De Paljas. Een verhaal uit het Oosten

Karl Emil Franzos

 

De roman Der Pojaz (De paljas) (1893) van Karl Emil Franzos speelt in het midden van de negentiende eeuw en gaat over een jonge man uit een sjtetl in Galicië die toneelspeler wil worden, maar tegengehouden wordt door zijn omgeving. Het boek boeit niet alleen door zijn literaire kwaliteit, maar ook door zijn actualiteit. Sjtetls bestaan weliswaar niet meer, maar ultra-orthodoxe milieus nog wel en het is nog steeds bijzonder moeilijk om je daaruit los te maken. Maar het thema heeft een algemene geldigheid, want ook in andere kringen streven jonge mensen naar een ideaal en worden door hun omgeving tegengewerkt.

Er is tenminste één geval bekend waarin de roman inspirerend heeft gewerkt. De acteur Alexander Granach (1890-1945) werd geboren als Jessaja Gronach in een Galicisch sjtetl, niet ver van Czortków (het “Barnow” uit Der Pojaz) en bracht het uiteindelijk tot acteur aan het Deutsche Theater van Max Reinhardt in Berlijn. In zijnaff autobiografie Da geht ein Mensch vertelt hij hoe hij als zeventienjarige Der Pojaz las en welke uitwerking het boek op hem had: Ik lag te huilen om het onrecht dat die man overkomen was. De roman hielp hem bij de verwezenlijking van zijn droom, acteur te worden.

De blijvende actualiteit van het thema was de eerste reden om een nieuwe vertaling van dit vergeten meesterwerk te maken, gebaseerd op de uitgave van Athenäum (Königstein, 2000). De tweede reden was de veroudering en onvolledigheid van de enige andere Nederlandse vertaling, de (niet-gedateerde) van S.J. Barentz-Schönberg uit het begin van de twintigste eeuw. Dat vertalingen verouderen, is onvermijdelijk, doordat het Nederlands verandert. Maar in De pias, de vorige vertaling, is niet minder dan veertig procent van het origineel weggelaten: zinnen, alinea’s, het hele voorwoord en het hele hoofdstuk 31, zonder verantwoording en zelfs zonder vermelding.

Een uitgebreide inleiding op de roman is eigenlijk overbodig, omdat de auteur die in het voorwoord zelf al geeft. Franzos’ eigen woordverklaringen staan net als in het origineel tussen ronde haken in de tekst, terwijl mijn woordverklaringen steeds aan het eind van een hoofdstuk zijn toegevoegd.

Dat de taal van de grote meerderheid van de joden in Galicië Jiddisj was, wordt door Franzos enigszins verhuld. In hoofdstuk 8 duidt hij het Jiddisj aan met de pejoratieve term “jargon” en in de hele roman vervangt hij veel Jiddisje woorden door Duitse. Zo schrijft hij “Städtchen“ (stadje) in plaats van “Schtetl” (sjtetl) en “Schlaflökchen” (slaaplokken) in plaats van “Peies” (peies). Daar is in de vertaling uiteraard niets aan veranderd.

Kees van Hage

 

Voorwoord

‘Geen woorden, kunstenaar, maar beelden!’ Ieder literair werk moet zichzelf verklaren. Heeft het eerst een uitleg nodig, dan deugt het niet. Bovendien heeft al die uitleg geen zin. Is een werk levensvatbaar, dan leeft het op eigen kracht; is het verminkt ter wereld gekomen, dan helpt het jasje van een voorwoord ook niet. Integendeel: dat jasje is alleen maar schadelijk. Ongeduldig trekt de lezer aan het kledingstuk: ‘Laat me toch zelf kijken hoe het kind eruitziet!’

Dit voorwoord is er dus niet om mijn roman uit te leggen of te verdedigen. Het moet alleen op een paar uiterlijke omstandigheden wijzen en daarbij iets zeggen wat ik al lang op mijn hart heb en wat ik het beste bij deze gelegenheid naar voren kan brengen.

Ik ben 25 oktober 1848 geboren op Russische bodem, in het gouvernement Podolië, in een houtvesterswoning vlak bij de Oostenrijkse grens. Ik denk niet dat iemand ooit van plan zal zijn een gedenkplaat op dat huis aan te brengen, maar zou een liefhebber van mijn werk ooit op dat idee komen, dan zal hij dat niet kunnen verwezenlijken. Het huis staat er niet meer; de plek waar ik ter wereld ben gekomen en de eerste weken van mijn leven doorgebracht heb wordt tegenwoordig omgeploegd en het gerooide bos is akkerland geworden. Vijfenveertig jaar geleden woonde daar een flinke Duitse houtvester uit Westfalen, die erg gehecht was aan mijn vader, omdat die hem tijdens een ernstige ziekte in leven had gehouden. Als dank verleende de man welwillend onderdak aan het gezin van de man die zijn leven had gered. Want de late herfst van 1848 was een beroerde tijd in Oost-Galicië; de Polen kwamen in opstand en waren van plan individuele Duitsers in het land hetzelfde aan te doen als wat hun landgenoten uit Poznan de Pruisen een half jaar eerder hadden aangedaan of geprobeerd hadden aan te doen. Tot degenen die bedreigd werden behoorde ook mijn vader, want ten eerste was hij als districtsarts in keizerlijk-koninklijke dienst en ten tweede was hij altijd als vurige Duitser opgetreden. Iedere dag regende het dreigbrieven; op het platteland was al openlijk het oproer aangekondigd en in het stadje werd een invasie verwacht. Mijn vader kreeg de raad om te vluchten, maar hij was er de man niet naar om zijn post te verlaten. Daarom stuurde hij alleen mijn moeder, die mij onder haar hart droeg, met mijn oudere broers en zusters de grens over naar dat houtvestershuis. Daar ben ik dus, zoals gezegd, ter wereld gekomen, te vroeg, want mijn arme moeder zat in doodsangst en maakte zich zorgen om haar man. Hij kwam er genadig af: al in november was de opstand van de Polen afgelopen en ze kon terug naar huis. U ziet dat ik in Rusland geboren ben, doordat mijn vader zich Duitser voelde en daarnaar handelde.

Dat gold ook voor mijn opvoeding. Het Duitse nationaliteitsbesef, waar ook ik mijn leven lang naar gehandeld heb, is me van jongs af aan bijgebracht. Ik was nog geen drie turven hoog, toen mijn vader al zei: ‘Je nationaliteit is niet Pools, niet Roetheens en niet joods: je bent een Duitser.’ Maar net zo vaak zei hij toen al: ‘Van je geloof ben je een jood.’ Mijn vader voedde me op zoals mijn grootvader hem had opgevoed, met dezelfde opvattingen en zelfs met hetzelfde einddoel, dat mijn vaderland niet in Galicië lag, maar in het Westen. En ook de overwegingen van mijn vader waren dezelfde.

Ik bezocht de enige school van het stadje, die in het klooster van de dominicanen; daar leerde ik Pools en Latijn. Duits leerde mijn vader me zelf. Voor Hebreeuws had ik een aparte leraar. Die man was tegelijk de enige van mijn geloofsgenoten in Czortkow met wie ik voor mijn tiende jaar in aanraking kwam. Mijn schoolgenoten en mijn vriendjes waren christenen. Ik kwam zelden in een joods huis en nooit in de synagoge. We hielden ons thuis niet aan joodse gebruiken en niet aan de spijswetten. Ik groeide op als op een eiland. Van mijn schoolgenoten onderscheidde ik me door mijn geloof en mijn taal en door precies datzelfde onderscheidde ik me van de joodse jongens. Ik was een jood, maar van een ander slag dan zij en hun taal kon ik niet zo goed verstaan.

In deze indrukken uit mijn jeugd wortelt misschien het beste wat ik heb: mijn observatievermogen. Ik was een eenling en ik was anders dan de anderen. Maar wat ik was wist ik precies, daar had mijn vader voor gezorgd. Ik was een Duitser en een jood tegelijk. Van beide hoorde ik alleen het beste en edelste, wat trouw en zelfs enthousiasme bij me wekte. Als een joodse jongen soms modder naar me gooide en me uitschold voor afvallige, kreeg ik te horen: ‘Ondanks dat is hij je broeder, je mag geen wrok tegen hem voelen. Hij weet niet wat hij doet.’ Ik mocht die broeder niet beter leren kennen, maar voelde daar ook weinig voor, en met mijn bescheiden toenaderingspogingen liep het slecht af: de kleine kaftandragers sloegen me en scholden me uit. Als ik er maar één tegelijk tegenkwam, maakte die dat hij wegkwam. Beide dingen bevielen me niet en klopten ook niet met het verhaal van de Makkabeeërs, dat mijn vader me altijd zo enthousiast vertelde.

Zo stonden de zaken in mijn jongensjaren in Czortkow. Ik voelde veel enthousiasme voor het jodendom, maar had heel weinig inzicht in het werkelijke leven van de joden om me heen.

Dieper inzicht kreeg ik pas in Czernowitz, waar ik naar het gymnasium ging, en ieder jaar werd dat een beetje meer. Toen mijn vader er niet meer was – ik verloor hem al in 1858 – begreep ik pas goed welke strijd hij gedurende zijn leven had gevoerd en met welke opvattingen hij me had willen opvoeden. Hoe het met me afgelopen was zonder het stevige fundament dat hij gelegd had, zonder het enthousiasme dat hij in me gewekt had, zou ik niet met zekerheid kunnen zeggen, want misschien hadden twee karaktertrekken die ik zelf ook zie, omdat niemand die mijn werk of mijzelf kent ze over het hoofd kan zien – misschien hadden mijn plichtsbesef en mijn rechtvaardigheidsgevoel ervoor gezorgd dat ik ongeveer dezelfde weg was ingeslagen als in feite gebeurde. Maar toch was het goed dat mijn vader dat fundament gelegd had. Want hoe meer ik het nationaal-orthodoxe jodendom leerde kennen, hoe kwetsender en vreemder ik de uitwassen ervan vond. Het poëtische van veel vormen ervan ontging me weliswaar niet, maar echte bekoring hebben die toch alleen voor iemand voor wie ze een stuk jeugdherinnering zijn. En dat was bij mij niet het geval.

Het was volstrekt uitgesloten dat ik, als zoon van mijn vader en door het leven al vroeg tot plichtsbesef opgevoed, ooit zou overwegen om een ander geloof aan te nemen. Maar net zo min wilde ik het jodendom een bepalende rol in mijn leven laten spelen en binnen de beperkte gemeenschap van mijn geloofsgenoten bepaalde ideeën naar voren brengen. Ik wilde jood blijven en ook hier mijn plicht doen, dat was alles. En ik besefte toen nog helemaal niet dat er een verteller, een beschrijver van het gettoleven in me stak. Ik had een ander doel voor ogen: ik wilde klassieke talen studeren en professor worden.

Dat leek beslist niet onmogelijk; ik was ijverig, ik hield van het vak en had als scholier al een werkstuk gemaakt dat de aandacht getrokken had: een vertaling van de Latijnse herdersdichten van Vergilius in het Grieks, in de taal van Theocritus (het Dorische dialect). Ik was wel heel arm, maar de regering zou me vast wel een studiebeurs verlenen. Het hoofd van de regering van de Boekowina, een welwillende man, was het daarmee eens en ondersteunde mijn aanvraag van harte.

De beslissing liet lang op zich wachten. Ten slotte moest ik op een dag bij het hoofd van de regering komen. De goede man was zichtbaar in verlegenheid gebracht.

‘Aan je geschiktheid bestaat geen twijfel, maar –’

Het gedachtestreepje betekende de doopvont. Een jood kreeg geen studiebeurs en een beurs had ook niet veel zin, want ik wilde hoogleraar worden aan een universiteit, en dat was voor joden onmogelijk. Het was zomer 1867, vóór het liberale tijdperk.

Onderhandelen over mijn religieuze overtuiging kon natuurlijk niet. Dus moest ik afzien van de studiebeurs. En daarmee van de klassieke talen. Een arme jongen als ik, die zijn moeder en zusters moest onderhouden, kon geen beroep kiezen zonder uitzicht op een inkomen.

Daarom besloot ik rechten te studeren en dat gebeurde ook.

Dat is makkelijk op papier gezet, maar hoeveel pijn en hoeveel slapeloze nachten er tussen de regels te lezen zijn, weet alleen iemand die in eenzelfde situatie heeft verkeerd. Toch zou ik dit vanzelfsprekende niet vermelden, als het niet terzake was. Mijn jodendom had me tot dan toe geen voordelen en geen nadelen opgeleverd. Nu leverde het een nadeel op, het grootste dat een mens kan hebben, en dwong me tot een vreselijk offer: afzien van het beroep dat ik gekozen had, het beroep waarvan ikzelf en anderen toen dachten dat het het geschiktste voor me was.

Het effect van zoiets kan verschillen en hangt van iemands aanleg af. De een kan dat offer niet brengen en beschouwt de overgang naar een ander geloof als een geringer offer. Een ander ziet er wel van af, maar begint zijn jodendom inwendig als een ongeluk te voelen – en te haten. Een derde raakt daardoor juist meer gehecht aan zijn geloof en krijgt er een warmere belangstelling voor, omdat hij er zo’n offer voor heeft moeten brengen.

Dat laatste was bij mij het geval. Ik werd geen vrome in den lande, maar mijn belangstelling voor het jodendom en mijn saamhorigheidsgevoel met de arme kaftanjoden in de “Wassergasse” van Czernowitz werden veel sterker dan eerst.

Het ging met die juristerij beter dan ik gedacht had: ik begon zin in de studie te krijgen. Toen overkwam me door mijn jodendom een nieuw en groot verdriet.

Een liefdesgeschiedenis. Ik was net eenentwintig. Maar toch kwam het hard aan, toen het meisje zei: ‘Mijn hart breekt, maar je bent een jood…’

Haar hart brak overigens niet. Maar het mijne ook niet. Het deed wel pijn, veel pijn. En in die stemming schreef ik mijn eerste novelle, Het christusbeeld, die de liefde tussen een jood en een christelijke vrouw weergeeft, en hoe het vooroordeel van de vrouw het wint van haar liefde. Het spijt haar wel, maar die spijt komt te laat.

Ik schreef dat verhaal in drie dagen, half koortsig. Onwillekeurig, zonder na te denken verplaatste ik de handeling naar mijn vaderstad Czortkow en liet ook nog wat jeugdherinneringen meespelen.

Aan een uitgave dacht ik niet. Door toeval kwam ik een half jaar later op het idee het manuscript naar het indertijd grootste Duitse tijdschrift te sturen, de Westermannsche Monatshefte. De redactie accepteerde het meteen en vroeg om nieuw werk uit “dat interessante milieu”.

Ik was net zo blij als verbaasd: dat het milieu “interessant” was had ik niet gedacht. Maar ik was ook niet van plan om na deze novelle nog iets te schrijven. Ik wilde immers jurist worden.

Nu begon ik toch over dat “interessante milieu” te prakkiseren. De figuren uit de streek waar ik vandaan kwam gingen voor me leven. Toen ze ooit in levenden lijve voor me stonden had ik ze heel nuchter bekeken. Maar nu zag ik ze in een betoverend licht, in de bekoring van de verte. Ik studeerde aan de universiteit van Graz, was de enige jood aan de universiteit en zelfs in de stad en zag het hele jaar niet één jood. En terwijl ik zo zat te prakkiseren ontstond er zomaar een tweede novelle: De Shylock van Barnow.

Nu volgde er een lange pauze. Tijdens de Frans-Duitse oorlog verzeilde ik door in een redevoering bij een studentenfuif meer sympathie voor de Duitsers te laten blijken dan de neutrale Oostenrijkse regering toelaatbaar vond, in een politiek proces, en daarna nam de afronding van mijn studie me in beslag. Toen ik klaar was, voelde ik dat ik niet geschikt was voor het vak van advocaat, en alleen het beroep van rechter trok me aan.

Maar ik was een jood –

U voelt al dat ook dit gedachtestreepje een doopvont betekent. Maar nog zelfverzekerder dan als jongen was ik als man.

Maar ik moest wel leven en daarom werd ik journalist, schreef politieke artikelen en knipte en plakte de mooiste “gemengde berichten” bij elkaar.

Maar in mijn vrije uren schreef ik novellen. Nu eens over het joodse leven en dan weer over het Duitse leven. In beide gevallen werd ik gedreven door dezelfde artistieke neiging. Ik wilde opschrijven wat ik voelde, dacht en bedacht. Maar niet zomaar. Ik kon alleen een leven beschrijven dat ik gezien had. En dus spelen mijn eerste novellen ofwel in Graz ofwel in Czortkow, het “Barnow” van mijn novellen.

Het is niet mijn taak om te zeggen wat mijn boeken tot een succes maakte. Maar één ding kan ik zeggen zonder de regels van de goede smaak te overtreden: het waren boeken die niet alleen de joden, maar ook de christenen van alle landen konden begrijpen.

Toch dacht ik nu dat mijn eigen artistieke ontwikkeling gediend was met iets anders, iets nieuws: een roman uit het getto in het Oosten.

En hier is die roman. Het plan is al heel oud, meer dan twintig jaar. Maar ik aarzelde telkens weer om het ten uitvoer te brengen. Om verschillende redenen voelde ik me nog niet rijp genoeg. Maar uiteindelijk vond ik dat ik niet langer mocht aarzelen.

Waarom ik zo lang geaarzeld heb?

Ten eerste omdat het om een roman gaat, terwijl ik tot nu toe over dit milieu alleen novellen heb geschreven. Er is echter niet alleen een uiterlijk verschil in omvang, maar ook een innerlijk verschil in het karakter van het werk. Een novelle beschrijft niet alleen ruimtelijk, maar ook inhoudelijk een heel beperkt deel van een bepaald leven, terwijl een roman die de naam verdient heel dat leven moet weerspiegelen. Wie een gedeelte beschrijft, hoeft alleen dat maar te kennen, maar een volledig beeld vraagt beheersing van het hele te beschrijven leven in alle of in ieder geval zijn belangrijkste betrekkingen. Ik aarzelde, tot ik tegen mezelf kon zeggen dat ik genoeg van het uiterlijke en innerlijke leven van het jodendom wist om aan dit werk te kunnen beginnen. Kortom: ik wilde de joodse volksziel dieper dan tot nog toe doorgronden.

Dat is dus het eerste verschil tussen dit werk en mijn vorige werk. Een tweede verschil betreft de toon van dit werk.

Ik zal mezelf als kunstenaar niet analyseren. Dat is een zaak voor de critici, die hun werk immers ijverig genoeg doen en zullen doen – sommigen onderwerpen me zelfs aan vivisectie. Ik wil dus niet diepgaand uiteenzetten hoe en waarom de toon van mijn vroegere werk het midden hield tussen het tragische en het komische. Deze roman slaat een andere toon aan: de humoristische. Waarom pas dit werk? Ach, misschien moet je ouder en ervarener zijn en meer geleden hebben voor een “lach door een traan”… Toch mag ik deze roman ook op een andere manier humoristisch noemen, niet alleen om de subjectiviteit van mijn presentatie, maar ook om de objectiviteit van de inhoud. Hij probeert de lezer nader te brengen tot de bijzondere witz en humor die je in het getto van het Oosten vindt en mag daarom geen enkele vorm waarin die witz zich uit vermijden, dus ook woordspelingen niet.

En nu een derde en misschien het grootste verschil: de tendens.

Ik denk dat ik ook in mijn eerste werk mijn plicht tegenover mijn volksgenoten vervuld heb en niet tegen, maar voor hen, en niet ten nadele, maar ten voordele van hen gewerkt heb. Dit vertrouwen hebben ook de chassieden die me uitscholden en aanvielen niet aan het wankelen gebracht. Toen ik de eerste keer het woord nam, adviseerde een jood van die richting, een zekere dr. Lippe uit Jassy, me zo snel mogelijk te laten dopen, want in het jodendom was er voor een man met mijn opvattingen geen plaats. In een mildere vorm is dat van joodse zijde vaak genoeg over me gezegd. Ik heb het glimlachend ondergaan, want ik zei tegen mezelf: ‘Dat is het beste bewijs dat je je plicht gedaan hebt. Was je zo dwaas, zo onrechtvaardig en zo laf geweest om alleen de wapens op te nemen tegen de vijanden buiten het jodendom en niet tegen de vijanden van een gezonde ontwikkeling binnen het jodendom, dan waren deze heren tevreden geweest, maar verder niemand en je eigen geweten nog het minst.’ En op dat standpunt ben ik blijven staan.

Natuurlijk is het veel moeilijker de lezer een totaalbeeld te bieden dan een fragment. Maar ik heb mijn best gedaan mijn roman zo te schrijven dat hij voor lezers van alle gezindten, ook voor mensen die nog nooit een jood uit het Oosten gezien hebben, te begrijpen is.

Berlijn, 15 juli 1893

Karl Emil Franzos

 

Karl Emil Franzos overleed op 28 januari 1904, zonder De paljas gepubliceerd te hebben. Wat hem bewoog om dit werk – toch wel zijn beste en rijpste – waaraan hij tientallen jaren gewerkt had en dat hij voltooide in het jaar 1893, op de leeftijd van vijfenveertig jaar en op het hoogtepunt van zijn scheppingskracht, zo lang ongepubliceerd te laten, willen we hier niet nagaan. Alleen moet gezegd worden dat twee dingen bij deze aarzeling geen rol speelden: hij vond het niet nodig om in zijn werk nog iets te veranderen en na 1893 schrapte hij ook niets meer en voegde er niets meer aan toe, en hij ging de strijd tegen de duistere machten die dit boek misschien weer had gewekt niet uit de weg. Want tot zijn laatste snik bleef hij een strijder voor recht en licht.

Over zijn leven en zijn voorouders vertelt Franzos meer in zijn Geschiedenis van het eerste werk (1894), waarin hij autobiografische essays van negentien Duitse auteurs over hun begin als schrijver verzamelt en waarin zijn essay De joden van Barnow uitvoerige informatie bevat die het bovenstaande voorwoord aanvult.

Wenen, juli 1905

Ottilie Franzos

 

Boekowina: gebied in het uiterste oosten van het toenmalige Oostenrijk-Hongarije, tegenwoordig in Ukraïne.
chassieden: vrome Oost-Europese joden.
Duitser: liberale of verlichte jood.
Frans-Duitse oorlog: 1870-1871.
Galicië: gebied in het uiterste oosten van het toenmalige Oostenrijk-Hongarije, ten noorden van Boekowina, tegenwoordig in Ukraïne.
kaftanjoden: vrome Oost-Europese joden, herkenbaar aan hun lange zwarte mantel.
keizerlijk-koninklijk: van de dubbelmonarchie: het keizerrijk Oostenrijk en het koninkrijk Hongarije.
Podolië: gebied in het uiterste oosten van het toenmalige Oostenrijk-Hongarije, ten oosten van Boekowina, tegenwoordig in Ukraïne.
Shylock: joodse hoofdpersoon uit Shakespeares toneelstuk De koopman van Venetië.

 

 

Hoofdstuk 1

De held van dit verhaal – een echte held, als je die betiteling niet onterecht ontzeggen wilt aan iemand die met inspanning van al zijn krachten en vol tragiek een hoger doel nastreeft – had ook een heldhaftige voornaam. Hij heette Sender, en in die samengedrukte, als het ware uitgebeende vorm leefde de naam Alexander, die de joden in een glorieuze periode van hun geschiedenis van de Hellenen overgenomen hadden, voort onder hun gekwelde, geknechte nakomelingen in het oosten van Europa. Minder heldhaftig klonk zijn achternaam: Glatteis, die een toeval of de gril van een ambtenaar zijn grootvader had toebedeeld.

Weinig mensen wisten echter dat hij zo heette en de naam stond eigenlijk alleen maar in zijn geboortebewijs, in zijn oproep voor militaire dienst en in zijn overlijdensverklaring. Maar in Barnow werd hij nooit anders genoemd dan Sender, de paljas of vaker nog: de paljas van Rosele. Want Rosele Kurländer in het tolhuis, bij de ingang van het stadje, had hem opgevoed, en hij gedroeg zich eigenaardig, als een paljas, volgens de mensen. Maar “paljas” is de verbastering van “bajazzo”.

Ook was Rosel zijn pleegmoeder maar. Sender was van niemand in het stadje familie en verder ook van niemand in de hele wijde wereld. Toch was hij in Barnow geboren en ingeschreven in het boek van de joodse gemeente. De mensen hadden hem niet weg mogen jagen, zelfs als hij hun tot last geweest was, net zoals een aardkluit de zaadkorrel die de wind heeft aangevoerd moet dulden, ook als die onkruid wordt. Het is dus toch maar toeval dat het hier blijft zitten en niet een mijl verderop. Toch had hijzelf niet het gevoel dat hij maar een zaadkorreltje in de wind geweest was, en toen hij dat gevoel uiteindelijk ondervond, bepaalde het zijn hele leven. Maar voor de mensen van Barnow was hij altijd een vreemde en ze waren verbaasd dat hij zo lang bij hen bleef, want zijn afkomst was immers bij iedereen bekend.

Zijn vader, Mendele Glatteis, was “sjnorrer” geweest, een rusteloos rondtrekkende man, die niets, absoluut niets het zijne noemen kon.

Er zijn heel veel van die nomaden onder de joden in het Oosten; duizenden en duizenden zijn op die manier vrijwillig tot de bitterste armoede veroordeeld, tot het afzien van alle dingen die ook het leven van de behoeftigste sieren en verdraaglijk maken: de geboortegrond, een vrouw en een kind.

Men zegt dat een neiging tot luiheid en werkschuwheid dit verschijnsel verklaart en dat is in zoverre waar, dat je een sjnorrer beslist niet tot een geordende activiteit kunt dwingen. Goedheid en strengheid leveren niets op en een sjnorrer verhongert liever dan dat hij werkt. Maar alleen daarom hoeft hij nog niet over ’s Heren wegen te zwerven; hoe zwaar de zorgen om het dagelijks brood ook op de joden van het Oosten drukken – de armste mensen ter wereld zijn vast en zeker te vinden in het Poolse en Russische getto – er is daar toch nog nooit iemand van de honger omgekomen, zolang de anderen redelijk te eten hadden. Een harde werker vervloekt een bedelaar, maar wee degene die hardvochtig tegen zijn broeder optreedt, want die wordt veroordeeld. Zo kan een luiaard nergens beter gedijen dan waar vrome regels onder alle omstandigheden zijn bestaan verzekeren; in het buitenland moet zo iemand niet alleen tegen de politie vechten, maar ook tegen de inheemse bedelaars, die de nieuwkomer grimmig opjagen.

Er zijn dus nog andere redenen dan luiheid waarom ieder jaar – en tegenwoordig nog net zo als honderd jaar geleden – duizenden van oost naar west en van west naar oost trekken en waarom zeker honderdduizenden binnen Half-Azië van de Leitha tot de Wolga en van de Newa tot de Bosporus met hun ziel onder hun arm lopen. Hier speelt de neiging tot zwerven mee die dit volk nog verder gevoerd en nog meer verstrooid heeft dan zijn vreselijke lot al bepaald had, en bovendien de ijdelheid van de sjnorrers, maar vooral de behoefte van mensen met een vaste woonplaats aan de omgang met die zwervers.

Dat klinkt vreemd en toch blijft daardoor het sjnorrerdom bestaan. Ook de joden van Half-Azië weten best dat het hier om een echte landelijke plaag gaat; ze voelen dat des te duidelijker doordat ze zelf niets overhouden. De vrome regels zijn hooguit toereikend om een vreemdeling te verzekeren van een hap brood, maar niet de vriendelijke ontvangst die hem wacht, vooral in kleine gemeenten ver van de grote, doorgaande wegen. Alleen de rijkste mensen in een plaats durven de binnenkomende vagebond eerst een nors gezicht te tonen, maar ook zij draaien op tijd bij om te zorgen dat hij er niet vandoor gaat.

Op een weekdag is hij gewoon welkom, maar op een feestdag is hij onmisbaar: wat zou een sabbat zonder sjnorrer zijn? Want het is een bijzonder duf, stil, eentonig leven dat de joden in zo’n smerige stadje in het Oosten leiden; alleen de Slavische boeren hebben een nog eentoniger leven, en die voelen veel minder druk, doordat hun geest nog helemaal niet wakker is. Maar de joden hebben Hebreeuws leren lezen en schrijven; de Tora en de Talmoed hebben hun verstand tot spitsvondigheid gescherpt en een hevige dorst naar kennis in hen gewekt, maar die kunnen ze altijd alleen maar lessen bij dezelfde bron: de oeroude kennis van de Vaderen. Van de moderne ontwikkeling worden ze evenzeer afgehouden door de wil van de machthebbers als door hun eigen vrome waan!

Nadat ze van ’s morgens tot ’s avonds in hun levensbehoeften hebben voorzien willen ze graag weten wat er in de wereld omgaat, of de Duitsers en de Fransen met elkaar overweg kunnen; tachtig jaar geleden wilden ze weten of Napoleon al uit Sint-Helena teruggekeerd was en tegenwoordig of Bismarck al weer rijkskanselier is, want zowel Napoleon als Bismarck zijn voor hen letterlijk onsterfelijke mensen. De mannen willen hun krant hebben, en aan het christelijke drukwerk hebben ze niets, omdat ze dat niet kunnen lezen. Ook hebben ze niets liever dan een goede witz, een “treffend woord”, dat de een of andere moeilijke passage in de Talmoed scherpzinnig verklaart of in ieder geval op een leuke manier; ook luisteren ze graag naar liederen of schlagers en houden van een “spel”. En in het getto zijn geen boeken met verhalen, geen concerten en geen toneelvoorstellingen.

Daarom heeft de hemel genadiglijk beschikt dat er tenminste sjnorrers zijn. Want de echte sjnorrer is alles tegelijk: grappenmaker, zanger, toneelspeler en vooral een wandelend nieuwsblad. Het voordeel boven een gedrukte krant is dat deze altijd in de vorm verschijnt die de abonnee het liefste heeft: wil hij snel bediend worden, dan in klein formaat, houdt hij van uitvoerigheid, dan in groot formaat. Verder kun je meteen een vraag stellen, als je iets niet begrijpt en je vindt altijd wat je zoekt: wie van grappige verhaaltjes houdt kan ze krijgen, met de politiek als extraatje, terwijl de politicus van het getto kan genieten van de langste hoofdartikelen met altijd alleen maar de grote diplomatieke kwesties, zonder te worden lastiggevallen met een feuilleton. Wel liegt de sjnorrer vaak, terwijl in de gedrukte krant altijd alleen maar de waarheid staat; verder is zijn opvatting van de feiten vaak subjectief en zelfs heel eenzijdig, terwijl je in ieder hoofdartikel de enige mening vindt die je als verstandig mens over een gebeurtenis kunt hebben.

Maar hij levert ook nog iets bijzonders, wat zelfs een grote krant niet bieden kan. Want geen enkele andere krant zingt en voert komische monologen op, en zoveel anekdoten tegelijk als hij meebrengt zou geen enkele krant kunnen bieden, al verscheen die drie keer per dag op het formaat van een beddenlaken.

Daarom hebben de joden van het Oosten hun sjnorrer nodig en veel van die landlopers hebben hun klanten letterlijk voor het uitzoeken en kunnen niet allen bedienen die hen als gasten begroeten willen. Maar ook bij degenen die hij met een bezoek vereert blijft de sjnorrer nauwelijks langer dan een dag, en zelfs in een grotere stad nauwelijks langer dan een week. Onrust drijft hem voort en bovendien zijn slimheid en zijn ijdelheid. Hij wil steeds nieuw, aantrekkelijk en welkom blijven.

U ziet: het sjnorrerdom is een verschijnsel in het volksleven van het Oosten dat zozeer met de bijzondere verhoudingen en met het volkskarakter verbonden is, dat zoiets in de hele wereld en de hele geschiedenis niet te vinden is.

Het ligt voor de hand om aan de “kermisklant” te denken, die bij ons in Duitsland van dorp naar dorp en van gehucht naar gehucht trekt om de mensen met zijn talent te ontroeren of te verblijden en zo zijn brood verdienen, af en toe tenminste. Inderdaad dankt ook hij, net als de sjnorrer, de mogelijkheid om zijn leven te rekken aan de duistere behoefte van de mens, die ook bij de primitiefsten aanwezig is, de behoefte om af en toe uit de tredmolen van zijn leven naar de vrijheid te vluchten en uit de platte werkelijkheid naar de wereld van de schone schijn. Maar de sjnorrer is oneindig veelzijdiger en daarbij is zijn maatschappelijke positie heel anders, veel slechter, zou je denken. Want de rondtrekkende komediant bedelt alleen wanneer hij door zijn “kunst” niet genoeg verdient, terwijl het voor de sjnorrer vanzelfsprekend is dat je hem een maaltijd en een dak boven zijn hoofd geeft en bij het afscheid wat proviand voor onderweg. Maar in werkelijkheid is deze situatie veel beter. De sjnorrer kijkt niet alleen stiekem zelfverzekerd neer op iemand met een vaste woonplaats – dat doet ook de “kermisklant” – maar laat ook vaak genoeg zijn superioriteit voelen, en een andere behandeling dan als gelijkwaardige accepteert hij hooguit van de rijksten, maar in de regel van absoluut niemand. In zijn ogen is een broodwinning gewoon geen menswaardige bezigheid; hij vindt zichzelf niet alleen slimmer, geestiger en meer ontwikkeld – en is dat meestal ook – maar ook verheven boven zijn weldoeners; volkomen gelijkwaardig voelt hij zich al door de regels van het geloof, dat alleen broeders kent en geen andere adel dan geleerdheid. De Duitse kermisklant zou er wat voor geven om zich zo te voelen als de sjnorrer!

Maar je moet ook niet denken aan de hofnar uit de Middeleeuwen, al is die vergelijking al iets meer op haar plaats: ook die was voor al zijn behoeften afhankelijk van zijn heer en mocht hem toch de waarheid zeggen. Maar daarom was de hofnar een lakei in loondienst, terwijl de sjnorrer vrij man is. Hij heeft geen zorgen om vrouw en kind, om de dag die komen gaat; breekt die aan, dan is er wel ergens eten en een dak boven zijn hoofd te vinden, en breekt die niet aan, dan een graf op de dichtstbijzijnde joodse begraafplaats. Als zijn vijanden er maar niet waren: de politie en de plaatselijke bedelaars! Maar dan zou zijn leven al te mooi zijn, en een beetje tegenspoed moet een mens kunnen verdragen, alleen al voor de afwisseling…

Natuurlijk voelt niet iedere sjnorrer zich zo gelukkig. Bij velen knaagt de pijn van een onbevredigde eerzucht en jaloezie op begaafdere collega’s. Zo kan alleen een rijmelaar een echte dichter haten, als de onbekwame sjnorrer de echte, de ware sjnorrer. Ook hier is ijver niet genoeg en zelfs eerzucht op den duur niet; het beste is een “gave van boven”. Je bent een geboren sjnorrer, net zoals je een geboren dichter kunt zijn.

Een van die echte sjnorrers was Senders vader, Mendele Glatteis, die ze naar zijn Litouwse geboortestad de “Kowner” noemden, want van de “christelijke” achternamen, die hun door de wil van de regering opgedrongen zijn maken joden in het Oosten onder elkaar geen gebruik, tegenwoordig niet en in zijn tijd al helemaal niet; hij werd aan het eind van de achttiende eeuw geboren.

Zijn ouders hadden beschikt dat hij Talmoedgeleerde zou worden, omdat hij al jong veel aanleg toonde en als tienjarige al met de geleerden kon disputeren over de moeilijkste kwesties die hen bezighielden. Vreemde kwesties! Al eeuwen wordt daar in iedere “klaus”, zoals een joods leerhuis in het Oosten heet, grondig over nagedacht, met alle beschikbare scherpte van geest, zonder dat ze ooit helemaal opgelost worden.

Geen wonder, want die kwesties zijn gewoon veel te moeilijk! Bijvoorbeeld op welke dag Eva de vrucht van de boom der kennis plukte. Een sabbat was het zeker niet, want dan mag je geen vruchten plukken, maar welke dag van de week dan wel? Of wat voor een ladder het was die Jakob in zijn droom zag! Natuurlijk geen touwladder, die aan de wolken vast zat en tot op de aarde reikte, want er staat geschreven dat hij op de aarde stond en met zijn bovenkant tot aan de hemel reikte. Maar was het een ladder die je in elkaar kon schuiven of bestond hij uit één stuk? Was hij van hout, van ijzer of nog iets anders? En vooral: hoeveel sporten had hij? Dat hangt weer af van de vraag of de engelen die de ladder bestegen of afdaalden lange of korte benen hadden. Hoe waren die engelen dan gebouwd? En daar komt het op aan, want we weten wel dat ze vleugels hadden, maar die nacht maakten ze daar geen gebruik van, want er staat uitdrukkelijk: Ze klommen. Dan rijst de volgende vraag: waarom klommen ze en waarom vlogen ze niet van sport naar sport? En dan: De Heer stond boven staat er in de Heilige Schrift. Op de bovenste sport dus? Of had de ladder boven een plateau? En als dat zo was, hoe breed was dat dan? Maar dat zijn in feite nog voor de hand liggende vragen vergeleken met de andere die scherpe ogen tussen de regels van de Heilige Schrift zien staan. In het lied van Mozes wordt de Heer geloofd, omdat zijn rechterhand de Egyptenaren in de Rode Zee laat verdrinken. Maar wat deed op dat moment de linkerhand van de Heer? Daarover staat maar één ding vast: die heeft de zee niet verdeeld, want dat deed, zoals geschreven staat, de adem van de Heer. Wat deed die hand dan, of had die misschien even rust?

Jaren komen en gaan en worden decennia en eeuwen; steeds nieuwe kennisgebieden komen op en ontelbare geestesarbeiders doen hun best om die steeds hoger op te stuwen, maar in het Oosten piekeren ze nog net als in de Middeleeuwen over de linkerhand van de Heer, de beet in de appel en de ladder naar de hemel. En dat is daar nog altijd de enige manier om je als “knappe kop” te onderscheiden.

Dat lukte ook onze Mendele. Nadat hij de lichaamsbouw van de engelen tot op de duim nauwkeurig had vastgesteld en had aangetoond dat Gods linkerhand op dat ogenblik waarschijnlijk niets deed, besloten zijn ouders van hun enig kind een “licht in Israël” te maken, en de grote rabbi van Kowno nam hem als leerling in zijn huis op.

Eerst ging alles goed. Mendele maakte ongehoorde vorderingen en daarom zag de geleerde door de vingers dat de jongen veel rondzwierf op straat, zijn medeleerlingen plaagde en zelfs hemzelf niet ontzag. De wijze man had namelijk de gewoonte zich vaak te krabben – misschien was het wel geen gewoonte, maar had hij daar iedere keer een reden voor, en telkens als hij zich krabde deed zijn favoriete leerling dat ook en wel op precies dezelfde manier. Maar Mendele beweerde dat het alleen maar gebeurde omdat het niet anders kon en verwees naar de Talmoed, waarin de vriendschap tussen David en Jonathan blijkt uit het feit dat de twee steeds op hetzelfde moment honger en dorst hebben. De innige sympathie die hem met zijn leraar verbond kwam daarin tot uiting, dat ze op hetzelfde moment jeuk hadden. De rabbi twijfelde; maar mogelijk was het wel en daarom liet hij het erbij, al vond hij de glimlach van de andere leerlingen vervelend.

Hij liet het zelfs geduldig over zijn kant gaan, toen de sympathie zich in steeds duidelijker uiterlijke tekenen ontlaadde. Nu moest Mendele dezelfde seconde hoesten, kuchen en zijn neus snuiten als de geleerde, ja, de sympathie dwong hem langzamerhand zelfs op dezelfde toon en met dezelfde hese stem te spreken. Heel Kowno moest lachen, maar er was niets aan te doen.

Toen maakte een heel eigenaardige gebeurtenis een eind aan het onderwijs.

Tot de moeilijkste kwesties die de Talmoed behandelt behoort ook die van de bloedvlek in het ei; dat is voor de gelovige eetbaar of niet, afhankelijk van de vorm van de vlek. Nu zijn de Wijzen van de Talmoed het ondanks alle moeite die ze aan de zaak besteed hebben niet helemaal eens geworden, en ze konden ook onmogelijk alle vormen voorzien. Dus moet iedere geleerde bij elke vraag die hem gesteld wordt zijn hersenen behoorlijk inspannen en hij krijgt vaak vragen, omdat een zuinige huisvrouw liever naar de rabbi loopt dan een ei op te offeren.

Nu gebeurde het dus dat Mendeles moeder deze pech plotseling vaker had dan alle andere huisvrouwen; bijna om de dag moest Mendele voor haar een ei naar de rabbi brengen. En telkens had de bloedvlek hoogst eigenaardige vormen, die het de geleerde des te moeilijker maakte om een beslissing te nemen, omdat hij erg bijziend was. De zaak werd steeds griezeliger: nu eens had de vlek de vorm van een kruis, dan weer van een vraagteken of een letter. De kip van juffrouw Chane Glatteis leek wel regelrecht behekst!

Maar op een dag nam Mendele na een lange rust een ei mee naar school waarvan de bloedvlek wel een ongehoorde vorm moest hebben, want de jongen zelf was zichtbaar opgewonden en volgde de bewegingen van de rabbi met spanning. Langzaam boog de grote geleerde zich over het ei, keek ernaar en deinsde ontzet terug, hield de vlek nog een keer vlak voor zijn ogen en sprong toen bleek en opgewonden op.

‘Dit is nog nooit gebeurd sinds de wereld bestaat!’ riep hij. ‘Die kip moet ik zien!’

Die wens was begrijpelijk. De bloedvlek had deze keer de vorm van een paar Hebreeuwse letters, die samen het woord ezel vormden. Zo’n merkwaardig en goddeloos dier had de wereld nog nooit gezien.

‘Ik breng de kip wel naar u toe, rabbi,’ zei Mendele bereidwillig.

‘Nee, die wil ik zelf zien!’ riep de rabbi en haastte zich naar de moeder van zijn leerling.

Mendele liep met hem mee tot vlak bij huis; daar kneep hij ertussenuit om een eindje om te lopen.

Toen hij thuiskwam kreeg hij onder een regen van klappen en verwijten te horen dat de rabbi hem uit zijn school verwijderd had, omdat hij met de Heiligste een spelletje gespeeld had. Want juffrouw Chane had wel een kip, maar dat brave beest legde altijd eieren zonder bloedvlekken. Die had Mendele met rode inkt op de dooier geverfd en ten slotte ook, overmoedig geworden door de opwinding en de bijziendheid van de grote geleerde, de zonderlinge huldiging.

Nog een poging deden de ouders van de toen twaalfjarige jongen om hem naar het vrome beroep te leiden waar zijn bijzondere gaven hem voor leken te bestemmen. Ze vertrouwden hem toe aan de beroemde Talmoedgeleerde rabbi Meyer in Wilna, die niet alleen bekend stond om zijn grote geleerdheid, maar ook om zijn bijzonder harde hand.

Inderdaad leek de rabbi Mendele wel klein te krijgen, en toen de groeiende sympathie van de leerling voor de leraar weer dezelfde vormen begon aan te nemen als in Kowno, kwam hier snel een eind aan. Want telkens als de jongen die geheimzinnige neiging kreeg rabbi Meyer voor de gek te houden door hem na te apen, werd die neiging ook in de rabbi wakker en dwong hem de geliefde leerling een enorme draai om zijn oren te geven. Geen wonder dat de sympathie zich steeds minder vaak uitte, steeds verder afnam en ten slotte in haat omsloeg.

Dat ging zo door tot Mendeles dertiende verjaardag. Op die dag, die in het leven van iedere joodse jongen een ingrijpende gebeurtenis is – hij wordt geconfirmeerd en in de dienst voortaan als volwassene meegeteld – leek zich ook bij Mendele een grote verandering voltrokken te hebben: de woede tegen zijn strenge leraar sloeg om in zachte berusting en de haat in liefde. Het is gebruikelijk dat iedere leraar zijn leerling op die verjaardag een zo royaal mogelijk cadeau geeft; ook het cadeau van rabbi Meyer had een grote waarde, maar alleen in moreel opzicht. Hij stak voor de jongen namelijk een ellenlange vermanende preek af, waarin hij met stelligheid profeteerde dat zijn leerling ooit ver boven alle andere mensen eindigen zou, aan de galg. Een andere jongen zou hierdoor misschien verbitterd zijn. Mendele leek wel diep berouw te hebben, maar zei met een van emotie bevende stem: ‘U hebt gelijk, rabbi, ik heb geen ander cadeau verdiend. Maar omdat ik vandaag dertien jaar geworden ben en omdat er dan cadeaus gegeven worden, krijgt u iets. Slaat u het niet af, al is het weinig!’ Dat zei hij, droogde zijn tranen en overhandigde de rabbi twee doosjes met de zalfjes waar ook de armste jood in het Oosten niet buiten kan.

De streng gelovige jood mag namelijk zijn hoofd niet buigen voor het scheermes; zijn baard en zijn slaaplokken groeien naar hartenlust en mogen zelfs nooit ingekort worden, integendeel: hun lengte en volheid is het mooiste sieraad van de vrome en ook iemand die niet veel aan zijn uiterlijk doet en maar weinig water nodig heeft, gebruikt een zalf die de baardgroei bevordert. De andere zalf dient het tegenovergestelde doel: de verwijdering van al het hoofdhaar, want ook dat schrijft de mode voor. Met een niet volkomen kale schedel zou de vrome zich mismaakt voelen en omdat hij zich niet mag laten scheren smeert hij zijn hoofd van tijd tot tijd in met dat scherpe goedje, dat in het begin nog niet irriteert, maar daarna een behoorlijk branderig gevoel op de hoofdhuid veroorzaakt. Beide zalfjes zijn wit en hebben een metalige glans; om verwisseling te voorkomen wordt de bijtende zalf altijd in ronde en de baardzalf in vierkante doosjes verkocht.

Rabbi Meyer was verlegen met het cadeau en schaamde zich zelfs een beetje, maar maakte voor hij naar het leslokaal ging van beide zalfjes gebruik. Maar Mendele gunde zichzelf een vrije dag en maakte dat hij wegkwam.

Een uur later kreeg de rabbi een vreemd, branderig gevoel op zijn wangen en toen hij naar zijn baard greep, hield hij een pluk haar in zijn handen. Ontzet rende hij de huiskamer in om de bijtende zalf af te wassen, maar daarmee ging ook de mooie, lange baard eraf en het gezicht van de waardige man leek nu op de Litouwse hei, waarop het weinige struikgewas en hier en daar een enkele boom verraden wat een prachtig bos er eens gestaan heeft. Na een tijdje waren ook de haarwortels in de hoofdhuid, die hij tot dan toe zo naar met bijtende zalf behandeld had, dankbaar voor de onverwachte verfrissing en groeiden flink uit. Dat ongeluk was nog goed te maken, maar de baard! De vele bezoekjes van nieuwsgierige en meelevende bewonderaars, die de rabbi kwamen bekijken en troosten, maakten hem helemaal niet blij en het duurde maanden voor hij de straat weer op durfde. De baard kreeg zijn oude volheid nooit meer terug, nooit meer, en tot het einde van zijn leven kreeg de rabbi een steek in zijn hart als de mensen vroegen: ‘Vertelt u nog eens wat Mendele Kowner u bij zijn afscheid gegeven heeft.’

Want Mendele had zich het plezier ontzegd het succes van zijn vriendschappelijke gift met eigen ogen te aanschouwen en was voorgoed verdwenen uit het huis en uit de stad. Hij wilde terug naar huis en sloeg de weg naar Kowno in, maar hoe dichter hij bij zijn huis kwam, hoe korter zijn dagetappes werden en hoe langer zijn verblijf bij gastvrije geloofsgenoten, en in een herberg vlak voor Kowno veranderde hij van gedachten en sloeg de weg naar het westen in. Want het bericht van zijn gemene streek haalde hem overal in, en als hij zei waar hij vandaan kwam: Wilna, vroegen de mensen meteen naar de baard van rabbi Meyer, en al moesten sommigen erom lachen, de meesten waren over het ongehoorde vergrijp tegen een heilig sieraad toch zo ontzet, dat hij liever incognito bleef. Maar in die herberg voor Kowno trof hij een voerman uit zijn woonplaats, die hem vertelde dat zijn ouders eerst veel gehuild hadden, maar nu bezig waren buigzame hazelaartakken in azijn te leggen; er waren ook twee bamboestokken aangeschaft en er verdere voorbereidingen getroffen voor een waardige ontvangst. Daarop dacht Mendele dat het niet zo’n haast had; hij maakte rechtsomkeert en trok langzaam naar de Pruisische grens.

Wat er van hem worden moest had hij toen nog niet besloten en als iemand de overmoedige, maar slimme en goedhartige jongen op die eerste zwerftocht gezegd had welk levensdoel hem te wachten stond, was de waarschuwing niet tot hem doorgedrongen. Hij was immers van goede komaf en had iets geleerd – waarom zou hij dan sjnorrer worden? Dat kwam niet in hem op en hij vond alleen maar dat de hazelaartakken best wat langer gebeitst mochten worden, en wilde zijn ouders laten uitrazen voor hij terug naar huis ging. Verder was het voor hem – net als voor velen voor en na hem die dezelfde weg bewandelden – heel aantrekkelijk om niet voor brood en onderdak te hoeven zorgen.

Net zoals de middeleeuwse student van de ene universiteit naar de andere en vaker nog op goed geluk en zorgeloos door heel Duitsland trekken kon, omdat voor zijn baret en zijn beetje Latijn de deur van ieder pastorie en ieder herenhuis openging, zo volstaat in Half-Azië de zin “ik ben een jesjiewe-boocher” (leerling van een Talmoedschool) en de spitsvondige uitleg van de een of andere bijbelplaats nog steeds om voor een jonge man ieder joods huis dat hij binnengaat tot een gastvrij onderdak te maken. Het tegendeel zou een zonde zijn, want degene die de leer bestudeert dient de Heer en wie hem ondersteunt verwerft de hemel. Mendele werd niet eens met zoveel vragen lastiggevallen; als hij de mensen vertelde dat hij op zoek was naar een passende school, waren ze daarover niet verbaasd. Een begaafde “boocher” kiest met zorg een “jesjiewe” en verbindt zich niet, voor hij die persoonlijk heeft leren kennen en voor hij weet wat hem daar aan verdere vorming of beurzen aangeboden wordt.

Als Mendele dat zei, loog hij natuurlijk; hij wilde voorlopig niet naar een nieuwe school, voor hij de woede van zijn ouders gesust had. Alleen beviel het zwerven, het contact met al die vreemde mensen hem zo, dat hij de terugkeer naar huis telkens weer uitstelde, en toen hij helemaal in de buurt van Poznan beland was, beviel het hem daar zo, dat hij zijn goede voornemens helemaal vergat. Hier waren de stadjes schoner en de gemeenten welgestelder en bovendien stond de geleerdheid op een hoger peil; zonder het zelf goed te beseffen stonden de rabbijnen daar een beetje onder invloed van de Duitse mentaliteit en hielden zich liever bezig met de wetenschappelijke problemen van de Talmoed dan met kwesties over de ladder naar de hemel. Dat beviel de begaafde jongen, alleen al omdat het nieuw voor hem was; hij bleef hier en daar maanden plakken en studeerde serieus. Maar hij had de pech dat de Pruisische politie ook actiever was dan de Russische en hem op een goede dag, omdat hij geen papieren had, de grens over zette.

Dat schudde hem wakker en hij schreef zijn ouders of hij naar huis mocht komen.

Hij kreeg geen antwoord.

