet en liep verder.

De piraat zocht, maar kon haar niet vinden. Hij zocht haar overal zonder haar te vinden. Vermoedelijk werd hij opgevreten door wilde dieren.

Ze liep verder en verder en vond iets te eten. En toen ze nog verder liep kwam ze bij de plaats waar de bovengenoemde jonge man zat. Ondertussen was haar haar lang gegroeid en daarbij was ze gekleed als een man met matrozenkleren – zie boven – waardoor ze elkaar niet herkenden. Toen ze kwam was hij blij dat hij eindelijk een mens zag en hij vroeg:

‘Waar kom je vandaan?’

Ze antwoordde: ‘Ik was met een koopman op zee enzovoort.’ En ze vroeg: ‘Waar kom jij vandaan?’

‘Ik was ook op reis met een koopman,’ antwoordde hij.

En ze bleven bij elkaar.

Na de ontvoering van de dochter van de keizer – zie boven – was de keizerin in diepe rouw en ze sloeg met haar hoofd tegen de muur, omdat haar dochter verdwenen was. Ze maakte de keizer verwijten en zei:

‘Door jouw hoogmoed is de jonge man weg en nu is onze dochter ook nog verdwenen!’ En ze vervolgde: ‘Zij was al ons geluk en al ons succes en nu zijn we haar kwijt! Wat heb ik nu nog over?’ En ze maakte hem veel verwijten.

Voor hemzelf was het natuurlijk ook heel bitter dat zijn dochter verdwenen was en daarbij maakte de keizerin hem heel kwaad met haar verwijten. Ze kregen veel ruzie en ze maakte hem zo kwaad met haar woorden dat hij opdracht gaf haar te verbannen. Hij wees rechters aan, die haar veroordeelden tot verbanning. En het vonnis werd voltrokken. Daarna riep de keizer de oorlog uit, maar hij overwon niet. Hij gaf de schuld aan een generaal: ‘Door uw schuld hebt u de oorlog verloren!’ Nadat hij de generaal verbannen had, voerde hij opnieuw oorlog en leed weer een nederlaag. Hij verbande weer generaals en dat waren niet de laatsten die verbannen werden. De mensen in het land zagen dat hij vreemde dingen deed: eerst verbande hij de keizerin en daarna de generaals. Ze besloten de zaak een andere wending te geven: de keizerin moest terugkeren, hij moest verbannen worden en de keizerin moest het land regeren. Zo gebeurde het. Ze verbanden de keizer en lieten de keizerin terugkeren, waarna zij het land regeerde. De keizerin liet meteen de rijke burger en zijn vrouw terugkeren en nam hen op in haar paleis.

En toen de keizer verbannen werd vroeg hij zijn bewakers om hem vrij te laten:

‘Ik was jullie keizer en ik ben toch goed voor jullie geweest? Doe dan nu iets voor mij en laat me gaan! Ik wil toch niet terug naar het land, daar hoeven jullie niet bang voor te zijn. Laat me vrij! Laat me gaan! Laat me vrij zijn de paar jaar die ik nog te leven heb!’

Ze lieten hem vrij en hij ging zijn eigen gang.

Vele jaren verstreken en de keizer had gelopen en gelopen tot hij bij de zee kwam. En de wind bracht ook zijn schip uit de koers, waardoor hij bij de bovengenoemde woestijn belandde. Hij kwam bij de plaats waar zij beiden zaten, maar ze herkenden elkaar niet, doordat het haar van de keizer lang gegroeid was en doordat er al vele jaren verstreken waren waarin zijzelf ook lang haar gekregen hadden – zie boven. Ze vroegen:

‘Waar kom je vandaan?’

‘Ik was onderweg met een koopman,’ antwoordde hij.

En zij gaven hetzelfde antwoord.

De drie bleven daar bij elkaar. Ze aten en dronken – zie boven – en ze maakten muziek op instrumenten, want ze konden allemaal spelen. Hij was immers een keizer en zij verstonden de kunst ook. Hij, dat wil zeggen de jonge man, was de handigste van hen, doordat hij daar al lang leefde. Hij zorgde altijd voor vlees en zij zorgden voor hout, dat meer waard was dan goud in de bewoonde wereld. De jonge man beweerde altijd dat het leven hier goed was. Je had het hier beter dan de mensen in de bewoonde wereld met al hun bezit, want hier kon je overleven. Ze vroegen:

‘Wat voor bezit had je dan, dat je het hier beter vindt?’

Hij vertelde wat hij meegemaakt had, dat hij de zoon van een rijke burger was enzovoort, tot hij hier kwam. En dat hij als zoon van een rijke burger al het goede had gehad, maar dat hij dat hier ook had. En hij beweerde dat het hier goed uit te houden was.