Ze waren dus nog kwader dan hij gedacht had en daarom waagde hij zich niet naar huis, maar trok doelloos rond door het “Groothertogdom Warschau”, dat een gril van Napoleon kort daarvoor in het leven geroepen had. Ook nu leed hij geen honger of kou en tegelijk werd hij door de gewenning ongevoelig voor de last van dat rusteloze leven. Toch verlangde hij in zijn hart steeds sterker naar zijn ouders en besloot de terugkeer naar huis te wagen, op het gevaar af dat de ontvangst niet zo vriendelijk uit zou vallen.

Maar deze keer kwam het toeval ertussen of, zo u wilt, het noodlot.

Toen Mendele in het voorjaar van 1812 uit de streek van Krakau, waar hij het laatst verbleven was, langzaam naar het noorden ging, stuitte hij op de colonnes van de “Grande armée”, die juist langzaam naar Rusland trokken. Dat was later het vaste verhaal van de man uit Kowno – dat hem lang overleefde – waarin hij vertelde hoe hij bij die gelegenheid toevallig de grootste man van zijn tijd had leren kennen en zich door belangrijke strategische adviezen onmisbaar had kunnen maken.

‘Zijn jullie wel eens in Warschau geweest?’ Met die vraag aan zijn toehoorders begon hij altijd. ‘Wie daar geweest is, kent vast wel de grote, gele herberg direct rechts naast het tolhuis; in die tijd was de oude reb Mosche daar de baas, Mosche met de rode neus, een beste man, die nooit klaagde dat hij niet eens uit het raam kon kijken. De Russische politie had hem dat namelijk verboden, omdat anders alle vreemdelingen dachten dat Warschau in brand stond. Ook verder een goede vent, hij nam me op als een zoon en gaf me goede raad, als hij nuchter was, maar eigenlijk was hij nooit nuchter. Nou, ineens mag de arme oude man weer een luchtje scheppen: de Russen zijn weg en de Fransen komen. Twee dagen en twee nachten duurt de doortocht, soldaten te voet en ruiters en kanonnen en wagens, het schitterde voor je ogen en de lucht dreunde als bij een onweer – twee miljoen mensen, dacht Mosche, maar dat was alleen maar omdat hij alles dubbel zag: het was in werkelijkheid maar één miljoen! Maar dat was nog maar de voorhoede en nu kwam pas het leger. Tien miljoen! Mijn Mosche huilt van vreugde: “God, wat een hoop Fransen, dat gun ik de Russen!” De deur gaat open, twee officieren komen binnen, een grote en een kleine, en ze bestellen een likeur. “God zal me liefhebben!” roept de grote geschrokken, als hij Mosche ziet, maar de kleine vertrekt geen spier. “Dat kan alleen maar Napoleon zijn,” denk ik, “dat is de enige die niet van zijn stuk raakt door zo’n neus,” en ik kijk eens goed – en ja hoor: hij is het. Maar ik reageer niet: als hij niet herkend wil worden, dan weet Mendele Kowner wel hoe het hoort. Alleen als hij zijn glaasje heft, hef ik het mijne en zeg: “Lang leve meneer de Keizer!” “Dank je wel!” zegt hij vriendelijk. “Ha,” denk ik, “nu heb ik je,” en ik vraag: “Waarom bedankt u?” Hij wordt verlegen. “Omdat ik ook een Fransman ben,” zegt hij. “Maar jij bent vast een jood.” “Knap, dat u dat raadt,” zeg ik. “Met een kaftan en slaaplokken zal ik vast een Spanjaard zijn!” En zo raken we in gesprek, ik vertel het een en ander, en hij lacht. “Volgens mij,” zegt hij, “ben jij een slimme vent. Wat vind je van de oorlog?” “Vraag dat maar aan uw Keizer,” zeg ik, “die is nog slimmer.” Hij lacht: “Je bent een vleier! Je weet toch dat ik het ben? Dus hoe moet ik oorlog voeren?” “Snel!” zeg ik. “Een beter advies kan ik u niet geven. Zo snel mogelijk. Anders komt de winter, en daar zijn de Russen aan gewend, maar u niet!” “Mendele,” zegt hij, “je hebt gelijk. Mijn generaals denken er anders over, maar ik ben het met je eens. Ik marcheer zo snel mogelijk naar Petersburg.” “Om Godswil!” roep ik, “meneer de Keizer, dat zou dom zijn! Ten eerste ligt dat vlak bij zee – een beetje te ver naar links en al uw soldaten vallen erin. En dan is het daar ook nog heel koud!” “Naar Moskou dus.” “Ook niet! Ook te koud! Naar beneden, naar Kiev en naar Odessa!” Daar wil hij niets van weten; ik kan praten wat ik wil, maar hij blijft bij Moskou. “Goed,” zeg ik. “Ben ik de Keizer? Maar u zult wel merken hoe dat afloopt!” “Jij ook,” zegt hij en pakt mijn hand. “Hoezo?” zeg ik. “Omdat je meegaat, Mendele. Zonder jou wil ik niet naar Rusland. Zo’n harde kop als jij kan ik goed gebruiken. Kom mee! Loopt het goed af, dan geef ik je honderd kilo diamanten; loopt het slecht af, dan kan het voor Mendele Kowner toch alleen maar eervol zijn om met mij, de grote Napoleon, “kapore” (te gronde) te gaan.” En hij smeekt net zolang tot ik toegeef.’

Zo ging Mendele Kowner met Napoleon naar Rusland. Helaas werd de vriendschappelijke verhouding vertroebeld door de eigenzinnigheid van de Keizer en waarschijnlijk ook door zijn jaloezie op Mendeles militair genie.

Vlak voor Moskou adviseerde Mendele namelijk direct tienduizend brandspuiten te bouwen en mee te nemen in de stad. “Want,” meende hij scherpzinnig, “anders steken de Russen Moskou in brand en wij kunnen niet blussen, en wat hebben we aan Moskou als het verbrand is? Genadige Heer Keizer, luistert u naar de man uit Kowno, want u weet dat hij niet dom is. Waar moet u anders overwinteren?” Maar iedereen weet dat die tienduizend brandspuiten niet meegenomen werden en dat Moskou in vlammen opging, en daarop voorzag de verstandige Mendele ook alle andere dingen en zei tegen de Keizer: “Aan de Berezina zal het slecht voor u aflopen; ik raad u aan om liever langs een andere weg op te trekken – maar wat maakt het uit wat ik zeg? U doet jammer genoeg toch wat u wilt. Maar ik doe niet meer mee, want zo’n ramp als u aan de Berezina meegemaakt hebt, heeft de wereld nog nooit gezien, en al wat het voor mij ook een eer met u kapore te gaan, een genoegen was het niet. Dus tabee, meneer de Keizer, en neem me niet kwalijk!”’

Daar bleef het ook bij, al probeerde Napoleon hem met cadeaus vast te houden en hij keerde hij hem toen alles vergeefs was wel de rug toe, maar met een hoorbare snik. Mendele ging weg en bereikte via omwegen heelhuids zijn vaderland.

Het verhaal kwam in grote lijnen overeen met de waarheid, alleen waren een paar onbetekenende details toch niet helemaal nauwkeurig weergegeven. De ontmoeting in de herberg voor Warschau had werkelijk plaatsgevonden, alleen was het niet Napoleon zelf geweest die plezier in de vrolijke jongen had en hem overgehaald had om mee te gaan, maar een joodse sergeant uit de Elzas: Maurice Ettelmann uit Colmar.

Ook had Maurice echt moeten smeken voor Mendele het besluit nam, want hoe lichtzinnig de jongen ook was, hij kon zijn ouders toch niet langer missen. Maar in Kowno wachtte hem alleen maar slaag, misschien zelfs een gesloten deur, die ondanks alle smeekbeden nooit meer openging – hier lokte een vreemd en vrolijk leven; zo naast de sergeant een stad binnentrekken, door alle joden bewonderd en gevreesd als iemand die deel uitmaakte van de Grande Armée, dat was toch iets anders dan als “boocher” bescheiden bij de rijken aan de deur kloppen. Mendele ging mee als tolk, nar en marketenter tegelijk; hij maakte werkelijk de brand van Moskou mee, ontliep ook inderdaad de ramp aan de Berezina, maar alleen doordat het regiment waarbij hij zich aangesloten had al eerder naar huis was gestuurd. Ook had hij het in werkelijkheid niet over zijn hart verkregen zijn beschermer in grote nood in de steek te laten. Maurice Ettelmann was gewond; Mendele bracht hem bij een barmhartige geloofsgenoot onder en verpleegde hem tot hij genezen was.

Toen trokken beiden in de traditionele joodse kleding naar Thorn, waar ze uit elkaar gingen; de sergeant baande zich een weg naar het westen en Mendele ging nu eindelijk op weg naar Kowno.

 

boocher: student aan een Talmoedschool.
Israël: het hele joodse volk.
jesjiewe: Talmoedschool.
de Kowner: de man afkomstig uit Kowno, stad in het toenmalige Rusland.
reb: aanspreekvorm voor een volwassen man.
Talmoed: grote verzameling commentaren op de joodse religieuze wetten uit de late Oudheid.
Tora: de Bijbel.
de Vaderen: wijze religieuze joden uit de geschiedenis.

 

Hoofdstuk 2

Hij kwam te laat.

Juffrouw Chane was al twee jaar dood en het huishouden werd bestuurd door een jonge stiefmoeder met een jongetje van een half jaar op haar arm.

Mendeles vader, de oude Sender Glatteis, had veel van zijn vrouw gehouden en zijn treurnis om het verlies van haar was oprecht en diep geweest, maar toch had hij niet eens tot het einde van het rouwjaar gewacht om een opvolgster te kiezen. Want dat gebood zijn opvatting van de plichten van een vrome en hoe die hier op aarde voor zijn toekomstige zaligheid moest zorgen.

Niets is de Heer welgevalliger dan de vermeerdering van zijn volk. Maar één zoon of alleen maar dochters hebben is erg, maar geen “kaddisj” achterlaten is een zonde. Zo heet het gebed dat de zoon ieder jaar op de sterfdag van zijn ouders bidt; hoe belangrijk deze plicht is, hoezeer de vrome ernaar verlangt dat hem dat ten deel valt, bewijst het spraakgebruik, dat een zoon kortweg “kaddisj” noemt.

De oude Sender had er geen meer: Mendele was na een goddeloze streek de wereld in getrokken en had nooit meer iets van zich laten horen; het verdriet om hem had de laatste jaren van zijn moeder vergald en de zorg om hem had de laatste uren van de stervende overschaduwd: Sender was het aan de doden en zichzelf verschuldigd een andere kaddisj voort te brengen.

De hemel was hem genadig geweest, want de zestigjarige beleefde nog de geboorte van een zoon. Nu mocht de Heer hem roepen, wanneer het hem beliefde: zijn plicht op aarde had hij gedaan.

Maar Mendele was voor hem dood. Zo dood, dat hij de naar huis teruggekeerde niet eens uitschold, laat staan sloeg. Hij telde honderd roebel voor hem neer – als dat erfdeel niet genoeg was, kon hij bij de gemeente gaan klagen – en wees hem de deur.

Het smeken van de berouwvolle zoon was vergeefs; ook zijn verzekering dat hij geschreven had en toestemming gevraagd om naar huis te komen was aan dovemansoren gericht.

‘Misschien lieg je niet,’ was het antwoord. ‘Dan heeft God blijkbaar niet gewild dat je berouw je helpt. Verdwijn!’

De jonge vrouw probeerde tussenbeide te komen. Ze was bang voor de slechte reputatie van stiefmoeders en dat de gemeente haar de schuld zou geven van de verstoting van de zoon.

‘Je vergist je,’ was het antwoord. ‘Bij ons in Kowno heerst godvrezendheid. Geen vader zou anders handelen. Wat had het voor zin om toe te geven? Na een paar weken zou hij toch weer weglopen. Hij is een sjnorrer en blijft een sjnorrer; hij is voorbestemd om achter de heg te sterven.’

En vervolgens weer tegen Mendele: ‘Verdwijn!’

De verstotene verdween.

De roebels liet hij liggen en hij diende ook geen klacht in omdat zijn vader hem een groter erfdeel verschuldigd was. Hij werd maar beheerst door één gedachte: ‘De oude mag geen gelijk krijgen! Eens moet hij erkennen hoe hard en dwaas zijn voorspelling was, en vreugdetranen huilend moet hij mij als zijn kaddisj de zegen geven!’

Hij bleef natuurlijk niet in Kowno. Maar hoe serieus zijn goede voornemens waren, bewees het enige bezoek dat hij aflegde voor hij zijn vaderstad verliet. Hij ging naar zijn vroegere leraar, vroeg vergiffenis voor zijn jongensstreken en deelde zijn besluit mee om op de beste jesjiwa in Rusland binnen een paar jaar de bevoegdheid van rabbi te behalen.

De goedmoedige man vergaf hem graag en raadde hem aan de school in Berditsjev op te zoeken; een vader wiens zoon vandaar de bevoegdheid van rabbi meebracht werd dan zo gelukkig en zo geëerd, dat alle vroegere fouten van de jonge man tenietgedaan zouden worden.

‘Goed, dan kom ik als rabbi terug uit Berditsjev,’ zei Mendele en vroeg daarop of hij de sterfdag van zijn moeder mocht weten. ‘Ik verzeker u,’ eindigde hij, ‘en zegt u dat ook tegen mijn vader: zolang ik leef zal ook mijn moeder op die dag haar kaddisj krijgen!’

Die belofte kwam Mendele Glatteis na, maar hij keerde niet naar huis terug als rabbi van Berditsjev. Het lag misschien ook aan het feit dat Berditsjev zo ver van Kowno ligt – honderden mijlen, diep in het zuiden van het rijk – en dat het niet in de aard van deze jongen lag om op zijn woorden te letten. Onderweg vertelde hij iedereen hoe zijn leven verlopen was en waarom hij nu juist de beste school op moest zoeken.

Dat hoorde ook zijn oude weldoener, rabbi Meyer uit Wilna, en die haastte zich om de rabbi van Berditsjev voor het aannemen van deze zondaar te waarschuwen; misschien zwoer hij dat wel bij zijn baard.

Een feit is dat de brief zijn doel bereikte. Toen Mendele de grote man in Berditsjev opzocht, ontving die hem alleen maar om een donderende boetepreek af te steken en hem het verblijf in zijn stad voor altijd te verbieden.

Uit het veld geslagen maakte Mendele rechtsomkeert; soms flakkerde nog zijn eerzucht op en vaker nog zijn koppigheid, maar een serieuze poging om zijn studie voort te zetten deed hij niet meer. Misschien moest hij het gewoon afleggen tegen zijn temperament, misschien ook tegen het ontzaglijke respect dat zijn volk hechtte aan een uitspraak van een vader. Sender Glatteis had voorspeld dat Mendele als sjnorrer achter de heg zou sterven; iedereen wist dat en twijfelde er niet aan of dat vreselijke zou bewaarheid worden. Mendele liep nog altijd met opgeheven hoofd, maar hoezeer die uitspraak hem innerlijk dwarszat, durfde hij zichzelf niet toe te geven, tot het rusteloze, armzalige en voor mensen van zijn slag toch aantrekkelijke leven hem volledig in zijn ban gekregen had. En toen bracht hij het ook onder woorden: ‘Sjnorrer ben ik en sjnorrer wil ik blijven…’

Hij zei het met een glimlach om zijn mond; af en toe zal het hem wel pijn gedaan hebben. Maar soms lag er ook een zekere trots in en uiteindelijk een zeker zelfbewustzijn. Zo zal het ook zijn beroemde lotgenote te moede zijn geweest, toen die de kleinburgers van Leipzig het trotse antwoord gaf: ‘Ik ben maar een komediante, maar ik heet wel Friederike Neuber!’

Mendele Kowner was de koning van de sjnorrers van zijn tijd; overal werd hij hartelijk ontvangen, het was voor iedere gemeente echt een feest als hij weer kwam en uit afgelegen plaatsen kwamen vaak brieven met uitnodigingen: zij waren toch ook mensen en eerlijke joden en hadden tot dan toe met heel gewone sjnorrers genoegen moeten nemen – of hij hun ook niet een keer de eer bewijzen wilde?

Hij kwam alleen als hij er zin in had, als het stadje het volgens hem verdiende om zo’n grote sjnorrer te herbergen; voor geld was hij niet te koop en in ieder stadje waar hij zich vaak vertoonde verleende hij de gunst van zijn bezoek naar waardigheid en niet naar bezit. Wat hij verlangde kon zelfs een arme man hem bieden: eten en een dak boven zijn hoofd, als het kon een glaasje wijn en bij het afscheid wat kleingeld, zo veel als nodig was om de volgende plaats te halen.

Meer nam hij ook van de rijkste niet aan. Een echte sjnorrer is toch al niet hebzuchtig, maar niemand had zo’n minachting voor geld als de Kowner. Dit alleen al moest hem onder de zonen van zijn volk, waarvoor geld verdienen zo hoog in aanzien staat, omdat het geld al tweeduizend jaar het enige wapen in de strijd tegen zijn onderdrukkers geweest is, een ongehoorde status verlenen. En nu waren daarbij alle gaven en genaden die van iemand een sjnorrer maken in hem belichaamd.

Een man met dit vak – of nee: het is immers een kunst – moet veel van de wereld gezien hebben, want de mensen laten zich graag iets wijsmaken en willen zelfs geamuseerd worden, maar nadat hij hun verzekerd heeft dat hij in Italië altijd alleen maar in de zon gebakker eieren gegeten heeft, nadat hij hun het “gouden huis” van de Keizer in Wenen en de diamanten ramen van het tsarenpaleis aan de Newa geschilderd heeft, willen degenen die nooit van huis weggeweest zijn en toch als weinig anderen vervuld zijn van weetgierigheid en verlangen naar verre landen, een serieus verhaal over landen en mensen horen. Als hij ze dan nog voorliegt is het afgelopen met zijn roem.

De Kowner had dat niet nodig.

Hij had verre zwerftochten gemaakt, bijna door heel Europa, zover als er joden woonden, naar Petersburg en Constantinopel, naar Berlijn, Straatsburg, Wenen en Venetië. Hij was wat de ernst en luim betreft een Croesus, die altijd veel te bieden had, zonder ooit uitgeput te raken. Je kon nauwelijks uitmaken wat zijn sterkste punt was. Als hij vertelde hoe weinig rust de arme grote Rothschild in Frankfurt am Main had, die om de wereld zijn rijkdom te tonen ieder kwartier een schoon overhemd aan moest trekken, of als hij de Italianen roemde, die zulk goedkoop vlees hadden, omdat er geen slagers nodig waren – wilde je daar een os slachten, dan stuurde je hem zonder zonnescherm de wei in, en hij kwam kant en klaar gebraden terug – of als hij de Petersburgers beklaagde, omdat de straten daar in de winter ook bij de helderste zonneschijn verlicht moesten worden, want de adem van de mensen legde er een ondoordringbare wolk overheen; of als hij klaagde over de kooplieden, die alles duurder maakten, zelfs de inkt, die toch alleen maar uit de Zwarte Zee geschept hoefde te worden, dan lachten alle mensen zich tranen. Maar daarna luisterden ze met ingehouden adem, als hij het sprookjesachtige Venetië voor hun ogen uit zee op liet rijzen, of beschreef hoe hij van Padua naar Konstanz gezworven was, op een weg waar eeuwige sneeuw lag, terwijl beneden de blauwe meren lachten met oevers in lentetooi; als hij hun een idee gaf hoe groot Wenen of Berlijn was en hoe de mensen daar leefden, vooral de joden.

Niemand kende zoveel grappige verhalen en van niemand kon je zoveel leren, want de Kowner wist immers alles. Nadat hij zo over zijn vertrouwelijke omgang met Napoleon verteld had dat ze niet meer bijkwamen van het lachen, maakte hij hun duidelijk wat voor man dat in werkelijkheid geweest was, wat zijn streven was en hoe hij geëindigd was, en omdat ze de Keizer van de Fransen vereerden als de man die de joden van zijn land eerder dan alle andere vorsten de volledige mensenrechten had verleend, luisterden ze ontroerd, als de Kowner over zijn dood op Sint-Helena vertelde en over het wegkwijnen tegenwoordig van zijn arme zoon in Wenen.

Maar als hun nieuwsgierigheid naar wereldse zaken bevredigd was, begon hij hun vrome geleerdheid op de proef te stellen; hij stelde vragen die de wijste niet beantwoorden kon en handelde ze dan af met een grap, een spitsvondigheid, zodat heel zijn publiek stom van bewondering was of juichte of zelfs, als hoogste teken van bewondering, met zijn tong klakte; hij was niet voor niets “jesjiewe-boocher” geweest.

In al die dingen en zijn manier van vertellen was hij ongeëvenaard en zeker in zijn artistieke gaven.

Israël is het zingen verleerd, klaagt een notitie uit het dertiende-eeuwse Worms. In het getto is zelden een wereldlijke melodie te horen en volksliederen ontbreken weliswaar niet helemaal, maar vaak worden ze niet gezongen. Waar de Kowner geweest was, veranderde dat tenminste een paar weken; zolang hij er was luisterden ze naar hem en durfden nauwelijks in koor mee te zingen, want hij had “een stem als een fluit”. Maar dan zong jong en oud mee tot de liederen wegstierven en het droeve zwijgen weer over het getto daalde. Maar hij kon niet alleen zingen, maar ook “spelen”, dat wil zeggen komische scènes voor de vuist weg improviseren: het examen van een onwetende boocher voor een strenge rabbi, of de ruzie tussen een gierige schoonmoeder en haar zorgeloze schoonzoon, of het aantreden van een angstige jonge man voor de militaire keuringscommissie. Dan kon niemand zich goed houden, zelfs degenen niet die hij op de korrel nam door hun manier van praten na te apen en toespelingen op hun leven te maken.

Lachen is godsdienst, zegt een spreuk van dit arme, somber geworden volk en Gezegend hij die vrolijkheid verspreidt! Dan was een mens zelden zo gezegend als deze arme, rondtrekkende bedelaar, en zelden iemand zo innig dierbaar. Andere sjnorrers werden alleen bewonderd of gevreesd, maar van de Kowner ging de bekoring uit die harten boeit, die zeldzaamste van alle gaven, waarvoor onze taal alleen een veel misbruikt en daardoor versleten woord heeft: beminnelijkheid.

Alleen namen zelfs zijn grootste bewonderaars hem kwalijk dat hij niet trouwde. Dat was ongehoord en naar hun overtuiging een laag misdrijf, dat God onmogelijk vergeven kon. Andere sjnorrers trekken weliswaar ook eenzaam rond, maar die hebben zich vroeger tenminste voor de vorm aan de vrome regel gehouden. Sommigen hebben een vrouw genomen en die na een paar dagen dan een scheidingsbrief gestuurd, anderen blijven getrouwd, maar terwijl zij over de halve wereld zwerven, draait de gemeente op voor hun gezin. ’s Lands wijs, ’s lands eer: dat vinden de joden in het Oosten wel niet leuk, maar toch veel verkieslijker dan een vrijgezellenbestaan.

De Kowner konden ze het des te minder vergeven, omdat zich meer dan eens de gelegenheid voordeed door een huwelijk gelukkig te worden. Of hoe ze het noemden… Eén keer had een welgestelde weduwe, wel tweemaal zo oud als hij, zich in het besef een gevierde echtgenoot te hebben over het verdriet heen gezet hem af en toe te moeten missen. Ze had hem het voorstel laten doen de helft van het jaar met haar samen te leven en de rest van de tijd van zijn bewonderaars te genieten. ‘Daar heb ik niets aan,’ was zijn eerder duidelijke dan hoffelijke antwoord geweest, ‘want van een winter naast dat oude mens word ik zo treurig, dat in de zomer niemand de vrolijke Kowner terugkent.’ En net zo’n antwoord hadden anderen gekregen die met nog veel betere aanbiedingen gekomen waren.

De ware reden had hij maar aan één man toevertrouwd: zijn grootste vereerder, een wijnhandelaar in Opper-Hongarije, die hem zijn knappe en welgestelde zuster als vrouw wilde geven.

‘Laat me maar met rust!’ riep de sjnorrer lachend. ‘Ik ben hevig verliefd en voel me steeds weer aangetrokken, maar alleen tot je kelder!’

Maar toen zijn vriend aanhield, zei hij serieus: ‘Iemand die achter de heg wil sterven die trouwt niet. Nu weet je de waarheid.’

‘Mendele!’ riep de man. ‘Voor anderen ben je zo verstandig en voor jezelf zo dom! Denk je soms dat je de wil van God de Vader bepalen kan?’

‘Ik blijf erbij,’ was het antwoord. ‘Iemand als ik moet alleen zijn.’

Hij zweeg een ogenblik en hief toen luidkeels een vrijmoedig drinklied aan.

Dat voorgevoel zou hem niet bedriegen, want hij stierf achter de heg – in het rampjaar 1831 en langs de grote weg van Tarnopol naar Barnow – maar in de armen van zijn vrouw.

Hij had zijn metgezellin, net als al het andere geluk en ongeluk in zijn leven, op straat gevonden, bij de plaats waar hij geboren was, diep in Litouwen. Toen de cholera uitbrak was hij naar Kowno getrokken. ‘Ik probeer in een stad te sterven,’ zei hij glimlachend, ‘nu zoveel mensen dat kunnen, krijg ik dat misschien ook wel voor elkaar.’

De ware reden was dat hij nog één keer wilde proberen zich met zijn vader te verzoenen.

Dat zou hem niet lukken.

De stokoude man was een van de eerste slachtoffers van de epidemie geweest. Onbarmhartige buren wisten Mendele te vertellen dat hij de vervloeking voor zijn dood nog een keer herhaald had.

‘Dan geef ik het op,’ zei Mendele. ‘Het blijft dus bij de heg.’

En hij trok weer naar het zuiden.

Maar toen hij op een avond een armzalige dorpsherberg binnenging om onderdak voor de nacht te vragen, kreeg hij iets vreselijks te zien. De waard en zijn vrouw lagen dood op de grond. Tussen hen zat hun jonge dochter gehurkt, verlamd van verdriet en ontzetting. Hij hielp haar zachtjes overeind en wilde haar daar weghalen. Dat wilde ze niet en duwde hem weg.

‘Kom,’ zei hij en pakte haar hand. ‘We moeten naar het stadje verderop, waar joden wonen, dat die je ouders ophalen en op hun begraafplaats begraven.’

Hij moest die woorden vaak herhalen voor ze begreep wat hij zei. Daarna volgde ze hem willoos.

Hij liet haar ook de volgende dag niet in de steek en begeleidde haar naar de begraafplaats voor de armzalige begrafenis. Die was al gauw voorbij; de lijkdragers gingen weg en het meisje liet zich wanhopig op de verse grafheuvel vallen. Hij stond er zwijgend naast en liet haar uithuilen. Toen stapte hij op haar af en zei dringend: ‘Nu is het genoeg. Kom!’

‘Waarheen?’ riep ze verdwaasd. ‘Ik wil hier blijven tot ik ook dood ben!’

‘Op de dood moet je niet wachten,’ zei hij zacht. ‘Je bent een vroom kind en je wilt toch niet zondigen?’

Hij keek om zich heen en huiverde bij het zien van al die nieuwe graven, waarop modder en verwelkte bladeren lagen, en de vreselijke verlatenheid van de kleine begraafplaats, waarop de kille herfstregen neerdaalde. Hij had het idee dat hij haar moest redden, omdat ze het anders volgende ogenblik in elkaar zou zakken en sterven.

‘Kom,’ herhaalde hij angstig. ‘Je hebt toch wel familie?’

Ze schudde kreunend haar hoofd en zakte weer in elkaar op de modderige hoop.

‘Geen broers, geen zusters? Niemand?’

‘Niemand,’ kermde ze.

‘Dan wil ik je broer zijn,’ antwoordde hij. Hij pakte haar hand en de bekoring waarmee hij zoveel harten veroverd had, werkte ook bij dit arme, geknakte schepsel. Ze keek hem aan en volgde hem.

Hij bracht haar naar de stad, naar het bestuur van de joodse gemeente en vroeg waar het meisje ondergebracht zou kunnen worden.

‘Ze is een vreemdeling,’ antwoordden ze, ‘breng haar maar naar familie.’

‘Die heeft ze niet. Iedereen is dood.’

‘Dan weten wij het ook niet.’

‘En jullie noemen jezelf joden?’ snauwde hij. ‘Weten jullie niet dat er geschreven staat: Heb je naaste lief zoals jezelf? Zijn jullie heidenen?’

‘Maar in deze tijd…’

‘Juist in deze tijd!’ riep hij. ‘Weten jullie wel wie ik ben? Mendele Kowner! Ik ben maar een sjnorrer. Maar ik ben de man die ervoor kan zorgen dat mensen die zich zo gedragen in heel Israël de reputatie van onmensen krijgen!’

Ze kenden de naam en schrokken: dat was bepaald geen loos dreigement.

‘Maar wat moeten we dan doen?’ vroegen ze.

‘Eerst voor een plekje zorgen waar deze wees sjiewe kan zitten,’ commandeerde hij. Zo heet de periode van acht dagen rouw, die de nabestaande in de diepste eenzaamheid moet doorbrengen, in een verduisterde kamer, zittend op de grond, met de blik gericht op het lichtje dat dag en nacht moet branden.

Dat konden ze niet weigeren. Terwijl de wees bij de mensen waar ze door de gemeente ondergebracht was haar vrome plicht vervuld had, bleef Mendele in de stad. Acht dagen: zo lang was de rusteloze man al jaren nergens meer gebleven; de mensen stonden verbaasd.

Al gauw hadden ze nog meer reden om zich te verbazen.

Op de achtste dag ging hij naar de jonge wees toe.

‘Luister eens,’ zei hij, ‘hier kun je niet blijven. En als mijn zuster kan ik je niet meenemen. Een vrijgezel en een jong meisje: dat zou ongehoord zijn en jou een slechte reputatie bezorgen. Wil je – wil je – mijn vrouw worden?’

Haar door verdriet getekende gezicht bloosde hevig en ze verborg het in haar handen.

‘Mijn God,’ stamelde ze, ‘waarom wilt u dat? Verdien ik dat dan?’

‘Je hebt gelijk,’ zei hij. ‘Zo’n groot geluk: een oude sjnorrer als man, verdient geen prinses. Maar je hebt niets beters. Ik kan alleen maar met je delen wat ik zelf heb: de wijde wereld, overal waar joden wonen. Maar dan zul je tenminste niet van honger omkomen of schande op je laden. Dus – hoe heet je eigenlijk?’

‘Miriam…’

‘Dus, Miriam, wil je mijn vrouw worden?’

‘Wat bent u goed voor me!’ riep ze en wierp zich aan zijn voeten.

‘Een echte engel,’ antwoordde hij en tilde haar overeind. ‘Arm kind, het is in orde. Kom mee naar het bestuur.’

Ze trouwden nog diezelfde dag en gingen samen op weg. Overal waar ze kwamen waren de mensen stomverbaasd dat de Kowner nu toch getrouwd was en ze begrepen niet waarom hij dat gedaan had. Want zijn zintuigen kon het onknappe, afgetobde schepsel niet geprikkeld hebben, en als hij eindelijk de vrome regel had willen gehoorzamen, had hij zich meteen van een rustig leventje kunnen verzekeren. Maar misschien had hij het alleen maar uit medelijden gedaan, misschien had hij ook beseft dat er maar één ding nog belangrijker was dan de vervloeking door zijn vader: zijn eigen goede daad als voorspraak voor de troon van de Algerechte. Misschien wilde hij zorgen voor een ander, beter stervensuur…

In ieder geval werd hij weer even dapper en vrolijk als tevoren. Met aandoenlijke liefde zorgde hij voor de jonge vrouw, die de last van zo’n leven niet gewend was, bleef overal langer dan hij gewend was en al bedelde hij nog steeds niet, hij wees om haar geen gift af, zelfs al ging die gepaard met hoogmoedige woorden.

Zo trok het pasgetrouwde paar langzaam naar het zuiden, een diep treurige tocht, doordat ze langs de weg niet veel anders zagen dan dood en doodsangst of wild ontketende hartstochten om die angst te overwinnen. Maar de Kowner blikte de epidemie moedig in het vreselijke gelaat, haalde geen rare streken meer uit en werd overal waar hij kwam door zijn dappere, milde gedrag een echte trooster. Hij riep op tot godsvertrouwen en menselijkheid, net als de rabbi, maar met heel andere woorden, die de angstige, wanhopige mensen veel dieper troffen. Zo kon alleen iemand spreken die zelf geen angst meer kende en rotsvast overtuigd was van de hemelse genade. Zeker sinds hij wist dat God de schoot van zijn vrouw gezegend had leek hij een ander, hoogstaander, beter mens geworden.

‘God is rechtvaardig,’ zei hij, ‘ook mij schenkt hij een kaddisj – zijn naam zij geprezen.’

Nu veranderde hij ook van reisdoel. Hij was van plan geweest naar de Zwarte Zee te trekken, omdat de cholera daar al niet meer heerste, maar ging nu naar het westen. Hij wilde via Galicië naar Opper-Hongarije, naar die bevriende wijnhandelaar, waar zijn vrouw dan zou moeten bevallen. Dat hij door streken kwam waar de epidemie juist het hevigste woedde, schrikte hem niet af. Nog in Tluste, waar hij met zijn vrouw zijn laatste sabbat vierde, was hij dapper als altijd, en omdat er niet genoeg mensen waren om de doden te begraven, bleef hij daar de zondag om de vrome plicht te helpen vervullen.

De volgende dag – een koude, maar zonnige decemberdag – trokken ze verder. Midden op de weg verscheen voor hem de Ontzagwekkende, die hij weerstaan had, en wierp hem terneer.

Hij wist onmiddellijk dat hij sterven zou. Zijn wanhopige vrouw wierp zich op de knieën voor een passerende voerman en smeekte hem de zieke naar het dichtstbijzijnde stadje te brengen.

Maar de Kowner schudde zijn hoofd.

‘Nee,’ zei hij, ‘hier.’

Hij sleepte zichzelf naar een populier langs de weg – het was toevallig dicht bij een kapel – legde zijn hoofd op de wortels van de populier en wachtte zijn einde af.

‘God is rechtvaardig,’ troostte hij zijn vrouw. ‘Hij was het tegen mij, maar jij bent zonder schuld en hij zal het ook tegen jou zijn. Huil niet, wanhoop niet – het zou schadelijk kunnen zijn voor het kind. Mijn kaddisj. Want ik weet dat het een jongen is – God is ook voor mij niet alleen rechtvaardig, maar ook barmhartig. Noem hem Sender, naar mijn vader, voed hem op tot een goed mens. Hij mag worden wat hij wil… alleen geen sjnorrer… hoor je?’

En toen nog eenmaal, al in zijn doodsstrijd: ‘Alleen geen sjnorrer – Gods zegen ruste op hem.’

Zijn vrouw was hem graag, heel graag in de dood gevolgd, maar dat mocht ze niet. Ze voelde het bewegen van het jonge leven onder haar hart en sleepte zich voort naar het volgende joodse stadje. Dat was Barnow, en al in het eerste huis aan de weg kreeg ze wat ze nodig had: een bed en een barmhartige verzorgster.

Ze was anderen echter niet al te lang tot last. Ze stierf al in mei, nadat ze te vroeg een zwak jongetje ter wereld had gebracht.

 

Friederike Neuber: Duits toneelspeelster (1697-1760).

 

Hoofdstuk 3

Dat waren de ouders van Paljas, en ook zijn pleegmoeder was geen gewone vrouw. Dat eerste huis van Barnow was het tolhuis, waar de pachtster van de tol woonde, Rosel Kurländer, een jonge, sterke, maar bijzonder lelijke vrouw, die een hard lot getroffen had.

Een heel hard lot, dat gaven de mensen in Barnow toe, zonder dat iemand diep medelijden met haar voelde. Integendeel: ze vonden dat lot terecht, want zo ging het nu eenmaal als je tegen de goede zeden zondigde.

De goede zeden verlangden dat de bruid bij de verloving kennismaakte met de bruidegom en niet eerder; de ouders hadden het recht de minnaar te kiezen en haar eigen wil hoorde geen rol te spelen. Het meisje vragen wat ze wou was eigenlijk al ongepast en kwam in zichzelf respecterende families niet voor, en een weigering was een regelrecht schandaal.

Rosel was sinds mensenheugenis de eerste en enige die bij voorbaat tegen haar ouders zei dat ze alleen zou trouwen met de man van haar eigen keus, en dat misdrijf ook ten uitvoer bracht.

Ze slaagde daarin, omdat ze enig kind was, omdat haar karakter altijd al stug en vastberaden was geweest, maar vooral omdat haar moeder de wens van het meisje niet echt onverstandig vond. Rosel was immers bijna even rijk als lelijk; het moederhart voelde aan hoe het kind zich ertegen verzette, alleen om haar geld gekozen te worden. Maar de moeder schrok ook hevig, toen het meisje zei: ‘Froim, de schrijver, zei dat hij me wil hebben, en ik neem hem!’ Want Froim Kurländer was een knappe, sterke, vrolijke, maar straatarme jongen, die zich met moeite in leven hield met het overschrijven van Torarollen en dat ging des te moeizamer, doordat hij het beetje loon altijd weer snel uitgaf. ‘Daarom neem ik hem juist,’ zei Rosel. ‘Hij heeft minachting voor geld. Als hij mij wil hebben, is het om mij.’

Daar vergiste ze zich in. Froim wilde de lelijkste vrouw uit de hele omgeving alleen maar hebben om de troost van de rijke bruidsschat.

Het werd een erbarmelijk huwelijk. De man was een zuiplap en een gokker en kwam alleen maar thuis om geld te halen of zijn vrouw te slaan, als ze hem niets gaf. Vergeefs raadden de familieleden Rosel aan om van de wildeman te scheiden. De sombere vrouw schudde haar hoofd: ze kreeg wat ze verdiend had en wilde de beker die ze voor zichzelf gevuld had tot de laatste druppel leegdrinken. Dat deed ze dan ook. Pas toen ze de dronkelap niets meer te bieden had, sloeg ze hem een keer zo onmenselijk hard en bezwoer zo heftig dat ze hem vermoorden zou als hij zich nog een keer vertoonde, dat de schoft verdween, alsof de aarde hem verzwolgen had.

Nu pachtte Rosel de tol en begon in het eenzame huis een nieuw en moeizaam leven. Ze hield er geen dienstmeisje of knecht op na en vervulde zelf de zware dienst, onafgebroken, dag en nacht, met als enige uitzondering de sabbat en dat ook alleen maar omdat de wet het voorschreef. En als de mensen haar waarschuwden voor de gevaren van die eenzaamheid, antwoordde ze kortaf dat ieder kind in de omgeving haar verleden kende en wist dat ze nu straatarm was, en andere verleidingen zou ze wel weerstaan. Overigens werden alle mensen met hun goede raad op zo’n manier ontvangen dat ze nooit meer terugkwamen. Zo werd ze door sommigen al gauw gek gevonden en door anderen mensenschuw en iedereen meed haar. Maar hoe edelmoedig en verstandig ze was, bewees ze de ongelukkige weduwe van Mendele. Ze verzorgde haar tot het laatst als een zuster en bracht het jongetje daarna met kunstmatige voeding en onnoemelijk veel moeite groot.

Het lot van Paljas werd bepaald doordat hij zoon van die ouders was en opgevoed werd door die vrouw; aan hemzelf lag het niet en het gezegde dat iedereen zijn lot in eigen handen heeft is waarschijnlijk de grootste leugen is die sinds mensenheugenis van mond tot mond gaat.

Overigens kwam hij zijn afkomst pas laat aan de weet; hij wist niet beter of hij was de zoon van Rosel en de mensen gehoorzaamden haar door hem de waarheid niet te vertellen; zij had daar zo om gesmeekt, dat zelfs de ongevoeligste haar niet tegen wilde werken.

Ook zorgde de vrouw voor hem als voor haar eigen vlees en bloed; alle liefde in haar eenzame, verbitterde hart was voor de jongen bestemd. Wie de tol passeerde en het schoongewassen kind naast de armoedige vrouw op het stenen bankje zag zitten moest wel geloven dat een kindermeisje paste op het zoontje van mevrouw.

Tegen de mensen van Barnow was Rosel even stug als altijd, maar tegen de jongen bijna idioot lief. Misschien ook omdat hij ondanks alle verzorging zwak bleef, een mager, gejaagd jongetje met onrustige, donkere ogen, dat de hele tijd rondrende, vragen stelde en in de weer was. Vol vertrouwen ging hij naar een voorbijganger toe, liep een heel eind mee en had onder de voerlieden die regelmatig voorbijkwamen al gauw veel vrienden, van wie hij ijverig oppakte wat ze hem leren konden: met paarden omgaan en allerlei Russische en Poolse liederen en gezegden, die niet altijd even netjes waren.

Het was typerend hoe snel het jongetje met de ruwe klanten vertrouwd raakte. En toch moedigden ze hem in het begin echt niet aan of hielden zich de “jonge joodse hond” zelfs met hun zweep van het lijf. Maar hij won hen voor zich door zijn gejaagde, potsierlijke manier van doen en verder doordat hij hun taal zo vlot en accentloos leerde spreken als ze uit een joodse mond nog nauwelijks hadden gehoord of voor mogelijk hadden gehouden. Vooral een zwijgzame, ouwelijke Roetheense knecht, die Fedko Hayduck heette en tweemaal per week met de groentekar van de dominicanen van de pachtboerderij langskwam, raakte in de ban van “Senderko” en verheugde zich op de tol, hoezeer hij die verder ook verwenste, omdat de jongen dan een halfuur met hem meereed, en zei altijd: ‘De duivel mag me halen als dat een jodenjongen is. Die hebben de joden met Pasen een keer uit de keuken gestolen, maar er zat voor hen te weinig vlees en bloed aan. Want heb je ooit een jood zo horen spreken of zingen? Dan geloof ik nog eerder het verhaal van de vlijtige edelman!’

De mensen in het stadje waren over dit gedoe minder te spreken, maar ze lieten de eigenaardige opvoeding op zijn beloop. Ook riep niemand graag de krachtige beleefdheden over zich af die juffrouw Rosel voor iedere bezoeker in petto had. Maar toen de jongen eindelijk negen jaar geworden was zonder ook maar één letter te kunnen lezen, bracht hun vrome geweten de mensen ertoe te bemiddelen. Want onderwijs en godsdienst zijn bij dit volk immers een en hetzelfde en onwetendheid is een doodzonde; wie niet kan lezen is op aarde zondig en in het hiernamaals verdoemd.

Ze stuurden een afvaardiging naar het tolhuis, die wel bitter ontvangen werd, maar toch haar doel bereikte. De vrouw zei dat ze haar lieve kind niet aan een cheider (joodse school) zou toevertrouwen, maar een jongens-boocher, een huisleraar, wilde ze graag betalen. Alleen de zwakte van de jongen had haar tot dan toe weerhouden om dat zelf te regelen. Ze wilde wel graag dat ze een zachtmoedig en geduldig iemand stuurden.

Die toevoeging was haast overbodig, want ongeduldige jongens-bachoriem zijn er niet, tenminste niet in het Podolische getto. Dat zijn mensen van een ander slag dan de jesjiewe-bachoriem, de studenten aan de scholen van de rabbijnen. Dat is ongeveer net zo’n tegenstelling als tussen een povere schoolmeester en een overmoedige, zelfbewuste zoon van een alma mater. Het gebeurt wel dat een vlotte student die zijn doel niet bereikt een tamme huisleraar of zelfs een bedrukte schoolmeester wordt, maar dan verandert hij natuurlijk van karakter. De jongens-bachoriem zijn arme, schuwe, nederige mensen, die in het zweet des aanschijns hun schamele brood verdienen en alle nukken van de leerlingen en hun ouders ondergaan met een gezicht of het juist om de boter op hun harde boterham ging.

Maar omdat er met de vrouw daarbuiten niet te spotten viel, stuurden ze een lammetje. Het was boocher Naphtali, die weliswaar de achternaam Ritterstolz droeg, maar een halfverhongerd mannetje was, klein en onvolgroeid en met een gezicht dat uit slecht vloeipapier geknipt leek.

Het onderwijs begon en in het begin ging alles goed: de jongen zat stil en liet zich inwijden in de geheimen van het alfabet, omdat het nieuwe van de zaak hem interesseerde en omdat het bebaarde mannetje bij de uitleg zo raar heen en weer wiegde, als de slinger van een klok, en ieder woord mooi door zijn neus zong. Alleen als Fedko langskwam liep Sender weg. Maar al gauw liep hij ook weg als er een andere wagen langskwam, en ten slotte ook zonder enige aanleiding.

Ook Mosche Rindsbraten, Schlome Rosenthal, Chaim Fragezeichen, Selig Diamant en hoe de pedagogen van Barnow verder heetten, boekten geen beter resultaat. Omdat ze allemaal vreemd heen en weer wiegden en door hun neus zongen, elk op zijn eigen manier, hield de jongen zich de eerste uren altijd stil, maar omdat niemand geleerd had variatie in zijn voordracht of voorzingen te brengen eindigde het telkens eender.

De vrouw trok het zich niet aan. ‘Het kind heeft tijd genoeg,’ dacht ze. En zo had het bleke, gejaagde, betweterige ventje weer heerlijke dagen, bijna een jaar lang.

Maar die zouden plotseling voor altijd afgelopen zijn. Daar zorgden twee gebeurtenissen voor: een wandeling en een artistiek evenement.

Op een keer reed Sender namelijk met de groentekar van Fedko mee en kwam niet terug; pas drie dagen later bracht een vertegenwoordiger uit Barnow hem terug bij zijn pleegmoeder, die angsten had uitgestaan. Hij had naar Lemberg gewild, vertelde Sender onbevangen, omdat ze hem verteld hadden dat dat de mooiste en grootste stad ter wereld was. En toen de vrouw vroeg of hij dan geen heimwee of angst gevoeld had, schudde de tienjarige zijn hoofd: dat gevoel kende hij blijkbaar helemaal niet.

Dat zette de moeder dan toch aan het denken. Maar de sleutel tot het zonderlinge karakter van het kind vond ze nog niet.

Pas een vreemde zou het haar in droge woorden vertellen: de rijke, oude Moses Freudenthal, toen die voor een plotselinge regenbui schuilde in haar huisje.

De oude man vroeg de jongen waarom hij niet wilde leren en kreeg een heel vrijmoedig en potsierlijk antwoord. Het jongetje ging aan tafel zitten en gaf van elk van zijn ongelukkige leraren met al hun eigenaardigheden zo’n griezelig nauwkeurige imitatie, dat de oude man van stomme verbazing niet eens aan lachen toekwam. Het was niet zomaar naäpen, zoals je van stoute kinderen wel vaker zag, maar de man had het gevoel dat hij echt nu eens Chaim Fragezeichen, dan weer Naphtali Ritterstolz en dan weer Schlome Rosenthal in levenden lijve voor zich zag zitten. En toen de jongen, aangemoedigd door zijn moeder, ook zijn vrienden, de voerlieden begon te spelen, allemaal met een bijna griezelige natuurgetrouwheid in de stem en de uitdrukking, bleef de oude man tijdens de regen wel een uur zitten en zei de vrouw toen hij wegging: ‘Hij is een paljas zoals ik nog nooit heb meegemaakt. Dat heeft hij van zijn vader, maar hij is nu al beter dan de Kowner. Luister wat ik zeg: over drie jaar loopt hij weg en laat nooit meer iets van zich horen. Hij is de zoon van een sjnorrer en een sjnorrer zal hij worden!’

De vrouw schrok zich dood; de schellen vielen haar van de ogen en nu kon ze ook die eigenaardige zwerflust verklaren. De angst sloeg haar om het hart; ze had het kind van een ander niet met vreselijk veel moeite opgevoed om het, zodra het op eigen benen kon staan, weg te laten gaan, onbekende gevaren tegemoet. En daarbij: wat had ze de stervende moeder beloofd? ‘Wees gerust, Miriam, en zeg het ook tegen je arme man, als je hem boven terugziet: jullie Sender wordt geen sjnorrer, zolang Rosel haar ogen open heeft. Zowaar als God me bijstaat in mijn laatste uur: ik zal hem daarvoor beschermen!’ Miriam had haar alleen nog met een blik kunnen bedanken, maar die zei: ‘Ik geloof je: jij bent een vrouw die doet wat ze belooft!’ En om de jongen aan zich te binden en hem te beschermen tegen iedere gedachte aan dat onzalige leven had ze zijn afkomst ook zo angstvallig voor hem verzwegen en gedaan gekregen dat de rabbi iedereen had ingeprent: ‘Sender is de zoon van Rosel en wie iets anders tegen hem zegt begaat een zonde!’

En nu?

Maar naast het verdriet kwam er ook een woeste wrok in haar op. Ze was kwaad op de jongen om iets waar hij echt niets aan kon doen: zijn bloed en zijn opvoeding. Want dat de vrijheid die ze hem in haar tederheid gegund had onvermijdelijk zijn aangeboren neiging versterkt had, zag ze niet in; ze had alleen maar het gevoel dat hij die tederheid misbruikt had.

Juffrouw Rosel had een slapeloze nacht. De volgende morgen pakte ze de spullen van de jongen bij elkaar en ging met hem het stadje in. Ze wilde haar zoon op een cheider doen, zei ze en wilde een heel strenge rebbe aangewezen krijgen.

Ook ditmaal was de bijzin haast overbodig, want de leider van een cheider is nooit zachtmoedig, althans niet in het Podolische getto. Als een jongens-boocher zich opwerkt tot rebbe, tot de eigenaar van een school waarin hij twintig, dertig of nog meer kinderen tegelijk onderwijst, wordt hij ook innerlijk een ander mens of laat onbeschroomd zijn innerlijk zien, omdat hij immers niet bang meer hoeft te zijn en met niemand rekening meer hoeft te houden. Gewoonlijk wordt de zachtmoedigste boocher de wreedste rebbe, die nu ook onverbiddelijk alle klappen uitdeelt die hij zijn geachte leerlingen jarenlang alleen in zijn fantasie heeft mogen geven. Ook zitten daar meestal de kinderen van armere mensen, die nog geen twee kreuzer schoolgeld per dag betalen. Zo heeft de rebbe weinig te vrezen: een arme man is blij in de wetenschap dat zijn kind op school zit en verder bewaart zijn eigen zitvlak levendige herinneringen aan zijn jeugd – waarom zou de jonge generatie het beter hebben?

In het cheider is nog nooit iemand doodgeslagen, zeggen de mensen bij wijze van troost tegen zichzelf, en dat mag dan waar zijn, als je een eenvoudige, duidelijke moord bedoelt waar de doodstraf op staat. Maar langzaam zijn daar vast en zeker heel wat jonge levens gesmoord door de afschuwelijke mishandelingen van ruwe fanatici. Het is zeker een mooie en verstandige grondtrek in het joodse volkskarakter om van het leren een religieuze plicht, van geleerdheid een verdienste voor God en van de adel der geleerdheid de enige geldige adel in het jodendom te maken, en je zou willen dat het rechtzinnige jodendom dat ook op andere kennis betrok, niet alleen op het lezen van Hebreeuws en de Pentateuch, de Talmoed en de Kabbala. Deze mooie en verstandige grondtrek heeft echter tot de afschuwelijke instelling van het cheider (kamer) geleid, een schandvlek op het orthodoxe jodendom, die de edele en verstandige mensen van dit geloof ijverig maar vergeefs proberen weg te poetsen. Want ondanks alle moeite krijgen ze de schandvlek niet weg, misschien omdat ze alleen de olie van de verstandige overredingskracht ter beschikking hebben en niet het soms bijzonder heilzame vitriool van het geweld. Zo woekeren die folterkamers voor lichaam en geest nog altijd door…

Ook in Barnow waren en zijn er vele, en de vrouw uit het tolhuis had een ruime keus. Ze koos het instituut van reb Elias Wohlgeruch, omdat de mensen zeiden dat deze man wist hoe hij zelfs de grootste koppigheid moest breken.

Elias Wohlgeruch huisde in een van de smerigste, bedomptste steegjes van Barnow. Het huis noch de man deed de achternaam eer aan. Muf en bouwvallig was het krot, met de wankele muren half weggezakt in de grond, en het inwendige bestond uit één vrij grote, rommelige en vochtige ruimte, die alles tegelijk was: keuken, ontvangstkamer en slaapzaal van het gezin, leslokaal van het instituut en studeerkamer van de heer des huizes. Daar zaten een stuk of veertig kinderen op een kluitje, de groten op een krukje en de kleinen op de kale, glibberige lemen vloer, met reb Elias in het midden. Wat ze deden was in het hele steegje te horen: een eentonig zoemen en brommen met daarin af en toe een doordringend huilen.

Juist toen de vrouw met de jongen voor het huisje stilhield, vond er binnen zo’n executie plaats. Juffrouw Rosel verbleekte, pakte de hand van het kind steviger beet en aarzelde een ogenblik. Toen schudde ze met een sombere blik haar hoofd en stapte de drempel over. Maar op hetzelfde ogenblik deinsde ze onwillekeurig terug: ze was buiten in haar schone huisje op het veld niet gewend aan de geuren die deze duistere ruimte vulden. Want bij de uitwaseming van al die mensen kwam nog de walm van het fornuis, waarop juffrouw Chane Wohlgeruch het middageten klaarmaakte en zo heerste als in het lied van Schiller, alleen hield ze niet alleen de jongen, maar ook het meisje op afstand en gaf nu eens haar ene en dan weer haar andere kind een enorme draai om zijn oren. Dergelijke bewegingen vormden ook de voornaamste bezigheid van haar echtgenoot, alleen vond hij bij het grote aantal leerlingen zijn eigen hand, die toch hard en knokig was, niet toereikend en daarom zwaaide hij altijd met een scherpe, met messing beklede lineaal, waarop heel wat vlekken zaten, niet van inkt, maar van bloed.

Die was overigens alleen maar het werktuig voor de eerstegraads marteling. De tweedegraads marteling werd naast de deur voltrokken, waar op een krukje een schijnbaar onschuldige, maar in goede azijn gedoopte berkentak lag – al lag die zelden. De derdegraads marteling ten slotte werd voltrokken in een donkere hoek: daar lag een hoop scherpe stenen, waarop de arme kleine zondaar vastgebonden neergegooid werd.

Toen Rosel met de nieuwe leerling binnenkwam, was juist alleen de lineaal actief, maar ook dat had, te oordelen naar het huilen van de op dat moment bewerkte jongen, veel effect. Ook de leraar was blijkbaar opgewonden, en al maakte de magere, vreselijk verwaarloosde man met de enorme gierenneus in het vertrokken gezicht toch al geen prettige indruk, hij zag in zijn razernij welhaast griezelig uit.

De kleine paljas schreeuwde dan ook alsof hij geslacht zou worden. Juffrouw Rosel aarzelde opnieuw. Maar toen gaf ze het jongetje een stevige duw en diende haar voorstel in.

Reb Elias ging natuurlijk akkoord, zeker in dit geval, omdat de vrouw bij de vaststelling van het kost- en leergeld niet krenterig bleek. Hij hoopte op veel succes, verzekerde hij, en ook de grootste deugniet was niet bestand gebleken tegen zijn opvoedingsmethode. En daarop legde hij de nieuwkomer allervriendelijkst de betekenis uit van de lineaal, het krukje en de stenen.

De arme vrouw voelde een steek in haar hart, maar ze bleef standvastig, en toen de rebbe echt niet uit mensenliefde vroeg of ze de jongen tenminste niet iedere sabbat bij zich wilde hebben, antwoordde ze: ‘Nee, niet voordat hij op zijn minst goed lezen kan.’

Maar Sender kwam al veel vroeger naar huis: de avond van diezelfde dag. Het jongetje had zich moeizaam naar het tolhuis gesleept en al kon hij door zijn bloedige huilbui niet praten, zijn arme, tengere lijfje vertelde dat de opvoeder naast het oude bedehuis al op één en dezelfde dag tijd gevonden had om alle drie de methodes toe te passen.

Zwijgend waste en koelde de somber kijkende vrouw het lichaam van haar lieveling en bracht hem naar zijn gewone bed. Daarna bracht ze de nacht slapeloos door naast zijn bed en moest voor het eerst in vele jaren huilen. Maar toen Sender weer opgeknapt was, sleepte ze hem toch weer naar het cheider. In die vrouw zat een vreselijk sterke wilskracht, meer dan in de meeste mannen van haar volk.

Je moet mensen niet overvoeren met slecht nieuws, en niets ter wereld is slechter dan gruwelijk leed dat hulpeloze kinderen wordt toegebracht. Daarom geen woord over de manier waarop reb Elias de terugkeer van de vluchteling vierde en over de methode waarop hij hem uiteindelijk toch leerde lezen.

Al gebeurde dat pas na twee maanden. Maar toen zag reb Elias zich genoodzaakt een bezoek te brengen aan het tolhuis.

‘Ik heb hem echt al ver gebracht,’ verklaarde hij, ‘we zouden nu zelfs al met vertalen kunnen beginnen, maar het jong is zo koppig. Uit koppigheid is hij nu in een hoek gaan liggen en hij wil niet meer eten.’

De vrouw ging naar het kind. En toen ze bij zijn bed neerknielde besefte ze dat Sender in zijn koppigheid nog veel verder ging: het ventje ademde nauwelijks meer en zijn linkerarm was gebroken. Juffrouw Rosel wierp een lange blik op de rebbe, die ontzet terugdeinsde in een hoek. Toen nam ze de jongen in haar armen en droeg hem naar huis.

De dokter trok eerst een bedenkelijk gezicht, omdat de breuk zo lang verwaarloosd was. Maar in het zwakke jongetje zat toch iets van de hardheid van zijn vader.

Na vier weken was ieder gevaar geweken.

Op de dag dat de dokter dat vaststelde week Rosel voor het eerst van het bed van de zieke.

Ze ging naar haar tuintje en sneed daar een lange, dikke en toch buigzame tak af. Daarmee uitgerust ging ze op bezoek bij rebbe Elias Wohlgeruch. Van de gesprekken die ze in de stille kamer met hem voerde waren op straat alleen maar ongearticuleerde geluiden te horen, maar de inhoud was in grote lijnen toch wel duidelijk.

Zo eindigde deze periode in de leerjaren van Paljas met een bijzonder dramatische scène.

 

Lemberg: de Poolse stad Lwów.
rebbe: religieus leider van chassidische joden.
kreuzer: 1/60 gulden. Het is ondoenlijk om de koopkracht van de Oostenrijkse gulden in euro’s vast te stellen.

 

Hoofdstuk 4

Nu verandert het toneel van dit verhaal: het speelt niet meer in Barnow, maar in Buczacz. Maar omdat dit net zo’n erbarmelijk Galicisch joods nest is en maar vijf mijl van Barnow in hetzelfde district ligt, is er schijnbaar geen groot verschil. Maar alleen schijnbaar, want in werkelijkheid worden de bewoners van de twee stadjes gescheiden door een heel diepe kloof. Ze zijn wel even onontwikkeld, even arm en even geminacht en dragen wel dezelfde kleding en buigen voor dezelfde God, maar dienen hem op volkomen verschillende manieren.

De joden van Barnow zijn “chassidiem”: huichelaars en dwepers, wilde, fantastische fanatici, die op een vreemde manier aarzelen tussen onmenselijke ascese en overdadig zwelgen. Ze beschouwen zichzelf – vandaar hun naam – als de begenadigden onder de joden, omdat ze putten uit andere, diepere bronnen van openbaring: die van de Kabbala en dan vooral het boek Sohar. In Buczacz daarentegen wonen “misnagdiem”: harde, nuchtere mensen, die vooral de Bijbel in ere houden, maar de Talmoed alleen voor zover die de Bijbel verklaart, waarbij de geldigheid van deze encyclopedie überhaupt niet bindend is en niet bindend kan zijn, omdat er weinig kwesties bestaan waarover de Talmoed niet heel uiteenlopende meningen bevat. Als praktische en koele mensen leven de misnagdiem zo goed en zo kwaad als het gaat naar de wetten van hun geloof, maar vinden de Tien Geboden belangrijker dan al het andere, verklaren de wonderen zoveel mogelijk volgens de natuurwetten, maar hebben verder een hekel aan ieder overbodig gepieker. Al gaat elke vergelijking mank, je zou hier ook kunnen denken aan de tegenstelling tussen de protestantse “stillen in den lande” en de rationalisten van dezelfde geloofsrichting – maar dat is een vergelijking die maar heel beperkt opgaat.

Doordat het geloof van de joden van het Oosten in alle opzichten de bepalende factor is, de oerbron en het einddoel van al het streven, zijn de joden van Barnow en die van Buczacz inderdaad fundamenteel verschillend. In Barnow wordt veel gevast, maar ook veel gefeest, in Buczacz volgt het leven zijn vaste, eentonige spoor; in Barnow wordt de godganse dag over geleerde dingen gedisputeerd en alleen in de pauzes gewerkt of gewoekerd, in Buczacz wijden ze zich aan het ambacht en de handel; ijver en burgerlijk fatsoen zijn groter en respect voor geestelijke arbeid en offervaardigheid voor armen en geleerden kleiner. In Barnow zijn ze excentriek en gepassioneerd, terwijl ze in Buczacz doorgaan voor hard en berekenend. Dezelfde vroomheid en dezelfde druk van buiten maken dat verschil voor de vluchtige blik onzichtbaar; een Pool of Roetheen merkt nauwelijks dat er in Buczacz een andere geestelijke sfeer heerst dan in de overige stadjes van het district, net zoals de Silezische Waterpolakken het verschil tussen een hernhuttersstad en een protestantse industriestad niet helemaal duidelijk is. De ervaren waarnemer ziet het natuurlijk wel degelijk.

Op deze eigenschappen van de misnagdiem vestigde Rosel Kurländer haar hoop. Als een gast ergens slecht onthaald is, zeggen de mensen in Podolië: ‘Hij is ontvangen als een sjnorrer in Buczacz.’ Deze nuchtere mensen hebben een afkeer van landlopers, ook als die heel vroom zijn en vrolijke verhalen vertellen. Hier kon de jongen, bedacht de verstandige vrouw, het makkelijkste het leven leren minachten dat door de geheimzinnige lokroep van het bloed zo aantrekkelijk leek. Ze gaf hem op bij het beste cheider in Buczacz, dat geleid werd door Simon Baumgrün, een gezette, goedmoedige man.

Simon sloeg niet graag, omdat hij het er warm van kreeg, en hij liet het ook bij drie à vier uur les per dag. De statige, onhandige man was werkelijk geliefd bij zijn leerlingen, omdat ze voelden dat hij van hen hield. Ook onze Paljas maakte in de grond van zijn hart eigenlijk geen uitzondering, al liet hij die liefde op een heel aparte manier blijken…

De eerste weken ging alles nog goed. De pijn van de scheiding kwam de jongen makkelijk te boven en de vreemde omgeving hield hem bezig. In Buczacz leken de mensen hem wel saaier dan in zijn eigen stad, maar bij Simon Baumgrün was het beter dan bij Elias Wohlgeruch. De beste Simon had echter een grappig uiterlijk en dat gaf voedsel aan het duiveltje dat in de gejaagde jongen schuilde. Sender aapte zijn leraar na, eerst stiekem, daarna openlijk en leverde hem duizend streken. Als Simon in zijn tabaksdoos in plaats van zijn “gemengd Hongaars” zand vond, als hij niet meer van zijn stoel op kon staan, omdat die met lijm was ingesmeerd, als hij in plaats van een zakdoek een kinderkous uit zijn zak haalde, als hij in plaats van de goede oude Moldauer die altijd voor hem klaarstond zijn dorst moest lessen met de zuurste azijn, dan kreeg Paljas de schuld van dit nog veel meer. Want alleen tijdens de les was de leraar het voorwerp van zijn pleziertjes en de rest van de dag was het de hele gemeente.

Nog altijd vertellen de mensen in Buczacz elkaar half geërgerd en half geamuseerd duizend streken van de kwelgeest die drie jaar onder hen gewoond had.

Op een keer kwamen ’s morgens vroeg de mannen en vrouwen die regelmatig in de loterij speelden onder luid gejuich bijeen voor de deur van de collecteur en ieder verzekerde dat Gerson, de collecteur, de vorige avond bij hem geweest was om hem uit te nodigen morgen vroeg een grote prijs in ontvangst te nemen.

Toen er steeds meer bij elkaar kwamen, allemaal met een even stralend gezicht, vonden ze de zaak toch een beetje twijfelachtig worden. ‘Misschien heeft Gerson zich vergist,’ zei een enkeling, maar iedereen was ervan overtuigd dat de vergissing alleen betrekking had op de prijs van zijn buurman.

Ten slotte begonnen ze wrevelig op de gesloten winkeldeur te bonzen. ‘Gerson, doe open! Gerson, mijn geld!’ En ze gingen steeds heftiger tekeer, tot de vrouw van de collecteur de deur verbaasd opendeed.

‘Deze week heeft er niemand gewonnen,’ verzekerde ze, ‘en daarom is mijn man, omdat er toch niets te doen was, gistermiddag naar Kolomea gegaan.’

‘Maar gistermiddag is er iemand bij mij aan de deur geweest!’ riep er een.

‘Bij mij aan het raam!’ riep een ander.

‘Mijn nummers hebben gewonnen: 2, 5, 27!’

‘Nee, de mijne: 17, 48, 80!’

‘Houd je mond, ik heb een terne: 46, 57, 89!’

Het rumoer werd steeds erger: de vrouw kon de aanstormende mensen niet van zich afhouden en riep om hulp.

Uiteindelijk stond de hele gemeente rond de winkel, de betrokkenen woedend, de toeschouwers lachend. Maar de jongen die met zijn imitatietalent alle herrie veroorzaakt had, zat op dat moment ongewoon ernstig aan de voeten van zijn leraar en maar af en toe ging er een flits over zijn bleke gezicht.

Dit talent ontwikkelde zich toch al steeds meer en het is moeilijk uit te maken of de joden van Buczacz er meer plezier of meer narigheid van hadden. Ook de onschuldigste mens hoort graag hoe zijn lieve medemens een beetje bespot wordt en daarom was Sender in de meeste huisgezinnen een graag geziene gast.

Dan ging de jongen staan: ‘Raad eens wie dit is?’ En dan hoorde je een zachte, slissende stem: ‘Erwten! Altijd maar erwten! Vrouw, waarom geef je me nooit vlees?’ Waarop een bulderende vrouwenstem antwoordde: ‘Ben je groot geworden met gebraden vlees? Zorg maar dat je dat vlees verdient!’ De man bleef smeken en de vrouw bleef bulderen – als je je ogen dichtdeed zou je zweren dat de kleine Chaim Roser weer eens ruziede met zijn grote vrouw Rifka.

De jongen was er bijzonder goed in om rare snuiters in verschillende gemoedstoestanden uit te beelden: vriendelijk of dronken, kwaad of angstig. Bij zijn leraar had hij het kleinste gebaartje afgekeken – de toeschouwers vonden zoveel natuurgetrouwheid bijna griezelig.

Maar hij had daar geen jaren observatie voor nodig.

Op een keer was er een beroemde rabbi in de stad gekomen, die op sabbat bleef om ’s morgens een gastpreek te houden. ’s Middags was er ter ere van de rabbi een feest bij Moses Fränkel, in wiens huis de rabbi overnacht had. Niemand was speciaal uitgenodigd, want het sprak in die kringen vanzelf dat iedereen die zin had kwam: ouderen, mannen, jongens. Sender was er natuurlijk ook.

Terwijl de vrouwen in een andere kamer bij de vrouw des huizes gingen zitten, probeerde de mannen de weleerwaarde heer zo goed mogelijk te onderhouden. Daartoe werd ook Sender ten tonele gevoerd om zijn kunstjes te vertonen.

‘Kun je ook nadoen hoe ik praat?’ vroeg de rabbi.

‘Waarom niet?’ antwoordde de jongen en begon aan een kopie van de preek die woord voor woord klopte, zelfs in de manier van ademhalen.

De mensen keken elkaar verlegen aan en de rabbi glimlachte, maar steeds geforceerder. Toen ging de deur van de andere kamer open. ‘Neem me niet kwalijk,’ zei het dienstmeisje, ‘maar de vrouw van de rabbi wil haar man graag horen preken.’

Zijn eigen vrouw was erin gevlogen!

Zo werd Sender onder de nuchtere mensen van Buczacz zelf niet nuchter, maar stak ze met zijn dwaasheden juist aan.

Maar daarbij verliep het niet altijd zo onschuldig. De bleke, slanke jongen zat vol gemene streken. Alleen uit overmoedigheid en omdat een mens nu eenmaal zijn klauwen wil gebruiken, als hij die heeft; wie ze niet heeft, vindt dat natuurlijk onvergeeflijk. Toch was het een goede jongen, door en door goed en hartelijk. Hij gaf niets om bezit. Iets weggeven deed hij dolgraag, en hij kwam wel eens zonder laarzen thuis of zonder hoed, omdat hij die aan armen gegeven had.

Zulke karaktertrekken verzoenden de goede, dikke Simon telkens weer met zijn onopgevoede leerling. ‘Een echte paljas!’ zei hij schouderophalend.

Minder kalm nam Rosel het op, toen ze na twee jaar eindelijk voor Senders dertiende verjaardag naar Buczacz kwam om de resultaten van het onderwijs in ogenschouw te nemen. Zoals gezegd wordt een joodse jongen op zijn dertiende opgenomen in de kring van de mannen, en in de regel is dat ook het moment waarop hij een beroep moet kiezen.

‘Beste juffrouw Rosel,’ zei Simon bezorgd, ‘ik heb vijfhonderd jongens tot hun dertiende jaar lesgegeven en ik heb vijfhonderd adviezen gegeven – maar voor u heb ik er geen. Voor de handel deugt de jongen niet: hij geeft immers alles weg! En voor geleerde ook niet: hij heeft een goed stel hersens, maar geen ijver!’

De verstandige vrouw beheerste zich snel en wist raad.

‘Dan moet hij maar een ambacht leren,’ besloot ze en deed hem bij een horlogemaker in de leer.

Zo begon de derde periode in het leven van deze zonderlinge mens, maar die was al heel gauw afgelopen.

Ook hier ging alles eerst prima. Zijn leermeester, Hirsj Brandes, was niet alleen de beste horlogemaker van het district, maar ook een van de verstandigste mannen van Buczacz. Hij hield de jongen onder de duim en die gehoorzaamde, zolang de veranderde omstandigheden en het nieuwe ambacht hem interesseerden. Daarna begon hij zich te vervelen en haalde duizend rare streken uit. En uiteindelijk ook een waardoor hij de stad verlaten moest.

Laat op een avond in de herfst sloeg de sjammes van Buczacz, de kleine, melancholieke Mendele, met zijn klopper driemaal het welbekende ritme tegen alle ramen van het stadje en riep de mensen met zijn nasale, eeuwig omfloerste stem op om morgen al om vier uur bijeen te komen voor het gebed, want de rabbi verordende het en zou morgen zelf vertellen waarom.

Zuchtend kwamen de gezinshoofden al in de kille, donkere vroegte hun warme bed uit om zich naar de sjoel te slepen. Maar het godshuis was gesloten en nu wachtten ze klappertandend op Mendele en de rabbi.

Die twee waren ondertussen ook gewekt.

De rabbi hoorde tegen zijn raam de welbekende drie slagen en toen hij overeind kwam en geschrokken riep: ‘Mendele, wat is er aan de hand?’ antwoordde die: ‘Sta op, rabbi, in de sjoel zit een kwade klopgeest. Er staan al een hoop mensen buiten, maar zonder u durven ze niet naar binnen!’

‘God! O God!’ riep de oude man ontzet, ‘dat moet Berisj zijn, de waard, die geen rust heeft in zijn graf, omdat hij zoveel water bij de sterke drank gegoten heeft!’

En hij schoot haastig zijn kleren aan.

Direct daarna werd er op Mendeles raam geklopt: ‘Ik ben het!’ riep een krijsende vrouwenstem, ‘Mirl, de kokkin van de rabbi! Jullie moeten direct met de sleutels naar de sjoel komen! Binnen horen we een boze geest en de halve gemeente staat al voor de deur!’

‘God behoede Israël,’ steunde het mannetje geschrokken en rende half aangekleed naar de sjoel.

‘Horen jullie hem al lang?’ riep hij naar de mannen.

‘Wie?’

‘De boze geest die binnen zit!’

‘Ben je gek: we horen niets!’

‘Maar dat moest ik zeggen van de rabbi.’

Op dat ogenblik kwam die hoestend aangelopen.

‘Mensen!’ riep hij, ‘het is Berisj, de waard!’

‘Maar die is begraven!’

‘Daarom juist! Een levende kan ’s nachts geen klopgeest in sjoel zijn.’

‘Maar er wordt niet geklopt, rabbi!’

‘Wat? Mendele heeft me toch wakker gemaakt?’

‘Rabbi! U hebt mij laten wekken door uw kokkin!’

‘Wat?… Wat?… Maar jij was bij mij!’

‘Maar Mendele, waarom heb je ons gisteravond gezegd dat we hier moesten komen?’

‘Heb ik dat gezegd? – Jullie zijn gek!’

Jij bent gek, want je bent bij iedereen langsgeweest!’

‘Ik?’

Het begon de arme Mendele te duizelen en de rabbi en de mensen niet minder. Zo schreeuwden, riepen, klaagden en scholden ze verward door elkaar en schuifelden in een dichte kluwen heen en weer, terwijl de diepe duisternis de wirwar nog verergerde: het was een onbeschrijfelijke scène.

‘Een boze geest!’ riep plotseling een doordringende stem, ‘dat kan alleen maar een boze geest gedaan hebben!’

‘Een geest!’ herhaalden de anderen en dromden nog dichter opeen. ‘Luister! Er wordt echt geklopt in sjoel!’

In hun grote opwinding hoorden ze inderdaad wat niet te horen was.

Eindelijk kwam er iemand tot bedaren en riep: ‘Luister, mensen! Een boze geest heeft dit gedaan en verstandige mensen gek gemaakt. Maar voor die geest hoeven jullie niet bang te zijn!’

Het was Hirsj Brandes, de horlogemaker. ‘Mijn Sender is gisteravond niet voor niets zo laat thuisgekomen!’ voegde hij eraan toe.

‘Paljas!’ riepen ze allemaal: de schellen vielen hun van de ogen. ‘Die moet een pak slaag krijgen: kom mee, kom mee, levend komt die hier niet vandaan!’

Maar toen riep Hirsj Brandes: ‘Laat dat maar aan mij over, mensen, hij krijgt op zijn donder, en dan vliegt hij eruit: mijn huis uit en de stad uit!’

Zo gebeurde het. Toen Sender diezelfde dag ’s middags Buczacz verliet, bewaarde hij niet alleen in zijn hart, maar ook in andere lichaamsdelen levendige herinneringen aan de stad van zijn jeugd.

 

gemengd Hongaars: een soort tabak.
hernhutters: protestants-christelijk kerkgenootschap.
Kabbala: joodse mystiek, ontstaan in de Middeleeuwen.
sjammes: conciërge van een synagoge.
sjoel: synagoge.
Sohar: voornaamste geschrift van de Kabbala.
Waterpolakken: Polen uit Silezië.

 

Hoofdstuk 5

Hij werd door zijn moeder slecht, heel slecht ontvangen. Ze hoorde hem aan zonder te schelden of te slaan, maar de jongen had liever een pak slaag gekregen. Juffrouw Rosel deed of hij niet thuis was, keurde hem geen blik of woord waardig en klaagde niet, alleen hoorde hij haar ’s nachts in haar kamer kreunen. En omdat hij goedhartig en weekhartig was, had juist dat stille verdriet meer effect dan een luidruchtig pak slaag.

Op een morgen viel hij huilend aan haar voeten neer.

‘Trap me maar, sla me maar,’ snikte hij, ‘maar zeg dan wat ik volgens jou moet doen!’

De vrouw trok een somber gezicht en schudde haar hoofd.

‘Wat gebeuren moet, dat gebeurt.’

‘Hoe bedoel je, moeder?’

‘Later – morgen – ik zal erover nadenken.’

Het geheim van zijn geboorte was haar bijna ontsnapt, maar ze kon het nog voor zich houden.

De volgende morgen hadden moeder en zoon een lang gesprek. Rosel drong er bij de berouwvolle zondaar op aan dat hij zou zeggen welk beroep hij zelf wilde.

‘Wat jij wilt, moeder,’ was zijn antwoord.

Maar toen ze volhield, zei hij aarzelend: ‘Het liefste kijk ik naar de mensen en doe ze dan na, of ik denk wat ze zouden doen als ze verdriet hadden of blij waren of schrokken of als ze dronken waren. Ik luister graag naar verhalen en kan ze ook heel goed vertellen: de mensen schudden van het lachen. En ik wil ook graag reizen. Zodra ik iemand goed ken, ben ik op hem uitgekeken…’

De vrouw knikte voortdurend, terwijl hij zo sprak.

‘Ja, ja,’ fluisterde ze dof, ‘dat dacht ik al.’

Maar toen richtte ze zich op; nog één keer wilde ze de strijd aangaan met de overgeërfde demon.

‘Daar kun je niet van leven,’ zei ze met harde, snijdende stem, ‘heb je nooit bedacht dat je je brood moet verdienen?’

‘Nee,’ gaf hij toe.

‘Maar dat moet!’

‘Dan wil ik het liefste voerman worden,’ zei hij aarzelend. ‘Dan kom je overal, je ziet veel mensen, en terwijl je de paarden ment kun je verhalen verzinnen.’

Juffrouw Rosel was niet voor of tegen, maar leverde een zware strijd. Ten slotte besloot ze de wens van de jongen te vervullen. Wie zich uit een sterke stroming wil bevrijden, dacht ze, moet niet tegen de stroom in zwemmen, maar met de stroom mee en tegelijk langzaam naar de oever toe. Het gekozen beroep paste bij de rusteloosheid van de jongen, en hij zou toch in geregelde omstandigheden leven.

‘Nog twee jaar,’ hoopte ze, ‘dan zoek ik een goede vrouw voor hem en dan vindt hij het uiteindelijk niet leuk meer om altijd maar onderweg te zijn.’

En weer ging alles eerst goed. Sender kwam bij de eerste voerman-in-loondienst van Barnow, Simche Turteltaub, een vrolijke, door en door brave man, die altijd dorst had. Meester en knecht pasten bij elkaar, konden goed met elkaar opschieten, lachten op één dag meer dan alle andere joden van Barnow in een hele week en raakten iedere dag meer op elkaar gesteld.

Na twee maanden had Sender het zover gebracht dat de baas hem voor langere reizen zijn eigen paard en wagen toevertrouwde; niet voor niets was Fedko al in zijn vroege kinderjaren zijn grote vriend geweest.

Verder bleef de jongen zoals hij was: altijd vrolijk, niet altijd onschuldig en vol grappen en streken. Alleen nam in de loop der jaren zijn bedrevenheid toe en doordat hij nu ook echt veel tijd had om “verhalen” te verzinnen, terwijl hij zo van Barnow naar Tarnopol reed of door het vlakke land naar de bergen van Pokutië, werd hij al gauw in het hele land bekend, op dezelfde manier als vroeger in Buczacz. Paljas: nergens noemden ze hem anders, en de reputatie van zijn streken was zo groot, dat die nog altijd niet verdwenen is. Rare streken, waarin toch een onmiskenbaar vonkje verstand of rechtvaardigheidsgevoel zat.

Hij vond dat zelf ook en jaren later placht hij te zeggen: ‘Ik heb me schandelijk gedragen, maar hoef me niet te schamen.’

Dat was de inleiding, en dan begon hij te vertellen: ‘Aan de grens, in Skalat, had je een keizerlijke belastingambtenaar, Meyringer heette hij, die sluwer was dan alle Armeense en joodse smokkelaars bij elkaar. De regering stuurt hem om een eind te maken aan de toestanden, geeft hem een heel stel douaniers mee en zelfs een compagnie militairen. Maar hij laat de soldaten rustig in de kazerne, gaat naar de mensen die dat zaakje organiseren en hij zegt: “Als ik jullie betrap, hebben jullie alleen maar nadeel en ik heb geen voordeel. Laten we proberen het eens te worden.” Dat is voor de smokkelaars niets nieuws, want zijn voorganger deed het ook zo en ze bieden hem hetzelfde: een kwart van de opbrengst. “Goed,” zegt hij, “maar zet dat op papier met daarbij wat ik per jaar zo ongeveer verwachten kan.” Dat vinden ze wel apart, maar dan denken ze: “Het is een ambtenaar. Als hij zich niet schaamt en niet bang is om zo’n contract af te sluiten, waarom zouden wij dat dan zijn?” En ze doen het.

Twee dagen later zitten ze allemaal in de districtsgevangenis in Barnow. Meyringer heeft ze aangegeven en de contracten overgelegd. Ze komen in het tuchthuis, moeten de vroegere schade vergoeden en Meyringer krijgt als beloning een derde deel. De militairen kunnen inrukken en het smokkelen is afgelopen, want de smokkelaars zitten allemaal in de nor, en Meyringer wordt inspecteur eerste klas en krijgt een lintje.

Een ander zou tevreden zijn, maar Meyringer denkt: “Wat doe ik nu? Geen smokkelarij, geen verdiensten voor mij. Dat fijne zaakje mag toch niet stil komen te liggen?” Twee maanden later wordt er weer gesmokkeld: vee en graan uit Rusland, zout en textiel naar Rusland, en driemaal zoveel als anders. Meyringer heeft niemand anders kunnen vinden en de zaak zelf ter hand genomen – en hoe! Hij verdient er een smak geld aan en de zaak is veilig: als zijn smokkelaars door de rivier waden, wachten zijn opzichters op de brug en omgekeerd!

Natuurlijk duurt dat niet lang, en het hoofd van het districtsbestuur geeft hem aan. Er wordt een hoofdcommissaris op afgestuurd voor onderzoek: tevergeefs! Ze sturen meer opzichters en ook soldaten. Het smokkelen gaat door, en Meyringer ontslaan is niet mogelijk, omdat ze niets bewijzen kunnen. Nu komt er een belastinginspecteur uit Lemberg, de bekwaamste ambtenaar in het hele land, maar die vindt ook niets.

Ik ben in die tijd juist in Skalat, ik hoor dat verhaal en hoe alle mensen de sluwe schurk vervloeken. “Ze krijgen geen vat op hem,” klagen ze.

Dan komt er een andere voerman bij me, kromme Avrumele heette hij, een grote boef.

“Paljas,” zegt hij, “wanneer rijd je terug naar Barnow?”

“Morgenochtend,” zeg ik.

“En vannacht?”

“Dan slaap ik en de paarden rusten.”

“Heb je geen zin om vannacht iets aardigs te verdienen? Je baas hoeft het niet te weten. Je wagen heb ik niet nodig, maar jou wel en de paarden.”

Ik snap meteen wat erachter zit, want alle mensen zeggen dat kromme Avrumele voor Meyringer smokkelt.

“Waar moet ik zijn?”

“Klokslag tien in de herberg in Rossow. Maar je houdt je mond!”

“Natuurlijk. Afgesproken.”

Ik denk er nog eens over na. In Rossow komen de smokkelaars dus bij elkaar. Dan rijden ze natuurlijk naar het dichtstbijzijnde Russische dorp, naar Klobowka en daar wordt de wagen geladen. Voor het licht wordt moeten ze terug zijn. Dan kunnen ze dus alleen maar de kortste weg terug nemen, over de brug van Rossow. Als de belastinginspecteur en zijn mensen daar vannacht tegen tweeën zijn, kunnen ze het transport onderscheppen. Die schurk, die Meyringer, gun ik het. Dus moet ik het de inspecteur vertellen.

Ik ga naar de herberg, waar de inspecteur woont, naar dikke Froim.

“Meneer de inspecteur is in de kazerne,” zegt hij, “die is straks weer de hele nacht op pad met Meyringer en de opzichters en die komt morgen weer onverrichterzake terug. Die schoft houdt hem voor de gek zoveel hij wil en meneer de inspecteur gelooft hem ook nog.”

“Kwalijke zaak,” denk ik, “dan gelooft hij mij ook niet.”

Dan komt de koetsier van de inspecteur de herberg in en laat een borrel inschenken.

“Severko,” zegt dikke Froim, “je hebt genoeg gehad. Hoe wil je vannacht nog rijden?”

Ik kijk die Severko eens aan, en ja hoor: hij kan nauwelijks nog overeind blijven.

“Froim,” zeg ik tegen de waard, “geef hem zoveel borrels als hij wil. Daar doe je goed aan.”

“Ben je nou helemaal gek?” vraagt hij.

“Doe het nou maar,” zeg ik en zeur net zo lang tot die vent een hele fles krijgt. En een halfuur later nog een.

Het wordt avond, het giet van de regen en de inspecteur komt met Meyringer om te vertrekken, maar de paarden staan in de stal en Severko ligt onder de tafel. De inspecteur gaat tekeer, en dan bied ik me aan. De waard staat voor me in. Hij gaat erop in. Een kwartier later rijden we weg.

“Voor de stad!” is het commando.

Bij de kazerne sluiten zich nog zes wagens met opzichters en soldaten bij ons aan.

“Jullie rijden achter ons aan,” commandeert de inspecteur, en tegen mij: “Naar Dolnice!”

Dat dorp ligt twee uur rijden van het stadje vandaan en vier uur van Rossow – de schurk leidt ons echt in tegengestelde richting. Maar er is niets aan te doen: ik rijd naar Dolnice, maar langzaam. De nacht wordt steeds donkerder, de regen heviger en bij de eerste zijweg sla ik af. Meyringer merkt het.

“Waar gaan we heen?” roept hij.

“Deze weg is korter, meneer.”

“Maar je raakt de weg kwijt!”

“Echt niet!”

Ik rijd en ik rijd met een grote boog om het stadje heen naar Rossow, met de zes wagens achter me aan. Meyringer wordt ongeduldig.

“Waar zijn we?”

“Bij Dolnice.”

“Maar daar is geen bos.”

Ik houd mijn mond en rijd door. De kerktoren van Rossow slaat: één uur, we zijn dicht bij het dorp.

“Jodenhond, je bent verkeerd gereden.”

“Ja, meneer.”

“En waar zijn we?”

“Weet ik niet, maar daar brandt licht.”

De herberg van Rossow! Maar er is niemand meer, ik rijd er met een boog omheen, naar de grens. Na een halfuur begint Meyringer te razen en te tieren.

“Stop – stop!”

Ook de inspecteur schreeuwt verwensingen, maar ik houd me doof. Ze gaan me te lijf en slaan met hun stokken op me in, ik doe alsof ik niets voel en rijd door: steeds verder naar de brug van Rossow.

“Stop! Stop!”

Het heeft geen zin. Dan zie ik eindelijk hoe iets donkers ons tegemoetkomt: een wagen met vracht. God zij dank, daar zijn de smokkelaars. Ik houd stil, de twee stormen naar voren en de opzichters gaan om hen heen staan.

“Waar zijn we?”

“Bij de brug van Rossow, meneer de inspecteur,” zeg ik. “En daar komt het transport.”

Een paar minuten later waren de de smokkelaars gevangen en de volgende morgen werden ze met Meyringer naar de districtshoofdstad gebracht, naar Zaleszczyki. Een beloning hoefde ik niet en kreeg ik ook niet: het was voor mij genoeg dat alle mensen zeiden: “Een jongen van achttien! – Zo’n kerel als Paljas hebben we nog nooit gezien!”’

Maar hij was nog veel trotser op de volgende streek.

‘In Tarnopol woonde een schatrijke oude man, Chaim Burgmann, een gierige, harteloze man. De kinderen van zijn overleden zuster waren straatarm, maar hij gaf ze geen kreuzer uit zijn rijkdom.

Op een dag huurt hij me voor een rit naar Zloczow en we rijden de hele nacht door. En terwijl ik hem achter me zo hoor snurken, moet ik opeens denken aan zijn zuster Lea, die ik heel goed heb gekend – uit Buczacz – en ik denk: die oude verdient het – en die arme kinderen ook!

Dus ik roep plotseling hard en hol, helemaal met de stem van Lea: “Oude schooier, waarom laat je mijn kinderen verhongeren?”

Mijn Chaim komt overeind.

“God sta me bij!” roept hij, “wat was dat voor een stem?”

Ik zeg niets, hij mompelt wat en gaat weer stil liggen.

Dan probeer ik het nog een keer.

“Chaim! Mijn kinderen hebben honger!”

Nu heeft hij het duidelijk gehoord en ontzet komt hij overeind.

“Wat was dat? Koetsier, heb jij niets gehoord?”

“Ja,” zeg ik met een bevende stem, “er waaide plotseling een kille wind door de wagen – en een verschrikkelijke stem…”

De haren rijzen de oude man te berge, bevend gaat hij naast me op de bok zitten en begint luid te bidden. Maar de volgende dag stuurde hij tien gulden naar Buczacz en deed dat voortaan iedere maand…’

Maar zijn roemruchtste daad was volgens hem de volgende.

‘In Kopeczynce woonde een rijke rentmeester, meneer Tuskowski. Die had één dochter: juffrouw Waleria. Het meisje was heel mooi, maar trots, alsof ze van goud was en hard, alsof haar hart van steen was. Zíj was eigenlijk de rentmeester, en toen er een meisje op het erf een ongeluk kreeg, een klein ongelukje, joeg ze het arme kind genadeloos weg.

Maar wat doet God?

God stuurt de huzaren naar Kopeczynce en zorgt ervoor dat de ritmeester een knappe man is. En na een paar maanden wordt de trotse panna (Pools voor “juffrouw”) zelf bleek en ziek en iedere dag dikker. Natuurlijk probeert ze het angstig te verbergen en is tegen anderen nog veel strenger, zo vreselijk streng dat het niet in woorden uit te drukken is!

Als ik op een dag in Kopeczynce ben, vertelt Mortche de waard me het hele verhaal en zegt: “Vanmiddag geeft ze weer een groot feest in het tuinhuis om de dames en heren om de tuin te leiden.”

Ik luister, span de paarden in, rijd naar Tluste en neem de twee vroedvrouwen mee, de joodse en de christelijke: “Naar juffrouw Tuskowska! Het is een zware bevalling en ze heeft jullie allebei nodig!”

Voor de tuin zet ik de twee oude vrouwen af: “Daar moeten jullie naar binnen! Schiet in godsnaam op!”

Buiten adem hoesten ze naar binnen en vragen waar iedereen bij is, waar panna Waleria is, die hen zo dringend nodig heeft.

Natuurlijk heeft die hen eruitgegooid en ikzelf ben maar ternauwernood ontsnapt aan de knechts van meneer Tuskowski. Maar de volgende morgen is panna Waleria uit Kopeczynce vertrokken en nooit meer teruggekomen…’

Tot zijn twintigste ging dit zo door. Toen veranderde hij door een plotselinge, toevallige indruk en zijn leven nam een nieuwe loop. Ook dat kan het beste in zijn eigen woorden verteld worden.

 

Hoofdstuk 6

‘Het liep zo tegen het einde van de winter,’ placht hij daarover te vertellen, ‘toen Jossef Grün, de voorzitter van de joodse gemeente, me laat komen om zijn zoon Schmule naar Sadagóra te rijden, naar de wonderrabbi.

Schmule is ongeveer van mijn leeftijd, dus toen was hij twintig, maar ook bleek, zwak en ziekelijk als een kind van twaalf. Maar omdat Jossef zo’n vrome man was, had hij hem de vorige herfst al uitgehuwelijkt, ook nog aan een meisje dat twee jaar ouder was en daarbij dik en rood als een Masjansker appel. Maar als er een halfjaar voorbij is en nog steeds geen hoop op een kleinkind, wordt de oude ongeduldig en denkt: de grote rabbi moet dat in orde brengen.

Terwijl hij me dat vertelt en ik Schmule zo eens bekijk, denk ik in stilte: “Die man heeft gelijk: zonder een wonder zal dat zwakke ventje geen vader worden.” Maar hardop beloof ik alles wat de oude me vraagt: op Schmule passen, met hem naar de rabbi gaan en hem daar aan het praten krijgen, omdat de verlegen jongen zijn verzoek anders misschien niet eens kenbaar zou maken.

Zo rijden we dus weg, komen de avond van de volgende dag in Sadagóra aan en gaan een herberg binnen. Daar zijn een paar joden die meteen vertrouwelijk naar ons toe komen en vragen waar we voor gekomen zijn – maar niet uit nieuwsgierigheid en nog minder uit goedhartigheid. Heel die armzalige negorij leeft alleen maar van de rabbi en daarom is iedereen een vrijwillige of betaalde helper. Vreemdelingen worden uitgehoord, hun naam, hun stand en hun verzoek wordt doorgegeven aan de rabbi, en als hij de bezoeker de volgende dag binnenlaat, kan de man zonder veel moeite de alwetende spelen.

“Bij ons zullen jullie een keer je hoofd stoten,” denk ik en ik begin te klagen over het ongehoorde lot dat Schmule hierheen gebracht heeft. Hij is nu ruim drie jaar getrouwd, en iedere tien maanden krijgt zijn vrouw een drieling! Iedere keer een drieling, dus twaalf kinderen in drieënhalf jaar – en net nu lijken er weer nieuwe onderweg te zijn: wat een pech!

Die lui geloven het eerst niet, maar dan begin ik het precies te vertellen, alsof ik de moeder zelf ben, som de verjaardagen en de namen van de kinderen op en doe van ieder kind de stem na. Nu worden zelfs de sluwste van die vrome schurken gelovig, ze knikken ernstig en proberen mijn Schmule te troosten.

Die gaat telkens onrustig verzitten, maar houdt zijn mond. Maar als ze zelfs zeggen: “De rabbi kan alles, hij zal de schoot van je vrouw vast voor altijd sluiten!” begint hij hard te huilen.

“God behoede me,” snikt hij, “dan krijg ik klappen van mijn vader en mijn schoonvader, dan breken ze al mijn botten.” En dan snikt hij voor hen zijn ware ongeluk uit.

Eerst schelden de mensen op mij, maar dan zijn ze verbaasd over mijn manier van vertellen en een roept er: “Echt waar, ik zou zweren dat ik die kinderen zelf gezien had –“

“Nou,” zeg ik, “ik heet niet voor niets Paljas!”

“Ben jij die voerman uit Barnow?” roepen ze, “ben jij Paljas van Rosele? We hebben al zoveel over je gehoord, je moet nog meer vertellen!”

Nu kom ik met mijn verhalen en iedereen lacht zich tranen. En die avond heb ik voor het eerst het woord gehoord dat in mijn leven het belangrijkste, het enige geworden is.

Wat voor een woord dat was?

Theater!

Een van die mensen uit Sadagóra, die altijd de mesjoemed (afvallige) genoemd wordt, omdat hij veel Duitse boeken gelezen zou hebben – Sinai Welt heette hij – zegt namelijk: “God,” zegt hij, “eeuwig jammer dat die man nog steeds voerman is!”

Ik lach: “Ik zou ook liever prins of wonderrabbi zijn,” zeg ik.

“Ik weet iets anders,” antwoordt hij, “wat jij misschien het liefste was: komediant.”

“Wat is dat?” vraag ik.

“Weet je dat niet? Zo heten degenen die op het toneel de gekke mensen spelen, waar je om moet lachen.”

“Wat is een theater?” vraag ik ook.

“Niet te geloven,” roept hij verbaasd, “hoe achtergebleven die Polen zijn! Moet je horen. Er komt een gezelschap bij elkaar, mannen en vrouwen, en die huren een zaal en smeren hun gezichten in en trekken gekke kleren aan, en spelen samen een verhaal, net als jij voor ons in je eentje gedaan hebt – helemaal verzonnen, geen woord is waar, maar zolang je naar ze luistert, geloof je dat het waar is en je moet lachen of huilen. Maar de andere mensen betalen om de zaal in te kunnen en te kijken en te luisteren.”

“En wat doet een komediant overdag?” vraag ik.

“Niets, sigaren roken en de grote meneer uithangen, want ’s avonds verdient hij genoeg.”

“Daar geloof ik niets van,” zeg ik.

“Hahaha!” lachen de mannen van Sadagóra, “hij gelooft het niet! Ga dan naar Czernowitz – dat is nog geen mijl hiervandaan – daar is momenteel een theater.”

“Dat wil ik,” zeg ik.

Maar op dat moment was ik nog niet eens zo serieus. Pas als we alleen in onze slaapkamer zijn, Schmule en ik, en ik kan niet meteen slapen – moet ik er weer aan denken, en nu begint het idee me te kwellen en door elkaar te schudden. Want dat zou het leven zijn waar ik altijd van gedroomd heb! Rondtrekken, naar de mensen kijken, hun gekkigheid zien en die anderen dan voorspelen. En van dat plezier dan ook nog royaal kunnen leven – ik krijg het warm en koud, rusteloos lig ik te woelen en pas tegen de ochtend sukkel ik in slaap…

Dan regelen we de zaak bij de rabbi, zonder veel te praten, kort en goed: hij krijgt dertig gulden en Schmule krijgt zijn zegen. Eerst wil hij eigenlijk vijftig hebben, maar ik zeg: “Dan gaan we naar de rabbi van Nadworna, die vraagt maar twintig gulden, ook al zegent hij een tweeling!” – en dan geeft hij snel toe.

Als we uit Sadagóra vertrekken sla ik linksaf, naar Czernowitz.

Schmule merkt het niet eens, tot we eindelijk de brug over de Proet over zijn en in de voorstad, in de Wassergasse komen. Dan begint hij natuurlijk te roepen dat hij niets te zoeken heeft in die onheilige stad, waar de joden Hoogduits praten en varkensvlees eten.

“Stap dan maar af,” zeg ik rustig, “en huur iemand anders.”

Nu klampt hij zich natuurlijk aan mij vast en we rijden de berg op en de stad in.

Op straat hebben ze op een open plek een tent opgezet en daarvoor staat een man in een nauwsluitend pak van geel linnen, waardoor hij er van veraf naakt uitziet, op een trompet te blazen.

“Kom maar binnen!” roept hij en voor hem staat een hoop gespuis te lachen.

“Is dat een komediant?” vraag ik heel bezorgd, want de man ziet er uitgehongerd uit.

“Ja,” antwoordt een jongen.

“Dus hier is het theater?”

“Nee,” lacht hij, “dat is in Hôtel Moldavie. Hier gaan ze koorddansen en daarbinnen zijn twee apen.”

“God zij dank,” denk ik en laat me de weg naar het Hôtel wijzen. Tegenover het Hôtel, bij een klein joods logement, parkeer ik de wagen en loop direct naar de overkant.

“Op de eerste verdieping is het theater,” zeggen ze, “maar het gaat pas om zes uur open.”

“Kunt u me niet een komediant laten zien?” vraag ik aan de kelner, die ook een jood is, maar heel gek gekleed: hij draagt een kort, zwart lakens jasje met aan de achterkant twee staarten.

“Waarom?” vraagt hij.

Maar dat wil ik niet vertellen en ik blijf maar vragen. Dat doet hij ook de hele tijd.

Dan komt het er bij mij eindelijk uit.

“Omdat ik zelf zo’n komediant wil worden.”

De man schudt van het lachen, grijpt me bij mijn slaaplokken en zegt: “Die moet je nog mooier maken, wil de directeur je aannemen.”

Op dat moment passeert ons een lange Duitser (modern geklede heer) om de trap op te gaan.

“Meneer de directeur,” zegt de kelner, “hier is een nieuwe medewerker” – en hij vertelt wat ik wil.

De Duitser kijkt me aan met een gezicht om bang van te worden: bleek, vreselijk mager, helemaal gladgeschoren, zodat hij half geel, half blauw is – een enorme neus en fonkelende, stekende ogen – en daarbij heeft hij telkens zenuwtrekkingen in zijn gezicht.

Maar als hij vraagt: “Is dat waar?” schrik ik niet, maar zeg rustig ja en vertel hem alles.

De kelner staat de hele tijd als een gek te lachen, maar de heer blijft ernstig en zegt: “Kom maar mee!”

Hij brengt me naar een kamer op de eerste verdieping, waar een dikke vrouw zit met een wit ingesmeerd gezicht.

“Eulalia,” zegt hij, “moet je luisteren.”

En tegen mij zegt hij: “Laat eens zien waaraan je je naam als paljas aan te danken hebt.”

Ik raap al mijn moed bijeen en begin mijn kunstjes ten beste te geven, het ene na het andere. De man kijkt de vrouw aan, de vrouw de man, ze lachen niet, zoals anders mijn toehoorders, maar toch denk ik dat ze het leuk vinden.

“Genoeg,” zegt de heer ten slotte en begint met de vrouw te overleggen. Het was wel Hoogduits en ook nog heel snel, dus ik verstond er weinig van.

Ten slotte vraagt de heer: “Wat vind je zelf, jongen, heb je talent?”

Dat begreep ik toen niet, ik dacht dat hij vroeg of ik een talles (gebedsmantel) had.

“Nee,” zeg ik dus. “Maar als ik ga trouwen moet mijn bruid me er een cadeau geven.”

Ze kijken verbaasd, dan moeten ze lachen en de heer vraagt weer: “Ik bedoel: denk je dat je geschikt bent voor het vak van komediant?”

“Natuurlijk,” zeg ik. “Ik? Ja hoor, meer dan wie ook.”

“We zullen zien,” lacht hij fijntjes, “hier heb je een kaartje, ga vandaag maar naar de voorstelling en kom dan naar de eetzaal.”

Ik vraag nog een kaartje voor mijn Schmule, bedank hem en ren als een gek de trap af: naar mijn logement.

Schmule tref ik aan in tranen: het ventje is bang, zo alleen in de vreemde stad. En als ik zeg dat hij ’s avonds naar het theater moet, huilt hij nog harder en zegt dat dat pleziertje verkeerd en zondig is, dat doet hij niet. En meteen wil hij weg.

“Goed,” zeg ik, “blijf maar thuis. Maar meteen de paarden inspannen? Voor geen goud!”

Want ik kan met geen pen beschrijven hoe ik me voel, alsof iemand me duizend gulden gegeven heeft, of alsof ik te veel wijn gedronken heb!”

Ik loop dus in mijn eentje voor Hôtel Moravie heen en weer tot het donker wordt, en mijn hart bonst als een bezetene.

Eindelijk mag ik de zaal in – ik ben de eerste en wil vooraan gaan zitten, maar mijn plaats is op een bank in het midden. Ze doen net de lichten aan en ik kijk hoe de zaal is ingericht. Maar daar kijk ik niet van op. Het ziet er bijna net zo uit als in onze sjoel: beneden banken voor de mannen, boven twee galerijen voor de vrouwen en voor me een groot gordijn, net als in sjoel voor de Torakast hangt. Alleen is daarop niet het woord Oosten gestikt, maar er zijn naakte kinderen op geschilderd, die over elkaar buitelen.

Later, als de mensen komen, merk ik dat het toch heel anders is. Ten eerste zijn er alleen maar beschaafde Duitsers en ten tweede gaan er ook mannen naar de vrouwenbanken boven, en er zitten ook vrouwen op de mannenbanken.

Dan begint er opeens voor het gordijn muziek te spelen. Die klinkt heel vrolijk, als een dans. Maar ik ben niet in een dansstemming: ik ben natuurlijk blij, maar tegelijk vreselijk bang.

Eindelijk gaat het gordijn open, eigenaardig, alsof het vanzelf gaat; je ziet niet wie eraan trekt.

“Een straat!” roep ik, zodat de mensen naar me omkijken en beginnen te lachen. Het is net of je in een stad kunt kijken: huizen, een toren en een brug. En er komen drie mensen aan, allemaal in het zwart, met beschilderde gezichten en grote opgeplakte valse baarden.