De keizer vroeg: ‘Heb je wel eens van de keizer gehoord?’

Hij antwoordde dat hij inderdaad van hem gehoord had.

Toen vroeg de keizer of hij wel eens van de dochter van de keizer en haar schoonheid gehoord had.

‘Ja,’ antwoordde de jonge man. Hij werd woedend en zei: ‘Die misdadiger!’

‘Waarom noem je de keizer een misdadiger?’ vroeg de keizer.

Hij antwoordde: ‘Door zijn wreedheid en door zijn trots ben ik hier.’

‘Hoezo?’ vroeg de keizer.

De jonge man besefte dat hij hier voor niemand bang hoefde te zijn. Daarom vertelde hij alles wat hij meegemaakt had.

De keizer vroeg: ‘Als je de keizer nu in handen kreeg, zou je dan wraak op hem nemen?’

‘Nee,’ antwoordde hij. ‘Ik zou hem juist helpen, net zoals ik jou help.

De keizer begon weer te zuchten en te steunen en zei: ‘Wat moet de keizer een moeilijke en bittere oude dag hebben!’ Hij had gehoord dat zijn dochter, die grote schoonheid, was verdwenen en dat hijzelf verbannen was.

De jonge man riep: ‘Door zijn wreedheid en door zijn hoogmoed heeft hij dit over zichzelf en zijn dochter afgeroepen en ben ik hier beland! Het komt allemaal door hem!’

Opnieuw vroeg de keizer: ‘Als je hem in handen kreeg, zou je dan wraak op hem nemen?’

‘Nee,’ antwoordde hij. ‘Ik zou hem zo helpen, net zoals ik jou help.’

Daarop maakte de keizer zich bekend en vertelde dat hij de keizer in eigen persoon was en wat hij had meegemaakt.

De jonge man viel voor hem op zijn knieën, omhelsde hem en kuste hem en zij hoorde alles wat de twee tegen elkaar zeiden.

 

***

De jonge man had er een gewoonte van gemaakt om iedere dag een merkteken aan te brengen op drie bomen en daarin de brief te zoeken. Er waren duizenden en duizenden bomen en door drie ervan te markeren en te onderzoeken voorkwam hij dat hij een volgende dag dezelfde bomen onderzocht. Dit deed hij iedere dag en uiteindelijk moest hij de brief vinden. Als hij terugkwam had hij altijd tranen in zijn ogen, want hij moest huilen als hij gezocht had zonder iets te vinden.

‘Wat zoek je tussen de bomen?’ vroegen ze, ‘en waarom kom je terug met tranen in je ogen?’

Hij vertelde hun het hele verhaal: dat de dochter van de keizer hem een brief had gestuurd, dat hij die in een van de bomen verstopt had, dat er een storm had gewoed enzovoort – zie boven. Nu zocht hij de brief in de hoop hem zou vinden.

Ze zeiden: ‘Als je morgen gaat zoeken, gaan wij met je mee en dan hopen we de brief te vinden.’

Zo gebeurde het. Ze gingen met hem mee en de dochter van de keizer vond de brief in een boom. Toen ze hem opende herkende ze dat haar eigen handschrift. Ze dacht bij zichzelf: “Als ik hem vertel dat ik de afzender ben en mijn mannenkleren uittrek om mijn vroegere schoonheid te onthullen, dan kan hij flauwvallen en sterven.” Bovendien wilde ze een huwelijk volgens de wet. Ze ging hem de brief brengen en zei dat ze hem gevonden had. Meteen viel hij neer en bleef bewusteloos liggen. Ze brachten hem bij bewustzijn en waren alle drie dolgelukkig. Daarna zei de jonge man:

‘Maar wat heb ik aan de brief? Hoe kan ik haar vinden? Ze is nu natuurlijk ergens bij een koning. Wat heb ik er dan aan? Laat mij hier de rest van mijn leven maar blijven.’ Hij gaf haar de brief terug en zei: ‘Hier heb je de brief. Trouw jij maar met haar.’

Ze stemde daarin toe en vroeg hem mee te gaan. ‘Want ik ga natuurlijk met haar trouwen en als het goed gaat geef ik jou een deel van mijn bezit.’

De jonge man zag dat de ander verstandig was en natuurlijk met haar zou trouwen. Hij sprak af met hem mee te gaan. Zo bleef de keizer alleen, want die was bang om terug te gaan naar zijn land. Ze vroeg hem mee te gaan, omdat hij – de dochter van de keizer – natuurlijk met de schoonheid trouwen zou. ‘U hoeft niet bang te zijn en ze zullen u ook vragen om terug te komen.’