Ze beginnen te praten – ik begrijp alleen dat ze goede vrienden zijn en over zaken praten. Maar een van hen is in ieder geval de belangrijkste, omdat hij een bontjas draagt en omdat de anderen zo om hem heen trippelen. Hij heet Anton, net als mijn vriend, de koetsier van de voorzitter van het district. Die Anton klakt de hele tijd met zijn tong en schudt met zijn hoofd, alsof hij treurig is.

Toen komen er nog een paar vrienden, onder wie een jonge man met een blonde baard, die geld van Anton wil lenen. Dan blijkt waarom Anton treurig is: hij heeft zelf geen geld en moet het eerst gaan lenen.

Iedereen gaat weg en daar begint me de stad ineens te wankelen en schuift naar boven! Alles was maar op een doek geschilderd. En in plaats van de stad is er ineens een heel mooie kamer, en daar staan twee mooie meisjes met elkaar te praten.

Ja, waar praten meisjes over? Over trouwen natuurlijk! Maar de oudste vindt niemand leuk en scheldt op allemaal. Nummer een is te vrolijk, nummer twee te treurig, nummer drie te slim en nummer vier te dom. Net als panna Waleria, de dochter van de rentmeester in Kopeczynce. “Pas op,” denk ik bij mezelf, “dat je niet wordt zoals zij en blijft zitten. Je bent wel mooi, maar dat duurt niet eeuwig.” Dan – midden in het gesprek gaan de twee weg, de kamer verdwijnt – en daar is de stad weer.

Daar komt de blonde met een oude jood. Ik denk meteen: “Nu wil hij het geld van de jood lenen!” Dat klopt: drieduizend dukaten, met minder neemt hij geen genoegen. En Anton, zegt hij, moet borg staan.

“Smoesjes,” denk ik bij mezelf, “die heeft zelf geen geld. Als die oude jood slim is, zal hij toch eerst inlichtingen over Anton inwinnen.” Maar dan komt Anton zelf om de jood te overtuigen. “Sjailok” noemt hij hem, omdat christenen nooit joodse namen kunnen onthouden; de oude heette waarschijnlijk “Sjaje” (Jesaja).

Maar Sjailok wil niet. “Waar is de borg?” vraagt hij. “Waarom drieduizend dukaten?” En dan verwijt hij Anton dat die hem vroeger bespuwd heeft en altijd slecht behandeld.

“God,” denk ik bij mezelf, “die Anton is vast een Pool. Die doen allemaal zo. Maar als ze geld nodig hebben, komen ze naar ons toe gekropen om te vleien…”

Goed: er is wat heen-en-weergepraat en ik versta niet alles, want ook Sjaje praat niet als een echte jood, maar Hoogduits, alleen zingt hij door zijn neus en wiebelt met zijn hoofd.

Ik luister en vraag me af waarom hij me zo bekend voorkomt. Opeens herken ik hem: het is de Duitser die vanmiddag met me gesproken heeft, maar helemaal ingesmeerd en verkleed.

“God!” roep ik, verrast als ik ben, “de directeur!”

Iedereen kijkt naar me om en lacht.

“Wat is er te lachen?” vraag ik. “Dat is echt de directeur.”

“Sst, sst,” doen de mensen.

Ik houd mijn mond en luister wat Sjaje allemaal zegt. De drieduizend dukaten wil hij wel geven, maar als Anton niet betaalt, mag de jood hem een poot uittrekken.

“Smoesjes!” denk ik weer. “Wat heeft Sjaje aan die poot? Ik ben niet voor dat soort dingen. Dan krijg je risjes (jodenhaat). Trouwens, de voorzitter van het district zal dat zeker niet goedvinden, want die is toch ook een christen.”

Maar het is Sjaje om het geld te doen, en als hij buiten is, valt het doek met de naakte kinderen weer naar beneden en de muziek begint te spelen.

Ik denk: het kan toch nog niet afgelopen zijn en ik blijf zitten. De mensen kijken naar me en fluisteren en lachen, maar dat kan me niet veel schelen. Een oude heer die naast me zit vraagt: “U bent zeker voor het eerst in een theater?”

“Ja,” zeg ik, “want kun je dit in Barnow dan iedere dag zien?”

“U komt dus uit Barnow?”

“Ja, ik heet Sender en ben in dienst bij Simche, de koetsier, misschien kent u die.”

“Ik heb niet de eer,” zegt hij.

“De eer?” vraag ik. “Iedereen kent mijn Simche, dat is geen kwestie van eer.”

Maar het gordijn is alweer omhooggeschoven.

Weer een stuk stad. Daar komt een jonge jongen, aangekleed als een nar, trekt gekke gezichten en houdt iedereen voor de gek – zelfs zijn blinde, oude vader, wat ik helemaal niet leuk vind. Hij vertelt dat hij bediende bij Sjaje is en scheldt op hem – wat een schoft: hij vreet brood van een jood en scheldt dan op hem! Maar verbaasd ben ik eigenlijk niet. Neem nu Janko, de koetsier van onze dokter Schlesinger, die doet dat ook.

Dan komt Sjajes dochter, een heel mooi meisje, maar zo bedorven als in Barnow goddank geen joods kind is. Ze maakt zich tegenover de bediende vrolijk over haar eigen vader, maar als Sjaje komt is ze opeens heel gehoorzaam en onderdanig.

Maar wat doet ze als hij weg is? Ze verkleedt zich als jongen en steekt zijn schatten in haar zak, en als haar christelijke minnaar komt gaat ze er met hem vandoor.

Schande! Ik ben zo verontwaardigd, ik kan haar wel iets aandoen. Toen Esther, de dochter van onze rijke Moses Freudenthal ervandoor ging met een huzaar, schold ze haar vader tenminste niet uit en bleef van zijn geld af. De mensen klappen en roepen: “Heel goed!” en “Bravo!” maar ik roep: “Ze is slecht! Ze moet klappen hebben!” En dan lachen ze weer.

Pas als de stad wegwiebelt en de kamer met de twee vrolijke meisjes terugkomt, herinner ik me dat het maar spel is.

De meisje lachen weer en er zijn een paar heren bij, onder wie een met een zwartgeverfd gezicht, en ze hebben het over een kistje. Telkens weer dat kistje! Ik luister maar met een half oor: wat heb ik met die kistjes van jullie te maken? Ik moet er alleen steeds aan denken hoe het verhaal met Sjaje en zijn dochter af zal lopen en of ze ook vol berouw terug zal komen, net als Esther Freudenthal, om voor het huis van haar vader te sterven.

Maar het gaat heel anders.

Eerst komen er twee heren binnenwandelen die lachend vertellen hoe Sjaje half verdwaasd door de stad loopt. En dan komt hij zelf, bleek en ontdaan, maar de galgans (schurken) maken zich nog vrolijk over hem!

Ze vertellen hem dat de zaken van Anton er slecht voorstaan en dat hij niet zal kunnen betalen, en ze vragen of Sjaje hem dan echt een poot zal uitdraaien.

“Ja,” zegt de oude man en begint te praten over joden en christenen, en dat we door de christenen zo bitter vervolgd worden – het gaat me door merg en been en raakt me diep. Tot dan toe heb ik nog niet zoveel nagedacht over ons en de Polen, en ik denk: het is nu eenmaal zo, maar nu worden mijn ogen geopend over het bloedige onrecht dat ons aangedaan wordt. Ach, wat spreekt die oude man, wat een woorden, wat een stem! Nu eens huilt hij en dan knarst hij weer met zijn tanden. Het is doodstil in de zaal en de tranen springen de mensen in de ogen.

Dan komt er nog een jood en die vertelt nu eens over Anton en dan weer over de dochter, en Sjaje beeft van woede. Het spijt hem net zo van de dukaten als van zijn dochter!

Eerst vind ik dat vreemd. Maar dan denk ik: “Geld is geld, maar een meisje dat bij haar vader wegloopt en hem ook nog besteelt, is geen dochter meer!”

Voor de derde keer komt daar de kamer met de meisjes, deze keer is de blonde erbij, hij maakt een kistje open – de bruiloft word gevierd.

“Mazzel tov (veel geluk)!” zeg ik – maar wat gaat het mij aan?

Dan schuift eindelijk het gordijn weer omhoog: Sjaje en Anton staan voor de rechter!

Ik heb nog nooit zo geluisterd als toen, en ik ben het nog steeds niet vergeten. Maar ik weet nog steeds niet wie er gelijk heeft en wie ongelijk; ik denk dat de christenen en de jood gelijk hebben – en allebei ongelijk hebben.

Een vreemd verhaal!

Eerst zegt Sjaje: “Anton heeft deze wissel ondertekend, dat ik hem een poot mag uitdraaien als hij niet betaalt. Ik wil mijn recht halen!”

De rechter is een oude man met een dikke buik en daarbij onzegbaar dom.

Hij durft geen uitspraak te doen en laat een oude advocaat roepen. Maar er komt een jonge advocaat met een heel dunne stem en als ik die beter bekijk: een vrouw! De grootste van de twee vrolijke meisjes!

Ze begint met te zeggen: “Sjaje heeft gelijk, maar hij moet medelijden hebben.”

Sjaje wil niet: zijn geld kwijtraken, gekwetst en mishandeld worden en dan nog medelijden tonen, dat is echt te veel. “Hij heeft gelijk,” denk ik. Maar dan biedt de blonde, Antons vriend, hem de drieduizend dukaten, het dubbele, het driedubbele – Sjaje wil hem nog steeds alleen maar een poot uitdraaien!

Dat bevalt me niet. Hij krijgt zijn geld, het driedubbele zelfs, wat heeft hij er dan aan als Anton sterft? Ze vragen hem om niet zo onverzoenlijk te zijn! Ik voel al meteen dat het niet goed zal gaan, want ten eerste is het heel lelijk van Sjaje, en dan een jood voor een christelijke rechtbank – we weten in Polen helaas wat dat betekent.

Goed! Ten slotte zegt het meisje: “Sjaje mag hem een poot uitdraaien, maar als er een druppel bloed bij vloeit, wordt hem zijn hele vermogen afgenomen.” Wat een kop, wat een harde kop!

Nu ben ik heel benieuwd wat Sjaje doet. Ik denk dat hij zal zeggen: “Goed, mijn vermogen is weg, maar ik wil mijn recht.” Dat lijkt me voor hem gepast, als hij zo’n harde man is. Maar wat doet hij? – Hij wil nu het driedubbele!

Maar ze geven hem niet eens het gewone bedrag, en hier begint het onrecht van de christenen en het houdt maar niet op. Want wat zegt het meisje verder? “Omdat je een christen naar het leven hebt gestaan, moet je zelf sterven!”

Naar het leven gestaan? Waarom heeft Anton zo’n wissel ondertekend? Waarom heeft de rechtbank toegestaan dat zo’n wissel opgeëist wordt? Nu denken ze daaraan!

Sjaje wringt zich in allerlei bochten, maar dat helpt hem niet. Ze laten hem alleen in leven als hij zich laat dopen en de helft van zijn vermogen moet hij aan Anton geven.

Mooi hoor! Drieduizend dukaten lenen, niet betalen en voor al die moeite misschien het twintigvoudige als beloning krijgen!

En Sjaje?

Sjaje gehoorzaamt en wordt een mesjoemed (afvallige)!

Ik geloof mijn ogen niet – ik spring op en bal mijn vuisten!

“Wat een onrecht!’ roep ik. “Dat kan toch niet?”

Gelukkig staan alle mensen op, anders was het slecht met me afgelopen.

Maar ik ren voor de anderen de trap af en loop dan heen en weer voor het hotel.

Nu eens heb ik het warm, dan weer klappertand ik: zo opgewonden ben ik nog nooit geweest.

“God!” denk ik bij mezelf, “ik zou er wat voor geven als ik in dat spel Sjaje kon zijn. Maar dan zou ik me anders gedragen, of ik gaf meteen toe, of helemaal niet.”

Eigenlijk beviel alleen die man me, Anton had ik niet willen zijn en de blonde nog minder. Die had ik ook wel anders gedaan dan die Duitsers deden. Anton trok bijvoorbeeld steeds hezelfde gezicht, toen hij in doodsangst zat en toen hij gered werd! Of de blonde: altijd vrolijk, ook toen zijn vriend in gevaar was!

“Slechte paljassen,” denk ik, “dat moet ik tegen de directeur zeggen.”

En ik ga naar de eetzaal.

Het is heel druk – eindelijk vind ik hem: hij zit aan een grote tafel met veel heren en dames, de dikke zit naast hem. Hij heeft hun vast al over mij verteld, want als ik eraan kom zegt hij: “Kijk, daar is hij! De jongste zoon van de muzen!”

Ik sta verbaasd.

“Neemt u me niet kwalijk,” zeg ik, “mijn moeder had maar één zoon en ze heet Rosel – ze heft de tol in Barnow…”

Iedereen lacht, maar de directeur vraagt: “En hoe vond je het?”

“Goed en slecht,” zeg ik. “Maar één ding moet u me nu meteen vertellen: bent u een jodenhater of niet?”

Daar kijkt hij vreemd van op: “Hoezo?”

“Omdat ik u niet goed ken. Als u een jodenhater bent, waarom hebt u dan zo mooi over het onrecht gesproken dat de Pool ons aandoet? Bent u geen jodenhater, waarom doet u dan zo aan het eind, eerst zo harteloos en dan zo laf? Weet u wat ze dan zeggen? Dat alle joden zo zijn!”

“Beste jongen,” zegt hij, “zo heeft de schrijver het bedoeld.”

“Wie?” vraag ik.

“De man die alles bedacht heeft en de woorden opgeschreven heeft.”

“Bedenkt u dat dan niet zelf?” vraag ik. “Zoals ik en wij allemaal onze spelen op Poeriem (joods carnaval)?”

“Nee,” zegt hij en legt het me uit.

“Goed. Maar u kent de dichter vast wel. Is die een jodenhater of niet?”

Iedereen brult van het lachen, alleen de directeur niet.

“Die is al driehonderd jaar dood,” zegt hij ernstig, “maar je vraag kan ik toch wel beantwoorden. Hij was een groot en edelmoedig man en daardoor zag hij het onrecht dat joden aangedaan werd. Maar in zijn tijd werden de joden overal zo gehaat als tegenwoordig alleen bij jullie, en daarom heeft hij zijn mensen een plezier gedaan en het spel zo laten eindigen dat de jood veracht en uitgelachen wordt.”

“En waarom maakt u het slot niet beter?”

“God bewaar me!” zegt hij. “Misschien begrijp je later wat een zonde dat zou zijn. Maar hoe vond je het spel?”

“Veel dingen goed en veel dingen slecht,” zeg ik en ik steek van wal over hem, over Anton en de anderen. En ik doe deze en gene na.

Eerst lachen ze me uit, en alle mensen in de zaal staan op en komen om me heen staan.

En dan zeggen ze: “Hij is zeker niet dom!” en ze kijken me af en toe verbaasd aan.

Ten slotte zegt de directeur: “Kom morgen om negen uur maar bij me.”

Ik ga naar mijn logement, Schmule slaapt al. Ik ga ook liggen, maar doe geen oog dicht.

Eindelijk wordt het dag, ik verzorg de paarden, maak de wagen in orde en ga dan naar de directeur.

Hij zit net aan de koffie, in een grote, rode kamerjas, met naast hem de dikke met haar hele hoofd vol papieren krullen.

“Luister eens,” zegt hij, “je had het niet in de gaten, maar ik ben zelf een jood. Wel uit een ander land, uit Pruisen. Maar niet alleen daarom zou ik je graag onder mijn hoede willen nemen, maar omdat je hoogstwaarschijnlijk een groot talent bent. Of je dat bent, of je werkelijk geschikt bent voor het toneel of niet, weet ik niet zeker. Zoals je nu bent, kan niemand je dat met zekerheid zeggen. Maar bij God en op mijn erewoord: voor zover ik het nu kan beoordelen ben je er bijzonder geschikt voor, meer dan ikzelf en meer dan iemand van mijn mensen. Als je al ouder was of een goed en aangenaam leven had zou ik je dat misschien niet zeggen. Maar als voermansknecht heb je niets te verliezen. En daarom wil ik, als je besluit vaststaat, je raadgever en helper zijn.”

De tranen schieten me in de ogen, terwijl hij zo vriendelijk tegen me spreekt.

“Duizendmaal dank!” wil ik zeggen, maar krijg het niet over mijn lippen.

Ten slotte beheers ik me en ik zeg: “Overmorgen kom ik terug en dan blijf ik!”

“Nee,” roept hij, “nu mag je dat vrolijke, onzekere leven nog niet in! – Om Godswil niet! Blijf twee jaar zitten waar je zit en leer Duits – dat is het belangrijkste – lezen, schrijven en spreken. Verder moet je het noodzakelijkste weten, de rest komt wel in orde. Heb je daar in Barnow de gelegenheid toe?”

“Als het moet,” zeg ik, “lukt dat wel.”

“Goed,” zegt hij, “ik ben hier iedere winter, van oktober tot maart. Maar de komende twee jaar wil ik je niet zien. Als je me wilt schrijven, prima. Ik heet Nadler, Adolf Nadler. En nu: God zij met je!”

“En met u, want u bent een goed mens,” zeg ik in tranen, en: “u hoort nog van me!”

En ik ga, laat Schmule instappen en rijd terug naar Barnow…’

 

Sjailok: Shylock, de joodse hoofdpersoon uit Shakespeares De koopman van Venetië.

 

 

Hoofdstuk 7

Als een ander mens kwam Sender in zijn armzalige stadje terug. Hij haalde af en toe nog wel zijn dolle streken uit, maar echt alleen als dekmantel voor zijn plannen. Er was een wilde energie in hem ontwaakt die hij zelfs een paar dagen tevoren niet in zichzelf vermoed had, en een ander zeker niet. Alle vezels van zijn wezen waren gespannen, zo plotseling, zo sterk, dat het bijna pijnlijk, bijna griezelig was, als de ingreep van een vreemde, oppermachtige hand. Maar ondanks dat plotselinge vuur in zijn hart werd hij – en dat was misschien het beste bewijs dat het echt was – naar buiten toe sluw, voorzichtig en bedachtzaam.

Over zijn gesprek met de directeur kwam eerst niemand iets te weten. Misschien zei zijn instinct, meer nog dan zijn denkvermogen, dat hij daar alleen maar last van zou hebben. En bovendien: ‘Voor de Tora in sjoel hangt toch ook een gordijn,’ placht hij daar later over te zeggen, ‘en mijn plan was mijn Tora…’

Hij begreep dat hij als voermansknecht de “Duitse wijsheid” niet zou kunnen leren en ging naar zijn moeder: in het rusteloze leven had hij geen plezier meer.

Juffrouw Rosel was blij dat te horen en vond het meteen goed. Maar toen hij vroeg of hij naar Czernowitz mocht, wees ze dat meteen af. Wat hij in die onheilige stad wilde, vroeg ze. Hij antwoordde dat hij van plan was toch weer bij een goede baas in de leer te gaan als horlogemaker.

‘Goed, word maar horlogemaker,’ besloot ze. ‘Maar dan hier in Barnow.’

Sender sprak haar niet tegen. En toen zijn moeder hem de volgende dag vertelde dat ze hem bij Jossele Alpenroth, de beste horlogemaker van het stadje, in de leer gedaan had, verzette hij zich ook niet en ging de werkplaats in. Maar zijn besluit stond vast: als hij in Barnow geen leraar Duits vond, moest hij op eigen houtje de stad uit – ver weg…

Toen greep opnieuw een bijzonder toeval in zijn leven in, of iets wat wij arme, kortzichtige mensen gewoonlijk zo noemen…

Bij de ingang van het stadje, terzijde van de hoofdweg, stond in die tijd een groot, houten huis, omgeven door stallen en schuren. De deuren van de barak waren zwart en geel geverfd en boven de poort prijkte de keizerlijke adelaar. Dat was de keizerlijk-koninklijke ziekenbarak van Barnow, die drie jaar eerder, in de late herfst van 1849, in allerijl opgetrokken was.

De aannemer van dat bouwwerk, Leib Rosenstengel uit Tluste, was er zo rijk door geworden, dat hij zich een jaar later al Leo noemde, maar dat was dan ook de enige zegen die de barak bracht. Het armzalige gebouw bood namelijk geen bescherming tegen kou, wind en regen en in april 1854, toen het het dringendst nodig was, stortte het tijdens een nachtelijke voorjaarsstorm in. Twee soldaten kwamen om, enkele anderen raakten invalide en mijlenver blies de stormwind de voorraden over de hei, zodat de boeren rond Barnow nog lang en meesmuilend over het onverhoopte manna vertelden. Twee maanden later kreeg Leo Rosenstengel de Franz Josephsorde. Of dat hieraan te danken was of ook nog aan andere verdiensten, staat echter niet vast.

Op het moment dat Sender een mentor zocht, voorjaar 1852, stond dat gebouw nog overeind en het werd bewoond door de ambtenaren van de medische dienst en een Flügel Fuhrwesen, wat vertaald uit het keizerlijk-koninklijke Oostenrijkse militaire jargon een afdeling militaire intendance betekent.

Dat is niet bepaald een elitekorps. De “vrachtrijder”, zoals de gemeen soldaat heet, is meer paardenknecht dan soldaat en wordt alleen al daarom door zijn kameraden van andere onderdelen met de nek aangekeken. Hij moet karweitjes opknappen waar hij zich als soldaat te goed voor voelt en hij is in zekere zin maar een aanhangsel van de strijdkrachten. Daarom gaat niemand vrijwillig naar de intendance, en dat onderdeel is enerzijds samengesteld uit recruten die voor een ander wapen geestelijk of lichamelijk ongeschikt blijken en anderzijds uit soldaten die zich die overplaatsing door onbehoorlijk gedrag op de hals gehaald hebben. De “sjouwer” is de pispaal van het leger en wordt, tot het tegendeel bewezen is, als domkop of schurk beschouwd. Tegenwoordig is het overigens beter dan in de bloeitijd van de “vijfentwintig” en vooral de officieren van het korps zijn tegenwoordig mannen van een ander slag dan hun voorgangers in de gouden jaren van de reactie.

Dat waren stramme, ruwe grijsaards, die van gemeen soldaat opgeklommen waren, twintig jaar sergeant-majoor geweest waren en ten slotte de akte van benoeming als luitenant bij deze eenheid gekregen hadden, omdat ze bij hun eigen eenheid niet goed in het officierskorps hadden gepast. Ook wel heel jonge heertjes, die zo lang lichtzinnig schulden hadden gemaakt of andere streken hadden uitgehaald, dat ze uiteindelijk voor de keus stonden: bij de intendance gaan of afzwaaien. Hoe dergelijke meerderen tegenover hun mannen stonden, behoeft geen toelichting. De discipline bleef redelijk in stand, maar echt alleen door de wonderen die een echt Oostenrijkse heilige van die dagen verrichtte: “de heilige hazelaar”.

Het was op een sabbatmiddag in de lente, dat onze Sender peinzend het stadje uit liep en de Seredbrug overging. Op de “Promenade” onder de linden op de oever van de rivier wandelden de mooi aangeklede mensen uit de joodse wijk langzaam en genoeglijk heen en weer, maar hij liep ze snel voorbij, want hij wilde alleen zijn.

Zijn gedachten waren niet bepaald vrolijk en op troostrijkere gedachten kwam hij niet, hoe hij zijn hersens ook pijnigde. Hij was nu twee weken leerling bij Jossele, maar een meester van Duitse wijsheid had hij tot nu toe niet gevonden. In de kloosterschool werd die onderwezen; hij had bij de zoon van dokter Schlesinger zelf een leerboek gezien en die jongen had hem trots verzekerd dat dat nog maar het begin van de wijsheid was, maar wie dat begin begrepen had, begreep het overige eigenlijk al.

Maar aan die school hoefde hij niet serieus te denken. De zoon van de dokter kon wel straffeloos naar de dominicanen gaan; zijn vader was weliswaar ook een jood, maar tevens een Duitser, een man van aanzien. Maar om het plan alleen al zou zijn baas hemzelf ontslaan, de rabbi hem straffen, zijn moeder hem verstoten en de joodse gemeente hem half dood slaan.

Zijn enige en helaas schrale hoop was iemand vinden die hem in het geheim de lessen kon geven waar hij zo naar verlangde. Maar zo’n wijs iemand kende hij niet, in ieder geval niemand die hij durfde te benaderen.

Je had de rijke Grünstein, Schlome Grünstein, de “mesjoemed” (afvallige), zoals ze hem noemden, omdat hij in zijn jeugd uit Duitse boeken zondige kennis opgezogen had. Die wist vast en zeker veel, maar was een zieke, gebroken man, die zich tegenwoordig uit angst verre hield van dergelijke zonden en vast niet aan de ambities uit zijn jeugd herinnerd wilde worden.

Verder had je de enige christelijke privéleraar uit de stad, meneer Osner, een mager, beweeglijk mannetje, dat jaar in, jaar uit dezelfde gelige jas droeg en in zijn rechterhand een enorme tabaksdoos. Maar ten eerste kletste die man veel en kon nauwelijks een geheim bewaren en ten tweede moest hij van het lesgeven leven en vroeg misschien wel twintig kreuzer per les: hoe moest Sender dat geld bij elkaar krijgen?

Nog minder geschikt waren Luiser Wonnenblum, de schrijver van de joodse gemeente, en Dovidl Morgenstern, de “privé-agent” oftewel juridisch adviseur. Die kenden Duits, omdat ze dat voor zaken geleerd hadden, maar waren erg hebzuchtig.

Kortom: hoe langer de arme jongen erover nadacht, hoe treuriger hij werd en hoe meer hij ervoor voelde om naar Czernowitz te vluchten: dat was zijn Mekka, daar was iedere jood een Duitser. De gedachte om zijn moeder in de steek te laten en haar verdriet te doen was pijnlijk, maar hield hem niet tegen.

‘Ze heeft veel voor me gedaan,’ dacht hij, ‘maar dat was haar plicht, want ik ben haar bloedeigen zoon! Eerst zal ze daar veel verdriet van hebben, maar ik ben nu eenmaal in de eerste plaats een grote komediant, dus dat zal haar ook vreugde en eer opleveren en een zorgeloos leven!’

Terwijl hij dit allemaal weer overdacht, wel voor de duizendste keer sinds zijn thuiskomst, was hij onwillekeurig een pad ingeslagen dat hij anders beslist vermeden had.

Op de linkeroever van de Sered, in de voorstad Wygnanka, waar boeren en de armste joden wonen, ligt een heuvel die in het hele district de “Barnowse berg” genoemd wordt; de niet zo hoge heuvel is in deze uitgestrekte vlakte immers mijlenver te zien. Op die heuvel staat de ruïne van een kasteel, de zetel van graaf Bortynski, die Barnow in eigendom had. Alleen de machtige blokken zandsteen van de muren stonden nog overeind en op de binnenplaats de steunberen van de kapel en de rand van de bron, verder lag alles in puin, en aan de sombere ruïne waren heel wat griezelige sagen verbonden.

Er waarde, niet midden in de nacht, maar in de heldere zonneschijn, een vrouw door het kasteel, een lange, slanke vrouw in de kledij van voorbije tijden en zij wiegde zacht zingend een kind in haar armen. Dat kind had echter een rood bloedspoor in zijn hals en sloeg nooit zijn ogen op, al werd het door zijn moeder innig geliefkoosd en gekust.

Er was ook een vrolijk spook te zien, eveneens op klaarlichte dag: een jonge lijfeigene, die zijn hoofd echter niet op zijn nek, maar onder zijn arm droeg en graag bedelde bij iedereen die hij ontmoette. Zo vroeg hij de rijke, oude boer Fedko Czunteliak uit Altbarnow een keer een pijp tabak – heel vriendschappelijk, als aan een broer. De oude Fedko was toen stomdronken, maar toen het spook op hem af kwam, schrok hij zo hevig dat hij halsoverkop de berg af sprong en nuchter beneden kwam.

Ook kon je in de ruïne vaak een klok horen luiden: bim bam, het klonk luid en duidelijk en je hoorde het van ver. Maar wie het hoorde moest gauw zijn oren dichtstoppen. De klok had namelijk een eigenaardige klank; wie er te lang naar luisterde kende geen vreugde meer op aarde en verlangde naar de dood. Iemand had ook gezien wie de klok luidde: een jonge monnik met een moe en bleek gezicht…

Om deze spoken te weren hadden de boeren op de binnenplaats een groot, rood kruis opgesteld met een beeltenis van de Verlosser en een bordje met in het Roetheens: Heer, erbarm u over de zondaar! Maar ondanks het kruis meden ze de ruïne angstvallig en de joden deden dat weer vanwege dat kruis.

Ook Sender kromp ineen, toen hij plotseling voor de ingang van de ruïne stond, hij keerde zich om en sloeg haastig op de vlucht. Maar toen schaamde hij zich en was ook te nieuwsgierig om niet tenminste een blik op de binnenplaats te werpen. ‘Paljas is niet bang!’ mompelde hij halfluid om zich moed in te spreken.

Hij was op alles voorbereid, maar kon met de beste wil van de wereld nog niets griezeligs ontdekken. Tussen de vervallen muren heerste diepe verlatenheid en de zon scheen breed en volop op de stenen en het gras dat er vrolijk tussen opschoot. Duizend muggen zwermden als een gouden regen door de voorjaarslucht, witte vlinders cirkelden langzaam om de struiken in de binnenplaats en op de pijlers van de kapel kwetterden de mussen.

De jonge man liep door, maar toen hij de hele binnenplaats kon overzien, onderdrukte hij met moeite een angstkreet en bleef als versteend staan: in de hoek achter de kapel zat het spook zonder hoofd en ernaast blikkerde een groot zwaard in het gras!

‘Heer der heerscharen, laat tot stof vergaan wat niet op aarde hoort,’ mompelde hij moeizaam.

Dat was de verzuchting die een gelovige in zo’n bijzondere situatie slaken moet. Maar het spook verging niet tot stof en toen hij beter keek moest hij toegeven dat het helemaal niet zo griezelig gekleed was.

Het spook droeg een grijsbruin uniform met blauwe opslagen, een keizerlijk-koninklijke rijbroek en laarzen met sporen. Verder lag naast het zwaard een sjako, en dat deed geruststellend een bijbehorend hoofd vermoeden. En toen Sender moed vatte en beter keek, ontdekte hij dat het hoofd inderdaad op de goede plaats zat, alleen was het zo diep gebogen, dat je het nauwelijks onderscheiden kon.

‘Een sjouwer,’ mompelde Sender opgelucht, ‘en er is vast ook een kokkin in de buurt.’

Maar een vrouwelijk schepsel was nergens te bekennen. De soldaat was alleen en zat onbeweeglijk met zijn hoofd diep voorover gebogen.

Nieuwsgierig sloop Sender naderbij en slaakte onwillekeurig een zachte kreet van verwondering, want de man had een boekje op zijn schoot.

‘De sjouwer leest!’

Sender was buiten zichzelf van verbazing, want hij had zo’n kunst en zo’n bezigheid nooit achter een sjouwer gezocht…

De eenzame lezer was zo verdiept in zijn boek, dat hij de zachte kreet niet gehoord had en las snel door, bladzij na bladzij. In zijn smalle, ziekelijke gezicht gloeiden zijn wangen en lichtten zijn ogen, en nu verhief hij zijn stem en las op eigenaardige, aangrijpende toon, haast zoals je een gebed uitspreekt:

De Duitse vlag waait onverzwakt,

De halve aula is in dat oord –

En Windischgrätz heeft veel gemoord,

Maar hen niet in de pan gehakt,

De dappere Weense studenten!

Als God het wil, wordt nu heel snel

Het trotse vaandel weer ontvouwd,

De aula ziet het zwart-rood-goud

En vrolijk klinkt het lied, jawel,

Der dappere Weense studenten!

Hij was steeds luider gaan lezen, steeds voller en vaster klonk zijn stem en de laatste woorden riep hij juichend. Maar nu viel het boek uit zijn handen, hij staarde voor zich uit, sloeg toen plotseling zijn handen voor zijn gezicht en barstte in snikken uit.

Senders verbazing nam toe – van de woorden van het gedicht had hij natuurlijk niets begrepen. Maar nog meer dan de emoties van de man interesseerde hem het feit dat die kon lezen.

Aarzelend ging hij op de snikkende man af.

‘Neemt u me niet kwalijk,’ zei hij verlegen, ‘maar ik zou u graag iets willen vragen!’

Deze woorden hadden een ongehoorde uitwerking en zoiets had Sender in ieder geval niet verwacht. Dodelijk geschrokken sprong de soldaat op, zijn gezicht werd lijkbleek en zijn starre ogen vielen bijna uit hun kassen.

‘Wat wilt u?’ riep hij ten slotte, terwijl hij het boekje met zijn bevende handen omklemde, alsof hij het beschermen moest.

‘God,’ stamelde Sender, die op zijn beurt schrok. ‘Ik wil alleen maar wat vragen.’

‘Wat? Wie bent u?’

De man was nog steeds bleek van schrik en schoof het boek met een bevende hand in de schacht van zijn laars.

Daardoor vatte onze Sender weer moed.

‘Waarom schrikt u?’ vroeg hij met een superieure glimlach. ‘Ben ik een rover? Wil ik u neerslaan? Eén vraag maar –‘

‘Wat wilt u?’

Maar Sender wilde hem liever eerst op zijn gemak stellen.

‘Echt niets kwaads, meneer soldaat! U hebt een sabel en ik niet – ik ben echt blij als u me niets aandoet. Kijkt u eens, ik ben gaan wandelen, omdat het vandaag sabbat is, en opeens zag ik u zitten lezen. Ik was heel verbaasd. Want wat doet een soldaat van de intendance meestal als hij geen dienst heeft? Hij gaat naar de herberg van Roth-Moschele, die schooier, omdat hij nergens anders naar binnen mag, en hij drinkt tot hij onder de tafel ligt. Ik dacht: dat is een vreemde soldaat, die moet ik eens van dichtbij bekijken.’

‘Nou, dat hebt u nu gedaan!’

‘Ja, en u ziet er heel anders uit dan de anderen. U hebt een fijnbesneden gezicht – een goed gezicht – eerlijk waar! U wordt vast niet kwaad wanneer een arme jongen u iets vraagt. U bent vast wel zo vriendelijk om antwoord te geven.’

De soldaat was langzamerhand gekalmeerd.

‘Vraagt u maar,’ zei hij milder.

‘Straks. Maar waarom zegt u “u” tegen mij? U bent echt de eerste die dat doet. Ik ben voermansknecht geweest en nu ben ik leerling bij een horlogemaker en ik heet Sender en ben een joodse jongen – zeg dus maar “jij”.’

‘Tegen mij ook,’ antwoordde de man en glimlachte bitter. ‘Ik ben gewoon soldaat bij de intendance.’

‘God bewaar me,’ zei Sender afwerend. ‘U bent een man die kan lezen. Lezen! En juist daarom zou ik u iets willen vragen – namelijk – dus – is het moeilijk?’

‘Wat?’

‘Nou – Duitse boeken lezen. En hoe lang duurt het om dat te leren, als je erg je best doet?’

Weer glimlachte de man, maar nu was het een andere, goedmoedige glimlach.

‘Een paar weken,’ zei hij. ‘Wilt u het leren?’

‘Ik? Of ik dat wil?’ riep Sender hartstochtelijk. ‘Wat wil ik nog liever op de wereld? Niets! Niets!’

‘Waarom?’

‘Omdat ik komediant moet worden.’

‘Waaat?’ riep de soldaat verbaasd.

Het woord was de arme Sender zomaar ontsnapt. Maar nu keek hij de man in zijn gezicht: ondanks alle duisterheid en treurnis keken de blauwe ogen licht en open, als die van een kind. En daarom vatte Sender nu moed.

‘Ja,’ zei hij, ‘komediant. Iemand moet ik het vertellen, anders krijg ik het benauwd.’

En hij vertelde de wildvreemde man alles en alles.

De soldaat luisterde rustig en ernstig, alleen gleed er soms bliksemsnel een glimlach over zijn bleke, vermoeide gezicht. Toen Sender eindelijk klaar was, slaakte hij een diepe zucht.

‘Goed, jongen,’ zei hij, ‘jij bent beter te helpen dan ik!’

Sender wilde vragen waarom, maar hij durfde niet: zo’n diepe treurnis lag er op het gezicht van de soldaat.

‘Zult u me niet verraden?’ durfde hij eindelijk te vragen.

‘Nee – en jij mij ook niet?’

‘Ik?’ vroeg Sender, ‘wat kan ik van u verraden? U zat te lezen en te huilen – uw kameraden zitten bij Roth-Moschele en hangen de beest uit – dat pleit alleen maar voor u – echt waar!’

‘En als je het verder vertelt en mijn ritmeester hoort het toevallig, wat denk je dan dat hij met me doet?’

‘Weet ik veel? – Dan krijgt u een compliment…’

‘Een compliment?’

De soldaat lachte bitter en zei toen langzaam en tandenknarsend: ‘Dan laat hij me op de bank leggen en half dood slaan!’

‘God bewaar ons!’ riep Sender geschrokken. ‘Ik zal zwijgen als het graf! Maar,’ vervolgde hij aarzelend, ‘neem me niet kwalijk – ik begrijp dat namelijk niet. Bij ons joden mag je geen Duitse boeken lezen, omdat de chassidiem zeggen dat het een zonde voor God is. Maar u bent toch geen jood – of is het voor soldaten ook verboden?’

‘Voor soldaten? Nee. Voor de meesten tenminste niet. Maar voor mij is het verboden.’

‘Voor u alleen?’

‘Voor mij en nog een paar honderd anderen, die door dezelfde vloek getroffen zijn als ik.’

‘Een vloek? Wie heeft u dan vervloekt? Bij ons vervloekt de rabbi – bent u ook door een geestelijke vervloekt?’

‘Nee.’

‘Door wie dan?’

‘De reactie.‘

‘Wie is dat?’ vroeg Sender. ‘Het lijkt wel – een vrouw – Aha, zeker een liefdesaffaire…’

De soldaat moest glimlachen, ondanks zijn diepe droefheid.

Hij schudde zijn hoofd.

‘Nee? Neemt u me dan niet kwalijk,’ merkte de jonge man verlegen op, ‘maar dat dacht ik echt.’

‘Het was geen liefdesaffaire,’ zei de soldaat, ‘en de reactie is geen vrouw. Maar als je haar zo zou willen uitbeelden, dan zou je een lelijke heks moeten schilderen met slangen om haar hoofd en martelwerktuigen in haar handen…’

‘Dat begrijp ik niet – neemt u me niet kwalijk…’

‘En je zou het ook niet begrijpen, al legde ik het nog zo goed uit.’

‘Hm,’ zei Sender zelfverzekerd, ‘ik ben echt niet dom, eerlijk waar: heel slim ben ik. Probeert u het maar, dan begrijp ik het wel. En dan: misschien is het net als met mij: u moet iemand hebben bij wie u uw hart uit kunt storten…’

De soldaat knikte treurig.

‘Dat zou wel een groot geluk zijn,’ zei hij zacht, ‘een geluk waar ik al lang hevig naar verlang… Luister dan maar. Heb je wel eens van de aula gehoord?’

‘Dat klinkt weer als de naam van een christelijke vrouw,’ zei Sender aarzelend. ‘Nee, ik heb nog nooit van haar gehoord.’

‘En van de revolutie?’

‘Natuurlijk. Die is nog maar vier jaar geleden. De Keizer gaf de grote Revolutie, en alle mensen zetten kaarsen in hun ramen.’

‘Dat was de Constitutie –‘

‘Kan zijn, dat die er ook bij was, maar bij ons zeiden ze “De Revolutie”. Ik reed in die tijd als koetsier het hele land door en heb de zaak overal bekeken, en ik herinner het me alsof het gisteren gebeurd is. Zo tegen de lente werden de mensen opeens gek van vreugde. Waarom? De studenten in Wenen gooiden bij de Keizer de ruiten in, maar hij vergaf het en deed ze bovendien de grote Revolutie cadeau. Alle boeren moesten vrije mensen zijn, de joden moesten gelijke rechten krijgen als de christenen en ieder mens mocht alcohol verkopen en tabak verbouwen! En de belastingen, zeiden ze, werden verlaagd en zouden mettertijd helemaal ophouden. Hoe er toen gejuicht werd – niet te beschrijven! Hebt u daar niets van gehoord?’

‘Jazeker!’

‘Nou dan. Ook de Polen reden rond met grote sjerpen om hun lichaam en ze riepen: “Nu wordt Polen weer verenigd!” Er kwam een ambtenaar van het districtskantoor met het bevel: iedereen moet de wapens grijpen om de Keizer te beschermen en de Revolutie te beschermen, want de Polen willen de Keizer ontrouw worden en de Revolutie iets aandoen! Wat ze die wilden aandoen wist eigenlijk niemand, maar iedereen greep de wapens: sabels, geweren of hooivorken, en al waren de sabels bot en de geweren niet geladen, iedereen was toch bang van zijn eigen wapen. Maar iedere dag moest de hele gemeente ’s morgens vroeg uitrukken voor een oefening, de “Natsenal” heette die.

‘De Nationale Garde?’

‘Ja, de “Natsenal”. Veel hadden ze niet uitgericht tegen de Polen, maar gelukkig waren de boeren er nog, die slepen hun zeisen en zeiden: “Wie tegen onze Keizer opstaat, die slaan we dood.” Toen hielden de Polen zich opeens koest en ze zeiden: “Het was maar een grapje!” En in de herfst bleek dat de rest jammer genoeg ook een grapje was geweest: de hele keizerlijke Revolutie, waar we ons zo op hadden verheugd. Een jood bleef een jood, met net zo weinig rechten als vroeger, de belastingen hielden niet op, maar werden juist hoger dan ooit, wie tabak verbouwde moest die aan het keizerlijk pakhuis afstaan, en het recht om alcohol te verkopen hadden alleen de landbezitters, net als vroeger. Alleen de boeren bleven vrij en hoefden geen herendienst meer te verrichten. Ze zeiden dat de Keizer de Revolutie weer teruggedraaid had, omdat de studenten nog een keer brutaal tegen hem waren geweest. En toen hoorden we dat de Hongaren tegen onze soldaten vochten, en toen kwamen de Russen, en toen die terug waren, was alles in orde en heel stil en heel rustig…’

‘Ja,’ zei de soldaat met een bittere glimlach. ‘Heel rustig: de rust van het kerkhof. Maar als er een God in de hemel is, komt er weer een keer rumoer, veel rumoer – en dan zul je weer wat van de Weense studenten horen…’

‘Mij best,’ zei Sender bedaard. ‘Maar wat gaat ons tweeën dat aan?’

‘Mij gaat de Revolutie aan. Want die was de trots en de vreugde van mijn leven, en is mijn ongeluk geworden. Luister: ik was zelf bij die Weense studenten die, zoals jij het noemt, “brutaal tegen de Keizer waren”. En om die “brutaliteit” hebben ze mij eerst ter dood veroordeeld en toen “gratie” verleend en me als gemeen soldaat levenslang bij de intendance gedaan…’

‘Levenslang?’ riep Sender geschrokken. ‘Dat is een vreselijke straf! Neem me niet kwalijk, maar dan bent u waarschijnlijk heel brutaal geweest. Hebt u bij de keizer misschien – neem me niet kwalijk – nog een keer de ruiten ingegooid?’

‘God bewaar me! Nooit!’

‘De voorzitter van ons district is dat drie keer overkomen! Of hebt u hem zelfs – maar dat zal wel niemand durven – hebt u uw tong naar hem uitgestoken?’

‘Alsjeblieft! Met onze eerbied voor de Keizer had het niets te maken. Misschien zal nog een keer blijken dat wíj de Keizer trouw zijn geweest en niet degenen die ons vervolgden! Maar dat begrijp jij toch niet.’

‘Nee,’ zei Sender. ‘Maar uw straf begrijp ik – die is heel zwaar. En waarom moest u per se bij de intendance? Daar dienen toch de ruwste mensen?’

‘Juist om de straf te verzwaren.’

‘En waarom mag u geen boek lezen?’

‘Dat ik mettertijd een beest word, dom en afgestompt, dat ik gehoorzaam ben als een machine.’

Wanhopig sloeg de man zijn handen voor zijn gezicht.

‘Arme man,’ zei Sender, en de tranen sprongen in zijn ogen. ‘U bent er echt erger aan toe dan ik. Want ik weet nog niet wat in de Duitse boeken staat en wil het alleen graag weten, maar u hebt het al geleerd en u moet het vergeten. Ik kan me voorstellen dat dat heel veel pijn doet. En dan – nu bent u bij de intendance, en anders was u zeker dokter geworden, nietwaar?’

De soldaat knikte.

‘En u had mensen beter gemaakt.’

‘Nee, doctor in de filosofie: ik wilde professor worden, leraar aan een universiteit –‘

‘Leraar,’ riep Sender, en zijn ogen schitterden. ‘O, als u –‘

Hij hield in, want hij durfde het toch niet te zeggen.

De soldaat knikte vriendelijk.

‘Ik wil je graag leren lezen,’ zei hij. ‘Of het verstandig is wat je wilt, weet ik echt niet en daar kan ik niet over oordelen, maar dat beetje kennis kan nooit kwaad.’

Sender vouwde zijn handen.

‘Dank u wel,’ stamelde hij en de tranen stroomden over zijn wangen.

De ander schudde zijn hoofd.

‘Nee, arme jongen,’ zei hij, ‘misschien moet ik jóu bedanken. Nu heb ik weer iemand met wie ik kan praten, die me niet kwelt of belachelijk maakt. En dan – hoe vaak ben ik daar beneden niet op de brug blijven staan om naar de golven te kijken, lang, te lang… Het is goed als je een doel voor ogen hebt en kunt zeggen: er is iemand die op je wacht en die je nodig heeft.’

Sender knikte ernstig. Hij had niet helemaal begrepen wat de soldaat bedoelde, maar hij wist: dat is een goed mens en hij heeft verdriet…

Daarom durfde hij niets te zeggen en ook de soldaat zweeg.

Ten slotte vatte Sender moed en vroeg: ‘Neem me niet kwalijk – gaat u me hier lesgeven?’

‘Waar anders?’ was het antwoord. ‘We hebben er allebei belang bij niet gezien te worden. Ik heb eens in de drie dagen geen dienst en dan wil ik wel hier komen.’

‘God belone u,’ zei Sender. ‘Heb ik een leerboek nodig, net zoals de zoon van de dokter?’

‘Dat zou mooi zijn.’

‘In de winkel bij Jossef Grün zijn ze te koop, dertig kreuzer kost zo’n boek. Maar daar durf ik niet naar toe. Dan vragen ze waar ik het voor nodig heb.’

‘Nou,’ zei de soldaat, ‘dan moet het zonder leerboek. De letters kan ik je uit mijn boek hier leren, het enige dat ik heb.’

Hij trok het uit zijn laars; een klein, versleten boekje met een scheur in de band.

‘Is dat een gebedenboek?’ vroeg Sender.

‘Nee, maar het heeft me meer troost gegeven dan als het een gebedenboek geweest was.’

De jood pakte het met eerbiedige verbazing aan en zocht de titel. Die vond hij natuurlijk waar bij Hebreeuwse boeken, waarin de tekst van rechts naar links loopt, altijd het einde staat.

‘Verkeerd gedrukt,’ mompelde hij verbaasd.

Maar nog verbaasder werd hij, toen hij in het boekje bladerde.

‘Wat een verkwisting,’ zei hij, ‘wat ondoordacht. Waarom zijn de regels zo kort, rechts en links is er nog zoveel ruimte.’

‘Het zijn gedichten,’ legde de ander uit. ‘Die heeft een bijzondere man geschreven die bij ons in Wenen was. Ik heb het boekje op doortocht in Moravië van een moedige man gekregen, die medelijden met me had. Een groter cadeau had hij me niet kunnen geven. Ik heb het boekje altijd bij me, al is dat heel gevaarlijk. Als iemand erachter komt, loopt het slecht met me af!’

‘Waarom?’

‘Waarom?’ glimlachte de soldaat. ‘Omdat de man die de gedichten geschreven heeft ook bij de mensen hoorde die “brutaal tegen de Keizer” waren. Door toeval is hij ontsnapt aan het lot dat mij getroffen heeft of iets dergelijks. En weet je dat die man ook een jood is?’

‘O! – hoe heet hij?’

‘Moritz Hartmann.’

‘Ook uit Polen?’

‘Nee, uit Bohemen. Ook over de mensen van jouw geloof staat veel goeds in het boekje, en dat moet je leren begrijpen.’

‘Goed,’ knikte Sender. ‘Maar op andere dingen verheug ik me nog meer. Want weet u, van joden heb ik al veel verstand. Dus overmorgen, maandag – na het eten kom ik hiernaartoe.’

‘Ik kom precies op tijd,’ beloofde de soldaat.

Ze gingen uit elkaar om over verschillende paden naar het stadje te gaan…

 

manna: voedsel dat God uit de hemel liet neerdalen om de Israëlieten te voeden op hun uittocht uit Egypte.
Roetheens: Slavische taal, gesproken in het oosten van het toenmalige Oostenrijk-Hongarije.
Weense studenten: studenten uit de revolutie van 1848 in Wenen.
Windischgrätz: Oostenrijks veldmaarschalk, die meewerkte aan het neerslaan van de revolutie van 1848.

 

Hoofdstuk 8

Zo werd Senders wens vervuld, zij het op een bijzonder vreemde manier: de voormalige Weense legionair Heinrich Wild werd zijn leraar en Moritz Hartmanns Rijmkroniek van de priester Mauritius zijn leerboek.

Van zo’n leraar en uit zo’n leerboek leer je meer dan alleen lezen. Er heerste de volgende maanden enige verwarring in het hoofd van Paljas. Als de ochtendzon opkomt, moet die een harde strijd leveren tegen de schaduwen van de nacht en de nevels van de schemering. Heinrich Wild had een zware taak op zich genomen.

Maar hij volbracht die graag, naar beste kunnen en met groeiende ijver. Het was niet makkelijk uit te maken wie er meer naar die uren tussen de eenzame muren verlangde, de leraar of de leerling. Ze moesten afzonderlijk omhoogsluipen en beiden soms erg hun best doen om ongemerkt weg te komen. Toch kwamen ze op tijd, omdat ze elkaar mochten en omdat ze elkaar iets te bieden hadden: de leerling bood de leraar een ontvankelijk en meelevend hart, de soldaat de arme joodse jongen een kijkje in de vreemde wereld waar hij naar verlangde, het middel tot het doel dat de leid-ster van zijn dagen was en de droom van zijn nachten…

“Theater!” In de Rijmkroniek stond er helemaal niets over. Die verzen, waarin een naar vrijheid dorstend hart tiert en steunt, zegent en vervloekt, spot en huilt, hoopt en wanhoopt, die hakkelende, onhandige en toch zo aangrijpende verzen schilderden ook wel een tragikomedie, maar dan een echte en waarachtige, die de mensen zelf kort tevoren hadden beleefd. Het pulserende leven van deze tijd lag erin met heel zijn dynamiek. Daarom kon Sender er zonder zijn leraar nog geen regel van begrijpen, en de ex-legionair moest veel uitleggen, vooral omdat Sender net als zijn soortgenoten onophoudelijk nieuwe vragen stelde. Maar over welk onderwerp ze het ook hadden, over Goethe of Frankfurter worst, over Windischgrätz of de Noordzee, Sender vond uiteindelijk toch de overgang naar het brandpunt van zijn gedachten.

Op een keer lazen ze in de Kroniek het mooie gedicht De arme jood. Een gebogen Hebreeër sluipt naar de tent van Kossuth en brengt de dictator het laatste wat hij bezit:

Wat ik nog heb aan have en goed

En wat ik kon redden: mijn leven en bloed,

Dat geef ik aan mijn geboortegrond,

Het Hongarije dat nieuw ontstond!

Sender beleefde er plezier aan.

‘Zo zie je,’ zei hij trots, ‘dat wij joden ook dankbaar zijn, als we goed behandeld worden.’

Wild sterkte hem in deze trots en wees erop dat de reactie ook de rechten van de joden weer beknot had.

‘Dat is waar,’ zei Sender. ‘Maar,’ voegde hij er aarzelend aan toe, ‘zo slecht is dat toch ook weer niet en ik zou me niet beklagen –‘

‘Wat?’ vroeg de ander verbaasd.

‘Nou, een jood mag toch ook komediant worden?’

Een andere keer lazen ze de aangrijpende klacht:

Vergeefs heeft Duitsland veel gebeden,

Voor de God der vrijheid diep geknield,

Mijn arme Wenen, je hebt geleden,

Ze braken je en trapten na

Als Scipio Numantia

En als het land van de Carthagers.

En bij de aangrijpende tekst wist de arme student uit eigen herinnering bloedige, schokkende beelden te schilderen.

De jonge man luisterde met gloeiende wangen en zijn vuisten balden zich. Daarna verzonk hij in een diep gepeins.

‘Dat was mooi,’ mompelde hij, ‘alle mensen zouden moeten huilen…’

‘Hoe bedoel je?’

‘Ik bedoel: als je dat op het toneel na zou spelen. Dan zou ik een student willen zijn of misschien die oude arbeider waarover je vertelde.’

‘En dat is alles wat je daarbij voelt?’ riep Wild verontrust. ‘Zoveel bloed en zoveel tranen, en jij denkt alleen maar hoe je dat na zou kunnen apen?’

Sender kromp ineen en keek hem geschrokken aan.

‘Neemt u me niet kwalijk…’ stamelde hij. ‘Ik begrijp niet…’

‘Voel je dan niet mee met al die ellende?’

‘Natuurlijk!’ verzekerde Sender beledigd. ‘Wat denkt wel van mij? Maar juist daarom denk ik bij mezelf: het zou de moeite waard zijn om het na te spelen…’

‘Theater! Wat daar niets mee te maken had interesseerde Sender niet en wat hij er niet voor gebruiken kon deed hij niet, of in ieder geval niet graag.

Zo spande hij zich bijvoorbeeld bij het schrijven in het begin bovenmenselijk in. Hij had alleen ’s nachts in een afgesloten kamer gelegenheid om de voorbeelden van zijn leraar na te schrijven, want overdag konden zijn baas en zijn moeder zien wat hij deed. En zo zat hij bij het licht van zijn armzalige olielampje urenlang wel honderd keer onverdroten dezelfde letter of hetzelfde woord te schrijven.

Moedig streed hij tegen de vermoeidheid, maar op een keer vielen toch zijn ogen dicht en hij werd pas wakker toen er een stuk van de brandende pit op zijn hand viel en een brandwond veroorzaakte. Dat vond hij wel erg vervelend en toen hij de volgende dag op de binnenplaats van het kasteel weer voor de soldaat stond, vroeg hij deemoedig: ‘Neemt u me niet kwalijk, maar moet een komediant een mooi handschrift hebben?’

‘Waarom?’ vroeg Wild.

‘Daarom.’

En Sender liet zijn brandwond zien.

‘Ach,’ besloot zijn leraar, ‘een komediant hoeft niet per se een mooi handschrift te hebben, als hij maar leesbaar schrijft, net als iedereen met een schoolopleiding.’

Sender knikte vrolijk. Vanaf dat moment oefende hij iedere nacht maar een half uur. Hij moest en zou Hoogduits spreken en langzamerhand lukte hem dat ook verrassend goed. Zijn bijzondere imitatietalent kwam hem daar heel goed van pas. Nadat hij ooit als kind zijn oude vriend Fedko door zijn zuivere Roetheens ernstig had laten twijfelen aan zijn joodse afkomst, liet hij nu de soldaat door zijn zuivere uitspraak versteld staan.

Toch ging de zaak niet van een leien dakje en had vreemde en komische kanten.

Wild was in het benedendal van de Inn geboren en opgegroeid, en al sprak hij ook Standaardduits, het grofkorrelige Tiroolse dialect klonk daar toch duidelijk in door. Met de goede dingen imiteerde Sender natuurlijk ook deze eigenaardige gebreken en sprak daarom Duits alsof hij in Jenbach geboren was of in een ander katholiek bolwerk. Verder slaagde de jonge man er wel in alle hebbelijkheden van zijn eigen jargon, voor zover die op toonval en uitspraak betrekking hadden, te vermijden, maar zijn Duitse woordenschat was niet zo groot en daarom moest hij uiteindelijk toch op zijn gebruikelijke Jiddisj gekleurde Duits terugvallen. Kortom: Senders Duits klonk alsof een Tiroler het dialect van de Poolse joden sprak.

Het was onbeschrijfelijk hoe komisch dat klonk. De ongelukkige soldaat, wiens lot hem anders niet bepaald opgewekt stemde, stikte soms van het lachen, tot Sender beledigd riep: ‘Alstublieft, ben ik een gebhoren Dhuitser?’

Dan zweeg Wild, want hij wilde zijn leerling niet ontmoedigen, en hoe hij de uitspraak kon verbeteren wist hij eerst ook niet. ‘Misschien slijt het wel,’ dacht hij, ‘als hij onder gestudeerde mensen is.’ Daarentegen vervulde de dolle wirwar die in dat hoofd heerste hem nog steeds met zorg, en meer dan eens bekroop hem de gedachte dat hij Sender met zijn wonderlijke onderwijs meer kwaad dan goed deed. De historische kennis van de jonge man bleef beperkt tot de bijbelse geschiedenis en de gebeurtenissen van 1848 en uit de mist die daartussen lag doken alleen de namen van keizer Titus en Napoleon op, omdat die respectievelijk als vijand en vriend van de joden ook in het verste hoekje van het getto een onsterfelijk leven leidden – die werden nu in een dolle werveling gevolgd door Gagern, Radowitz, Arndt en Robert Blum. Van vreemde landen en volken wist Sender bijna niets, en dat de aarde rond was en om de zon draaide nam hij alleen uit beleefdheid van zijn leraar aan. Maar wat hij als het ware toevallig hoorde bleef dan ook hangen en als het ook maar iets met zijn ideaal te maken had, vergat hij het nooit meer. Zo spelde hij op een keer voor zijn leraar de volgende passage:

De arme Hongaren moesten ‘t ervaren,

Zij boetten ervoor dat voor honderd jaren

Ze “moriamur pro rege” riepen

En blij de dood en ‘t verderf in liepen

En redden een vorstelijke vrouw

Wild legde uit dat Maria Theresia bedoeld was en hoe die op de landdag in Bratislava bij de standen het enthousiasme had laten ontvlammen.

Sender luisterde opmerkzaam. ‘Dat zou ook een mooi toneelstuk zijn,’ zei hij. ‘Heeft niemand dat nog opgeschreven?’

Wild schudde zijn hoofd. ‘Altijd maar weer dat theater!’ zei hij afkeurend. ‘Andere dingen onthoud je niet.’

‘Waarvoor heb ik die andere dingen dan nodig?’ verontschuldigde Sender zich. ‘Toch weet ik echt al wat: ik ken al vier grote koninginnen. De koningin van Sjeba, die bij Salomo op bezoek kwam, en koningin Ester, die Haman heeft laten ophangen, en Maria Theresia en dan Elizabeth.’

‘Welke Elizabeth?’

‘De Engelse koningin, die in de tijd van Sjikspier leefde!’

Wild lachte. ‘Hoe weet je dat?’

‘Toen ik u het toneelstuk over Sjailok vertelde, zei u: ‘Dat heeft een Engelsman geschreven in de tijd van de grote Elizabeth.’ Maar iedereen heeft het nog over hem en over haar? Dus leefde zij onder hem!’

Door dergelijke uitspraken kreeg de leraar weer meer vertrouwen. Een goed geheugen, veel verstand en een aandoenlijke wilskracht waren aanwezig en misschien lukte het geleidelijk orde in die chaos te scheppen. En met nieuwe moed nam hij het werk weer op.

Zo gingen de lessen door tot diep in de herfst. De dagen werden korter en korter en de oktoberregens kwamen. Treurig zaten leraar en leerling onder een afdak van de kapel, die nog een beetje bescherming bood, te piekeren over de vraag waar ze in de winter bij elkaar konden komen. Maar goede raad was duur en hoe ze ook piekerden, ze vonden geen oplossing.

Maar die zorgen waren helaas overbodig geweest.

Toen Sender de laatste sabbat van oktober ondanks storm en regen op het afgesproken uur bij de ruïne kwam, trof hij de soldaat niet, al wachtte hij tot het vallen van de schemering.

‘Hij is opgehouden door het slechte weer,’ troostte hij zichzelf, maar dat was een schrale troost: hij wist immers dat slecht weer hem anders nooit had opgehouden.

Inderdaad wachtte hij ook dinsdag, een milde, gouden herfstdag, vergeefs op zijn leraar.

‘Hij is ziek,’ dacht Sender bedroefd. En hij besefte nu pas hoe graag hij de zachtmoedige, melancholieke man mocht.

Hij besloot inlichtingen over hem in te winnen.

‘Misschien,’ dacht hij, ‘kan ik naar het hospitaal gaan om hem stiekem wat te drinken of wat geld te brengen.’

Zo sloop hij rond de ziekenbarak en probeerde een manier te bedenken om in contact met zijn vriend te komen. Toen zag hij een man van de intendance naderbij komen die zijn arm in een mitella droeg. Hij stapte op hem af.

‘Donder op, vervloekte jood!’ riep de soldaat grimmig. Het was een Tsjech met een ruw en dom gezicht, die alleen maar gebroken Duits sprak.

‘Neemt u me niet kwalijk…’ begon Sender deemoedig.

‘Houd je bek, hond!’

‘Maar meneer de sergeant! Wilt u geen vijf kreuzer verdienen?’

Dat werkte. ‘Ja – geef – jood!’

‘Vertelt u mij dan alstublieft of uw kameraad Heinrich Wild binnen is.’

‘Is hond!’ schreeuwde de soldaat en werd vuurrood van woede, ‘heeft mij geslagen met sabel – heeft geslagen Martin – heeft geslagen pikeur –‘

‘God beware ons,’ riep Sender geschrokken. ‘Hoe is dat gebeurd?’

‘Waarom jij vraagt, jood?’

‘Omdat –‘ Sender haperde en loog toen haastig: ‘Omdat ik nog geld van hem krijg voor borrels.’

‘Hoho!’ brulde de soldaat, ‘krijgt geld nooit, jood! Wild slaag – kapoet!’

‘Dood?’ riep Sender, en zijn hart stond stil van plotselinge pijn.

‘Niet vandaag. Over morgen, overmorgen. Is gebracht naar staf – staf in Kolomea – wordt geëxecuteerd!’

‘Geëxecuteerd!’ kreunde Sender.

‘Is rebel, is hond vervloekt – verdient strop, niet eerlijke kogel.’

‘Maar hoe is het gebeurd?’

De stem van de arme jongen begaf het.

‘Geef eerst vijf kreuzer, jood!’

Nadat hij de munten gekregen had, vertelde de soldaat: ‘Weet, jood – Wild is geweest gemene kerel, student vervloekte. Nix vrolijk! Nix meisjes! Nix drank! Wij alle niet gemogen hem, commandant zegt altijd: “Gemene kerels hoogverraders!” Komt commandant vrijdag nacht in kazerne, komt in slaapzaal, zegt trompetter: “Allarm blazen, wil zien of is orde.” Trompetter blaast. Wij springen alle op, Wild ook. Maar daar boekje valt wat gedragen onder hemd. Wil snel verstoppen, maar commandant ziet en roept: “Boekje hier!” Wild wordt als lijk, zegt: “Ik geef niet!” Commandant roept: “Soldaten, pak af boekje!” Wij op Wild. Maar Wild op bed, trekt sabel, zwaait in rondte, roept: “Wie mij aanraakt wordt kapoet!” Wij toch op hem. Maar hij slaat mij met sabel en kameraad Martin en pikeur. Eindelijk hebben toch gepakt hem en gebonden. Als commandant openslaat boekje, hij schudt hoofd: “Is van papen, kan niet zijn verboden!” Maar dan hij leest in boekje, beeft van woede, zegt: “Hond wordt geschoten.” En zaterdag Wild heeft gekregen vijftig stokslag, tot is liggen gebleven als dood. Maar vanochtend dokter zegt: “Kan op transport!” Laat commandant laden op wagen, brengen naar krijgsraad, naar staf in Kolomea…’

‘En wat gebeurt er met hem?’ jammerde Sender.

‘Waarom schreeuwen, jood? Sla kruis over je geld – krijgt niet terug! Wordt geëxecuteerd, hoogverraad vervloekte!’

De soldaat liep weg.

Verdoofd bleef Sender staan, alsof de bliksem hem getroffen had. De tranen stroomden onophoudelijk over zijn wangen, maar hij merkte het nauwelijks. Hij had een dof gevoel in zijn hoofd en pijn, veel pijn in zijn hart.

Hij wilde niet naar huis en nog minder naar zijn baas. Daarom sloop hij op een eenzame plek het stadje uit en wierp zichzelf in de rode hei om uit te huilen.

Hij huilde alleen om zijn arme vriend. Pas toen hij gekalmeerd was dacht hij aan zichzelf en dat hij nu geen leidsman en leraar meer had. Maar toen huilde hij niet meer, maar prakkiseerdde rustig en beheerst over de vraag wat hij nu beginnen moest.

Pas ’s avonds kwam hij thuis.

Zijn moeder schrok toen ze hem zag.

‘Wat is er met je?’ riep ze. ‘Je ziet doodsbleek!’

‘Niets,’ zei hij afwerend, ‘een beetje hoofdpijn. Morgenochtend ben ik weer helemaal beter, dat beloof ik.’

Die belofte kwam hij ook na.

Rustig en stil ging hij de volgende morgen aan het werk. Hij had zijn besluit genomen. ‘Ik kan Duits lezen, schrijven en spreken,’ zei hij tegen zichzelf. ‘Wat ik mis, zijn boeken. Als ik daaraan kan komen, blijf ik. Ik zal mezelf wel helpen.’

En hij piekerde over de vraag hoe hij aan boeken kon komen. Dat was heel moeilijk, want maar weinig mensen in Barnow hadden Duitse boeken. De dokter van de stad stond bekend om zijn grote mensenliefde, en Schlome Grünstein was een zachtmoedige, goedhartige man – ‘maar,’ dacht Sender, ‘misschien vinden ze het dwaas of zondig wat ik wil en verraden ze me toch.’

Een andere weg leek hem veiliger en verstandiger. De enige grote bibliotheek van het stadje en zelfs van het district bevond zich in het dominicanenklooster. Ze stamde uit vroeger dagen, toen de orde nog heel rijk was en zich die luxe kon veroorloven. Daar waren ook Duitse boeken, zelfs opvallend veel, waaronder ook boeken die je in een gewijde boekerij niet zou verwachten.

Dat had een speciale reden. Toen het land onder Oostenrijkse heerschappij kwam, had het slimme keizerlijk-koninklijke militaire bestuur, dat het land in naam en in de geest van keizer Joseph organiseerde, met ijver en geluk zijn best gedaan om in ieder klooster dat het niet opheffen wilde of kon toch minstens twee paters uit de Duitse erflanden onder te brengen. En als het enigszins kon werd een van hen tot prior benoemd. De redenen hiervoor waren makkelijk te begrijpen. De belangen van een Duitse priester verschilden niet van die van de regering in het pas veroverde land. Zo was ook in het laatste decennium van de achttiende eeuw een slim, gezapig monnikje uit Breisgau, pater Stephanus, prior in Barnow geworden, en bleef dat bijna veertig jaar. Maar hoe zachtmoedig en licht hij en zijn broeders het juk van het godgevallige beroep ook droegen, hij voelde zich in het vreemde land toch nooit helemaal op zijn plaats en liet daarom als troost zoveel Duitse boeken uit zijn land van herkomst komen als de kloosterkas maar kon betalen. De goede Stephanus las graag een goed boek en verzamelde een hele rij klassieken, maar haast nog liever zal de dikke, vrome heer slechte boeken gelezen hebben, als die maar heel vermakelijk waren. Toen de paters na zijn dood de inventaris van de bibliotheek opmaakten, schrokken ze zich een ongeluk en lazen in hun vrome schrik al dat soort boeken meer dan één keer. Maar daarna raakte de merkwaardige schat langzamerhand in vergetelheid en in de loop van de tijd werden de boeken van Stephanus met eenzelfde laag stof bedekt als de zware, vrome folianten. Want het klooster verarmde meer en meer, de broeders werden uit steeds lagere milieus gerecruteerd en ten slotte waren er nog maar moeilijk leerkrachten voor de kloosterschool te vinden, al werd daar echt maar heel eenvoudige wijsheid onderwezen.

De bibliotheek lag verlaten en behalve de spinnen en muizen heerste er nog maar één man over de twee hoge, donkere zalen. Dat was de vroegere pachter en huidige beheerder van het klooster, Fedko Hayduk, de zwijgzame oude man die de kleine Senderko ooit zo aardig gevonden had. Hij hield zich aan zijn taak en zorgde ervoor “dat er niets wegraakte”, maar voelde zich niet verplicht om te voorkomen dat de voorraad groter werd. En zo werd de stofdeken steeds dichter en het aantal muizen steeds aanzienlijker.

Op Fedko vestigde Sender nu zijn hoop, of liever alleen op de mooie, koperkleurige neus van de man. Hij wist van de verrottende boekenschat in het klooster, net als ieder kind in Barnow, en ook dat het alleen van Fedko afhing of hij er toegang toe kreeg.

‘Een man,’ dacht hij, ‘die zo’n neus in zijn gezicht heeft, is vast niet onbarmhartig als je hem benadert met vriendelijke woorden en een goede borrel.’

En dat probeerde hij dan ook al de volgende dagen. Hij zocht de oude man op in zijn stamkroeg. Fedko zat in de hoek waar hij al jaren zat, zwijgend te drinken en stil voor zich uit te glimlachen. Hij was een eenzame drinker en had aan overbodig gepraat net zo’n hekel als aan water, voor zover het niet gebrand was.

‘Hé, goedendag, beste Fedko,’ begon Sender vriendelijk, terwijl het hart hem van angstige spanning in zijn keel klopte, ‘je wordt elke dag jonger, echt waar, elke dag! Hoe lang is het geleden dat we gebabbeld hebben? Misschien al een jaar. Toen heb ik je van de pachtboerderij van de monniken mee naar Barnow genomen. Je had haast, want het was je naamdag.’

‘Ja, ja,’ knikte de oude vriendelijk en keek vervolgens weer in zijn glas.

‘We hebben zo vrolijk gekletst, je vertelde me over al die muizen in de bibliotheek.’

‘Hm! – klopt!’

‘En je vroeg of ik er geen middel tegen wist. Dat wist ik niet. Maar kortgeleden heb ik een feilloos middel ontdekt.’

‘Ik denk dat je je vergist,’ zei Fedko bedachtzaam. ‘Ik heb die muizen nooit dood willen maken. Dat zijn net zo goed schepselen van God –‘

‘Maar ze knagen de boeken kapot.’

‘Stoort het je?’

‘Nee – ja –‘ stotterde Sender verlegen.

Maar toen kwam hij op een reddende gedachte.

‘Laat die muizen maar zitten!’ riep hij. ‘Ik bedenk opeens dat het vandaag precies een jaar geleden is dat we bij elkaar waren. Het is vandaag je naamdag.’

‘Nee, beste Senderko.’

‘Jammer!’ riep die. ‘O, wat jammer! Ik had ter ere van die dag juist een fles slivovitsj willen bestellen.’

‘Zozo!’ De oude dacht na, lang en gewetensvol.

‘Nee,’ zei hij toen, ‘al spijt het me, het is vandaag niet mijn naamdag.’

‘Dan vieren we die alvast!’ riep Sender. ‘Hé – een fles!’

De slivovitsj kwam. Fedko leegde langzaam het volle glas en klakte tevreden met zijn tong.

Vervolgens keek hij de jonge man vriendelijk aan en zei: ‘Zeg nu maar wat je op je hart hebt.’

‘Wat?’

‘Wat je van me wilt.’

‘Ik – eh, echt niets –‘

‘Alleen God de Heer heeft wonderen verricht,’ zei Fedko langzaam en gewichtig, ‘en daarna zijn zoon, Christus, onze Heer. Maar nu gebeuren er geen wonderen meer. En daarom betaalt geen jood een slivovitsj, als hij niet iets wil.’

‘Nou ja. Maar verraad je me niet?’

Ik?’

‘Ik weet dat je niet kletst. Je bent ook een goed mens en je zult me niet ongelukkig maken. Daarom: ik wil de bibliotheek van de monniken bekijken.’

Fedko dacht lang na, wel vijf minuten. Ten slotte zei hij: ‘Ik wou vragen waarom. Maar dat gaat me niets aan. Helemaal niets. Dus alleen kijken? Ja.’

‘En een boek mee naar huis nemen, en als ik het terugbreng, een ander.’

‘Nee,’ antwoordde de oude direct en vastbesloten. ‘Om de dooie dood niet. – Al bied je vijf gulden. De prior heeft gezegd: ‘Fedko, jij staat ervoor in dat er niets verdwijnt.’ En daar sta ik voor in.’

‘Maar ik breng het terug. Jij hebt het voor het zeggen: één woord van jou en ik ben ongelukkig.’

‘Dat er niets verdwijnt,’ herhaalde Fedko nadrukkelijk, ‘en als een boek bij jou is, is het dus niet in de bibliotheek.’

Tegen deze logica was niets in te brengen. Sender slaakte een diepe zucht.

‘Maar misschien mag je mij wel,’ smeekte hij, ‘iedere dag twee uur bij de boeken opsluiten? Ik beloof je – ik – ik vier dan iedere week je naamdag…’

Weer dacht de oude na, lang, heel lang.

‘Ja,’ zei hij toen.

Sender herademde. Ze spraken af dat hij iedere dag van twaalf tot twee bij de boeken mocht. Dat waren zijn enige vrije uren; om half twaalf begon in de werkplaats de middagpauze. Natuurlijk had hij dan weinig tijd over om te eten, maar wat kon hem dát schelen!

‘Nog iets,’ zei Fedko. ‘Ik heb gehoord dat de joden veel boze toverkunsten kennen. Niet uit slechtheid, maar alleen door het joodse geloof. En daar binnen zijn heilige boeken – ga je daar geen hekserij bedrijven? En als je de Heilige Geest uitdrijft – dan komt de prior die zoeken, omdat hij hem net nodig heeft en dan kan hij hem niet meer vinden –’

Nadat Sender hem ook op dat punt gerustgesteld had en bij hoog en bij laag had gezworen dat hij de Heilige Geest niets aan zou doen, gaf de oude eindelijk toe.

‘Goed! Morgen dus! Meteen na het angelus, bij de Tartarenpoort.’

 

angelus: engel (des Heren), katholiek gebed dat ’s middags om 12 uur wordt gebeden.
Hartmann, Moritz: revolutionair joods dichter en politicus (1821-1872) in Oostenrijk.
jargon: pejoratieve aanduiding van het Jiddisj.
koningin Ester: hoofdpersoon uit het gelijknamige bijbelboek en figuur in de joodse Poeriemspelen.
koningin van Sjeba: koningin uit de Bijbel, bekend van haar ontmoeting met koning Salomo.
Kossuth: Hongaars nationalistisch politicus (1806-1894).
Maria Theresia: monarch van Oostenrijk, Hongarije en Bohemen (1717-1780).
moriamur pro rege: “Wij willen sterven voor onze vorstin” (Maria Theresia).
Scipio Numantia: Scipio (2e eeuw voor de jaartelling) was een Romeins veldheer die de stad Numantia op het Iberisch schiereiland belegerde.

 

Hoofdstuk 9

De Tartarenpoort was een achterpoort van het klooster, die uitkwam op een eenzaam tuinpaadje, waarin maar zelden, en dan alleen nog in de schemering, een liefdespaar bij elkaar kwam. De naam was afkomstig uit oude, bloedige dagen, toen de Tartaren in een van de talloze grensoorlogen tussen Polen en Turkije het klooster belegerd hadden en hier ten slotte binnengedrongen waren om de “kaalgeschorenen van de bleke afgod” te doden.

Toen de volgende dag het angelus luidde, stond Sender hier te wachten en ondanks de warme, bijna zomerse herfstzon klapperden zijn tanden als castagnetten en een koortsige kilte doortrok zijn ledematen. Je legt oud bijgeloof niet zo makkelijk af als een afgedragen kledingstuk. Hij was opgegroeid met de opvatting dat je je ogen neer moest slaan als je langs dit gebouw liep en dat het een doodzonde was om er binnen te gaan.

‘Ik word nu een afvallige,’ zei hij zachtjes tegen zichzelf. ‘Is dat het offer waard?’

Maar hij hield zich in, beet zijn tanden op elkaar en bleef staan. En al gauw nadat de laatste slag van het angelus verklonken was, kwam ook Fedko naar buiten met een machtige sleutelbos in zijn hand.

‘Goedemiddag,’ zei hij. ‘Kom maar.’

Sender volgde vastbesloten, maar zijn koortsachtige opwinding was zo groot, dat hij onwillekeurig steun zocht tegen de muur om niet in elkaar te zakken. Hij ademde zwaar en zijn ogen vielen dicht.

‘Ziek?’ vroeg Fedko.

‘Nee, nee,’ stamelde hij moeizaam.

En met al zijn kracht vermande hij zich en volgde, al was het met wankele passen.

Ze gingen een lange gang door. Het werd steeds donkerder om hen heen, koude en vochtige lucht sloeg hun in het gezicht en groenige schimmel bedekte de muren.

‘De gang van Severinus,’ legde Fedko uit.

Voor een enorm kruisbeeld bleef hij staan.

‘Hier hebben de vervloekte heidenen prior Severinus doodgeslagen. Hij was een oude man van negentig jaar. Hier onder de glasplaat tegen de muur kun je zijn bloed en zijn hersenen zien.’

Sender keek een andere kant uit.

‘Doe je hoed af,’ zei Fedko.

De jonge man schudde zachtjes zijn hoofd.

‘Kom,’ verzocht hij.

‘Wil je niet?’ vroeg de oude man. ‘Waarom niet? Als ik in jullie synagoge kwam, zou ik ook mijn hoed afnemen. Je hoort geen God te minachten, de oude niet en de jonge niet. De oude kan wat en de jonge kan wat! Maar zoals je wilt…’

Ze gingen verder en een trap op. Stof en modder bedekten de treden en een vleermuis fladderde op.

‘Komen de monniken hier nooit?’ vroeg Sender.

‘Nee,’ was het antwoord. ‘Dit is alleen maar de trap naar de bibliotheek. Iedere monnik heeft toch al zijn gebedenboek.’

‘En de leraren van de school?’

‘Pater Marcellinus, bedoel je, en frater Antonius? Die hebben ieder drie boeken in hun cel.’

‘Is dat genoeg?’

‘Meer dan genoeg.’

Sender keek hem onderzoekend aan, maar de oude man bedoelde het serieus.

Op de eerste verdieping begon opnieuw een lange gang. In een nis stond onder een kruisbeeld een bank en ernaast hingen gesels van verschillende vorm en grootte.

‘Dat is het hoekje waar de penitentie wordt uitgevoerd,’ legde Fedko uit. ‘Maar onder onze huidige prior komt dat zelden voor. Dat is een goede man, die het een en ander door de vingers ziet. Zijn eigen monniken laat hij nooit slaan en vreemden zelfs niet graag – alleen op bevel…’

‘Komen hier ook vreemden?’

‘O, zeker. Vaak zijn hier al verschillende tegelijk geweest –‘

‘Op bezoek?’

‘Op bezoek – hèhè! – zeker – maar vaak jarenlang en niet vrijwillig. Niemand komt hier voor zijn plezier: het klooster is arm en de wijn is zo zuur dat ik echt liever een borrel drink, al moet ik die zelf betalen –‘

‘Dus als gevangene?’

‘Natuurlijk. Wij zijn immers het strafklooster van de kloosterprovincie. Als iemand ketter wordt of zo achter de meisjes aan loopt dat het een schande is, dan komt hij hierheen, dat wij hem op zijn nummer zetten.’

‘Hoe?’

‘Dat weten we wel!’

Met een grimmige glimlach greep de oude een van de gesels en sloeg in de lucht, dat het floot.

‘Is hier nu zo’n monnik?’

‘Nee – op het moment niet – anders had ik je het genoegen niet kunnen doen. Want we brengen die gasten altijd onder aan deze gang, in de kamers van de nonnen. Dan hebben ze de gesels namelijk bij de hand – voor het geval dat ze zin hebben de duivel vrijwillig uit hun lichaam te verdrijven…’

‘In de kamers van de nonnen?’

‘Ja – hèhè! – in die cellen woonden vroeger, honderd jaar geleden, nonnen – hèhè! Nonnen – snap je? Het klooster was toen heel rijk en de prior was een vrolijke man. Maar toen hij stierf, kwam er in zijn plaats een strenge oude man. Die hield niet van een grapje, de oude Ignatius. Hij jaagt de vrouwen eruit, richte de kamers in als boetecellen, hangt hier op de hoek de gesels op en het hele klooster moet voor deze kamers zijn kuiten kapotslaan…’

Sender bekeek de martelinstrumenten. De meeste zaten onder de donkere vlekken.

‘Dat is bloed,’ zei de oude man onverschillig. ‘Kom –‘

Ze liepen de gang door. Voor een enorme vleugeldeur bleef Fedko staan. Ernaast was een marmeren plaat in de muur aangebracht. Die droeg in puntige, stijve majuskels de inscriptie

BJBL.
C.BARNOV.
S.O.S.D.D.G.S.F.P.
MDCXI.

Met moeite werd Sender wijs uit de losse letters; de betekenis ontging hem natuurlijk. De inscriptie luidde: Bibliotheca Conventus Barnoviensis Sancti Ordinis Sancti Dominici de Guzman sive Fratrum Praedicatorum (Bibliotheek van het klooster van Barnow van de Orde van de Heilige Dominicus van Guzman oftewel Predikheren). Eraan toegevoegd was het stichtingsjaar van de bibliotheek, 1611.

‘Hierbinnen zijn de boeken,’ zei de oude.

Hij haalde een enorme, verroeste sleutel tevoorschijn en probeerde de deur open te maken. Het slot kraakte, maar de sleutel kon niet draaien.

‘Ik kom hier zelden,’ legde Fedko uit. ‘Waarom ook? Zolang de sleutel hier aan de sleutelbos zit, kan er niets uit.’

Eindelijk ging de vleugeldeur open.

Een ijzige tocht woei hun tegemoet, toen ze naar binnen gingen en een doordringende, bedorven lucht sloeg op hun adem. Het was bijna donker in de reusachtige ruimte, want het glas van de smalle, hoge ramen was geblindeerd en de spinnen hadden het met dikke webben overdekt. Maar toen de twee zich moeizaam voortbewogen op de vermolmde planken kwam de omgeving plotseling tot leven, het suisde in de lucht en ritselde op de vloer.

‘Schepselen van God,’ troostte Fedko, ‘wees maar niet bang.’

‘Maar waar zijn de boeken?’

‘Nou – hier – overal…’

Inderdaad bedekten ze in enorme kasten alle muren van de vloer tot het plafond. In het donker en omdat een deken van stof ze gelijkmatig bedekte, had Sender de eindeloos opgestapelde rijen voor de muren zelf aangezien…

‘En als je daar nog niet genoeg aan hebt,’ vervolgde Fedko, ‘moet je hier maar eens kijken – hier zijn er nog meer –‘

Ze gingen een tweede, nog grotere zaal binnen. Hier was het lichter, doordat de middagzon door de ramen scheen. Ook hier was ieder plekje met boeken gevuld en het was inderdaad een reusachtige bibliotheek.

In het midden stond een enorme tafel en een stoel. Houten schrijfgerei stond op de tafel, maar de inkt was allang opgedroogd.

‘Hier zat de oude pater Aemilius altijd,’ vertelde Fedko, ‘hele dagen en soms ook hele nachten. Honderd boeken had hij om zich heen liggen en hij zat te lezen en en te schrijven – aan één stuk door – je kreeg medelijden met die oude man. “Waarom doet u al die moeite, eerwaarde?” vraag ik een keer. “Ik schrijf een boek,” antwoordt hij glimlachend. “Maar er zijn toch al genoeg boeken?” zeg ik medelijdend, “kijk maar om u heen!” Maar hij zit maar een beetje te glimlachen en schudt zijn grijze hoofd. Nou, na zijn dood heb ik zijn schrijfsels naar de prior gebracht. Hij keek er vluchtig naar en zei: “Verbrand ze maar, want die oude was een ketter!” Maar ik heb ze hier in een hoek gelegd, want ik had het idee dat pater Aemilius geen rust in zijn graf zou hebben als ik zijn moeizame werk zou vernietigen.’

Daarop knikte de oude man vriendelijk: ‘Zo, lees maar wat je wilt. Om twee uur kom ik je halen.’

Hij liep naar de deur.

Sender keek om zich heen in de barre, halfdonkere ruimte en de angst sloeg hem plotseling om het hart.

‘Fedko!’ riep hij onwillekeurig.

‘Ja?’

Sender zweeg.

‘Ben je soms bang?’ riep de oude man bij de deur.

‘Nee – ga maar.’

De sleutel rammelde en knarsend sloot de grendel.

Sender was alleen.

Hij bleef lang onbeweeglijk zitten met zijn ellebogen op de tafel van Aemilius, terwijl zijn hart dof bonsde. Toen kwam hij overeind.

‘Vooruit dan maar,’ zei hij hardop, en de klank van zijn eigen stem bevrijdde hem van alle angst.

Rustig liep hij naar een van de kasten en begon de boeken te bekijken. Hij veegde het ene boek na het andere schoon en werd omringd door een wolk van stof.

Maar toen hij een van de boeken opensloeg, stonden daar in Latijnse letters woorden die hij niet begreep: dat moest een vreemde taal zijn. Sender was bij de Latijnse klassieken beland.

Hoofdschuddend ging hij naar de volgende kast; weer wervelde hij een stofwolk op en weer was zijn moeite tevergeefs. Want het boekje dat hij nu uit de kast haalde droeg de titel Myszeis J. Krasickiego: het was het eerste satirische epos van de Polen, de “muizenoorlog” van aartsbisschop Krasicki.

Sender sloeg het boek open en begon te lezen, want hij begreep de woorden, maar na een poosje sloeg hij het boek treurig weer dicht.

‘Wat gaat het mij aan,’ dacht hij, ‘wat de muizen daar in het Pools tegen elkaar zeggen? Ik wil de Duitse wijsheid!’

Verdrietig liep hij naar een derde kast en trok er een heel dun boekje uit. Toen hij het opensloeg, begonnen zijn ogen verheugd te glanzen: het was Duits. Hij las de titel:

Avonturen van de monnik Paphnutius en de non Paphnutia. Tot vermaak van vrome zielen. Gedrukt in dit jaar in Carthago, in de drukkerij van de hemel op aarde.

Vol heilige ijver begon hij halfluid te lezen, terwijl hij heen en weer liep. Maar al op de derde bladzij hield hij op.

‘Dat kan toch niet,’ zei hij, hevig blozend. ‘Dat schrijf je toch niet in een boek?’

Toch nog een paar bladzijden, en nu was er geen misverstand meer mogelijk.

Hij wierp het boekje weg en pakte het vervolgens weer op, voorzichtig, zoals je een slang oppakt, en staarde naar de titel – verbaasd – ontzet…

Het was een van de smerige geschriften die in het laatste kwart van de achttiende eeuw in zo groten getale het licht zagen. Sender was niet volkomen onbedorven: wie in zijn jonge jaren als voermansknecht over de Podolische wegen rijdt, kan dat niet blijven. Maar van zulke gnuivende, halfverhulde en geraffineerde gemeenheden had hij geen notie, en dat die hem vrolijk uit de letters van een boek tegemoetkwamen, bedrukte hem bijna. Voor hem was ieder boek zo heilig als een fetisj voor een wilde, en zeker ieder Duits boek, want daarin stond immers de “wijsheid”!

‘Waarom worden zulke boeken gedrukt?’ vroeg hij zich af en probeerde een andere passage te lezen, misschien kon hij het dan raden. Maar Paphnutius en Paphnutia spraken en deden iedere bladzij hetzelfde.

Toen sloeg hij het boekje ten slotte maar dicht en schoof het bruusk terug op zijn plaats.

Daarop bleef hij lang bewegingloos staan piekeren over zijn ontdekking.

‘Er zijn ook slechte boeken,’ fluisterde hij verbaasd voor zich uit, ‘om Godswil – waarom zijn er van die boeken? Hoe kunnen er slechte boeken zijn? En dan: we weten hoe de monniken zijn: Fedko heeft het daarnet zelf verteld – wat als hier alleen maar slechte boeken zijn?’

Angstig snuffelde hij verder in de kast. Maar het tweede, derde en vierde boek dat hij eruit haalde had dezelfde of een soortgelijke inhoud. Hij hoefde er niet eens in te bladeren om dat te zien, want de onberispelijke titelplaten waren maar voor één uitleg vatbaar. Sender had toevallig de kast getroffen die de oude Stephanus zo rijkelijk had voorzien voor het opvrolijken van zijn vrije uren.

‘Dit heeft geen zin,’ kreunde de jonge man. ‘Hier zijn geen boeken waaruit ik iets kan leren en ik heb de zonde voor niets op me genomen.’

Radeloos bekeek hij de ene kast na de andere. Toen viel zijn oog op een rij boeken die wat minder stoffig dan de andere was. Misschien had de oude Aemilius daar het laatste in gebladerd.

Hij ging ernaartoe en trok een van de boeken uit de kast.

Toneel, las hij. Gotthold Ephraim Lessings Toneelwerken.

En daaronder stond in grote letters:

Nathan de wijze

Hij kon het boek nauwelijks vasthouden, zo beefde hij van plotselinge vreugde. Wat had hij er bij de verhalen van zijn leraar naar verlangd eindelijk ook eens zo’n opgeschreven stuk te lezen! Sender herinnerde zich dat Wild hem verteld had dat dit een grote dichter was.

Hij keek op naar de hemel.

God van Israël, Heer der heerscharen, sterke en enige God, ik dank u dat u uw dienaar verschaft waarnaar hij dorst!

Luid en plechtig sprak hij de Hebreeuwse dankzegging uit. Die kaatste eigenaardig van de kloostermuren terug.

Toen sloeg hij het boek open. De titel werd allereerst gevolgd door de Personen. Hij begreep direct wat dat betekende: ‘Daar heeft hij opgeschreven hoeveel personen je nodig hebt en hoe ze allemaal heten.’ Maar al de eerste regel van de lijst maakte een vreemde indruk op hem.

Sultan Saladin,’ las hij. ‘O, jij ellendeling! – Is dit dan ook een slecht boek?’ Want “sultan” wordt in het Podolische getto voornamelijk in een betekenis gebruikt die ons taalgebruik niet helemaal onbekend is; het is daar het algemeen gebruikelijke scheldwoord voor een man die zijn zinnelijke lusten de vrije loop laat en er vrijelijk verschillende vrouwen tegelijk op na houdt.

‘Maar nee,’ verbeterde hij zichzelf, ‘zulke dingen zou zo’n grote dichter toch niet opschrijven? Hij heet dus Saladin en is een miserabele sultan – aha! Achter iedere naam staat geschreven wat voor iemand het is, dat de speler het meteen weet!’

Maar al op de volgende regel klopte dat niet.

Sittah, zijn zuster – waarom staat daar ook niet hoe ze is? Ze hoeft nog niet slecht te zijn omdat ze de zuster van zo’n vent is. Of is het zo bedoeld als in dat akelige boek van Paphnutius? – Daar noemen de monnik en de non elkaar ook broeder en zuster. Maar dan: Nathan, een rijke jood in Jeruzalem… Wat?’

Sender haperde en las het nog een keer. ‘Rijk?’ riep hij honend, ‘en in Jeruzalem? Beste man’ – hij bedoelde Lessing – ‘ik geloof graag dat je een groot schrijver bent, en of je ondanks dat ook een varkenskop bent, moet nog blijken, maar dat je niets van joden begrijpt, zie ik nu al. Wie heeft er tegenwoordig ooit van rijke joden in Jeruzalem gehoord? Anderen in ieder geval niet!’

Ook deze kritiek was begrijpelijk. De diepe ellende waarin de joodse inwoners van de heilige stad tegenwoordig leven is een voortdurend onderwerp van gesprek in het getto van het Oosten: er wordt voor de armzalige, vrome nietsnutten immers onophoudelijk geld ingezameld en er gaat geen maand voorbij of er duikt vandaar een afgezant op die met schrille schilderingen medelijden wekt bij de Poolse en Russische joden.

‘Rijk! Haha!’ Sender haalde zijn schouders op. Recha, diens aangenomen dochter – mij best, maar van joden weet je echt niets, beste man, want de naam is “Rachel”.

Bij de volgende regel was de maat vol van zijn gebrek aan respect voor Lessings kennis van het jodendom. Daja, een christelijke vrouw, maar in het huis van de jood een gezelschapsdame van Recha. Sender moest hard lachen. Gezelschapsdame: prachtig! Weet je niet wat voor joden er in Jeruzalem wonen? Die zijn zo vroom en zo dom dat onze chassidiem uit Barnow daarmee vergeleken verlichte mensen zijn! En zo’n koosjer mannetje haalt een christelijke vrouw in huis? Hooguit iedere week een keer als sjabbesgoje (christelijk meisje dat op sabbat in het huis van strenggelovige joden dient, de kaarsen aansteekt en dooft enzovoort). Maar voor altijd en als gezelschapsdame voor zijn dochter? Hij was wel gek als hij dat deed, want de anderen zouden hem stenigen!’

Ook de volgende regel versterkte nog zijn superioriteitsgevoel tegenover die “beste man”. Een jonge tempelheer: dat was zoiets als een Duitser, dat wil zeggen een verlichte, modern geklede jood. En waarom? Sender had zijn medeburgers vaak genoeg die “goddelozen” en “afvalligen” horen verwensen, die niet in synagogen Hebreeuwse gebeden reciteerden, maar in “tempels” met orgelbegeleiding Duitse gebeden zongen en zich toch joden durfden te voelen; zo iemand was blijkbaar bedoeld. ‘Ik weet het al,’ dacht hij, ‘die gaat Rachel natuurlijk het hof maken… En zo’n Duitser moet er dan in Jeruzalem zijn: belachelijk!’

Maar wat was een derwisj, wat was een patriarch en een emir met mammelukken? Voor die woorden was zijn vindingrijkheid niet toereikend; alleen de kloosterbroeder was hem vertrouwd.

‘Misschien begrijp ik het in het stuk,’ dacht hij en begon te lezen.

Met al zijn zintuigen verdiepte hij zich in het dichtwerk en las langzaam, ieder woord hardop uitsprekend en iedere regel herhalend. Of hij wilde of niet, hij moest aan de voorstelling denken die hij in Czernowitz bijgewoond had, hij kon Daja en Nathan niet met dezelfde stem lezen en liet ook de wisselende emoties van de man zo goed mogelijk tot uiting komen in zijn toon. Dat gebeurde onwillekeurig en zijn aangeboren, verborgen neiging werd in hem wakker. Als Nathan sprak, deed hij dat door zijn neus en gesticuleerde levendig met zijn handen; de woorden van Daja sprak hij zoveel mogelijk op zijn Hoogduits, met een spitse oudewijvenstem, waarbij hij zijn handen in zijn zij zette, zoals dienstmeisjes in Barnow het altijd deden.

Het was zwaar werk, alleen al omdat hij veel woorden niet kende; de fantasie die altijd schildert en de vrome creatuur brachten hem in de war. Het meeste angstzweet op zijn voorhoofd kreeg hij bij de vele zinnen waarin hij ieder woord begreep, zonder de bedoeling van het geheel te vatten. Hele dialogen moest hij zo door zien te komen.

Hij legde het boek voor zich neer. ‘Wat gebeurt er dus?’ begon hij en bracht zijn lichaam onwillekeurig in de wiegende beweging waarin hij als jongen op een moeilijke Torapassage had zitten broeden. ‘Nathan, rijk, koopman. Aan die rijkdom geloof ik niet zo. Ten eerste: Jeruzalem. Ten tweede: wat hij verkoopt wordt niet gezegd – kamelen? – goud? Ten derde: een grote zakenman rijdt niet wekenlang rond om schulden te innen, maar stuurt zijn commies. Dat doet bijvoorbeeld onze reb Mosche Freudenthal, die wel een vermogen van dertigduizend gulden heeft – en hoe kan een koopman zo lang uit de zaak wegblijven? Maar goed. Verder is Nathan een goed mens, hij is vrijgevig, alleen schijnt hij toch een keer iets uitgehaald te hebben, en Daja weet dat – hij moet haar goud toestoppen, dat ze haar mond houdt – dat kan slecht aflopen. Het huis is afgebrand, terwijl hij weg was, niets aan te doen – hij was natuurlijk verzekerd. Ze zeggen zelfs dat dat soms een voordeel is. Recha is gered door een tempelheer. Maar dat is geen Duitser, zie ik, maar een soldaat; hij is gevangen; Saladin, de sultan, heeft hem gratie verleend, Nathan zegt: dat is een wonder! Begrijp ik. Zo’n sultan: tegen vrouwen is hij aardig en mannen laat hij doodslaan, de schurk! Maar een grote heer moet die Saladin toch zijn, misschien een vorst. Recha denkt dat de tempelheer een engel was en Nathan wil haar dat uit haar hoofd praten. Gelijk heeft hij. Ten eerste is het de waarheid en ten tweede: een mens kun je dankbaar zijn, een engel niet. Goed, verder. Nu komt Recha!’

Hij ging staan, probeerde het gezicht en de pose aan te nemen van een jong en zedig meisje en las met gespitste lippen en een zo zacht mogelijke stem:

O vader, u bent het dus helemaal?

Ik dacht: u hebt uw eigen stem alleen

Vooruitgestuurd –

Hier stond hij weer verbaasd.

‘Lieve kind,’ zei hij welwillend, ‘ik heb het idee dat je zo geschrokken bent, dat je nog niet weet wat je zegt. Heb je ooit gehoord dat iemand zijn stem vooruitstuurt – misschien in een briefje, met de post?’

De rest beviel hem echter heel goed, ook in Recha’s geloof aan een engel kon hij zich vinden, omdat ze het in zulke “fijne woorden” uitdrukte. Juist daarom begon hij zich nu aan Nathan, die het haar uit haar hoofd praatte, te ergeren, maar hoofdzakelijk omdat die daarbij zulke onbegrijpelijke dingen zei. Dus sprong hij verrukt op bij de woorden van Daja:

Wilt u dan

Uw toch al overspannen hersenen

Door die subtiliteiten helemaal

Laten ontploffen?

‘Je hebt gelijk!’ riep hij, ‘het gelijk van God! Wat subtiliteiten betekent, weet ik niet, waarschijnlijk zoiets als een draai (talmoedische spitsvondigheid). Ik heb toch echt verstand van chassidiem – maar groot wonderklein wonderwaar wonderalgemeen wonder – daarbij vergeleken is onze rabbi nog een man met gezond verstand. En ik moet zeggen dat ik hem onrecht heb gedaan, die Lessing, want hij weet wat joden zijn…’

‘Maar nu ben ik Nathan,’ onderbrak hij zichzelf en sprak de onbegrijpelijke woorden zo indringend mogelijk, op de toon van een disputerende talmoedist en met de eigenaardige handbewegingen waarom hij ooit bij zijn eerste leraren, de bachoriem zo had moeten lachen.

Zo neuzelde hij door tot de opkomst van de derwisj. Wat die raadselachtige naam betekende, begreep hij ook niet niet goed, maar zoveel leek zeker: dat was een hoogmoedige vent. En daarom las hij die rol op bulderende, opschepperige toon, tot aan de woorden:

‘k geef toe dat Saladin

Mij beter kent, want schatbewaarder ben

Ik daar geworden –

Daar maakte hij zich nog groter en trotser, kneep zijn ogen halfdicht en deed zijn best om een zo hoogmoedig mogelijk gezicht te trekken.

‘Ben je gek geworden?’

Onverhoeds klonk het in zijn oor. Sender kromp ineen en had het boekje bijna laten vallen.

Het was Fedko; in zijn ijver bij het lezen had de jonge man zijn passen niet gehoord.

‘Twee uur,’ zei de oude man. En herhaalde vervolgens zijn vraag: ‘Ben je gek geworden?’

Sender antwoordde niet. Zuchtend schoof hij het boekje op zijn plaats en volgde de man, die hem voortdurend en haast angstig bekeek.

Toen ze beneden voor de poort stonden zei Fedko: ‘Hoor eens: je moet me vertellen wat je daarboven uitspookt…’

‘Ik lees.’

De oude man schudde stuurs zijn grijze hoofd.

‘Dat is niet waar. Je moet de waarheid zeggen! Ik wil het weten, niet uit nieuwsgierigheid, maar omdat het mijn plicht is.’

‘Maar wat kan jou dat nu schelen?’

‘Hoho! Toen je gisteren je verzoek deed, dacht ik: ‘Senderko was als kind al niet zoals de andere joden, hij is waarschijnlijk een ontvoerd christenkind en daarom zit het in zijn bloed dat hij niet bang is voor een klooster.’ Maar nu zie ik je met je handen zwaaien en schreeuwen en een verheerlijkt gezicht trekken. Weet je wie zo doet? Een gek, of –‘

‘Ik ben bij mijn verstand,’ verzekerde Sender.

‘Nog erger: een tovenaar!’ zei Fedko dof en sloeg een kruis. En aan toverij werk ik niet mee. Dat was eens maar nooit weer – hopelijk is er deze keer niets ergs gebeurd. Maar jij gaat niet meer naar boven.’

Sender slaakte een diepe zucht. Toen begon hij te smeken en te zweren dat hij onschuldig was. De oude man hield voet bij stuk. Sender beloofde voortaan niet alleen op zondag, maar ook op woensdag een flesje slivovitsj voor hem mee te nemen. Fedko was onvermurwbaar.

‘Je moet me vertellen wat je boven doet,’ herhaalde hij.

‘Ik studeer.’

‘Dat maak je mij niet wijs,’ zei Fedko, ‘dat is geen studeren.’

Daarom vertelde Sender eindelijk de volle waarheid, maar het duurde heel lang voor de oude man het een beetje begreep.

‘Komedie,’ mompelde hij. ‘Hoe kom je erop? Komedie spelen onze jongens, wanneer ze rond Nieuwjaar als de Drie Koningen uit het Morgenland langs de huizen gaan, maar wat heeft een jood daaraan?’

Ondertussen was hem zoveel duidelijk, dat de jongen eerder een gek was dan een tovenaar. En daarom durfde hij het toch weer aan.

‘Eén ding zeg ik je,’ besloot hij, ‘als ik in het klooster of in de stad ook maar iets van toverij bespeur, dan weet ik wie daarachter zit en neem mijn maatregelen!’

‘Ik ga akkoord,’ zei Sender en haastte zich naar de werkplaats.

 

Nathan de wijze: toneelstuk (1783) van Gotthold Ephraim Lessing.

 

Hoofdstuk 10

Jossele Alpenroth, anders altijd een zachtmoedig, stil mannetje, ontving hem vandaag heel nors.

‘Het is drie uur,’ zei hij, ‘je houdt je niet aan de werktijden. Ook verder kan ik onmogelijk tevreden over je zijn, dat moet ik je toch een keer zeggen. Als het niet beter wordt, kun je gaan.’