Met zijn drieën gingen ze op weg. Ze huurden een schip en kwamen bij het land van de keizerin en bij de stad waar ze haar residentie had. Terwijl ze het schip aanmeerden, besefte de dochter van de keizer dat haar moeder kon sterven als zij direct tegen haar zou zeggen dat ze aangekomen was. Daarom stuurde ze een boodschap naar haar moeder dat er iemand was met een bericht van haar dochter. Vervolgens ging ze zelf naar de keizerin om te vertellen wat haar dochter overkomen was. Ze vertelde het hele verhaal en eindigde met: ‘Ze is hier!’ En daarna zei ze naar waarheid: ‘Ik ben het!’ Ze vertelde dat haar aanstaande echtgenoot, dat wil zeggen de zoon van de rijke burger, er ook was. Maar ze drong er bij haar moeder op aan dat de keizer in ere hersteld werd. Daar verzette haar moeder zich tegen, omdat ze heel kwaad op hem was en omdat alles zijn schuld was. Maar haar dochter hield vol. Toen ze de keizer terug wilden brengen, was hij nergens te vinden, al had haar dochter gezegd dat de keizer bij hen was. De bruiloft werd gevierd en het geluk was volmaakt. Ze aanvaardden de heerschappij over het koninkrijk en het keizerrijk, dat wil zeggen de zoon van de rijke burger en de schoonheid die nu man en vrouw waren, en heersten over de hele wereld. Amen en amen.

 

1816

Nachman van Bratslav, Sippoerei Maises. Jeruzalem–New York, z.j.: Keren Hadfasah D’Chasidei Breslov, pp. 165-220.

Nachman van Bratslav (1772-1810) was een chassidische leider, die zijn volgelingen verhalen vertelde. Na zijn vroege dood werden deze verhalen in het Hebreeuws en Jiddisj op schrift gesteld door Nosn Sjternharts en in de jaren 1815-1816 uitgegeven. Alle vertellingen kunnen gelezen worden als sprookjes zonder meer. Ze hebben echter een diepe religieuze betekenis, zoals de hieronder afgedrukte inleiding duidelijk maakt. De symboliek is zo gecompliceerd, dat het hier ondoenlijk is daar dieper op in te gaan. Goede toelichtingen zijn te vinden in de volgende vertalingen: Aryeh Kaplan, Rabbi Nachman’s Stories (Breslov Research Institute, Jeruzalem, 1983), Arnold J. Band, Nachman of Bratslav, The Tales (Paulist Press, New York, 1978) en Michael Brocke, Die Erzählungen des Rabbi Nachman von Bratzlaw (Hanser, München, 1985). De bekende uitgave door Martin Buber is een vrije bewerking, die Nachmans eenvoudige stijl geen recht doet.

Kees van Hage

 

De verhalen in dit boek bevatten de grote geheimen van de Tora. Ze handelen over belangrijke dingen en er staat geen alledaags woord in. Ook gewone mensen kunnen een hoge moraal ontlenen aan de verhalen, want die bezitten de kracht om alle mensen uit hun slaap te wekken en te voorkomen dat ze, God verhoede, hun jaren versuffen. Wie ze met een oplettend oog wil lezen, kan iets zien en begrijpen van Gods grootheid. Ze kunnen zelfs gewone mensen een sprankje moreel inzicht verschaffen en ervoor zorgen dat ze zien hoe de toestand in de wereld is en zich geen rad voor ogen laten draaien. De lezer moet dag en nacht bidden om verlost te worden van de dwaasheid van de wereld en te leven naar de wil van God, moge Hij gezegend zijn. De verhalen bevatten verborgen dingen die niet beschreven of verteld kunnen worden, maar wel tot inzicht kunnen leiden. Omdat wij de rabbi soms hebben horen zeggen dat hij de verhalen gedrukt wilde zien in de heilige taal het Hebreeuws en daaronder in het Jiddisj, hebben wij zijn heilige wil ten uitvoer gebracht en de verhalen zo gedrukt. Ook gewone mensen moeten kennis kunnen nemen van de verhalen, al zullen zij heel weinig begrijpen van de bedoeling en de strekking ervan. Zij zullen veel profijt hebben van het aandachtig lezen, want de verhalen hebben het vermogen de lezer nader tot de Allerhoogste te brengen. Het zijn, God verhoede, geen lege teksten. De rabbi, hij ruste in vrede, besloot veel verhalen met een paar verzen of opmerkingen om zijn toehoorders duidelijk te maken dat hij, God verhoede, geen onzin vertelde. Daarmee gaf hij een aanwijzing van de strekking van de verhalen, want ze bevatten alle de geheimen van de Tora.

Nachman van Bratslav, Sippoerei Maises. Jeruzalem–New York, z.j.: Keren Hadfasah D’Chasidei Breslov, p. 28.