Dat had Sender zich anders echt niet aangetrokken, want het vak liet hem inderdaad volkomen onverschillig. Vandaag kwam het hard aan. Want omdat hij bij Jossele geen kost en inwoning genoot, had hij zich voorgenomen de baas een bescheiden loon te vragen. Alleen dan kreeg hij de mogelijkheid de naamdagen van zijn oude vriend waardig te vieren. Nu durfde hij dat verzoek natuurlijk niet uit te spreken.

Bedrukt kwam hij ’s avonds thuis. Het viel hem zwaar, maar hij moest nu, of hij wilde of niet, zijn moeder erom vragen.

Juffrouw Rosel hoorde hem zoals gewoonlijk zwijgend aan en vroeg toen kortaf: ‘Waarom?’

‘Nou,’ zei Sender verlegen, ‘ik ben toch geen kind meer. Je voelt je als volwassen mens een dode, als je zo zonder geld rondloopt.’

‘Waarom verdien je het niet?’

‘Maar ik ben toch nog leerling.’

‘Waarom trouw je niet?’

‘Trou-wen?’

Sender was net zo verbaasd als geschrokken.

‘Ja, trouwen!’ herhaalde de vrouw nadrukkelijk. ‘Gelukkige ouders, die het geld hebben, kunnen al vroeg het godgevallige werk doen en hun zoons op hun vijftiende, zestiende uithuwelijken. Voor mij was dat geluk, die verdienste voor God niet weggelegd. Maar nu ben je al over de twintig: het is de hoogste tijd om daaraan te denken!’

‘Nee!’ riep hij heftig.

‘Wat nee?’ riep ze.

‘Om Godswil, moeder, nee!’ vervolgde hij smekend en hief afwerend zijn handen: aan die bedreiging voor zijn plannen had hij nog helemaal niet gedacht!

‘Wil je helemaal niet trouwen?’

‘Nee!’

‘Nooit?’ riep ze nog een keer gillend.

‘Nooit!’ antwoordde hij net zo luid, haast blind van opwinding.

‘Waarom niet?’ zei ze hees en hortend. ‘Maar waarom vraag ik dat nog?’ vervolgde ze mompelend. ‘Ik weet het toch!’

Haar stem brak, de tranen stroomden plotseling over haar wangen en ze begon krampachtig te snikken.

Dat was voor deze vrouw zoiets ongewoons, zoiets ongehoords, dat de jonge man er diep door getroffen werd.

‘In godsnaam!’ riep hij smekend. ‘Kalmeer toch! Nooit – dat zei ik maar – waarom zou ik nooit trouwen? Ik bedoel alleen maar – nu – nu is dat wel het laatste waar ik aan denk! Ik heb nog niets, ik ben nog niets, hoe zou ik een vrouw moeten onderhouden?’

Hij moest lang doorgaan, voor ze weer gekalmeerd was.

‘Is dat het?’ vroeg ze ten slotte en keek hem scherp aan.

Hij beheerste zich en weerstond haar blik.

‘Ja.’

‘Daar is iets aan te doen,’ besloot ze. ‘Je gaat al gauw je brood verdienen. En tot die tijd kun je leven van wat de bruidsschat van je vrouw opbrengt, of van de bruidsschat zelf, dat is helemaal niet zo erg, niet onbezonnen. De meeste mensen trouwen zo en dat loopt goed af. Dan zal ik een van de komende dagen eens met Itzig Türkischgelb gaan praten.’

Dat was de beste huwelijksmakelaar van Barnow.

Sender slaakte een diepe zucht.

‘Een van de komende dagen,’ herhaalde juffrouw Rosel en streek met haar vlakke hand over het tafelkleed.

Sender kende de betekenis van die beweging: het stond vast.

Een schrale troost was dat hij nu ook het gevraagde geld kreeg met de belofte dat hij dat iedere week zou krijgen tot de bruiloft.

‘Hopelijk nog deze winter,’ besloot de vrouw.

Sender viel die nacht wat later in slaap dan anders, maar wie zo jong is en zo vast in zichzelf gelooft, vergeet zijn zorgen makkelijk. Voorlopig had hij genoeg aan de mogelijkheid in de kloosterbibliotheek “wijsheid” te verwerven, en wat de dreigende bruid betrof, hij hoefde zich geen illusies te maken over de vastbeslotenheid van zijn moeder, ‘maar,’ – dacht hij – ‘daar ben ik zelf bij en bovendien hoef ik niet in mijn eentje te beslissen, maar de ouders van de bruid kunnen ook nee zeggen. Ik kan ook iets verzinnen – ze noemen me niet zomaar Paljas!’

Maar zijn pleegmoeder was ook bij het aanbreken van de dag nog wakker. ‘Misschien heeft hij uiteindelijk niet gelogen,’ dacht ze, ‘maar je moet de zaak niet te licht opvatten. Want dat “nooit” kwam diep van binnen, dat zit hem in het bloed, dat onzalige bloed, dat misschien sterker is dan zijn liefde voor mij!’

Ze wilde krachtig ingrijpen en ook deze keer de strijd tegen de demon opnemen, maar het was haar zwaar en bekommerd te moede.

Nu Sender het geld had om Fedko’s vele naamdagen op een waardige manier te vieren, verscheen hij weer regelmatig in de bibliotheek om verder te lezen in het “spel van de jood Nathan”, ijverig, maar moeizaam en niet helemaal succesvol, omdat hij de nodige kennis voor het juiste begrip miste. In de ontelbare duistere passages had hij niet genoeg aan zijn scherpe verstand en zijn sterke dramatische instinct.

Maar dat wat hij begreep boeide hem enorm, alleen al doordat het zo nieuw voor hem was, een onbekende, vreemde wereld, de wereld van de zuivere menselijkheid. Hij was geboren en opgegroeid in een hoekje van de aarde waar de blinddoek van het religieuze vooroordeel de arme mensen zo stijf voor de ogen gebonden is als bijna nergens anders. Toen hij nu, zoals dat gaat bij iemand die een ongehoorde ontdekking doet, met buitengewone spanning van alle vezels van zijn wezen het sprookje van de drie ringen las, viel de blinddoek natuurlijk niet af, maar hij erkende wel dat er mensen waren die geen blinddoek droegen. Die passage hield hem het meeste bezig en hij las haar telkens weer, al moest hij daarbij zijn nieuwsgierigheid onderdrukken naar de vraag “hoe het spel afliep”. Maar al zei hij nog zo vaak tegen zichzelf: ‘Een mooi verhaal, een prachtig verhaal! Ik wou dat ik het meteen verder kon vertellen! En het is zo diepzinnig!’ – hij kon het zelf niet echt ter harte nemen, en de vermaning

Welaan,

Laat iedereen nu zijn oprechte liefde

Nastreven, vrij van ieder vooroordeel!

was voor hem onvervulbaar geweest, al zou de betekenis ervan hem volkomen duidelijk zijn geweest. ‘Als Nathan,’ dacht hij, ‘wil bewijzen dat ook een jood, een christen, een Turk een goed mens kan zijn, dat niemand moet denken dat alleen hij goed is – dan heeft hij gelijk. Maar als hij wil zeggen: ieder geloof is het juiste – dan is dat volgens mij niet waar. Ik heb toch echt niets tegen de Polen en ben al blij als ze me met rust laten, maar dat hun religie net zo goed is als de mijne kan ik niet geloven. Want waarom blijf ik dan een jood, die door iedereen uitgescholden en onderdrukt wordt? Dan kan ik me meteen wel laten dopen! Maar dat meneer Lessing een jood zo rechtvaardig laat spreken, is toch mooi van hem. De mensen horen het en denken dan bij zichzelf: “Waarom moeten we de joden haten? – ze haten ons toch ook niet?” En dat is goed, heel goed! Alleen jammer dat niet alle Polen Duits verstaan.’ Want hij kwam niet op het idee dat de vermaning ook elders nodig zou kunnen zijn. Nadler had immers ook gezegd dat de joden tegenwoordig nergens zo onderdrukt werden als in Galicië.

Toen hij het werk na een paar weken eindelijk uit had, legde hij het met gemengde gevoelens weg. Het kwetste zijn gevoel van eigenwaarde, dat er nog zoveel onbegrijpelijk was; in gedachten gaf hij toe dat de schuld niet bij de schrijver lag, maar ergerlijk was het wel en het bedierf zijn plezier in het stuk. Ook beviel hem niet dat de mensen volgens hem zoveel praatten en zo weinig handelden – er gebeurde te weinig – er zat geen strijd, geen gevecht en niet eens een echte liefdesgeschiedenis in. Toch kreeg hij wel een idee van de morele grootheid van het stuk – ‘Hij moet toch echt een goed mens geweest zijn,’ oordeelde hij over de schrijver, ‘en goed voor iedereen, niet alleen voor ons joden. Maar dat hij het ook voor ons was, zal ik niet vergeten.’ Daarom vond hij het ook pijnlijk dat hij van de twee stukken die hij kende, de Nathan lang niet zo goed vond als de Sjailok, al kwamen de joden er daarin niet zo goed vanaf. En als hij bedacht wie hij het liefste zou spelen, de wilde, wraakzuchtige “Sjailok” of de edele, milde Nathan, dan gaf hij het minder edele personage zeer beslist de voorkeur.

‘Nathan,’ zei hij tegen zichzelf, ‘is wel beter, maar spreekt altijd rustig en verstandig en kent geen groot verdriet en geen grote vreugde, maar Sjaje – die kan de hele tijd roepen en rondlopen en van alles doen. Nathan zou makkelijker zijn, maar Sjaje had ik toch liever! Maar het slot, dat zou ik willen doen zoals ik wil!’

Het volgende dat hij in handen kreeg was Emilia Galotti. Maar hier kwam geen jood in voor en in dit net van fijne intriges raakte hij de weg kwijt, hoezeer hij zich ook inspande. Ook had de taal voor hem natuurlijk een te hoog niveau. Hij las bijvoorbeeld de scène met de vorst en de schilder, en die las hij wel tien keer, zonder te begrijpen waar de heren het eigenlijk over hadden. Hoe verder hij kwam, hoe duisterder het voor hem werd, en ten slotte werden de geraffineerde scènes een doolhof waar hij alleen nog maar uit plichtsgevoel in rondwaarde. Hij verlangde hevig naar een leraar en raadgever, en daarbij begon hij soms ook te vermoeden dat dit lezen van “stukken” misschien toch niet het “studeren” was dat de directeur in Czernowitz hem zo dringend aangeraden had. Dag in, dag uit stond hij punctueel na het angelus voor de Tartarenpoort, maar iedere dag aarzelender en verdrietiger.

De omstandigheden werkten ook niet mee. De winter was ingevallen en die is een grimmige gast op de grote vlakte, die blootgesteld is aan de noorden- en de oostenwind. In de zaal van de bibliotheek heerste de temperatuur van een welverzorgde ijskelder.

Iedere keer als Sender de trap opging, klapperden zijn tanden al bij de gedachte aan die kou, en tijdens de twee uur moest hij als een gek heen en weer rennen, stampen en zwaaien om niet te verstijven.

De oude Fedko, die tot dan toe noch in het stadje, noch in het klooster enige beangstigende toverij had opgemerkt en daardoor steeds meer tot de conclusie kwam dat zijn arme Senderko gewoon een ongevaarlijke gek was, die Fedko had medelijden met “die rare jood” en kwam op een keer aanzetten met een dikgevoerde monnikspij.

‘Trek dit maar aan,’ adviseerde hij, ‘deze pij was nog van pater Aemilius, en die trok hem altijd aan wanneer hij hier in de bibliotheek een boek zocht.’

Maar Sender moest heel wat overwinnen om de monnikspij aan te trekken, en toen hij het op een bijzonder koude dag toch eindelijk deed, had hij het gevoel of hij een zware, haast onvergeeflijke zonde had begaan.

Een paar dagen later had hij een gesprek dat de maat vol maakte van zijn zorgen en bedroefdheid.

Toen hij namelijk op een avond thuiskwam, trof hij bij zijn moeder in het warme huisje een man die hij anders heel graag gezien had, maar die hij sinds een paar weken angstvallig meed, alsof het om de baarlijke duivel ging. Dat was Itzig Türkischgelb, de vrolijke marschallik (causeur) en huwelijksmakelaar van Barnow, die op zijn manier ook een paljas was en lang niet de saaiste, die verstandig en welwillend was en altijd vrolijk, hoewel ook altijd dorstig.

Sender was op dat moment misschien de enige in Barnow die het gezelschap van deze oude drinkebroer vreesde. Want Itzig Türkischgelb was een heel geliefd persoon en verdiende die reputatie ook door zijn rechtschapenheid en eeuwig opgewekte stemming. In huishoudens met kinderen in de huwbare leeftijd was hij een bijzonder graag geziene gast, want hij stond erom bekend dat hij zelfs voor het lelijkste meisje en de grootste lomperik iemand vond, als hij er echt zijn best voor deed. Alleen de meisjes vluchtten voor hem, omdat hij zijn grappen en zijn fantasie wel erg de vrije loop liet. Maar Sender was geen meisje en had daarom bij bruiloften en partijen heel wat vrolijke uren met de oude man doorgebracht en in allerlei kluchten zozeer met hem gewedijverd, dat de mensen vaak nauwelijks konden zeggen wie hen het meest geamuseerd had, de gehuurde marschallik of zijn vrijwillige rivaal.

Nu verbleekte Sender echter, toen hij zijn oude makker daar zag zitten en keek hem somber aan. Maar Itzig merkte het niet of deed alsof hij het niet merkte.

‘Sender,’ riep hij vrolijk, ‘wil je zo goed zijn om je mond open te doen en ja te zeggen?’

Maar Sender bleef somber kijken.

‘Wat wilt u?’ vroeg hij kortaf.

’Dat je ja zegt,’ antwoordde de oude man vriendelijk. ‘Maar als je moe bent, hoef je alleen maar met je hoofd te knikken, dat is voor ons genoeg – nietwaar, juffrouw Rosel?’

De vrouw keek haar zoon aan met een blik waarvan Sender de macht goed kende, want hij sloeg direct zijn ogen neer.

‘We hebben het beste met je voor,’ zei ze scherp. ‘Reb Itzig zal je vertellen waar het om gaat –‘

‘Dat kan ik wel bedenken,’ zei Sender, ‘en ik geloof…’

‘Luister!’ beval de vrouw kortaf. ‘Zegt u het maar, reb Itzig.’

‘Het gaat hier,’ begon de marschallik, terwijl hij behaaglijk heen en weer wiegde, ‘om een bloem! Een mooiere en welriekendere bloem is mijn tuin nog nooit gegroeid, sinds het paradijs voor ons gesloten is. Het gaat hier om een schat! Geen mens in onze gemeente of het district Barnow heeft ooit zo’n schat bezeten. Het gaat hier om een diamant! Zo’n kostbare diamant is nog nooit gevonden sinds de wereld bestaat, en zelfs de Keizer in zijn gouden huis in Wenen taalt er vergeefs naar! Het gaat hier om –‘

‘En hoe heet die diamant?’ vroeg Sender spottend.

‘Hoe heet een diamant?’ was het antwoord. ‘Diamant!’

‘Hoe?’

‘Chaje Diamant, de dochter van reb Mortche Diamant, de horlogemaker van Mielnica.’

Daarop volgde een lange stilte. Sender zweeg en beet tot bloedens toe op zijn lippen.

‘Die goede jongen!’ riep Türkischgelb. ‘Op zo’n geluk was hij helemaal niet voorbereid! Maar is dat gek? Nee! Zo’n geluk kan je met stomheid slaan! Ten eerste is het meisje mooi als de zon, wit als sneeuw, rood als bloed, zo fris als een hoentje, dik en zwaar, dat het hele huis trilt, als ze op haar tenen rondsluipt, en gezond is ze als het eeuwige leven. Eerder stort de hemel in dan dat zij zelfs maar verkouden wordt. Ten tweede is reb Mortche de beste horlogemaker in het hele land en zijn zaak is de beste zaak in de hele wereld, en zijn schoonzoon wil hij bij zich in de zaak nemen en zijn leven lang onderhouden als een heer, als een baron, als een graaf, als een vorst, als een keizer. Ten derde heeft het meisje een helder verstand, ze is vriendelijk en stil als de maan, en ze kan koken, dat alle vrouwen van heel Israël wat van haar kunnen leren. Toen ik pasgeleden bij reb Mortche was, had ze vis gekookt in bruine saus met rozijnen – dat waren vissen – Sender, vissen waren het – eerlijk waar, ik kan niet verder praten, als ik aan die vissen denk, het water loopt me in mijn mond – ik kan niet verder praten –‘

‘Dat hoeft ook niet,’ zei Sender somber.

‘Natuurlijk hoeft dat niet,’ antwoordde de bemiddelaar, ‘je weet nu genoeg om direct ja te zeggen, te roepen, te schreeuwen. Maar het geluk dat op je wacht is nog veel groter! Want wie heeft er een mooiere uitzet dan jouw Chaje? Eerlijk waar: een prinses zou meteen sterven van jaloezie, als ze die hemden zag, die rokken, die kussens, die lakens, die tafelkleden, die handdoeken, die jurken, die mutsen, die mantilles! En daarbij nog oorbellen en armbanden en kettingen en broches en een horloge, je kunt blind worden als je daar lang naar kijkt, zo groot is de pracht. En dan de bruidsschat! ‘God!’ zei ik tegen reb Mortche, ‘dat u een rijk man bent, wist ik, net als iedereen in het district – maar zo’n vermogen – zo’n vermogen’ – ik was met stomheid geslagen. Want wat denk je dat jouw bruid meekrijgt? Houd je aan de tafel vast of ga zitten, anders val je om van blijdschap! Zeshonderd gulden, zeshonderd harde guldens! Maar ja, ze is ook enig kind –‘

‘Dat is niet waar!’ onderbrak juffrouw Rosel hem. ‘U moet bij de waarheid blijven: reb Mortche heeft nog meer dochters. Maar Sender kan toch wel gelukkig zijn als reb Mortche hem als schoonzoon neemt.’

‘Waarom laten jullie me niet uitpraten?’ vroeg Itzig Türkischgelb zonder enige verlegenheid, ‘natuurlijk heeft hij nog een dochter, maar die is al getrouwd, dus waarom moet ik onze Sender over haar vertellen? – Moet hij die ook nemen? Maar als ik over haar vertel, weet je ook meteen wie je als zwager krijgt. De man van de oudste is een achterachterkleinzoon van de rabbi van Mielnica en bovendien de grootste transportondernemer van Czernowitz, Meyer heet hij, op zijn Duits Strisower…’

‘O, die!’ lachte Sender honend. ‘Rot-Meyerl! Die heeft een kar en twee oude knollen…’

‘Moet een huurkoetsier soms met een vierspan rijden?’ riep Türkischgelb bijna verontrust. ‘En wat zijn paarden betreft: de Keizer heeft zulke moren niet –‘

‘Dat is waar! Die heeft hij vast niet!’

‘Genoeg!’ beval juffrouw Rosel. ‘Met die zwarte paarden hoef je niet te trouwen… Er zijn daar overigens nog twee jongere dochters, maar…’

‘Dat is toch een groot geluk,’ begon Türkischgelb. ‘Over die twee heb ik nog niet eens gesproken, misschien zijn het er zelfs drie – want is het dan mijn taak om me met kinderen bezig te houden? Ik houd me bezig met volwassenen! En hoe kunnen deze vier kleine kinderen je in de weg zitten en hoe kunnen ze je geluk verstoren? Als goed mens, als goede zwager zul je zeggen: “Moge God ze alle vijf gezond laten opgroeien en ze net zulke goede, flinke mannen geven als ik!” Ja, dat zul je zeggen, Sender, want ik weet dat je een goed hart hebt!’

‘Vijf?’ vroeg juffrouw Rosel zichtbaar onaangenaam verrast.

‘Dacht ik wel,’ zei Itzig Türkischgelb onbevangen. ‘Reb Mortche is ook in dat opzicht een gezegend mens. Per slot van rekening zijn het er zelfs zes. Dat is mogelijk, ik wil er geen eed op doen. Want zoals gezegd: ik houd me alleen met zaken bezig! Laten er twee kleine dochtertjes in huis zijn of nog vier andere erbij, daarom is die mooie, verstandige, dikke Chaje…’

‘Maar hoeveel zijn het er nu precies?’ onderbrak juffrouw Rosel hem met scherpe stem.

‘Zeven!’ bekende hij. ‘Maar ik vraag je: is die mooie, verstandige, dikke Chaje daarom lelijker, magerder of dommer? Kan ze daarom geen vis klaarmaken? Ontbreekt er daarom iets aan de uitzet of aan de zeshonderd harde guldens? Of wordt Sender daarom niet in de zaak genomen om levenslang onder de pannen te zijn? En is die zaak niet…’

‘Ook wat de zaak betreft moet u hem de volle waarheid zeggen,’ viel juffrouw Rosel hem in de rede. ‘Je schoonvader neemt je maar voor vijf jaar in huis. In die tijd werk je in zijn werkplaats en je krijgt met je gezin kost en inwoning. Die zeshonderd gulden worden voor je op rente gezet. Na vijf jaar kun je daarvoor een andere werkplaats kopen of zelf inrichten.’

‘Nou, wat zeg je daarvan?’ riep Türkischgelb enthousiast. ‘Is dat niet veel mooier dan altijd daar te blijven zitten en tien of twintig of zelfs veertig jaar je schoonvader als baas te hebben? Is dat niet veel mooier dan je hele leven te moeten horen: “Hij heeft de zaak van zijn schoonvader geërfd, alleen had hij het niet zover gebracht?” Nou, heb ik gelijk of niet?’

‘Daar valt over te twisten,’ zei juffrouw Rosel. ‘Maar niet over de hoofdzaak: dat die partij daarom toch een groot geluk is voor iemand die niets heeft en ook niets erft, die al veel geprobeerd heeft, voor hij horlogemaker geworden is, en die het in zijn vak nog steeds niet ver gebracht heeft. Daarom stoorden alle andere dingen niet, die Sender nog niet weet. Vertel ze maar, reb Itzig. Hij moet niet klagen dat we iets voor hem verzwegen hebben.’

‘Ik begrijp u niet,’ verzekerde de marschallik haar trouwhartig, terwijl hij haar vragend aankeek, ‘iets wat erop tegen is? Daar heb ik u niets van verteld en zou ik onze Sender ook niets van kunnen vertellen. Er is alleen maar iets voor te zeggen!’

‘Nou,’ zei juffrouw Rosel, ‘bijvoorbeeld dat er helaas een misdadiger in de familie is.’

‘Een misdadiger?’ riep Türkischgelb verontrust. ‘In die familie? Juffrouw Rosel, neem me niet kwalijk, maar dat moet u gedroomd hebben. De familie van reb Mortche is van een adel, een adel – God, hoe moet ik die beschrijven? Is het niet genoeg als ik zeg dat reb Mortches grootvader de beroemde reb Srulze was, die de hele Talmoed uit zijn hoofd kende? Uit zijn hoofd, Sender! – van voor tot achter, midden in de nacht! – Als je er niet op gebrand bent de achterkleindochter van zo’n geleerde als vrouw te krijgen, verdien je het niet om jood te zijn! En wie is de broer van je toekomstige schoonmoeder? De eerste gabbe (hoge dienaar, een soort secretaris) van de wonderrabbi van Nadworna. En wie heeft de zoon van reb Mortche, jouw oudste zwager, getrouwd? De dochter van reb Meier Hirschler in Tluste – ja, van reb Meier, zo waar als ik leef! En reb Meier is toch zeker de grootste geleerde in het district van Barnow, maar die had het niet over een familie van criminelen!’

‘Ik ook niet,’ zei juffrouw Rosel. ‘Maar daarom is het wel waar dat reb Mortches enige broer –‘

‘Stil toch, juffrouw Rosel, stil toch!’

Itzig Türkischgelb kromp pijnlijk in elkaar en kwam dan waardig overeind, terwijl er een trek van diepe, milde weemoed op zijn gezicht lag.

‘Stil toch,’ zei hij voor de derde keer. ‘Mijn hart doet pijn als ik moet horen hoe een vrome vrouw als u tegen God zondigt. Hij, de grote Erbarmer, heeft ons bevolen: “Laat de doden rusten en veroordeel ze niet!” Waarom –‘

‘Dat wist ik niet,’ onderbrak ze hem. ‘Is hij intussen dan overleden?’

‘Drie jaar geleden al,’ zei Itzig Türkischgelb met bevende stem. ‘Hij ruste in vrede.’

‘Dus direct nadat hij in het tuchthuis kwam?’ vroeg ze. ‘Want hij is pas drie jaar geleden veroordeeld. Maar ik denk dat u zich vergist. Want toen ik naar de zaak informeerde, vertelde reb Jossele, Senders baas, die die schurk, die Noah, kent en toen ook als getuige voor de rechter moest verschijnen, dat hij hem een paar maanden geleden, onderweg in Zloczow, nog gezien heeft. Want daar is het tuchthuis. En Noah zat met andere gestraften in een greppel langs de weg keien te kloppen voor de aanleg van de weg.’

‘En dat noemt reb Jossele leven?’ riep Türkischgelb. ‘Ik dacht dat hij verstandiger was! Wie in het tuchthuis terechtkomt is dood! Noah is dood voor de wereld, dood voor zijn broer! Maar geloof nu niet,’ zei hij tegen Sender, ‘dat hij uiteindelijk een rover of een moordenaar was! Pech in zaken had hij – meer niet!’

‘Zeg dat niet,’ wees juffrouw Rosel hem streng terecht. ‘U bent zelf toch zo’n eerlijke man. Ook over reb Mortche geven ze tegenover mij hoog op, en dat hij absoluut niets met de schurkenstreken van zijn broer te maken heeft gehad.’

‘Ik zou ook niemand aanraden om zoiets te zeggen!’ riep de marschallik. ‘Die Noah – zo zie je, Sender, hoe vreemd het leven kan lopen! Die was de kleinzoon van reb Srulze, die de hele Talmoed van voor tot achter op kon zeggen, en ook zijn vader was vroom en rechtvaardig, en helemaal zijn oudere broer Mortche – zulke voorbeelden heeft geen mens ooit gehad! En wat wordt er van hem? Een schurk! In plaats van horlogemaker te blijven, net als Mortche, wordt hij horlogehandelaar, koopt in Zwitserland en in Frankrijk en God weet waar horloges op krediet en bedriegt de mensen waar ze bijstaan, vervalst wissels, verhandelt gestolen goed! Reb Mortche waarschuwt hem en redt hem één keer, twee keer, en breekt dan ten slotte met hem. En wat voelde hij zich tijdens het proces beledigd en beschaamd om hem, al was het voor hemzelf eigenlijk een eer –‘

‘Een eer?’ riep Sender.

‘Jazeker! Want iedereen zei: “Dat zo’n schurk en zo’n man van eer dezelfde moeder hebben – heb je ooit twee zo verschillende broers gezien?” Ik vraag u –‘ de marschallik kwam overeind – ‘ik vraag u trouwens, juffrouw Rosel, en jou, Sender, vraag ik: is die mooie, dikke Chaje met die zeshonderd gulden de dochter van Noah of van Mortche? Geef het juiste antwoord maar!’

‘Ik heb het al gezegd,’ antwoordde Rosel, ‘het is voor Sender toch een geluk, alleen moet hij alles weten. Daarom mogen we voor hem de voorwaarde niet verzwijgen dat hij zich na vijf jaar overal mag vestigen waar hij maar wil, alleen niet in Mielnica. Want dat doet afbreuk aan de huwelijkskandidaat.’

‘Nee, die wordt er juist beter door!’ riep de marschallik. ‘Een jonge echtgenoot moet zijn schoonouders niet altijd onder ogen blijven – dat is niet goed, juffrouw Rosel, zeg ik uit ervaring, dat is niet goed. Sender zal met zijn Chaje en de kindertjes die God hem geven zal na vijf jaar maar wat graag hierheen of naar Tarnopol gaan – waar hij maar wil en waar het hem uitkomt.’

‘Waarom stelt Mortche die voorwaarde?’ vroeg Sender.

‘Omdat hij,’ antwoordde juffrouw Rosel, ‘zijn oudste ook opleidt als horlogemaker en omdat hij niet wil dat jij hem misschien ooit klanten afpakt. De zoon moet de zaak erven. Nou, dat is eigenlijk ook rechtvaardig, en ik heb het voor jou ook niet allemaal voor het kiezen, als voor een prins. Ik mag God danken dat die toestand met Noah er geweest is, anders had reb Mortche zeker niets van jou willen weten. Maar wat dat betreft: dat bespreken we nog, mocht dat nodig zijn. Maar ik hoop dat het niet nodig is.’

Ze keek haar zoon strak aan en streek het tafelkleed glad.

‘Dank u wel, reb Itzig,’ zei ze vervolgens tegen de marschallik. ‘Sender weet nu waar het om gaat en dat we echt een geluk voor hem in petto hebben. Goed: vandaag is het woensdag, zondagochtend gaat u met hem de bruid bekijken. De afspraak blijft dus staan, weest u zo vriendelijk om zondagochtend hiernaartoe te komen.’

‘Goed,’ antwoordde reb Itzig. ‘Maar een geluk voor Sender, zegt u – meer niet? Hij kan zich in de zevende hemel wanen, in de veertiende, in de vierentwintigste hemel. Zondagochtend dus. Tot ziens!’

 

Emilia Galotti: toneelstuk (1772) van Gotthold Ephraim Lessing.

 

Hoofdstuk 11

Hij ging weg. Moeder en zoon waren alleen. Er heerste een lang zwijgen tussen de twee.

‘Zondagochtend,’ begon de vrouw, ‘rijd je dus met de marschallik naar Mielnica, dat de ouders van het meisje je kunnen bekijken. Als je bevalt, ga ik er een paar dagen later heen en regel de verloving –‘

‘En als het meisje me niet bevalt?’

‘Dan ga ik er toch heen om haar te bekijken. Ik kom onverwacht, zodat de mensen zich niet kunnen opdoffen. En als het huis en het meisje me bevallen, breng ik de zaak in orde.’

‘Ga jij met haar trouwen?’

‘Op de schoonheid komt het niet aan,’ zei juffrouw Rosel. ‘En ouders hebben er meer kijk op dan kinderen.’

Iedere zenuw in haar hart zorgde voor pijnlijke steken, terwijl ze zo sprak. Ze herinnerde zich haar eigen jeugd en hoe haar hele leven kapotgemaakt was, omdat ze tegen de wil van haar ouders gekozen had en haar hart gevolgd was. ‘Het was een zonde,’ zei ze tegen zichzelf, ‘en die heeft zich gewroken!’

‘Moeder,’ vroeg Sender, ‘heb je er wel goed over nagedacht?’

‘Ja,’ antwoordde ze stellig. ‘Het is afgesproken en het blijft afgesproken, voor zover wij tweeën er iets aan kunnen doen… Zeg maar niets meer,’ vervolgde ze luid, toen hij iets wilde zeggen. ‘Dat helpt niet… Welterusten.’

‘Moeder, je moet me niet dwingen om…’

‘Ja… Ik dwing je om gelukkig te worden… Welterusten.’

Hij liet zijn smekend geheven armen zakken en ging naar zijn kamer. Daar ging hij in het donker op de stoel naast zijn bed zitten om zijn situatie te overdenken.

‘Het kan niet anders,’ mompelde hij ten slotte, ‘het moet.’

Hij maakte licht, haalde zijn schrijfspullen tevoorschijn en schreef in zijn duidelijkste handschrift de volgende brief:

Aan meneer de weldoener Adolf Nadler in Czernowitz.

Omdat u mij toestemming gegeven hebt, zult u niet boos op mij zijn. Maar ook als u mij geen toestemming gegeven had, zou u mij zeker willen vergeven, omdat het mijn enige hoop is.

Ik kan namelijk niet in Barnow blijven.

Ten eerste hebben ze mijn soldaat weggehaald en doodgeschoten, misschien heeft de barmhartige God het ook van de arme man afgewend, maar ik heb niets meer van hem gehoord.

Dat was namelijk mijn leraar, zijn ongeluk was met een boekje van de priester Moritz Hartmann. Hij heette Wild.

Ten tweede heb ik nu in de zaal bij de monniken boeken, alleen begrijp ik er maar heel weinig van, om over bevriezen maar te zwijgen. En omdat een ongeluk nooit alleen komt, moet ik nu ook nog een bruid krijgen. Meneer de weldoener mag echt van me aannemen, dat ik nu al de treurigste paljas op Gods aarde ben.

Beste meneer de weldoener – toen ik in Czernowitz was, hebt u met mij gedaan wat God met Mozes gedaan heeft, u hebt mij op een berg geleid en hebt mij van ver het Beloofde Land getoond. Mozes kon genoegen nemen met het zien, want hij was al heel oud, maar mijn hart bloedt, dat ik dat land nooit zal kunnen bereiken, omdat ik nog zo’n jonge man ben en godlof zo goed bij het theater pas! U zei toch zelf dat u zo’n speler nog nooit gezien had, en dat is ook zeker waar. Hier wordt het niets met mij, dat weet ik zeker. Dus smeek ik u om mij toestemming te geven om naar u in Czernowitz te komen. Ik kan mijn brood wel verdienen, misschien bij u, want het lijkt wel of het doek vanzelf omhooggaat, maar iemand moet toch trekken, en lampen zou ik willen aansteken en laarzen poetsen en alles precies doen, tot ik kan spelen. Of misschien kom ik een horlogemaker in Czernowitz tegen, of iets anders, want ben ik godlof geen handige man?

Onze Vaderen in de woestijn hebben niet zo naar het manna gesnakt of naar het water, als ik op uw antwoord wacht. Daarom verzoek ik u, mij te schrijven, maar niet aan mij, maar aan Fedko Hayduck in het klooster in Barnow, omdat de mensen hier het anders merken. Fedko zal me de brief wel geven, u hoeft hem niet te frankeren, want voor mij moet u geen geld uitgeven.

Ik groet meneer de weldoener en mevrouw de weldoenster en onderteken als

Uw

Sender, de “paljas”

Dat ik al kan schrijven, ziet u, lezen natuurlijk ook, en Duits kan ik spreken, alsof ik nooit een kaftan gedragen heb. Op mijn woord van eer! – U kunt het van mij aannemen.

Toen Sender deze brief de volgende dag in de brievenbus van het postkantoor zag verdwijnen, keerden ook zijn moed en vastberadenheid terug.

Nu was het zaak om het volgende gevaar af te wenden: de verloving. Hij deed geen poging meer zijn moeder op andere gedachten te brengen, want hij wist dat dat vergeefs zou zijn; hij moest nu op eigen houtje handelen, maar natuurlijk niet met geweld.

Toen juffrouw Rosel hem vrijdagochtend opdracht gaf voor zondag bij zijn vroegere baas, de vrolijke Simche Turteltaub, een wagentje te huren, vertrok hij geen spier. ‘Het zal gebeuren,’ antwoordde hij en voerde de opdracht uit. Ook tegen de marschallik, die hem zaterdagochtend voor de sjoel gelukwenste en omhelsde, zei hij kortweg: ‘Aan mij zal het niet liggen.’

‘Goddank, hij lijkt verstandig geworden,’ zei de oude man een paar uur later tegen juffrouw Rosel, toen hij bij haar op bezoek ging om alles voor de volgende dag nog eens na te lopen. ‘Als ik hem onderweg nog een paar adviezen geef, zal alles goed gaan.’

‘Wat wilt u tegen hem zeggen?’ vroeg ze.

‘Nou, hoe hij zich gedragen moet om op reb Mortche en zijn vrouw een goede indruk te maken. Dat zijn ook mensen en zij hebben ook hun zwakke punten.’

Ze dacht na.

‘Zegt u dat maar liever niet,’ besloot ze. ‘Niet dat ik hem niet vertrouw. Ik heb hem streng opgevoed en hij weet dat hij zich aanpassen moet. Maar vergeet u niet, reb Itzig, dat hij een paljas is. Ik zal zeggen dat hij zich fatsoenlijk moet gedragen – meer is uit den boze!’

Op datzelfde moment besprak Sender met zijn vrolijke vriend, de dikke Simche, hetzelfde onderwerp: de rit naar zijn aanstaande. Maar ook dat gebeurde op een manier waar de marschallik vermoedelijk alleen maar tevreden mee had kunnen zijn. Simche, die het verdriet van het verlies van zijn favoriete knecht aan het saaie horlogemakersvak nooit te boven was gekomen, plaagde Paljas zoveel hij kon, maar die gaf zich niet gewonnen.

‘Natuurlijk,’ riep hij, ‘jouw meisje had ik moeten nemen, waar geen greintje vlees aan zit, zodat ik altijd aan de zeven magere koeien moet denken. Dan liever mijn dikkerd! Dat is toch een bewijs dat de kost bij reb Mortche goed is.’

‘Goed en krachtig!’ hoonde Simche. ‘De vliegen in de soep zijn het enige gevleugelte dat je te zien zult krijgen.’

‘Jij weet het, want jij werd bij reb Mortche altijd uitgenodigd!’

‘Dat niet – maar als je iedere maand twee keer in Mielnica komt, zoals ik, ken je de mensen en hun reputatie. Jouw schoonvader weegt voor zijn vrouw de benen voor de soep: een vrek als geen ander!’

‘En stelen doet hij ook.’

‘Dat doet zijn broer, jouw nieuwe oom! Nee, Sender, serieus: reb Mortche is een beste man, maar ook een echte vrek! Ik raad je aan om bij de verloving voor iedere sabbat tenminste vijf lood vlees te eisen, anders krijg je het nooit te zien, ook al zeg je zijn vrouw iedere dag dat ze de mooiste vrouw ter wereld is!’

‘Zo mooi als jouw Surke is mijn schoonmoeder natuurlijk niet. Jouw schoonzoon kun je rustig drie pond vlees per dag beloven, want als hij jouw Surke ziet heeft hij al geen trek meer!’

‘Maar mijn Surke is niet belachelijk en wordt niet door de hele stad bespot, zoals Mortches Rifke,’ antwoordde de koetsier vergenoegd. ‘Omdat die ooit knap was, denkt ze dat ze dat nog altijd is en doet alsof ze een verlegen meisje van veertien is.’

‘Maak dat een ander wijs!’ riep Sender, die naar alle schijn heel kwaad was. ‘Nou – kom op! Wat weet je verder nog van die mensen?’

‘Niets!’ zei Simche, die bijdraaide. ‘Ik wil je echt niet bang maken. Wat ik zei is waar, maar daarom raad ik je toch aan om haar te nemen. Veel geluk onderweg!’

‘Dank je wel,’ antwoordde Sender, pakte de uitgestoken hand hartelijk en gaf Simche een warme handdruk. ‘Je hebt me een grote dienst bewezen –‘

Daarop ging hij er snel vandoor.

De koetsier keek hem verbaasd na. ‘Paljas!’ mompelde hij. ‘Een ander zou boos zijn en hij is haast buiten zichzelf van vreugde, als je zijn schoonouders uitscheldt.’

Zondagochtend was Sender al zo vroeg van huis gegaan, dat zijn moeder hem niet meer te spreken kreeg. Ze zag hem pas een uur later, toen hij met de marschallik naast zich in Simches wagentje het tolhuis passeerde. ‘En je gedraagt je fatsoenlijk!’ riep ze hem streng na.

Hij zei niets. Maar de marschallik antwoordde in zijn plaats: ‘Maak u niet bezorgd, juffrouw Rosel, hij lijkt wel omgeslagen als een blad aan een boom!’

Inderdaad was Türkischgelb door het gedrag van zijn reisgenoot alleraangenaamst verrast; hij kon de bemoedigende troost die hij achter de hand had voor zich houden. Sender lachte en maakte grapjes, alsof met de leidsels, die hij zovaak gehanteerd had, ook de vrolijke stemming van zijn jaren als voerman teruggekeerd was. Daardoor kon de marschallik in plaats van alle preken de pikante grappen te berde brengen, waarin hij eigenlijk beter thuis was. Maar Sender deed niet voor hem onder en de twee kwamen niet meer bij van het lachen.

‘Sender,’ riep de marschallik opgewekt, ‘zo vrolijk ben ik nog nooit een bruid gaan bekijken, maar zo’n bruid heeft ook nog niemand gekregen. Een zonnetje –‘

‘De zon heeft ook vlekken,’ zei Sender.

‘Dan is ze nog mooier dan de zon. Dat meisje heeft geen gebreken. – Je zult het zelf zien!’

‘Maar als ze zo prachtig is,’ zei Sender, ‘dan neemt ze mij uiteindelijk niet.’

Reb Itzig lachte.

‘Zo ken ik je weer! ‘Je hebt haarnog niet eens gezien en je maakt je al druk om de afloop. Maar wees gerust. Een jongen zoals jij! En dan: de hoofdzaak is toch dat je bij haar ouders in de smaak valt. En dat zal wel lukken, als je je fatsoenlijk gedraagt.’

‘Maak je maar geen zorgen,’ lachte Sender. ‘Zo heeft een vrijer zich nog nooit gedragen.’

Ze kwamen in Mielnica aan, parkeerden het wagentje bij de herberg en begaven zich meteen op weg naar het huis van Mortche Diamant. Met iedere pas werd Sender ernstiger, en in de buurt van de winkel bleef hij aarzelend staan.

‘Reb Itzig,’ begon hij onzeker.

‘Wat?’ riep Türkischgelb. ‘Ik geloof dat je bang bent! Vooruit, het moet er nu van komen!’

Sender was bleek geworden. ‘Het moet er nu van komen,’ zei hij somber. ‘Maar mijn schuld is het niet.’

Daarop begon hij hard te lachen.

Ze gingen de winkel binnen. Mortche Diamant, een dikke man met een goedmoedig gezicht, liet zijn werk liggen en begroette hen vriendelijk.

‘Ik ben blij dat u me de eer verschaft,’ zei hij tegen Sender. ‘Wat brengt u naar Mielnica?’

De vader van de bruid hoort zich zo diplomatiek op te stellen. Maar Sender was niet in de stemming erop in te gaan.

‘Dat weet u best!’ riep hij lachend. ‘Ik kom om uw dochter te bekijken en of u echt iets te bieden hebt! – Nou, horloges zijn er geloof ik wel genoeg!’

En ongegeneerd ging hij naar de grote vitrine en begon de koopwaar te onderzoeken. ‘Maar niet veel goeds!’

De dikke man schraapte bevreemd zijn keel. Ook Türkischgelb stond een ogenblik perplex, maar beheerste zich snel.

‘God!’ riep hij, ‘wat een horlogemaker is onze Sender! Met hart en ziel is hij erbij betrokken! – Als hij horloges ziet, moet hij ze bekijken!’

‘Maar reb Itzig,’ lachte Sender, ‘wat bent u een schaamteloze leugenaar! U weet heel goed wat een hekel ik aan dat vak heb en dat mijn baas me drie keer per dag wegjagen wil. Hij heeft gelijk: als horlogemaker ben ik een stumper en dat zal ik blijven. Maar dat doet me niets en u hopelijk ook niet, reb Mortche. Overigens hebt u behalve de horloges vast nog geld op zak, hè?’

‘Neem het hem niet kwalijk,’ zei de bemiddelaar, ‘hij – is zo met geld bezig en zo spaarzaam!’

‘Hm! Hm!’ De horlogemaker kuchte steeds verlegener en keek daarbij naar de grond of eerder – ieder naar vermogen – naar zijn enorm dikke buik.

‘Nou, neem me niet kwalijk, ouwe,’ zei Sender en klopte hem gemoedelijk op zijn buikje. ‘U lijkt me een vat vol stilte en gemoedelijkheid, – van zulke mensen houd ik wel. De oude spaart, de jonge geeft het uit – we zullen het wel met elkaar kunnen vinden. Maar waar is het meisje?’

Türkischgelb gaf hem zo’n harde por in zijn ribben, dat hij drie passen achteruitvloog.

‘Neemt u me niet kwalijk!’ zei hij tegen de horlogemaker, ‘hij is zo opgewonden, omdat ik hem veel over het meisje verteld heb, en nu is hij erop gebrand om haar te zien. Nou – daar komt ze al!’

Inderdaad verscheen nu in de deur die naar de woning leidde de vrouw van de horlogemaker met achter haar een dik meisje van zestien.

‘Goedendag!’ riep Sender naar hen. ‘Is dat het meisje? Nou, niet slecht voor de winter – maar in de zomer moet je haar in de kelder houden, anders smelt ze in de zon –‘

‘Wat?’ riep juffrouw Rifke – ze geloofde haar oren niet –

‘Nou, reb Itzig,’ vervolgde Sender gemoedelijk, ‘na uw beschrijving had ik me haar anders voorgesteld, maar –‘ voegde hij eraan toe op een gedempte toon die op straat nog te horen was, ‘ze lijkt goddank niet op haar moeder!’

‘Wat?’ gilde juffrouw Rifke nog harder en zette haar handen in haar zij.

‘Ja, ja!’ riep Türkischgelb luid, ‘ze lijkt echt wel op haar moeder – dat zei ik je al – en daarom is ze zo knap, zo –‘

Juffrouw Rifkes vollemaansgezicht vertrok tot een verlegen glimlach: wie moest ze nu geloven?

‘Goddank lijkt ze helemaal niet!’ herhaalde Sender luid. Daarop keerde hij zich naar de horlogemaker.

‘Even –‘ zei hij halfluid – ‘een vertrouwelijk vraagje. Hoe bent u aan al die horloges gekomen?’

‘Hoe bedoel je?’ vroeg de horlogemaker verontrust. ‘Die heb ik gekocht.’

‘Ik vraag dat, omdat er op veel horloges Genève staat – misschien als aandenken aan uw broer.’ (een onvertaalbare woordspeling: Genève is de plaats waar de horloges vandaan komen en genavah is Hebreeuws voor “diefstal”.)

Het gezicht van reb Mortche kleurde donkerrood. ‘Hoe durf je…’ hijgde hij. ‘Hoe durf je…’

Opnieuw gaf Türkischgelb de jongen zo’n opdoffer, dat hij tegen de toonbank vloog.

‘Zo is dat joch!’ lachte hij. ‘Denkt altijd aan zaken! Kijkt meteen wat voor een stempel er op een horloge staat!’

Maar al zijn tegenwoordigheid van geest hielp niet meer.

‘Genoeg!’ onderbrak de dikke man hem, buiten adem van opwinding, maar vastbesloten. ‘Ik heb al meteen gezegd dat ik met de paljas niets te maken wil hebben. U hebt me voorgelogen, dat hij verstandig geworden is. Dat is niet waar! – Ga met God – goede reis!’

‘Groetjes!’ riep Sender vrolijk en was met één sprong de deur uit.

Hij ging naar de herberg om op de marschallik te wachten. Maar die kwam niet. En hoe langer hij wegbleef, hoe ernstiger Sender werd en hoe banger voor de gevolgen van zijn gedrag. En toen hij na vier uur wachten ten slotte besloot om alleen naar huis te gaan, was al het lachen hem vergaan.

Het schemerde al, toen hij voor de tolboom stilhield. Zijn moeder deed open.

Eén blik op haar gezicht maakte hem duidelijk dat de marschallik al eerder bij haar geweest was. Hij had haar gezicht nog nooit zo streng en dreigend gezien.

‘Ik ga de wagen terugbrengen,’ zei hij deemoedig.

Ze knikte zwijgend.

Toen hij thuiskwam, zei ze met de doffe, toonloze stem die haar zoon zo had leren vrezen: ‘Je bent een schoft! Maar ik praat niet graag over dingen die niet meer te veranderen zijn. Nu over de toekomst. Ik heb de marschallik zover gekregen dat hij een andere partij voor je gaat zoeken. Gedraag je je dan weer zo, dan jaag ik je het huis uit en dan ken ik je niet meer. Zo waarlijk als God me genadig is!’

Ze stak haar hand op voor de eed.

 

 

Hoofdstuk 12

De volgende dagen voelde Sender veel wroeging en hij ging gebukt onder berouw en moedeloosheid. ‘Het was zelfverdediging,’ zei hij ter verontschuldiging tegen zichzelf, maar als hij het verdriet van zijn moeder zag of haar sombere, verwijtende blik, voelde hij zich een echte zondaar.

Maar toen kwam de opgewektheid terug, die evenzeer in zijn aard lag als de hardnekkige doelgerichtheid. Eén ding kon hem nu nog maar redden: de directeur in Czernowitz moest hem uit zijn Barnowse ketenen bevrijden, en dat zou die man ook zeker doen. En vreemd genoeg groeide zijn vertrouwen, naarmate het antwoord langer op zich liet wachten.

‘Waarom zegt hij niets?’ dacht hij. ‘Omdat die goede man werk voor me zoekt. Een andere reden kan hij echt niet hebben. Als hij nee wilde zeggen had hij dat al gedaan. En tot hij iets gevonden heeft hoef ik niet stil te zitten: ik heb immers de boeken in het klooster. Fedko trekt wel een nors gezicht, als ik geen drank voor hem kan kopen, maar hij laat me toch altijd binnen en mettertijd zal de goede God me ook wel weer aan een fles slivovitsj voor hem helpen. En de kou kan me immers niet schelen. Kon ik dan als koetsier bij Simche altijd bij de kachel zitten?’

Maar om één ding was hij echt, zelfs hevig bezorgd: wat hij nu moest lezen.

Met Emilia Galotti was het niet goed gegaan: hij had er haast niets van begrepen en met het volgende deeltje van Lessings Toneelwerken, zoals de titel van vergeelde Weense herdruk luidde, de Philotas, lukte het helemaal niet meer.

Wel tien keer moest hij de openingsmonoloog lezen, voor hij een idee begon te krijgen in welke situatie en stemming Philotas was.

‘Ik denk,’ zei hij voor zich uit, ‘dat die Philotas ook een militair is, net als de tempelheer. Goed, daar heb ik niets tegen. Waarom niet? Met een militair kan veel gebeuren, een militair kun je in een spel goed spelen. De laatste keer heb ik op Poeriem (joods carnaval) ook een militair gespeeld, een eerste luitenant, de oudste zoon van Haman, de vijand van de joden, die toch graag geld leent bij de joden – de mensen moesten erg lachen. Dit lijkt een ernstige, treurige militair – doet er niet toe – die kan ik ook spelen. Maar wat is het voor een man? Tot nu toe zie ik alleen maar dat hij in ieder geval geen jood is. Want ten eerste is er nog nooit een jood geweest die Philotas heette en ten tweede zegt hij dat hij als kind al van wapens droomde en van veldslagen – dat heeft sinds Judas de Makkabeeër ook geen joods kind meer gedaan…’

‘Dus,’ dacht hij, doorfantaserend, ‘een treurige christelijke militair. Maar wat voor een? Is het een Oostenrijker of een Rus, een Pruis of een Fransman, of een Engelsman? Dat wordt er niet bij gezegd. Dat bevalt me al niet. Want als het stuk gespeeld wordt, en ik ben die Philotas, moet ik toch een uniform aan. Moet ik een wit uniform met een sjako dragen, net als onze soldaten, of een grijs uniform met een muts, zoals een Rus? Aan de naam kun je het ook niet zien. Philotas en dan heb je nog de anderen. Aridaeus, Strato, Parmenio: mijn hele leven ben ik nog niemand tegengekomen die zo heette. Trouwens – dat schiet me nu te binnen – de laborant in de apotheek heet Philipp – misschien is dat in een andere taal Philotas, misschien zijn het Fransen, want Duitsers of Polen of Russen zijn het niet…’

Hij knikte.

‘Dus waarschijnlijk een Fransman. Maar wat is die Philotas? Het is om te lachen! Hier staat: Aridaeuskoning – goed. Strato is zijn veldheer, Parmenio is soldaat – maar Philotas? Philotas gevangen. Om te lachen, vind ik. Gevangen! is dat een klasse, is dat een parnosse (broodwinning)? Gevangen! – Kom je zo ter wereld, en kun je daarvan leven? Gevangen sergeant zou het moeten zijn of commandant of generaal, want gemeen soldaat, zoals mijn arme Wild, is die Philotas niet, anders zou de koning hem niet zo laten verzorgen. Hij heeft een eigen tent, voorzien van alle gemakken. Maar is hij daar tevreden mee? Nee. Hij ergert zich zelfs nog, hij scheldt en hij scheldt en zou zelfs zijn wonden open kunnen halen.

Maar waarom scheldt hij? Dat begrijpt geen mens! Omdat hij gevangen zit? Dat is toch geen schande? Hij heeft zich immers verdedigd, anders had hij die wond niet. Als ik soldaat ben en ik moet – God verhoede – in een veldslag vechten en ik raak gewond en word gevangengenomen, is dat natuurlijk niet prettig, maar dan zeg ik: “Dat kan iedere soldaat overkomen en als het gebeurt is het beter dat ik verzorgd word dan dat ik sterven moet!” Maar die Philotas is een ezel of hij is gek – en zulke mensen horen niet in een spel en daar wil ik niets meer mee te maken hebben.’

Hij gooide het boekje op de tafel en liep opgewonden heen en weer.

‘Misschien ook –‘ mompelde hij na een tijdje, terwijl hij bleef staan om na te denken.

‘Lessing!’ zei hij hardop voor zich uit. ‘Wat zei Wild altijd? “Een groot schrijver!” En hij heeft toch ook het spel van Nathan opgeschreven. Lessing schrijft vast alleen maar goede dingen. Misschien is het helemaal niet serieus bedoeld, ik bedoel: misschien moeten de mensen om die Franse Philipp lachen… Maar nee, het is toch een treurspel, dan moet je huilen. Of misschien zit er toch een bedoeling achter, die ik niet begrijp. Ja, dat zal wel. Ik ben de ezel en niet Philotas!’

Weifelend begon hij weer rond de tafel te lopen. Zijn tanden klapperden van de kou, wat hem natuurlijk niet voor het eerst overkwam, alleen voelde hij die ijzige en tegelijk bedorven lucht als het ware doordringen tot in zijn hart, misschien doordat hij vandaag zo gekweld werd door een onbehaaglijk gevoel. Daarom kwam Fedko vandaag ook niets te vroeg, en toen ze bij de Tartarenpoort uit elkaar gingen, stond hij op het punt om te zeggen: “Ik kom niet meer terug!”

Hij zei het niet, en een paar uur later leek alleen al de gedachte hem zondig. Wel voelde hij een hevige kriebel in zijn keel en neus. ’s Avonds kreeg hij een hevige griep, en door de hoest kon hij ook ’s nachts niet rustig slapen, maar dat leek hem geen reden om de volgende dag het klooster te mijden, en bovendien: aan zijn overtuiging lag het niet. Als hij het spel over de Franse Philipp niet begreep, moest hij maar niet verder lezen – uit zijn ervaring met Emila Galotti wist hij hoe weinig zoiets opleverde. Maar wat volgde daaruit? Dat hij gewoon een ander spel moest zoeken, een dat hij begrijpen kon.

Vooral iets van Sjikspier, de schrijver van Sjaje. Die schrijver begreep hij vast wel en bovendien was dat, zoals Wild hem verzekerd had, de grootste die ooit voor het toneel geschreven had. Hij had zijn werken weliswaar nog niet in de bibliotheek gevonden, maar ze waren er vast wel en dan was hij geholpen. Zijn hart bonsde van opwinding, als hij eraan dacht dat hij nu misschien ook het spel dat hem in Czernowitz zo geweldig aangegrepen had, zou kunnen lezen.

De twee volgende keren was hij uren vergeefs aan het zoeken, kast na kast keek hij na, reusachtige stofwolken joeg hij op en verwoestte het noeste levenswerk van duizenden spinnen; zijn gezicht, handen en gewaad raakten bedekt met een korst vuil, en het hoesten werd zo erg, dat zijn borstkas bij iedere ademtocht pijn deed. Maar Sjikspier stond nergens op de rug van een boek.

Juist de beste ontbrak. Hoe kwam dat? ‘Misschien wilden de monniken niets van hem weten,’ dacht hij, ‘omdat hij ergens ook hart voor de joden had – Maar dat kan het toch niet zijn,’ bedacht hij meteen, ‘Lessing had dat nog meer, en die is er wel.’

Ondertussen leverde zijn vergeefse speurtocht toch iets goeds op. In de tijd dat Wild nog zijn leraar was, had die na al die lastige vragen een keer lachend uitgeroepen: “Ik ben toch geen encyclopedie?” Natuurlijk leidde dit verweer alleen maar tot een wedervraag van Sender: “Wat is dat?” Wild had het hem uitgelegd en eraan toegevoegd dat dat een heel nuttig boek was, waarin je alles kon vinden wat je wilde weten.

Zo’n boek was Sender bij de jacht op de grote schrijver in handen gevallen. Hij had het opzijgelegd en haalde het nu tevoorschijn. Misschien was het beter als hij in plaats van de onbegrijpelijke spelen dit nuttige boek doorlas. Al was het geen bemoedigend teken dat hij ook hier de titel al niet begreep: Conversatielexicon of Encyclopedie. Leipzig 1846.

Maar misschien lukte het met die tekst beter. Dat je zo’n boek alleen als naslagwerk gebruikt, wist hij natuurlijk niet; hij sloeg de eerste bladzij op en las door, voortdurend schrapend, hoestend en snuitend. Zo leerde hij dat Aa een rivier in Frankrijk was, Aachen een stad in Pruisen, Aal een slangvormige vis en Abbotsford het landgoed van een zekere heer Walter Scott, die hij echter niet kende.

Spannend was ook dit niet, en als de kou in de boekenzaal en zijn lichamelijk onbehagen hem niet wakker hadden gehouden, was hij zeker boven het boek ingedommeld. En natuurlijk begreep hij ook in dit boek niet alles. Desondanks hield hij moedig vol en had al heel wat gelezen, toen er een hindernis opdoemde die ook aan dit bescheiden leesplezier een einde dreigde te maken.

Die hindernis was Fedko’s overtuiging dat ieder werk betaald moest worden. Hij liet Sender wel elke dag binnen, maar zijn gezicht stond steeds somberder, en op de dag dat de leergierige jonge man uitzag naar het genot om van de Acefalen naar Akerside te gaan, slaakte de oude man bij de Tartarenpoort zo’n diepe zucht, dat Sender hoe dan ook wel naar de reden vragen moest.

‘Omdat ik het somber inzie,’ antwoordde Fedko. ‘Een jood in het klooster: dat is toch niet goed. Gisteren klaagde de pater econoom dat onze varkens niet vet meer willen worden. Dus toch toverij…’

‘Maar Fedko,’ bracht Sender er treurig tegen in, ‘hoe kun je dat nu geloven? Varkens mager maken is toch grote toverij, en wat zou ik daarmee opschieten? Als ik kon toveren, zou ik mijn gehoest en gesnotter wegtoveren, en nog liever zou ik bij mijn goede Fedko een flesje slivovitsj in zijn zak toveren! Want geld heb ik jammer genoeg niet…’

Dat zag de oude man wel in, maar vrolijk werd hij er niet van.

‘Ik dacht het alleen,’ verontschuldigde hij zich, ‘omdat jullie die lieve diertjes niet uit kunnen staan… Een dom volk zijn jullie! Geen varkensvlees eten, niet achter de meisjes aan lopen, geen alcohol drinken, geen liedjes zingen: een heel dom en treurig volk… Maar als het geen toverij van jou is, dan misschien de straf van God: “Jullie laten geen joden in het klooster, of ik maak jullie varkens mager!” Daar zit ik echt mee…’

‘Dat hoeft niet,’ troostte Sender. ‘Als we binnenkort weer eens bij Srul Schänker bij elkaar zitten, zal ik het bewijzen.’

‘Binnenkort?’ vroeg Fedko bekommerd. ‘Mijn hart is heel bedroefd! – Kan het niet vandaag?’

‘Ik zeg je toch: ik heb helemaal geen geld. Maar binnenkort, als er op jouw adres een brief uit Czernowitz komt – je weet wel!’

‘Ik weet dat je daarop zit te wachten,’ antwoordde Fedko treurig. ‘Maar verder weet ik alleen dat onze arme varkentjes – – Overigens, zoals God het wil. Eén week wil ik het nog aanzien.’

Ook Sender slaakte een diepe zucht, toen hij deze keer in de pij van Aemilius gleed en aan de grote tafel ging zitten. En zijn bezorgdheid was niet geveinsd. “Een week nog –“ Hij wist dat Fedko woord zou houden. Dan werd het enige wat hij hier op eigen kracht kon doen om zijn doel te bereiken, onmogelijk…

Bedroefd boog hij zich over het dikke boek.

Acefalen,’ begon hij te lezen, ‘dat wil zeggen “hoofdlozen”. – Wat?’ onderbrak hij zichzelf, ‘mensen zonder hoofd?’

Maar er stond: ‘Eerst de monofysieten’ – hij spelde het nogmaals, ‘wat een naam!’ zuchtte hij, ‘en God mag weten wat die betekent! – dus monofysieten, die in 483 – hoelang is dat geleden? Veertienhonderd jaar. God van mijn vaderen, dat is lang geleden! Maar wat deden die mensen veertienhonderd jaar geleden?’ … in 483 braken met de kerkgemeenschap met patriarch Petrus Magnus van Alexandrië – dat betekent denk ik dat ze met die Peter niets meer te maken wilde hebben, en ze hadden gelijk, omdat hij een patriarch was. Want een patriarch is een dikke, rode geestelijke, die heel slecht is en altijd zegt dat de joden verbrand moeten worden, want zo staat het in het spel van Nathan. Allemaal best – maar ik wil wel weten of het mij aangaat dat ze met die Peter in de Oudheid niet naar dezelfde kerk wilden – omdat – God – wat is dat voor een woord? – omdat hij het haereticon van keizer Zeno aangenomen had… Wat kan dat zijn, wat hij van de keizer aangenomen had? Vast niets goeds! Maar wat?’

Hij schudde zijn hoofd en las verder.

Akiba – wat? Hij bedoelt toch niet rabbi Akiba? Hij gaat me toch niet iets over rabbi Akiba vertellen? – zoon van Jozef, leerling van Gamaliel – dus toch, het is echt rabbi Akiba, met wie mijn oude leraar Simon me in Buczacz al genoeg verveeld heeft – was een beroemde rabbi – je meent het! Vertel eens wat nieuws! – die de voornaamste stichter van de Misjna werd – En dat is alles, meer weet hij niet.’

Geïrriteerd sloeg Sender het boek dicht en sprong op.

‘Ik ben gek!’ riep hij, ‘hartstikke gek! Een uur zit ik nu alweer te kleumen. En als ik bedenk wat ik in die drie weken helemaal uit dat boek geleerd heb – het huilen staat me nader dan het lachen. Dat een aal een vis is, maar zonder schubben, net als een slang, en je eet hem gerookt of gekookt of gemarineerd. Daar word ik een goede speler van en dan kan ik naar het theater. Bovendien weet ik nog steeds niet wat gemarineerd is, maar als ik dat wist had ik er niets aan, want vissen die op het land kunnen kruipen zijn immers treife (volgens de joodse spijswetten verboden). En verder weet ik nog dat apen vier handen hebben en een staart – maar dat wist ik al – en alle andere dingen die ik gelezen heb ben ik vergeten… Nee, nee! – Wild heeft me voor de gek gehouden, of er zijn meer van dat soort boeken, en dit is een dom en slecht boek… En daarvoor ziek worden en ook nog drank moeten kopen en me afvragen waar ik het geld vandaan moet halen? Ik zal Fedko zeggen – kwam hij maar – ik zal hem zeggen…’

Hij sloeg met zijn armen om zich heen, dat de stofwolken uit zijn pij opdwarrelden, en mompelde voor zich uit wat hij de oude man zou zeggen. Maar het duurde nog een uur voor Fedko verscheen en in die tijd bedacht Sender iets anders en beters.

Nee, hij gaf het lezen niet op, zolang het vol te houden was. Het leek nutteloos, maar was hij dan een Duitser en kon hij daar dan over oordelen? En al was het nutteloos, hij deed toch wat hij kon. Help uzelf, dan helpt u God – hij hoorde in gedachten weer de vrome spreuk uit zijn kindertijd, waar hij lang niet meer aan gedacht had… ‘Volhouden moet ik, volhouden!’

Toen Fedko eindelijk kwam, zei hij precies het tegendeel van wat hij eerst van plan was geweest: hij was heel dankbaar en hoopte dat binnenkort te laten zien.

De oude man knikte.

‘Binnen een week,’ zei hij nadrukkelijk en liet hem uit.

 

Philotas: toneelstuk (1759) van Friedrich Schiller.

 

Hoofdstuk 13

De dagen verstreken, maar er kwam geen antwoord uit Czernowitz, en een andere mogelijkheid om iets te verdienen deed zich niet voor. Zijn moeder om cadeautjes te vragen zou dwaasheid zijn geweest. Ze was nog steeds even kil tegen hem, zei nooit iets lelijks, maar ook nooit iets aardigs en alleen als hij onverwachts opkeek, zag hij hoe haar ogen bezorgd en onderzoekend op hem gericht waren, vooral de afgelopen weken, nu zijn gezicht wat smaller was geworden en hij zoveel kuchen moest. Ook vroeg ze een keer waar hij die flinke kou had gevat en of hij bij het hoesten steken in zijn longen voelde. Maar het klonk zo onverschillig alsof ze hem gevraagd had of hij een knoop aan zijn kaftan miste, en toen hij haar ijverig verzekerde dat hij zich prima voelde, drong ze niet meer aan en zette ’s avonds alleen zwijgend een kop heemstwortelthee voor hem neer. ‘Dank je wel, moeder,’ zei hij en probeerde haar hand te pakken, maar die trok ze zacht terug.

Door dat gedrag en nog meer door zijn heimelijke schuldbewustzijn – hij was immers vastbesloten bij haar weg te gaan, zodra dat kon – deed hij geen poging haar milder te stemmen. Zwijgend en bedrukt zat hij tegenover haar en zocht zo gauw hij kon zijn kamertje op.

Ook zijn verhouding met Jossele Alpenroth was sinds het avontuur in Mielnica verder verslechterd. Uit zijn slof schieten of zelfs schelden lag niet in de aard van het stille, rustige mannetje. Ook zijn vermaningen herhaalde hij niet meer. Maar de leerling leek haast lucht voor hem en hij deed geen moeite meer om hem iets bij te brengen.

Desondanks vatte Sender moed op de ochtend van de dag waarop de termijn afliep die Fedko voor hem had vastgesteld en deed zijn verzoek.

De baas keek nauwelijks op van zijn werk.

‘Nee,’ zei hij, rustig en zacht als altijd. ‘Geen heller. Het is niet uit gierigheid of hardheid – vraag het maar na in de joodse wijk, als je dat denkt. Je werk deugt niet. En ik geef je ook niets, omdat je dan misschien nog langer bij me blijft.’

‘Wilt u me van me af?’ riep Sender.

De kleine man knikte.

‘Ik zou graag van je af willen, ja, heel graag,’ verzekerde hij trouwhartig. ‘Op die dag schenk ik de armen vijf gulden. En vijf gulden is veel geld en dat verdien ik niet zo makkelijk.’

‘Waarom? Heb ik u kwaad gedaan?’

‘Nee, niet iets wat je kwaad noemt. Dat is het hem juist. Als je me een streek zou leveren – en wie zou dat beter kunnen dan jij? – dan was het meteen afgelopen. Want ik heb met je moeder afgesproken: “De dag dat hij tegenover mij de paljas uithangt mag ik hem eruitgooien!” Dat doe je jammer genoeg niet, en ik moet woord houden tegenover je moeder. Want dat is een flinke vrouw, en God heeft haar met jou toch al genoeg gestraft; daarom wil ik haar geen verdriet doen. Maar dat valt niet mee!’

Sender voelde de woede in zich opkomen, des te heviger, naarmate het mannetje zachter praatte. Maar hij hield zich in: ruzie met de baas ontbrak nog maar aan zijn ellende!

‘Maar nu de reden,’ zei hij. ‘U begrijpt toch wel, baas, dat u me die noch schuldig bent.’

De horlogemaker knikte weer.

‘Dat is waar,’ zei hij. ‘Maar de reden? – Een reden… Kom eens hier bij mij aan tafel zitten, Sender… Kijk eens naar het binnenwerk van dat horlogetje dat ik aan het repareren ben – het is van meneer de districtscommissaris. Een fijn horlogetje, een mooi horlogetje,’ voegde hij er bijna teder aan toe, terwijl hij met zijn pink liefdevol over de rand streek, ‘het is goddank ook niet ernstig ziek, maar moet wel schoongemaakt worden… Nou, hoeveel radertjes zie je daar?’

‘Vier.’

‘Vier. Juist. Wat iedere boer kan zien, dat zie jij ook. Maar meer niet. En veel meer dan een boer begrijp je ook niet en kun je niet. Dat is al niet best voor mij. Ik betaal je wel niets, maar een andere leerling zou ik ook niets geven, en aan die ander had ik mettertijd toch een goede hulp. Iedereen mag toch op zijn voordeel uit zijn, nietwaar? Maar dat jij voor mij een nadeel bent, omdat alle tijd en moeite die ik aan je besteed voor niets zijn, dat is maar één radertje in de hele zaak, en dan nog het kleinste. Dat radertje zit daar.’

Hij wees met zijn vinger naar het uurwerk.

‘Maar daarnaast,’ vervolgde hij, ‘zit een groter radertje: waarom leer je niets? Omdat je onhandig bent? Nee. Of dom? Een slimmere jongen heb ik nog nooit gehad. Of omdat je hier nog te kort bent? Dit is al je tweede leertijd. Je leert niets, omdat je geen hart voor ons gouden ambacht hebt! Maar ik – – Sender, je zult me wel niet begrijpen of zelfs uitlachen, maar ik wil het toch zeggen. Iedere dag in het ochtendgebed, als ik de zin zeg: Dank u, Heer, dat u mij als man geschapen hebt, zeg ik erbij: “en als horlogemaker.” Ik zeg het alleen in gedachten, want je kunt nu eenmaal geen Duitse woorden in het gebed zetten, en voor “horlogemaker” hadden onze vaderen geen woord, maar Hij hoort me toch en weet dat ik Hem dankbaar ben. Ik denk vaak bij mezelf: “Je hebt veel zorgen, Jossele, en het kon beter gaan, maar je wilt toch met niemand ruilen en je kunt nooit ongelukkig worden, want je bent goddank horlogemaker.” Met wie zou ik willen ruilen? Met een woekeraar? Bah! Of met een andere ambachtsman? Een schoenmaker, een meubelmaker – waar werken die mee? Met grof en dood materiaal. Dat van mij is fijn en het leeft. Hout is hout en leer is leer, maar ieder horloge heeft zijn eigen karakter, dat moet je zien en daar moet je van houden; dat is de dank voor je moeite. Ik zal je zeggen, Sender: ik, Jossele, een arme man, benijd niemand, behalve misschien jouw vroegere baas, Hirsch Brandeis in Buczacz, omdat ik helaas niet zo’n vakman ben als hij. Maar ik heb net zoveel hart voor het vak als hij. En nu zit er iemand naast me die geen hart voor het vak heeft, die dit mooie ambacht minacht, en daardoor ben ik gekwetst, geërgerd, verontwaardigd.’

De kleine man verhief ook nu zijn stem niet, maar hij beefde en zijn wangen gloeiden.

‘Die het minacht?’ zei Sender afwerend. ‘Dat is niet zo, baas.’

‘Jawel! Je ziet een horlogemaker nog net niet als een dief, maar je wilt het niet blijven. Voor geen goud! En waarom niet? Dat is het derde radertje, dat nog veel groter is dan het tweede: omdat je je er te goed voor voelt als Paljas. Natuurlijk: je bent slim en je hebt leuke vondsten, waar anderen om moeten lachen, en je kunt iedereen nadoen en zo belachelijk maken dat niemand hem meer respecteert. “Wie dat kan,” denk jij, “is te goed voor ambachtsman.” Maar ik zeg je’ – en nu zwol zijn stem pas aan – ‘je bent er te slecht voor! Er zijn twee soorten mensen, de braven, de ijverigen die hun brood in het zweet huns aanschijns verdienen, en dat zijn de geleerden en de ambachtslieden. En er zijn anderen die werk minachten en het verstand dat God hun gegeven heeft misbruiken en leven van de goede reputatie van anderen en uit de zak van anderen: de sjnorrers, de marschalliks, de paljassen. Ik ben een echte horlogemaker en jij bent een echte paljas – en daarom haat ik je, haat ik je!’

Door de opwinding van het mannetje kreeg Sender zijn rust terug.

‘Dat is jammer voor mij,’ zei hij. ‘Maar voor u is het ook niet fijn. Ja, baas, er zijn horlogemakers en er zijn paljassen, maar waarom? Omdat ze zo willen zijn? Nee, omdat God het zo wil. Denkt u dat u een marschallik had kunnen worden als onze oude reb Itzig?’

Jossele maakte een verontrust, afwerend gebaar.

‘Ik weet het,’ vervolgde Sender snel. ‘U had dat ook niet willen worden. Dus ook niet kunnen worden, baas. U zegt dat ik niet zoveel hart voor ons werk heb als u. Als dat waar is, want je geeft jezelf geen hart, maar dat doet God!’

‘Laat God erbuiten!’ riep Jossele. ‘God meent het goed met ieder mens, God geeft ieder een hart voor fatsoenlijk werk! Het komt alleen op onze wil aan, op flinkheid, op vlijt! Iedereen kan een goede ambachtsman worden, het is alleen zondige hoogmoed als iemand zegt: “Nee, dat wil ik niet, liever paljas, daarvoor ben ik in de wieg gelegd!” En meer nog dan hoogmoed is het een neiging tot luiheid die daaruit spreekt. Er zijn geen geboren paljassen: zo onbarmhartig is God niet. Al praat je me de oren van mijn hoofd, ik geloof dat niet!’

‘En ik geloof u niet.’

‘Natuurlijk niet! Als je mij zou geloven, zou je je schamen voor jezelf! Trouwens: als je gelijk hebt, als je een geboren paljas bent, wat zoek je hier dan? Wil je bij mij kunsten leren? Daar heb ik geen verstand van, alleen van mijn vak…’

‘U weet,’ antwoordde Sender somber, ‘dat het mijn keus niet is. En u houdt me ook alleen omwille van mijn moeder. Daarom smeek ik u: heb geduld met me, misschien gaat het toch nog!’

‘Ja, als het vierde radertje er niet was!’ riep Jossele. ‘En het vierde is nu net het grootste! Je bent een slechte kerel en je haalt woeste streken uit!’

‘Ik?’ riep Sender.

‘Ja, jij! Je bent een slecht mens, zeg ik. Dat je niet wilt trouwen verbaast me niets: een paljas wil niet gebonden zijn, als hij vandaag hier en morgen daar zijn grappen uit wil kramen. Maar waarom zeg je dan geen nee tegen je moeder, waarom laat je, als je er te laf voor bent, onschuldige mensen voor je lafheid boeten? Jij hebt het op je geweten, als reb Mortche misschien pas over jaren en misschien nooit meer een man voor zijn Chaje vindt: de domme mensen lachen als haar naam genoemd wordt en dat komt door jouw grappen! Ik weet dat je er ook nog trots op bent!’

‘Bij God, nee,’ verzekerde de uitgescholdene.

De baas richtte zich op en weer vertoonde zijn gezicht een vlammende woede.

‘Wie heeft het rondverteld?’ riep hij. ‘Reb Mortche soms, omdat hij het zo leuk vindt? Jij was het!’

Sender moest zijn ogen neerslaan. Hij had het inderdaad een paar mensen verteld.

Maar nog akeliger werd het hem te moede, toen Jossele vervolgde: ‘Maar dat is nog niet het ergste. Het ergste is wat je nu doet. Waar ben je altijd in de middagpauze? Ik dacht: bij je moeder. Maar je komt alleen maar naar huis om haastig je eten naar binnen te werken en dan ren je weer weg. Hier kom je altijd te laat, en hoe zie je er dan uit? Halfbevroren ben je en je ogen staan alsof je te veel gedronken hebt. Ik heb het tot nu toe voor je moeder verzwegen, uit medelijden, want ze heeft toch al verdriet genoeg om jou. Maar nu moet het gebeuren, want nu weet ik eindelijk wat erachter zit!’

Sender werd doodsbleek. Als de baas werkelijk op de hoogte was van zijn bezoeken aan het klooster, dan moest hij direct vluchten, waarheen dan ook, en dan liep hij gevaar onderweg dood te vriezen of van de honger te sterven. Want in Barnow zouden de fanatici onder de chassidiem hem langzaam de dood in drijven.

‘Je beeft! Je durft me niet aan te kijken! Je had je beter kunnen schamen, voor die schande en zonde op jezelf en op heel Israël te laden! Zoiets is nog nooit gebeurd sinds Barnow bestaat…’

Er was geen twijfel aan: de man wist alles. Maar tot nu toe had hij gezwegen en dat kon hij beter blijven doen, ook als ze begonnen te smeken.

‘Baas,’ stamelde Sender, ‘denk aan mijn moeder…’

‘Heb jij aan haar gedacht, toen je zondigde tegen Gods heilige naam?’

Sender boog zijn hoofd nog dieper.

‘Ik zie wel in,’ smeekte hij, ‘dat het een zonde is. Maar kijk: ergens anders, in Czernowitz bijvoorbeeld, is iedere jood toch een Duitser…’

‘Smoesjes! Zelfs van mensen uit Czernowitz, die toch zeker afvalligen zijn, nog nooit gehoord dat iedereen daar met een christelijk meisje vrijt, net als jij!’

‘Wat?’ Sender kon zijn oren niet geloven.

‘Gaan we liegen? Je hebt het net toegegeven! Je hangt iedere dag ergens met haar rond! Kortgeleden kwam je zelfs met een totaal vervuilde kaftan hier! En mager en groen word je ervan! Foei! Foei!’

‘Ik ben onschuldig!’ riep Sender en zwoer een plechtige eed. Maar dat hielp niet, tot hij op aandringen van Jossele bij het leven van zijn moeder zwoer dat hij niet van een christelijk meisje hield. Pas toen was de baas tevreden, want tot zo’n meineed was zelfs de meest gewetenloze jood niet in staat.

Maar terwijl Sender de eed zwoer, bedacht hij angstig van welke zonde hij zichzelf dan beschuldigen moest. Ten slotte kwam hij op een idee dat niet al te onwaarschijnlijk klonk. Ieder joods stadje is omgeven door een aan huizen, bomen of palen bevestigde draad, de eroev. Bij de misnagdiem in Galicië en de vrome gemeenten in Poznan en West-Pruisen heeft de eroev alleen betekenis voor de sabbat. Omdat de jood op die dag geen last uit zijn huis mag dragen en niemand dus met een gebedsmantel of een zakdoek de straat op mag, wordt door de eroev, die de plaats omsluit, de fictie in het leven geroepen dat het hele stadsgebied een huis is. Voor de sekte van de chassidiem, die in Barnow de overhand had, was deze betekenis van de draad echter niet genoeg. Bij hen is het absoluut verboden je huis te verlaten met een ander doel dan zaken of een bezoek aan het godshuis, want de vrome hoort thuis te zitten en over de Talmoed en de Tora te piekeren. Omdat ook zij daar niet de hele tijd mee bezig kunnen zijn, geeft de eroev de grens aan waarbinnen ze mogen wandelen, want op die manier verlaten ze hun huis niet.

‘Ik heb me buiten de eroev begeven,’ gaf Sender dus toe. ‘Maar kijk, baas, als koetsier ben ik aan frisse lucht gewend geraakt. Ik moet iedere dag een eind lopen!’

Jossele schudde zijn hoofd. ‘Je liegt,’ zei hij. Maar zijn eerste verdenking was onterecht geweest en een andere verklaring voor de verstijfde handen en de glanzende ogen van zijn leerling had hij niet – dus moest hij die beschuldiging laten vallen, of hij wou of niet.

Maar dat zat hem dwars en daarom werd hij dubbel heftig.

‘Daarom ben je nog niet slecht!’ riep hij zo hard als nog nooit iemand van hem gehoord had. ‘En van mij krijg je geen heller! Ga de wereld in en word een sjnorrer! Dan krijg je voor je grappen betaald met eten en een paar kreuzer…’

‘Houd uw mond!’ zei Sender, terwijl hij opstoof en zijn vuisten balde. ‘Een sjnorrer!’ Niet voor niets had Rosel hem bijgebracht dat dat het erbarmelijkste, treurigste beroep onder de zon was.

‘Waarom?’ zei de kleine man honend; de woede die hij zo lang had ingehouden werd hem nu de baas. ‘Was je vader Mendele dan geen sjnorrer? En je moeder…’

‘Mijn moeder?’ Sender viel hem hees van woede in de rede en ging vlak voor hem staan. ‘Wie iets lelijks over mijn moeder zegt die sla ik neer! En mijn vader? Wat gaat het mij aan wat er van Froim de schrijver geworden is? Want hij heette Froim en niet Mendele. Hij heeft mij op de wereld gezet, ja! Maar iemand die zo slecht voor mijn arme moeder was hoef ik niet als vader te respecteren. En tot nu toe heeft niemand me het ongeluk kwalijk genomen waar ik niets aan kan doen. U bent de eerste – u moet zich schamen!’

Deze terechtwijzing was echter niet nodig. Jossele Alpenroth schaamde zich op dit ogenblik al zo, dat hij liefst door de grond had willen zakken, zij het om een andere reden, die nog veel gegronder was. Hij had zojuist op het punt gestaan een grofheid te begaan die niemand in Barnow hem vergeven had, zeker juffrouw Rosel niet, voor wie hij zoveel respect had. Iedereen in de gemeente, ook hij, had de rabbi immers plechtig moeten beloven Sender nooit het geheim van zijn geboorte te onthullen. “Dat zou zeldzaam slecht en grof van jullie zijn,” had de priester gezegd. En aan die grofheid en die slechtheid had hij, Jossele Alpenroth, een “fijne man”, een vrome man, een horlogemaker, zich zojuist schuldig willen maken! Alleen omdat hij door woede zijn zelfbeheersing was kwijtgeraakt – maar was dat een excuus?

Hij was bleek geworden en als een zakmes in elkaar geklapt.

‘Vergeef me,’ stamelde hij, ‘ik…’

In dezelfde houding had Sender vijf minuten geleden voor hem gestaan, toen de baas zei dat hij van zijn streken op de hoogte was. Nu waren de rollen omgekeerd.

Sender was nog te opgewonden om dat te beseffen. Hijgend bleef hij staan. ‘U moet zich schamen!’ herhaalde hij nog een keer.

‘Ik schaam me echt!’ zei de kleine man huilerig, ‘en je mag het niet aan je moeder vertellen…’

Nu besefte Sender pas hoe de situatie plotseling veranderd was. Bliksemsnel sloeg nu ook zijn stemming om en hij voelde een lachkriebel in zijn keel. Maar hij onderdrukte die en zei dreigend: ‘Maar u gaat haar natuurlijk over de eroev vertellen en dat ik nergens voor deug…’

‘Nee!’ verzekerde Jossele. ‘Heb ik tot nu toe dan iets gezegd? Dus – het blijft onder ons?’

Hij stak zijn hand naar zijn leerling uit. Maar die deed alsof hij niets zag. Verrast zag hij hoeveel berouw zijn baas nu had; hij had er geen goede verklaring voor, maar dat was Josseles zaak, en het was zijn eigen zaak om van die ommekeer gebruik te maken.

‘U hebt me diep beledigd,’ zei hij. ‘Of ik een goede horlogemaker ben, doet er niet toe – ik ben een eerlijk mens, net als u… Ik zal niets tegen mijn moeder zeggen, dat zou haar ook te veel kwetsen, maar laten we een derde persoon vragen of het verwijt terecht was dat ik de zoon van een sjnorrer ben. De rabbi bijvoorbeeld, als u daarmee akkoord gaat…’

‘Om godswil!’ zei de horlogemaker zo geschrokken, dat Sender hem verbluft aanstaarde.

‘Nee,’ vervolgde de baas haast buiten adem. ‘We hebben geen scheidsrechter nodig! We leggen het zelf wel bij. Jij vergeeft mij en ik jou!’ Hij pakte Senders hand en drukte die. ‘En wat ik nog zeggen wou,’ vervolgde hij, ‘je vroeg me een bescheiden loon. Je verdient het eigenlijk niet – dat wil zeggen – hm! Dus – omdat je er de hele dag zit – in godsnaam… Hoeveel had je willen hebben?’

Sender zette grote ogen op: het was alsof hij droomde. Dat had hij niet durven hopen. Nadat hij zich eerst gekwetster had voorgedaan dan hij was, deed hij dat nu om in de toekomst niet zo hulpeloos tegenover zijn baas te staan als vandaag. En nu bood die hem het geld aan!

‘U bent toch een goed mens,’ zei hij ontroerd, en hij meende het. Een maandloon van een gulden was het minste wat hij verlangen kon en dat vroeg hij dan ook.

‘Eén gulden?’ vroeg Jossele opgelucht; hij was op het dubbele voorbereid. ‘Nou – omdat ik je gekwetst heb en omdat ik hoop dat het een aansporing is – je krijgt het. Met ingang van de volgende maand.’

‘Nee: nu direct!’ vroeg Sender, en Jossele gaf toe. ‘Maar nu aan het werk!’ besloot hij.

Zo zaten meester en leerling weer vredig naast elkaar in de werkplaats, beiden over hun werk gebogen, maar erg spraakzaam waren ze vanmorgen niet. De baas was te geërgerd en de leerling te blij.

‘Ik had toch in alles gelijk,’ dacht Jossele, ‘en het was goed dat Paljas een keer de waarheid gezegd is. En dan legt een boze geest me die Mendele in de mond! Dat had verkeerd af kunnen lopen: ik had een slechte naam in de hele gemeente kunnen krijgen! Maar met die gulden was ik toch te snel. Wat koop ik ervoor? Ik blijf met Paljas opgescheept zitten en moet hem ook nog betalen!’

Sender voelde daarentegen geen wrok meer. ‘Die kleine Jossele is een goede vent,’ dacht hij, ‘maar wel een echte horlogemaker. Vreemd: hij haat mij, omdat ik een ander mens ben dan hij – waarom haat ik hem dan niet? Hij laat me onverschillig en eigenlijk vind ik het helemaal niet zo erg om te zien hoe hij daar zo tegen zijn “horlogetjes” zit te glimlachen – als ik in een spel een keer een brave ambachtsman moet spelen, die zoveel verstand heeft als zo iemand nodig heeft en niet meer, dan wordt dat een soort Jossele… Hem haten? O, wat zou ik van je houden, als ik niet meer de hele dag hier hoefde te zitten om die verdomde radertjes schoon te maken! Maar op één punt had hij gelijk: ik had niets over die toestand in Mielnica moeten vertellen, maar als ik mijn mond gehouden had, hadden de mensen uiteindelijk gedacht dat reb Mortche me niet wilde… Nee,’ berispte hij zichzelf, ‘lieg niet, Sender, daarom heb je het niet gedaan – waarom zou je ook? – maar omdat je het leuk vindt als de mensen om je verhalen lachen. Het kietelt in je keel, als je zoiets weet, en je zou stikken als je je mond erover moest houden. Die dikke Chaje komt toch wel aan de man, God zorgt voor ons allemaal’ – hij greep naar zijn vestzakje, waar hij het briefje van een gulden opgeborgen had – ‘hij heeft ook voor mij en mijn Fedko gezorgd.’

Niet minder vroom nam de oude kloosterdienaar de fles slivovitsj aan die Sender deze keer voor hem meebracht. ‘God wilde niet,’ zei hij, ‘dat ik in mijn verdriet ongetroost blijf. Want onze varkentjes, beste Senderko, willen nog steeds niet vetter worden.’

Weken verstreken en Nieuwjaar was allang voorbij, maar Fedko beantwoordde de dagelijkse vraag of de brief uit Czernowitz aangekomen was steeds weer door nadrukkelijk zijn hoofd te schudden en soms voegde hij er zelfs een spottende opmerking aan toe. Maar Sender liet zich niet gek maken. ‘Dan komt hij morgen,’ zei hij.

Dit vertrouwen werd rijkelijk beloond. Toen hij op een dag – het was februari en al bijna een jaar geleden dat hij in Czernowitz was geweest – weer bij de Tartarenpoort verscheen, stond Fedko hem op te wachten met een enorm pakket onder zijn arm.

‘Dat heeft de postbode vandaag bezorgd,’ zei hij. ‘Hij heeft me hard uitgelachen, want het voelt als boeken, en ik kan niet lezen.’

Bevend pakte Sender het pakket aan en drukte het tegen zijn borst. In de bibliotheekzaal verbrak hij de zegels.

Het waren echt boeken: een Duitse grammatica voor zelfstudie, een kleine wereldgeschiedenis, een leerboek aardrijkskunde, een rekenboek, een boek met briefmodellen, een leesboek voor gymnasia en een Catechismus van de toneelspeelkunst.

Er was een brief bij. De directeur verontschuldigde zich eerst dat hij nu pas antwoordde: hij was pas een paar weken geleden met zijn gezelschap naar Czernowitz gekomen, omdat er in de stad niet genoeg publiek was voor het hele winterseizoen, en hij had over de zaak ook grondig na willen denken. Na rijp beraad vond hij het nog steeds het beste als Sender in Barnow bleef, tot hij de meest noodzakelijke kennis had verworven; als hij eenmaal bij het gezelschap was, zou hij geen tijd, geen rust en misschien ook geen zin meer hebben. Met behulp van de bijgesloten boeken kon hij hopelijk ook zonder leraar vooruitkomen. Je neemt, stond er verder, eerst de grammatica door en daarna de andere boeken. Het boek met briefmodellen is alleen maar als voorbeeld bedoeld en de Catechismus lees je het laatst. Lukt het ondanks de boeken toch niet of willen ze je met alle geweld uithuwelijken en kun je je daar op geen enkele andere manier tegen verweren, kom dan in godsnaam maar direct naar mij: ik ben tot eind april in Czernowitz. Maar zoals gezegd lijkt het me voor jou beter wanneer je pas in januari, dus over een jaar, bij me komt. Nog één ding: tot je mijn boeken heel nauwkeurig doorgelezen en begrepen hebt, mag je niet meer in de bibliotheek lezen – daarna mag je Schiller of Lessing lezen, maar geen Goethe of Shakespeare. Hartelijke groeten, houd je goed, God behoede je, en ik laat je niet in de steek. Heb je geld nodig, voor de reis of omdat je in nood bent, schrijf me dan; ik heb zelf niet zoveel, maar voor ons beiden is het wel genoeg.

Sender las de brief wel een keer of tien en telkens werden zijn ogen vochtig als hij bij het einde kwam. ‘Die goede man,’ mompelde hij, ‘die goede man. Natuurlijk doe ik alles wat hij zegt, het is wel bitter dat ik nog hier moet blijven, maar hij weet waarom.’

Toen Fedko verscheen, naam Sender afscheid van hem. ‘Misschien kom ik de volgende maanden terug,’ beloofde hij.

Maar de vriendelijke oude man schudde treurig zijn hoofd.

‘Het is afgelopen,’ zei hij, ‘het is definitief afgelopen. Ik wist dat het zo zou gaan. Dat jij iedere dag zo’n bittere kou leed en ik daarvoor slivovitsj dronk, dat was altijd een mooie droom, en een droom kan niet eeuwig duren. Nu komt de gewone brandewijn weer terug, waar ik drie flesjes van moet drinken, voor mijn hart vrolijk wordt – en die moet ik ook nog zelf betalen. Maar zo gaat het in het leven. Het ga je goed, Senderko!’

 

heller: 1/8 kreuzer. 1 kreuzer is 1/60 gulden.

 

Hoofdstuk 14

Geachte Heer,

In antwoord op uw schrijven van 30 januari heb ik de eer u te schrijven, dat God u geluk moge geven en zegen en een lang leven, en u moge vergelden wat u mij, arme jongen, doet.

Het was mij heel aangenaam, uit uw brief op te maken dat het u goed gaat, en ik zou graag willen weten of u gezond bent en of de Czernowitzers tenminste die paar weken veel naar het theater gaan, want meneer de weldoener heeft geen woord over zichzelf geschreven en over zijn vrouw en de zaken. Ook was ik heel verheugd om te lezen dat uw onderneming er goed voor staat, en meneer Nadler hoeft zich daarvan niets aan te trekken, want voor de Czernowitzers is het een schande dat hij daar niet de hele winter kan zijn, maar niet voor hem.

Uw zending heb ik tegelijkertijd ontvangen en ik zeg u dank voor de prompte uitvoering van mijn opdracht; voor de tegenwaarde heb ik u dadelijk geboekt. Beste meneer de weldoener, ik heb lang op de brief moeten wachten, maar ik wist dat de goede man mij niet in de steek zou laten, en toen ik alles had gelezen en de boeken had doorgezien, heb ik gehuild van vreugde. God zal het u lonen; hoe zou ik het ooit kunnen vergelden, behalve dat ik als toneelspeler bij u zal blijven, zolang u wilt en voor elk loon zal spelen, ook voor tien kreuzer per dag – op mijn erewoord!

Wat betreft de zaken uit deze plaats die u kunnen interesseren, ik wil u allereerst mededelen dat ik goddank reb Mortches Chaje niet hoef te trouwen, en een ander schijnt reb Itzig nog niet gevonden te hebben, maar zo ja, dan zal ik wel zorgen dat ze mij niet neemt. In het klooster heb ik veel gelezen, eerst van Lessing, toen van A tot Albigensers, maar meneer mijn weldoener heeft gelijk: ik heb er weinig van begrepen en ik weet helemaal niet wat Philotas wil. Toch is het Lexicon niet zo slecht als ik dacht, want nu zie ik uit uw bijschrift van de naam van de Engelse dichter en tot nu toe dacht ik dat hij Sjikspier heette, want dat vertelde de arme Wild me, hij wist het – die arme man – zelf niet goed. Alles zal gebeuren zooals meneer de weldoener me schrijft, want u bent mijn Mozes, maar ik zal u gehoorzamer zijn dan onze Vaderen in de woestijn hem waren, en pas de volgende winter kom ik bij u en iedere regel uit het boek zal ik dan uit mijn hoofd kennen – u mag me controleren!

Wat uw aantrekkelijke offerte betreft: uw engel heeft in uw levensboek geschreven, wat u, ondanks uw eigen zorgen voor een vreemde man die u maar een keer in Uw leven hebt gezien, wilt doen. Maar het is niet nodig, beste meneer de weldoener, omdat Klein-Jossele, die mijn baas is, mij nu elke maand een gulden loon geeft, en wat de reis betreft: dat is mijn laatste zorg was het maar al zover! Want er rijdt geen voerman tussen hier en Czernowitz en er is geen herberg aan de weg die Paljas niet kent. Alleen in Czernowitz kent niemand me, maar dat zal wel veranderen en u zult eer met me inleggen – u zult het zien! Ik weet niet wat ik beter spelen zal, vrolijke mensen of treurige mensen, maar beiden zal ik heel goed spelen, daar kan meneer mijn weldoener op vertrouwen. Maar ik weet niet of ik ook verliefden kan spelen, maar zo de Nathan of de Sjailok – het water loopt al in mijn mond en u kunt me geloven: mijn Sjailok wordt goed, uitstekend wordt hij – natuurlijk volgens u!

Beleefd aanbevelend, teken ik

met de meeste hoogachting,

Uw Sender Kurländer,

toekomstig toneelspeler.

Barnow, 8 Febr. 1853.

P.S. Doet u de groeten aan mevrouw de weldoenster en al uw medespelers.

P.P.S. Als u mij wilt schrijven, altijd aan Fedko Hayduk in het klooster in Barnow, want niemand mag weten dat ik lezen kan.

Naschrift. Wat ik geschreven heb over Sjailok en Nathan, bedoel ik natuurlijk niet voor het begin. In het begin speel ik bedienden en als u wilt, veeg ik een heel jaar alleen maar het theater en zal toch gelukkig zijn dat ik erbij ben!

Deze brief schreef Sender de derde nacht na de ontvangst van de boeken, en het bleke schijnsel van de winterochtend brak al door het venster van zijn kamertje, toen hij hem beëindigde. Want het was een zwaar karwei voor hem geweest, omdat hij niet naar eigen goeddunken kon schrijven, maar zoals Nadler wilde, het “brievenboek” als model gebruiken moest. Daarom nam hij dat boek de eerste twee nachten door, maar hoe ijverig hij ook las, een model dat ook maar enigszins op zijn toestand paste stond er niet in en hij moest er uiteindelijk twee combineren om een beetje uit te komen: een bedankbrief aan een weldoener en een zakenbrief aan een grote firma.

Hij werkte ijverig en ook als beneden het klokje klonk, ten teken dat een wagen de slagboom wilde passeren, keek hij nauwelijks op. Dat was juffrouw Rosels zaak, dag en nacht, al twintig jaar. De paar haren die onder haar sjeitel (de nauwsluitende pruik van de joodse vrouwen in het Oosten) uit kwamen waren nu wit en haar magere, benige gezicht vertoonde diepe groeven, maar haar gestalte was nog ongebroken en haar blik nog even scherp als vroeger. Ze deed het werk nog steeds zelf. En toch werd de weg ook van ‘s avonds tot ‘s ochtends druk bereden: wel tien keer moest de tolgaarster ’s nachts haar bed uit. Maar de daadkrachtige vrouw wilde geen hulp hebben en stond ook nooit toe dat Sender voor haar opkwam.

Hij was het zo gewend en dacht er niet over na of het zo goed was, ook die nachten niet. Eén ding schoot hem maar door zijn hoofd, als hij het klokje hoorde: wat als zijn moeder het licht zag, de ladder opging en op zijn deur klopte? Maar zijn kamer was immers op de vliering van het huisje zonder bovenverdieping en zag uit op de achterkant: juffrouw Rosel kon het licht niet zien. En zo las en schreef hij er ijverig op los, al was hij heel moe – maar het moest nu af, want de bedankbrief voor die goede daad mocht niet langer uitgesteld worden.

Toen de brief eenmaal klaar was, beviel die hem wel. ‘Nadler heeft gelijk, zoals altijd,’ dacht hij, ‘met het brievenboek is het moeilijker, maar dan wordt alles ook veel mooier.’

Hij strekte zich uit op zijn bed om nog iets van de verzuimde slaap in te halen voor hij naar de werkplaats moest. Anders sliep hij in, zodra zijn hoofd het kussen raakte, maar deze keer lukte het niet. Zijn slapen klopten pijnlijk, zijn ogen brandden, en telkens als hij ingedommeld was, ontwaakte hij weer uit een nachtmerrie. Jossele, zijn baas, stond voor hem en haalde honend de zojuist geschreven brief tevoorschijn die Sender onder zijn hoofdkussen verborgen had, of zijn moeder had de la opengemaakt waarin hij de boeken verstopt had en gooide ze onder verwensingen het raam uit… En daarbij de hoest, die maar niet op wilde houden. ‘Als ik maar niet ziek word,’ dacht hij angstig, terwijl hij opstond, zich moeizaam aankleedde en met wankele passen naar de huiskamer ging om te ontbijten met de soep, ‘om godswil, nu gezond blijven, gezond!’

Juffrouw Rosel zat al op haar gewone plaats aan het raam, waar ze iedere wagen die naderde kon zien. Ze keek niet op en groette ook niet terug.

Hij ging aan tafel zitten, pakte de lepel, maar duwde het kommetje meteen van zich af. Ook eten ging vandaag niet. Toen hij opstond, ontmoette hij de blik van zijn moeder: ze keek hem vol bezorgdheid aan.

‘Ben je ziek?’ vroeg ze; het klonk ongewoon zacht.

Hij schudde zijn hoofd.

‘Jawel,’ zei ze en kwam naar hem toe. ‘Je hoest steeds erger, en je kunt er nu ook niet meer van slapen…’

‘Heus wel, moeder… Waarom denk je dat?’

‘Omdat je de hele tijd het licht aan hebt – gisteren – vandaag –‘

Hij voelde hoe hij bloosde.

‘Ja… Maar dat zegt niets.’ Hij pakte zijn muts. ‘Wees maar gerust, moeder.’

Ze keek hem scherp aan.

‘Heb je geen pijn?’ vroeg ze. ‘Geef je geen bloed op?’

‘Nee,’ verzekerde hij.

‘Anders moeten we de dokter laten komen,’ vervolgde ze. ‘Op jouw leeftijd moeten we zulke dingen serieus nemen. Maar als het niet ernstig is, heeft het misschien ook nog een goede kant, dat je nu net een beetje hoest en bleek ziet…’

‘Waarom?’ vroeg hij verbaasd.

‘Omdat –‘ begon ze levendig, maar hield toen in. ‘Daar hebben we het nog wel over. Ga nu maar, je baas zit te wachten!’

‘Wat kan dat zijn?’ dacht Sender verbaasd, maar hij was te moe om er serieus over na te denken, want alleen met inspanning van al zijn krachten bereikte hij de werkplaats en zakte daar uitgeput op zijn kruk. En met zijn werk ging het vandaag nog slechter dan anders.

Jossele Alpenroth deed of hij het niet merkte, maar Sender voelde dat het zo niet verder kon. Hij moest de nacht niet alleen gebruiken om te lezen en te schrijven, maar ook om te slapen.

Dat deed hij dan ook, maar het kostte hem moeite. Niet dat het boek dat hij het eerste bestudeerde nu zo boeiend was. Uit gehoorzaamheid en uit bijgelovige angst van de juiste weg af te raken liet hij al het andere liggen en wijdde zich aan de Duitse grammatica. Telkens als hij thuiskwam en de la met boeken openschoof, slaakte hij een diepe zucht. Daar lagen de Wereldgeschiedenis en het Leesboek, maar vooral de sleutel tot zijn paradijs: de Catechismus van de toneelspeelkunst, zelfs met illustraties, die lachende, huilende, boze en angstige gezichten voorstelden en spelers en speelsters in de meest uiteenlopende houdingen en kostuums – en hij moest leren wat een “zelfstandig naamwoord” was en verder hoeveel “tijden” er in het Duits waren. Het was zwaar, en nadat hij zo urenlang vervoegd had: “Ik bemin – ik beminde – ik heb bemind –“ had wakker blijven eigenlijk moeilijker moeten zijn dan slapen. Desondanks leverde hij iedere nacht dezelfde strijd met zichzelf: ‘Nog maar een halfuurtje, dat kan geen kwaad,’ en vervolgens: ‘Nog tien minuten, dat gaat nog wel’ – tot hij zijn bed opzocht. Want hoe gauwer hij klaar was met het saaie boek, hoe eerder de vreugde van het leesboek wenkte en ten slotte ook de heerlijkheden van de Catechismus.

Hij was in die dagen wel een van de gelukkigste mensen van Barnow. Hij was immers op weg naar zijn doel en rotsvast was zijn vertrouwen dat hij het zou bereiken! Alleen het eeuwige verstoppertje spelen tegenover zijn moeder vond hij soms pijnlijk; hij had de sleutel van zijn kamer nu altijd bij zich, al kwam juffrouw Rosel er nooit, en bedekte ’s avonds het raam, dat er geen lichtstraal naar buiten drong. Maar hij moest haar wel voor de gek houden, en al zou de verwezenlijking van zijn plannen eerst alleen voor verdriet zorgen, hij zou later, als hij een grote speler geworden was, goedmaken wat ze omwille van hem doorstaan had. Ze verdiende het echt, want al had hij haar diep gekwetst, ze werd uit bezorgdheid om zijn gezondheid nu iedere dag vriendelijker tegen hem. Die verandering vergrootte het geluksgevoel dat hem in die tijd vervulde en bijna had hij de vervelende hoest gezegend die daarvoor gezorgd had.

Maar het was vreemd: alsof nu al het onaangename moest verdwijnen, werd met het verstrijken van de maand maart en het zachter worden van de lucht ook zijn baas steeds vriendelijker tegen hem. Hij lachte gewoon als Sender ’s morgens de werkplaats binnenkwam, en toen die bij het in elkaar zetten van een uurwerk het werkwoord “in elkaar zetten” vervoegde en daarbij met de nijptang de veer kapotkneep, was de baas maar even kwaad en zei toen vriendelijk: ‘Geeft niets, ik leg hem wel bij de rest!’

Sender keek hem verbluft aan, maar de kleine man ergerde zich werkelijk niet en lachte zelfs breed. Was zijn geduld eindelijk op en wilde hij de onhandige leerling wegsturen? Zo zag Jossele Alpenroth er niet uit; hij was gewoon een horlogemaker, maar een eerlijk man. Had hij kwade bedoelingen, dan trok hij geen vriendelijk gezicht.

‘Ik vind het best,’ dacht Sender vergenoegd. ‘Ik doe het echt niet expres, maar ik ben bang dat ik hem dat plezier nog vaak zal doen.’

Hij had zich minder op zijn gemak gevoeld als hij de reden voor deze raadselachtige vrolijkheid gekend had. Het was dezelfde die zijn moeder met zo’n liefdevolle angst vervulde. Boven Sender kwam, zonder dat hij dat in de gaten had, een onweer opzetten. Eind april werden in Barnow net als ieder jaar de dienstplichtigen opgeroepen, en Sender, die in mei van het jaar daarvoor twintig was geworden, moest opkomen.

Dat wist hij niet en dat kon hij niet weten. Hij hoorde – dacht hij – tot de weinige gelukkigen die volgens de wet vrijgesteld waren van militaire dienst: hij was de enige zoon van een weduwe. Overigens was dat voor de wet niet genoeg, want de zoon moest kostwinner voor zijn moeder zijn, en juffrouw Rosel verdiende de kost voor hem. Maar daarmee namen ze het in Barnow niet zo nauw; voor zo’n attest zorgde Luiser Wonnenblum, de schrijver van de joodse gemeente, en je hoefde er niet eens goede woorden voor over te hebben, alleen maar geld, veel of weinig, afhankelijk van het vermogen van je moeder. Juffrouw Rosel, die arm was, kwam er misschien met een premie van twintig gulden af, wat voor haar een groot, maar niet onoverkomelijk bedrag was. Dat had ze Sender iedere keer als het ter sprake kwam gezegd en ze had eraan toegevoegd: ‘God heeft begrip voor ons! Die zorgen om jou heb ik tenminste niet – anders werd het me ook echt te veel!’

Ze loog of huichelde niet als ze dat zei, want ze geloofde het zelf. Alleen omdat ze een vooruitziende vrouw was, die graag alles op tijd in orde had, was ze al in januari, maanden voor de keuring, naar het gemeentehuis van Barnow gegaan om bij Luiser Wonnenblum haar verzoek in te dienen.

Maar daar wachtte haar een bittere teleurstelling. De kleine, gebochelde, pokdalige man keek haar met zijn knipperende ogen half medelijdend en half spottend aan. ‘Beste juffrouw Rosel,’ zei hij uit de hoogte. ‘Dat gaat niet, want Sender is uw zoon niet.’

‘Wat?’ riep ze, maar beheerste zich direct. ‘U vergist zich,’ zei ze kalm. ‘Ik heb mijn Sender niet ter wereld gebracht, maar vanaf zijn geboorte tot nu toe ben ik zijn moeder geweest. En ook met de rabbi en het bestuur heb ik afgesproken dat hij mijn kind is, waarop niemand anders recht kan laten gelden, en ze hebben me allemaal bezworen dat hij nooit te weten komt dat hij de zoon van de sjnorrer is… Dus –‘

Luiser had haar ongeduldig aangehoord.

‘Maar voor de Keizer is hij toch niet uw eigen zoon?’ onderbrak hij haar, ‘en wat heeft de Keizer ermee te maken wat u met de rabbi afgesproken hebt? Hier staat’ – hij sloeg het bevolkingsregister op – ‘ik zal het voorlezen, juffrouw Rosel – Sender Glatteis, zoon van de overleden talmoedist en bedelaar Mendel Glatteis uit Kowno en zijn direct na de geboorte van de jongen overleden echtgenote Miriam, achternaam onbekend – en alleen dat is geldig.’

Juffrouw Rosel beheerste zich nog steeds.

‘Schrijft u er dan bij,’ zei ze, ‘dat ik, de weduwe Rosel Kurländer, deze Sender al twintig jaar geleden als eigen kind heb aangenomen.’

‘Hoe kan ik dat doen? Dat zou een leugen zijn!’

‘Een leugen?’ riep ze verontwaardigd. ‘Zijn mijn offers, mijn tranen en mijn slapeloze nachten een leugen?’

‘Voor de Keizer,’ antwoordde hij.

‘De Keizer? Die moet iedereen in Barnow vragen of het niet waar is! En hij is zelf ook een mens met een hart…’

Luiser Wonnenblum glimlachte. ‘U geeft er uw eigen uitleg aan. Ik zeg: “de Keizer”, want als ik zou zeggen: “de wet”, zou u er helemaal niets van begrijpen. De wil van de Keizer is namelijk opgeschreven, en daar gaan we van uit en daarop zijn geen uitzonderingen. Zegt u nu zelf: heeft de Keizer de tijd om alle Barnowers te ondervragen en dan te beslissen of hij Rosel in het tolhuis een plezier wil doen? Volgens de wet is Sender niet uw zoon. En u kunt hem ook niet alsnog als kind aannemen. Adopteren heet dat – begrijpt u wel? – adopteren –‘

‘Voor mijn part! Maar waarom niet?’

‘Omdat u geen weduwe bent.’

Juffrouw Rosel legde haar hand op haar voorhoofd. ‘Bent u nu gek of ben ik het? Geen weduwe?’

‘Bent u van Froim, de schrijver, gescheiden? Nee. Is hij dood? Dat weet u niet. Dientengevolge bent u geen weduwe, maar een vrouw van wie de man ervandoor gegaan is. Dan zou u dus eerst een aanklacht tegen Froim moeten indienen, omdat hij u kwaadwillig verlaten heeft. En omdat hij onvindbaar is, zouden ze die aanklacht openbaar moeten maken en erbij moeten zeggen: als je je een jaar lang niet meldt, ben je dood. En pas dan zou u weduwe zijn en kunnen adopteren. Maar dat duurt minstens twee jaar en intussen kan uw Sender al korporaal zijn…’

Juffrouw Rosel richtte zich op. ‘Dat is toch allemaal onzin,’ zei ze. ‘Op welke begraafplaats Froim ligt, weet ik niet – God geve hem zijn eeuwige rust. Moet ik nu een aanklacht indienen, omdat ik hem tweeëntwintig jaar geleden weggejaagd heb? Laten we duidelijke taal spreken, reb Luiser! Wat wilt u?’

Luiser Wonnenblum sloeg de blik ten hemel, alsof hij die getuige wilde laten zijn van de domheid die een man als hij moest ondergaan.

‘Maar juffrouw Rosel,’ zei hij verwijtend en kwam naar haar toe. ‘Had ik dat dan niet meteen gezegd? Verdien ik soms niet graag? Maar hier kan ik niets doen, al geeft u me duizend gulden… Waarachtig – maar – om godswil!’ onderbrak hij zichzelf geschrokken.

Juffrouw Rosel wankelde en viel bijna flauw. Haastig vlijde hij haar op een stoel.

‘Rustig maar,’ vervolgde hij. ‘Het is geen slechtheid van me. Als u me twintig jaar geleden gezegd had: “Ik wil niet dat dit kind soldaat wordt – schrijft u hem in als meisje” – dan had ik dat voor honderd gulden gedaan. Of: “Schrijft u hem helemaal niet in”, dat had niet veel meer gekost… Maar nu… Nu kan ik hem hooguit laten doodgaan…’

‘Doodgaan?’

‘Ja – daarvoor zou hij dan wel naar Tluste moeten, want de dokter hier doet zulke dingen niet. Daar krijgt hij een overlijdensverklaring… Schrik niet: die mensen leven het langste. Dan zou hij wel een paar jaar naar Rusland moeten of naar Roemenië, om dan onder een andere naam terug te komen… Dat is de veiligste manier, de enige veilige manier, maar die kost vijfhonderd gulden.’

‘Zoveel heb ik niet,’ mompelde ze met bleke lippen. ‘Weet u geen andere manier?’

Luiser Wonnenblum haalde zijn schouders op. Hij kende er genoeg, maar geen manier waaraan hij ook iets kon verdienen. Maar omdat de vrouw zo gebroken was, zei hij: ‘Ik ken er geen… Een eerlijk man houdt zich niet graag met zulke dingen bezig… Maar – vraagt u het maar aan anderen.’

Juffrouw Rosel wendde zich tot de man wiens plicht het was weduwen en wezen bij te staan: de rabbi van de gemeente. Dat was iemand van een ander slag dan Luiser, vroom en gewetensvol, hoewel beide alleen in de zin van het starre, sombere geloof van zijn sekte. Hij gold – en dat wilde werkelijk wat zeggen – als de ergste, hardste fanaticus van alle Galicische chassidiem en bovendien als een man van voorbeeldige eerlijkheid. Maar ook hij vond het streven om de dienstplicht op sluipwegen te vermijden niet zondig, maar juist godgevallig: wie soldaat geworden was kon de spijswetten immers niet aanhouden! En misschien was er toen – tegenwoordig is het anders en beter – geen mens in het district die er anders over dacht. De stadsbewoner en de boer, de Pool, de Roetheen en de jood: niemand schuwde een middel om de staat de bloedbelasting te onthouden. En misschien strekte die instelling niet alleen hun tot oneer, maar ook de staat, die nu acht decennia over dat gebied heerste zonder de bewoners tot een hoger moreel plichtsbesef opgevoed te hebben.

‘Het is kwalijk,’ zei rabbi Manasse Kirschenkuchen, ‘bijzonder kwalijk. Misschien is het een straf van God. Ik verwijt het u niet, want ik ben medeschuldig. Maar goed was het van ons beiden niet. Het komt door dat geheimzinnige gedoe: we hadden de jongen zijn afkomst niet moeten verzwijgen. We hebben het met goede bedoelingen gedaan, om hem tegen zijn vaders lot te beschermen, maar dat hadden we misschien ook kunnen bereiken zonder een zonde te begaan. De arme Mendele heeft een levende zoon, maar die weet niets van zijn vader en zegt geen kaddisj voor hem op zijn jaartijd (sterfdag). We hebben de dode dus bedrogen –‘

‘Ik laat de jaartijd van zijn ouders houden,’ verzekerde juffrouw Rosel, ‘alleen door een vreemde…’

‘Maar God heeft geboden,’ zei de rabbi bekommerd, ‘dat zijn eigen vlees en bloed het doet.’

‘En dan bidt hij uit zijn vaders gebedenboek,’ vervolgde ze om zich te verontschuldigen. ‘Dat heb ik hem gegeven en het was toch al zijn enige erfstuk. En zijn er op onze goede plaats (begraafplaats) twee beter verzorgde graven dan die van Mendele en Miriam?’

De rabbi zuchtte. ‘Dat neemt onze schuld voor God niet weg,’ zei hij. ‘En dan nog een zonde: Sender is al over de twintig en hij heeft nog geen vrouw! Ik weet het: dat is niet uw schuld, maar zijn schuld – maar een zonde blijft het. En voor de keuring is het ook niet goed. De commissie moet natuurlijk ook getrouwde mensen nemen – godlof zijn de meeste joden op hun twintigste al getrouwd. Maar als zo’n jonge man voor de heren huilt: “Mijn vrouw en mijn vier kinderen!” dan nemen ze toch liever een ander, die geen kinderen heeft, en liefst een vrijgezel… Een vrijgezel, juffrouw Rosel, is al verloren! U zou toch nog een keer met reb Itzig moeten praten: er is nog drie maanden tijd…’

‘Dat zal ik doen,’ beloofde ze. ‘Maar alleen daardoor krijgt hij nog geen vrijstelling. Tot wie moet ik me verder wenden?’

‘Dat is niet zo makkelijk te zeggen,’ antwoordde de rabbi, ‘het is noodzakelijk werk, maar eerlijke mensen doen het niet. Wilt u de commissie omkopen, dat zijn de heer von Wolczynski en Dovidl Morgenstern de fatsoenlijkste bemiddelaars; wilt u liever een verminker, dan raad ik u Srul, de cyrulik (kwakzalver) aan, of Grundmayer, de chirurgijn.’

Al de volgende dag opende juffrouw Rosel de onderhandelingen. Itzig Türkischgelb, die ze eerst ontbood, schudde weemoedig zijn hoofd.

‘Wie ben ik?’ zei hij gekrenkt. ‘Geeft u me eerlijk antwoord, juffrouw Rosel! Ben ik reb Itzig, de beste sjadchen (huwelijksmakelaar) in het hele land, of ben ik het niet? Moet ik eraan herinnerd worden, als ik een opdracht gekregen heb? Ben ik een horloge, dat steeds opnieuw opgewonden moet worden? Ik loop vanzelf en loop net zo lang tot de zaak in orde is. Ook voor Sender heb ik me de benen uit het lijf gelopen en gepraat: voor niets! Denkt u dat ik niets te doen heb, dat ik niet naar u toe kom? Ik heb alleen geen goed nieuws voor u. Vroeger was het al niet makkelijk, maar na die toestand in Mielnica wil helemaal niemand meer iets van hem weten.’

‘Dat dacht ik al,’ zei juffrouw Rosel bezorgd. ‘Nu zou ik ook met een mindere familie tevreden zijn…’

Reb Itzig knikte.

‘Natuurlijk. Maar was die horlogemaker in Mielnica dan zo goed? Een prostak (ordinair, onontwikkeld persoon), met in de hele familie niemand die ooit een blad Talmoed gelezen heeft, en een broer in het tuchthuis! Veel dieper kunnen we niet meer zinken – dat wil zeggen wat mijn waar betreft. Reb Srulze in Tluste, die knechts met dienstmeisjes laat trouwen, die zou u drie kandidaten per dag voor kunnen stellen; ik heb een ander soort zaak. Maar wees gerust. Ik doe wat ik kan, en echt niet alleen om mijn honorarium te verdienen, maar omdat ik u graag mag en – neem me niet kwalijk – die Sender van u nog meer. Een paljas zoals de wereld nog nooit gezien heeft! Maar denkt u dat dat mensen aantrekt? Als ik bij beschaafde mensen met hem aankom, gooien ze me er meteen uit, zodra ik zijn naam noem, een een beetje beschaafde mensen laten me nog een halfuur praten en gooien me er dan uit, en onbeschaafde mensen luisteren naar mijn hele verhaal en zeggen dan: “U kunt gaan, reb Itzig, en kom me nooit meer met zo iemand aanzetten!” U ziet, juffrouw Rosel, dat ik er weinig plezier van heb.’

‘Hij is de laatste tijd veranderd,’ antwoordde ze. ‘Hij haalt geen streken meer uit, hij praat met niemand en zelfs op sabbat zit hij op zijn kamer en niet zoals anders bij Simche…’

‘O ja?’ zei Türkischgelb. ‘Ik dacht dat hij mij uit de weg ging, omdat hij bang is dat ik in de zak van mijn kaftan altijd een meisje bij me heb, waar ik hem hup, zo mee opzadel! Maar Paljas is dus stil geworden? Is hij zo bang voor de dienst?’

‘Daar weet hij nog niets van!’ antwoordde ze. ‘Ik weet echt niet hoe ik hem dat vertellen moet. Nee, hij voelt zich misschien –‘ ze aarzelde – in ‘s hemelsnaam: ze mocht niet verraden dat hij zich niet lekker voelde, want dat maakte het aanbod nog slechter – ‘misschien ziet hij in dat het tijd is om verstandig te worden… Ja, dat kunt u de mensen rustig vertellen,’ vervolgde ze. ‘Alstublieft, doe uw best! U mag hem toch ook graag?’ Haar ogen vulden zich met tranen. ‘Moet hij daarom soldaat worden?’

‘Waarachtig niet,’ zei de goedmoedige marschallik troostend. ‘Ik weet er zo al een paar – maar of die Paljas willen? U zult ze wel willen,’ voegde hij eraan toe, omdat zijn vak die diplomatie vereiste, maar omdat hij een eerlijk man was, klonk zijn stem daarbij wat onzeker.

‘Vertel!’ riep ze ijverig.

‘Dan hebben we de nicht van de rabbi van Tluste,’ zei hij. ‘Wat voor een adel dat is, hoef ik u niet te vertellen! En die zet Paljas wel op zijn nummer, want dat deed ze ook met haar man zaliger.’

‘Een weduwe dus? Heeft ze kinderen?’

‘Natuurlijk!’ riep de marschallik ijverig. ‘Ik ga toch voor mijn Sender, die ik zo graag mag, geen vrouw uitzoeken die misschien geen kinderen kan krijgen? Wat dat aangaat hoeft u zich bij haar geen zorgen te maken.’

‘Hoeveel kinderen heeft ze?’

‘Voor kinderzegen,’ antwoordde de marschallik, ‘dank je God, maar je telt je zegeningen niet. En voor de commissie is het immers goed als Sender kan zeggen: “Houdt u er rekening mee dat ik negen kinderen heb!” De oudste is negentien, de jongste twee, en allemaal zijn ze onder de pannen, daar zorgt de rabbi voor. En die zal ook de tweede man van zijn nicht onderhouden en de kinderen die God haar nog schenkt!’

‘Ik heb wel eens van hem gehoord,’ zei juffrouw Rosel. ‘Hij schijnt als wonderdoener veel geld te verdienen, maar niets te sparen. En als die oude man overlijdt?’

‘Oude man?’ riep de marschallik. ‘Hij is amper tachtig! Zo’n licht in Israël schenkt God honderdentwintig jaar.’

De vrouw schudde haar hoofd. ‘Dat is me toch iets te onzeker. En ze kon wel Senders moeder zijn.’

‘Dat kon ze zeker, maar als ze jonger was en geen negen kinderen had en als de oude man niet al zo zwak was dat je hem zo omverblaast – zou ze Paljas dan nemen? Gebruik uw verstand, juffrouw Rosel, gebruik uw verstand! Trouwens, omdat u het bent, heb ik ook nog een jong meisje voor u: zeventien jaar, gezond, knap, met zevenhonderd gulden contant. Eerlijk waar: ik zweer het bij mijn kinderen!’

‘Waar wonen haar ouders?’

‘Haar grootvader, reb Mosche – zijn Duitse naam is Pulverbestandteil – heeft een herberg bij Tarnopol en het meisje is in zijn huis opgegroeid.’

‘Dus haar ouders zijn dood?’

‘Waarom vraagt u telkens naar de ouders? Als daar iets over te vertellen was, zou ik dat meteen doen. Maar er is niets over te vertellen. Haar moeder woont ergens, misschien in Turkije, ik weet niet waar…’

‘Hertrouwd?’

‘Natuurlijk. Of tenminste waarschijnlijk. Het is in ieder geval mogelijk dat ze in de zestien jaar dat ze weg is tweemaal getrouwd is. Want toen ze wegging, was ze nog helemaal niet getrouwd…’

‘En met een kind van zo’n moeder komt u bij me aanzetten?’ riep juffrouw Rosel met vlammende ogen.

‘Ja,’ antwoordde Türkischgelb, ‘ik durfde dat, omdat ik een hogere dunk van u had dan u verdient. Wat kan dat arme meiske eraan doen dat ze een slechte moeder heeft? Straks verwijt u haar ook nog dat haar grootvader al twee keer in de gevangenis gezeten heeft! Daar geef ik overigens niets om,’ vervolgde hij inschikkelijk, ‘en ik zei al tegen reb Moschele: “Om mijn honorarium te verdienen zal ik u los moeten maken van de galg!” Maar nu serieus: is een dochter van reb Chaim Goldgulden in Kolomea voor uw Sender goed genoeg? Lea heet ze.’

‘Dat dacht ik wel!’ riep ze verheugd. ‘Hij is een achtenswaardig man en welgesteld. Maar heeft hij dan nog een dochter die moet trouwen? De kleinzoon van onze reb Mosche Freudenthal heeft de jongste gekregen.’

‘Nee, Lea is de jongste… Dat wil zeggen – bij u moet je altijd op je woorden letten – misschien is ze dat niet, misschien is ze zelfs de oudste van de zussen, weet ik veel? Wat haar lengte betreft zou ze in ieder geval de jongste kunnen zijn.’

‘Is ze zo klein?’ vroeg Rosel argwanend.

‘Juffrouw Rosel,’ riep de marschallik, ‘stel mijn geduld niet zo op de proef! Zeg dan: “Ze moet zeven voet lang zijn en driehonderd pond wegen!” Dan weet ik waar ik uw schoondochter moet zoeken: op de markt, waar de reuzendames getoond worden… De dochter van reb Chaim Goldgulden hoeft niet boven de tafel daar uit te komen om toch een goede partij te zijn.’

‘Niet boven de tafel uit?’ riep ze geschrokken, ‘om godswil, dan is ze een dwerg! Dat is toch onnatuurlijk…’

‘Nee!’ bulderde reb Itzig. ‘Zulke dingen wil ik niet horen! Er is niets onnatuurlijks aan. Hebt u dan wel eens gezien dat een meiske dat van kinds af aan een kromme rug heeft, zo groot wordt als een dragonder?’

‘Maar Sender wil die gebochelde dwerg vast niet!’

De marschallik haalde zijn schouders op… ‘Dat is zijn zaak – uw zaak, niet de mijne. Ik heb mijn plicht gedaan, al is het me zwaar te moede… Ze mag niet ouwelijk zijn, ze mag geen buitenechtelijk kind zijn, ze mag niet gebocheld zijn – een bruid die u bevalt is nog niet geboren. Nog niet geboren!’ herhaalde hij met een pijnlijk gezicht. ‘Maar – omdat u het bent zal ik verder zoeken. Als het aan mij ligt, wordt mijn Sender geen soldaat!’

Hij kwam echter al twee dagen later terug, deze keer stralend van oprechte blijdschap.

‘Vandaag hoef ik u niets wijs te maken,’ zei hij. ‘Ik heb de juiste gevonden! Gisteren was ik in Chorostkow en ben natuurlijk bij mijn jongste dochter Jutta op bezoek geweest. U weet dat ze daar bij reb Hirsch Salmenfeld opgenomen is als een eigen kind, omdat ze zo goed koken en naaien kan. Bij die gelegenheid sprak reb Hirsch me aan: hij zoekt een man voor zijn Malke, een dochter uit zijn eerste huwelijk. Het meisje krijgt achthonderd gulden, is knap, jong en gezond, en mijn Jütta, die ondanks haar jeugdige leeftijd een verstandig kind is, zei: “Gezegend de man die onze Malke krijgt!” Dus – ze heeft geen vlekje en haar vader ook niet, maar hij heeft pech gehad met zijn broers. De oudste, een legerarts, is christen geworden, de jongste, een advocaat in Czernowitz, leeft natuurlijk als een Duitser. Bij die oom was Malke als kind en heeft daar helaas Duits leren lezen en schrijven. U ziet: ik verzwijg u niets. Maar daarom is ze toch een eerlijk joods kind en reb Hirsch een extra vrome man, juist omdat hij zich voor de zonden van zijn broer schaamt. Hij weet dat veel mensen dit desondanks geen passende familie vinden en daarom ging hij akkoord met Sender.’

Hij had anders dan anders gesproken, eenvoudig en direct. ‘Het is een buitenkans,’ besloot hij, ‘bedenk u niet en zeg ja.’

Toch aarzelde juffrouw Rosel. ‘We moeten het aan de rabbi vragen,’ vond ze.

‘Dan wordt het niets,’ waarschuwde hij. Maar omdat ze zei het anders niet op haar geweten te kunnen nemen, schikte hij zich en was op haar verzoek zelfs bereid om zelf met de rabbi te praten.

 

Hoofdstuk 15

Minder moeizaam verliepen de andere onderhandelingen die juffrouw Rosel in haar doodsangst om Senders lot moest voeren.

Wie niet op tijd een akkoord had gesloten met Luiser Wonnenblum – en de meesten hadden niet ver genoeg vooruitgezien, omdat het bevolkingsregister al bij de geboorte van een jongen vervalst moest worden – had nog maar twee mogelijkheden: hij wendde zich tot een agent, die de leden van de commissie omkocht, of tot een verminker: gewoonlijk een kwakzalver of chirurgijn, die de jonge man zo toetakelde, dat hij afgekeurd moest worden. Beide ambachten werden door christenen en joden uitgeoefend en ook onder de cliënten waren beide geloven gelijkelijk vertegenwoordigd. Omdat verminken goedkoper was, kozen de minder bemiddelde mensen in de regel die weg.

Juffrouw Rosel kon nauwelijks haar brood verdienen, maar desondanks gruwde ze van die methode. Ze probeerde het eerst bij de heer von Wolczynski, de voornaamste omkopingsagent in het district Barnow, die ooit twee landgoederen bezeten had, maar door verkwisting en kansspel langzamerhand afgezakt was tot dit zaakje, dat iemand die het handig aanpakte echter heel wat opleverde. Een goede agent moest het karakter en de levensomstandigheden van alle commissieleden tot in de details kennen om de zwakke punten te vinden die hij kon uitbuiten om elk van die officieren, artsen en ambtenaren tot zijn werktuig of tenminste tot passieve toeschouwer van zijn bezigheden te degraderen. En daarbij moest hij een grote kennis van de bevolking van het district bezitten, want van het aanzien van de jonge man en het vermogen van zijn ouders hing immers de hoogte van de prijs af. En ten slotte moest hij zich bekwamen in de moeilijke kunst om al zijn schofterigheid onder het masker van een man van eer te verbergen.

De heer von Wolczynski beheerste dit alles en verstond nog een vierde kunst: nooit afdingen. Een hele kunst in een land waar over alles onderhandeld werd. Hij liet juffrouw Rosel rustig praten, zo lang als ze wilde, en dacht: ‘Ze is arm, maar voelt een apenliefde voor die lummel; die is bleek en mager, maar gezond –‘ Maar hardop zei hij alleen maar: ‘Driehonderd gulden!’

Ze jammerde dat ze dat niet op kon brengen.

‘Vaste prijzen!’ was zijn antwoord. ‘Dag juffrouw!’

Langer duurden de onderhandelingen met Dovidl Morgenstern. De man verleende rechtsbijstand. Hij had in zijn jeugd een paar jaar in Lemberg doorgebracht, daar lezen en schrijven geleerd en zich vervolgens met behulp van het Burgerlijk Wetboek en Wetboek van Strafrecht tot een “deskundige” ontwikkeld. Voor de joden van Barnow was hij naast Luiser het orakel bij alle juridische kwesties. Omdat hij hiermee niet in zijn levensonderhoud kon voorzien, deed hij de heer von Wolczynski concurrentie aan. Zijn zaak was kleiner dan die van de edelman, hij verdiende er minder aan en was een jood. Daarom vond iedereen hem een schurk, net zo goed als iedereen Wolczynski een man van eer vond. Dovidl onderhandelde: toen juffrouw Rosel bij hem kwam vroeg hij vijfhonderd gulden en kwam haar vervolgens tegemoet met een bod van tweehonderd gulden. Maar ook dat bedrag kon ze niet opbrengen, zelfs niet als ze haar enige sieraad offerde, het met parels bezette diadeem.

De volgende dag liet Grundmayer, de chirurgijn, haar weten dat ze langs kon komen. Hij was een oude dronkelap, die ooit als verpleger van een eskadron huzaren naar Barnow was gekomen en er na zijn ontslag uit de dienst gebleven was.

‘Hoho!’ brulde hij, toen ze bij hem binnenkwam, ‘hebt u het zo breed dat u Dovidl liever tweehonderd gulden geeft dan mij dertig? Voor dertig gulden snijd ik bij die bengel een voetpees doormidden, dat hij zijn hele leven hinkt, of ik hak twee vingers af, als u dat liever hebt!’

De vrouw staarde hem ontzet aan.

‘Altijd nog beter dan in dienst gaan!’ riep hij. ‘En voor dertig gulden hoeft u niet meer te verwachten. Als het meer mag kosten doen we iets moois, dat nog weg te werken is. Het hangt van de jongen af – stuur hem maar naar me toe. Misschien een chronische maagkwaal – erg aan te bevelen. Of een longtering – die is mooier, niet van echt te onderscheiden. Over zes maanden maak ik hem dan weer gezond – erewoord, zowaar als ik dokter Franz Xaver Grundmayer heet en katholiek christen ben. Kost inclusief de kuur honderd gulden!’

Met moeite beheerste juffrouw Rosel zich na deze aanlokkelijke aanbiedingen zo dat ze een bedankje kon stamelen en de belofte om erover na te denken.

‘Er is niets te overdenken!’ bulderde de waardige man. ‘Je wilt zeker liever die schurk, die Srul te eten geven? Dat verdomde jodenvolk klit altijd aan elkaar! Denk je dat hij goedkoper is? O ja: die kerel verzorgt misschien al een tering voor een gulden of veertig! Maar het resultaat is er dan ook naar! Of je ziet het al op een afstand, zodat ze de lummel toch nemen, of het is zo grondig dat geen God het meer wegkrijgt. U bent gewaarschuwd!’

Juffrouw Rosel bezwoer dat ze met Srul niets te maken wilde hebben. Maar evengoed besloot ze van de hulp van “dokter” Grundmayer af te zien. Ze kwam wel op een ander idee: als ze Sender eens op een eerlijke manier vrij kon krijgen? De stadarts van Barnow, die als districtsarts alle keuringen in zijn gebied moest bijwonen, was een onomkoopbare en bovendien goedwillende en verstandige man; Sender hoestte en was toch al niet de sterkste: misschien hielp het als ze die man vroeg hem te ontzien, dan deed hij vast wel wat zijn plichtsgevoel hem toestond. Ook de marschallik sterkte haar in dat voornemen, en ze wilde het al ten uitvoer brengen, toen ze hoorde dat de arts de keuringen deze keer helemaal niet bij zou wonen: hij moest precies in diezelfde periode in Lemberg dienstdoen. Dat was ook zo; om hem en zijn geestverwanten onschadelijk te maken, hadden de vele Wolczynski’s in Galicië via hun hoogmogende beschermheren gedaan gekregen dat de regering juist in april een conferentie in Lemberg organiseerde “over de gebleken misstanden in het keuringswezen”; daarmee waren de eerlijke mensen simpel en doeltreffend onschadelijk gemaakt!

Al was ook deze hoop verijdeld, juffrouw Rosel bleef toch vastbesloten. ‘Ik kan het niet,’ verklaarde ze tegenover de rabbi, aan wiens oordeel ze veel waarde hechtte. ‘Laat anderen de verminker maar huren – ik neem het ze niet kwalijk. En misschien zou ik het ook doen, als Sender mijn eigen vlees en bloed was. Maar hij is een aangenomen kind. Wat moet ik die arme Miriam antwoorden als ik haar boven tegenkom?’

De oude man knikte ernstig.

‘U hebt gelijk,’ zei hij. ‘Ze zal u toch al verwijten maken – u en mij – vanwege de kaddisj… Maar daar is niets meer aan te veranderen. Nee, verminkers mogen de weesjongen met geen vinger aanraken. Maar waar haalt u die tweehonderd gulden vandaan?’

‘Dat vraag ik u!’ riep ze in tranen. ‘Ik krijg het niet bij elkaar, al verkoop ik de laatste stoel uit de kamer.’

‘Dan ziet het er slecht uit,’ zei hij bedrukt. ‘Dovidl verlaagt zijn prijs niet meer; bij anderen een inzameling houden heeft ook geen zin – Sender is immers niet van hier. – laat de zoon van Mendele de sjnorrer maar soldaat worden!’

Hij dacht na. ‘Dan helpt er maar één ding: een huwelijk! Met de bruidsschat betalen we het geld!’

‘Maar de marschallik heeft niets goeds voor hem,’ bracht ze er verlegen tegen in.

‘Neem dan wat hij heeft. Er staat een ziel op het spel!’

‘Maar als hij ongelukkig wordt?’

‘Liever ongelukkig worden dan geen vrome jood meer kunnen zijn. En bovendien: een ongelukkig huwelijk kun je ontbinden, maar wie gerecruteerd wordt moet zeven jaar soldaat blijven.’ Zo lang duurde toen de dienstplicht in Oostenrijk.

‘En als Sender niet wil?’

‘Stuur hem maar naar mij – dan wil hij wel.’

Door het vertrouwen van de vrome man kreeg ze zelf ook meer moed en ging getroost naar huis. Maar die stemming hield niet lang aan. Dagen gingen voorbij zonder dat reb Itzig zich liet zien, en toch was het nu de hoogste tijd. Al over veertien dagen zou de loting plaatsvinden, de bijeenkomst van alle dienstplichtigen in het gemeentehuis, waarin ieder uit een zakje een nummer trok dat de volgorde van verschijning voor de commissie bepaalde. ‘Hoe leg ik hem uit,’ dacht ze, ‘dat hij geen vrijstelling krijgt?’

Ze aarzelde echter ook om een andere reden. Hij was juist de laatste dagen zo rustig en vrolijk als ze hem nog nooit gezien had. De luidruchtige, overmoedige betweterigheid, die haar vaak gekwetst en geërgerd had, zowel als de verborgen schuwheid waarmee hij haar deze winter bejegend had, waren verdwenen. ‘Nu,’ dacht ze, ‘toont hij de bekoring waarmee zijn arme vader zoveel vrienden heeft gemaakt, maar tegelijk is hij godlof toch zo heel anders als hij, zo huiselijk, braaf en gehoorzaam.’ Ze wilde het geluksgevoel dat in zijn ogen schitterde niet verstoren, al had ze geen idee waar het vandaan kwam. Hij had zich nu ook de grammatica eigen gemaakt, zwelgde in de kleurige beelden van de tot dusver onbekende, onvermoede wereld die het leesboek voor hem ontsloot en zette daarbij in gedachten iedere dag een stap vooruit naar het grote doel van zijn leven.

‘Die goede jongen,’ dacht ze. ‘Dat bittere uur komt al vroeg genoeg, maar ik wil het hem dan zo goed mogelijk vertellen.’

Het noodlot besliste anders. Dat uur zou voor beiden een van de vreselijkste van hun leven worden.

Het was de eerste zondag in april en tevens de eerste onbewolkte dag na de eindeloze regenbuien, die in deze arme streek het aanbreken van de lente verkondigen, want net als bij alle andere schoonheden die de mensen in gelukkiger streken verkwikken, valt ook de lente hier laat en karig uit. De straten waren nog moerassig, de akkers waren met een laag modder bedekt en aan de bomen hingen de eerste groene blaadjes te druipen, maar voor het eerst in lange tijd, sinds hij voor het laatst in de sneeuw geglinsterd had, liet de zonneschijn de treurige, eindeloze, verregende vlakte oplichten en de lucht was vochtig, maar warm. ‘Lente, lente,’ mompelde Sender, toen hij in alle vroegte het raam van zijn kamertje opendeed en hij leunde ver naar buiten om die zuivere lucht in te ademen. ‘Goddank, lente!’

Hij glimlachte gelukkig. ‘Mijn laatste lente in deze kamer!’ En dan kwam de laatste zomer en hoe snel werd het dan al herfst en dan, met Nieuwjaar…

Hij deed zijn ogen dicht, alsof hij de glans van het geluk niet kon verdragen waarin zijn leven voor hem lag, zover zijn blik reikte. Tot dan toe was hij vervuld geweest van een opstandig en brutaal zelfvertrouwen, maar vandaag, op deze eerste lentemorgen, nu iedere hindernis uit de weg geruimd leek, was het hem zo zacht en tegelijk zo zalig te moede als nooit tevoren. Met een ander en subliemer gevoel als anders haalde hij nu de gebedsriemen uit de kast en sloeg zijn gebedenboek open om het ochtendgebed uit te spreken.

Het was een beduimeld boekje met versleten bladen, dat ooit in zwart leer met goudopdruk gebonden was; nu was de band grijs en gescheurd en de letters waren bijna uitgewist. Een oud boekje, en hij had het nooit nieuw gezien; zijn moeder had het hem ooit cadeau gegeven, toen hij leerde bidden: het was vroeger van familie geweest. Maar hoe oud het ook was, het deed goed dienst, en bij het ochtendgebed stoorden de onduidelijke letters hem helemaal niet: dat gebed kende hij net als iedere jood uit zijn hoofd en hij keek bij het bidden alleen maar naar het boek omdat het zo hoorde. En misschien sprak hij het gebed al die jaren vaak genoeg om geen andere reden uit – dat nalaten was een zonde geweest en waarom zou hij zondigen? Maar vandaag, in de glans van deze lentedag, vloeiden de woorden niet alleen over zijn lippen, maar ook uit zijn hart. Hij was zich daar nauwelijks van bewust en nog minder had hij zich rekenschap kunnen geven van de oorzaak – hij begreep die Hebreeuws-Chaldeeuwse woorden toch wel en vandaag leken ze wel voor hemzelf geschreven: Dank u, God vol genade, die vervult waar ons hart naar smacht… Erbarm u over ons en geef dat wij verstaan en erkennen, horen en leren… En toen hij bij de regel kwam: Geprezen zijt gij die de zieken geneest en alle kwalen van ons wegneemt, sloeg hij zijn ogen op naar de hemel.

Ja, ook die last was nu van hem af genomen, de enige die hem nog drukte. Hij had het “beetje hoest” niet ernstig opgevat, maar het was wel erg lastig geweest en hij had gelogen toen hij zijn moeder verzekerde dat het geen pijn deed. Maar hij had steeds gehoopt dat het beter zou gaan, als de winter eerst maar voorbij was, en inderdaad was de hoestprikkel al tijdens de lenteregens minder geworden. Vandaag had hij er bijna geen last meer van en bij het ademen voelde hij geen steken in zijn longen meer. Wel had hij dan een ander gevoel, dat onwennig was, maar niet pijnlijk, een gevoel van zwaarte en warmte zijn longen, dat aanzwol naarmate hij meer van de vochtige, zwoele lucht van deze lentemorgen opzoog. Het was of de geur van aarde daarin iets bedwelmends had; zijn polsen klopten, zijn adem ging sneller en het bloed steeg naar zijn hoofd, en als hij aan het slot van het gebed zoals voorgeschreven driemaal naar het oosten boog, werd hij zo duizelig, dat hij zich aan de rand van het bed moest vasthouden om niet om te vallen.

Maar dat ging zo snel voorbij dat hij er niet bang meer van werd. Toen hij de huiskamer in ging en zijn moeder goedemorgen zei, keek ze hem met opgewekte verbazing aan en zei: ‘Vandaag gaat het goddank weer heel goed met je, nietwaar? Je hebt gezonde rode wangen, die ik eigenlijk nog nooit bij je gezien heb.’

‘Ik voel me ook heel gezond,’ zei hij. ‘Ik zei toch: dat hoesten stelt niet veel voor.’

‘Het was ook alleen dat je zo mager bent.’ Ze mat zijn scherpgesneden gezicht en zijn lange, beweeglijke, maar tengere gestalte met haar ogen. ‘Je kunt eten wat je wilt, maar je blijft eruitzien als een windhond.’

‘Dat wordt nu wel anders,’ antwoordde hij lachend en begon aan de ontbijtsoep. ‘Let maar op: straks kun je geld voor me vragen, zo dik word ik.’

Toch wilde het met het eten ook vandaag nog niet erg lukken, en het vreemde gevoel van zwaarte in zijn longen trok niet weg. Om het voor zijn moeder te verbergen, lepelde hij ijverig, maar schepte bijna niets op. Het kwam heel gelegen dat er juist een wagen voor de slagboom stilhield, want nu moest zijn moeder de kamer uit. Maar juffrouw Rosel bleef op haar stoel bij het raam zitten en in haar plaats ging de oude Kasia, die haar anders op sabbat verving, naar de koetsier om het tolgeld te incasseren.

‘Zij blijft vandaag hier,’ legde zijn moeder uit, ‘omdat ik straks naar de stad moet.’

‘O ja?’ zei hij. ‘Waarvoor?’

Ze keek voor zich uit naar de grond, wilde iets zeggen, maar zweeg weer.

‘Ik moet een paar dingen regelen,’ zei ze ten slotte bijna verlegen. ‘Tot hoe laat ben je vandaag in de werkplaats?’

‘Tot na elven, net als anders. Hoezo?’

‘Wacht vandaag op me, ik kom je afhalen…’

Dat was zo ongewoon, dat hij haar vreemd aankeek. Maar ze ontweek zijn blik.

‘Daar zit wat achter,’ dacht hij onrustig, toen hij naar het stadje liep. ‘Ze was zo verlegen…’

Maar de gedachte verdween even snel als ze gekomen was. De ochtend was zo prachtig en het was hem zo vrolijk te moede: hij had het gevoel nog nooit zo’n mooie lentedag meegemaakt te hebben.

‘Goedemorgen!’ riep de baas opgewekt, toen hij de werkplaats binnenging. De baas was de laatste tijd toch al vaak de eerste geweest die groette, maar nu leek het wel een juichkreet.

‘Ook hij is op zo’n dag in een heel andere stemming,’ dacht Sender, ‘terwijl hij toch maar horlogemaker is…’

‘Goedemorgen, baas. Het is lente!’

‘Jazeker,’ grinnikte Klein-Jossele, ‘met alles wat erbij hoort…’

‘Wat erbij hoort?’ herhaalde Sender glimlachend. ‘Natuurlijk: de zon, de bloemen –‘

‘En nog iets,’ lachte de baas. Maar toen dacht hij aan het vrome gebod: Gij zult uw naaste geen onaangename boodschap verkondigen, tenzij het om zijn bestwil is. Hij dwong zijn gezicht in de plooi en wees Sender diens werk voor de dag. ‘Het heeft geen haast,’ voegde hij er vriendelijk aan toe.

Maar toen begon het nieuws dat hij onderdrukt had toch zo te kriebelen dat hij het gevoel kreeg dat hij erin stikte.

‘Meyerl de sjoelklopper was hier net,’ begon hij, zo blanco mogelijk.

Meyerl Kaiseradler was een armzalig en krom mannetje, dat in zekere zin gebukt ging onder de last van het leven en dat zijn brood verdiende in dienst van de sjoel, de synagoge; hij moest de mannen in de wintermaanden wekken voor het bezoek aan de sjoel, vandaar de naam van zijn functie. Omdat hij daarbij met al zijn kinderen van de honger om had kunnen komen, gunden ze hem de bijverdienste van het verspreiden van alle ambtelijke mededelingen van de gemeente.

‘Zo,’ zei Sender. ‘Moet u weer belasting betalen?’

‘Nee. Deze keer moest hij jou hebben, beste Sender!’

‘Mij? Wat wou hij?’

Maar op dat moment won bij de kleine man de eerbied voor het vrome gebod het weer van het leedvermaak. ‘Ik weet het niet… Hij komt wel weer terug.’ En hij dwong zichzelf eraan toe te voegen: ‘Het is vast niets slechts.’

‘Ik zou het ook niet weten,’ antwoordde Sender kalm.

Rustig en zachtjes fluitend begon hij aan het werk dat hem opgedragen was. Maar de baas had zelf gezegd dat er geen haast bij was. Hij keek dan ook telkens weer door de open winkeldeur naar het marktplein, waaraan het huis van de horlogemaker lag.

Er was vandaag meer te doen dan anders. De boeren uit de omliggende dorpen gingen in hun zondagse kleren naar de Roetheense kerk en de weinige katholieke ingezetenen van Barnow haastten zich naar de mis in de kloosterkerk. Daartussen stonden veel joden op het plein in grotere groepen of met zijn tweeën bij elkaar. Sommigen schreeuwden en gesticuleerden, anderen luisterden aandachtig en weer anderen staarden met bleke en treurige gezichten voor zich uit.

‘Wat hebben de mensen vandaag?’ vroeg Sender aan zijn baas. Maar nog voor die antwoord kon geven, kon Sender dat zelf. Met haastige pas en zijn magere gezicht met de haakneus in de hoogte verscheen Dovidl Morgenstern op het marktplein, waar hij in een mum van tijd omringd werd door een hoop mensen, die steeds groter werd.

‘Aha!’ lachte Sender. ‘De dienstkeuring! Wanneer is die?’

‘De loting over een week en de keuring over twee weken,’ antwoordde de baas en glimlachte innig verrukt naar het horloge dat voor hem lag.

‘Natuurlijk,’ antwoordde Sender. ‘We zitten al in april. Goddank gaat het mij niets aan.’ Maar in stilte herhaalde hij die gedachte nog veel nadrukkelijker. ‘Wat zou het verschrikkelijk zijn als ik nu soldaat moest worden. Zeven jaar duurt de dienst. Dan was het afgelopen met mijn plan en met mijn hele leven. Ik denk dat ik dat verdriet niet aan zou kunnen. Goddank. Goddank!’

En weer keek hij rustig toe hoe er buiten steeds meer mensen samenstroomden en hoe de groep rond Dovidl Morgenstern groter werd.

‘Hij liegt ze natuurlijk voor,’ zei hij tegen de baas, ‘dat hij ze allemaal vrijstelling zal geven – allemaal! En die arme drommels geloven hem.’

Jossele Alpenroth schudde van het lachen.

‘Je hebt gelijk!’ riep hij. ‘De domkoppen denken dat hij een duivelskunstenaar is. En toch wordt ieder jaar het vereiste aantal goedgekeurd! Hahaha! Niet één minder!’

‘Maar hard is het wel,’ zei Sender. ‘Zeven jaar! Heb je pech, dan had je beter niet geboren kunnen worden!’

Daar antwoordde de baas niet meer op en het werd zo stil in de werkplaats, dat je de vliegen hoorde zoemen.

Na een poosje begon Sender weer zachtjes voor zich uit te fluiten. Maar tussendoor moest hij toch af en toe zijn hand op zijn borst leggen. Hij voelde zich heel goed, maar die ongewone druk wilde niet weg.

Intussen was ook juffrouw Rosel op weg gegaan naar de stad. De rabbi had haar de vorige dag door Meyerl Schulklopfer laten weten dat hij haar morgen om tien uur verwachtte om iets belangrijks met haar te bespreken. Haar hart bonsde steeds heviger, naarmate ze dichter ze bij zijn huis kwam. Senders lot stond op het spel!

Toen ze een paar passen van het huis verwijderd was, hoorde ze haar naam roepen: daar kwam Itzig Türkischgelb hijgend aanrennen, terwijl zijn dunne, grijze slaaplokken om zijn rood aangelopen gezicht vlogen. ‘Hij heeft mij ook gevraagd om te komen,’ zei hij, ‘hij wil de zaak met ons in orde brengen!’

‘Hing het maar van ons tweeën af,’ antwoordde juffrouw Rosel bedrukt.

In de vestibule bij de rabbi troffen ze de arme, kleine Kaiseradler, die tevens hulpje bij de geleerde was. ‘Ik heb hier een brief voor uw zoon,’ zei hij onderdanig, ‘ik heb hem niet gezien – het is de oproep voor de keuring, mag ik die aan u geven?’

De vrouw pakte de oproep aan en staarde treurig naar het grauwe papier. Bovenaan was de keizerlijke dubbele adelaar te zien en onderaan het stempel van de gemeente Barnow; de geschreven en gedrukte regels die daartussen stonden begreep ze niet; het waren immers christelijke letters. In het Duits, dat toentertijd in het hele keizerrijk de ambtelijke taal was, kreeg de leerling-horlogemaker Sender Glatteis, woonachtig bij Rosel Kurländer in het tolhuis, een oproep, op straffe van etc. etc. Ter oriëntatie had Luiser Wonnenblum voor de bode in Hebreeuws schrift in de marge genoteerd: de paljas van Rosele.

Voorafgegaan door de marschallik ging juffrouw Rosel de studeerkamer van de rabbi binnen. Hij zat in zijn leunstoel achter een enorme foliant naar een vreemd concert te luisteren. Aan een tafel bij het raam zaten drie jonge mannen gelijkmatig naar voren en naar achteren te wiegen, terwijl ze unisono op hoge tonen nasaal een talmoedtekst lazen, die klonk als het zingen van drie verkouden tenoren. Bij de binnenkomst van de twee liet de rabbi ze de kamer uitgaan; hij nodigde de gasten uit om te gaan zitten en begon vervolgens: ‘Er staat geschreven: Laat de kinderen der wereld voor de wereldse dingen zorgen. Maar er staat ook geschreven: De zaak van de wees is ook uw zaak. Het gaat mij niet aan welke jongen welk meisje neemt en of hij soldaat wordt of niet. Maar Sender is een vreemdeling in onze gemeente en hij heeft geen andere vertegenwoordiger dan mij, en zijn vader – hij ruste in vrede – heeft zich tegenover God misschien toch al over mij beklaagd – om zijn kaddisj. Hij mag me niet ook nog eens ten laste leggen dat ik zijn Sender in het verderf gestort heb! En daarom moet ik nu met jullie praten over zijn huwelijk en over de militaire dienst, al doe ik dat niet graag.’

Hij begon naar voren en naar achteren te wiegen en vervolgde: ‘Zijn dat dan twee verschillende dingen? Nee: het is één en hetzelfde. Als Sender niet trouwt, moet hij soldaat worden. Hij moet dus trouwen. Wat is dan het probleem? Is Sender, God beware, misschien niet in staat om te trouwen? Nee. Of heeft hij, God beware, een gebrek? Nee. Of is er niemand die hem zijn dochter wil geven? Nee, reb Itzig hier heeft me verteld dat hij mensen kent die daartoe bereid zijn. Of hebben die ouders of hun dochter een gebrek waardoor u, juffrouw Rosel, of Sender ze afwijzen moet? Nee, dat hebben ze niet. Wat is dan het probleem, vraag ik nogmaals? Dat is dat voor u, juffrouw Rosel, helaas geen enkele schoondochter goed genoeg is. En verder dat Sender niet trouwen wil! Het eerste is niet in orde en het tweede is zelfs een zonde, en het is mijn plicht om aan beide een eind te maken en beide uit te roeien alsof ze nooit bestaan hebben. Daarvoor heb ik u beiden hier laten komen.’

Juffrouw Rosel gaf te kennen dat ze iets wilde zeggen.

‘Straks!’ zei de rabbi streng. ‘In de klaus (geleerdenkamer) spreken vrouwen alleen als hun daarom gevraagd wordt, en dan kort. Ik, die toch waarachtig genoeg te zeggen heb, spreek ook kort. En ik ben toch de rabbi. Waarom? Omdat er geschreven staat: Het welriekendste kruid is het zwijgen. En verder staat er geschreven: De haag om de wijsheid is de zwijgzaamheid. En dan staat er nog geschreven: Vóór u gesproken hebt, bent u baas over uw woorden. Nadat u gesproken hebt, zijn zij uw baas. Bezin u dus, voor u ze uit uw mond laat ontsnappen. En er staat eveneens geschreven: Behoed uw tong voor nutteloos gepraat, opdat uw keel niet dorstig wordt.’

‘Ik begrijp het,’ zei de marschallik medelijdend. ‘Zal ik Meyerl Schulklopfer vragen of hij u wat wijn brengt?’ En voor de rabbi na deze ongehoorde vrijpostigheid tot zichzelf gekomen was, vervolgde hij: ‘We hebben maar de keus tussen twee mogelijkheden. Ten eerste Malke van reb Hirsch Salmenfeld…’

‘Zwijg!’ onderbrak de rabbi hem. ‘Een verbintenis met zo iemand bespreek je niet in een klaus…’

‘Maar er staat geschreven,’ wierp de marschallik tegen, Beoordeel ieder op zijn eigen daden. Reb Hirsch is de vroomste man die er bestaat. Of niet soms, juffrouw Rosel?’

De vrouw keek angstig naar de rabbi. ‘Maar de rabbi vindt –‘ begon ze aarzelend.

‘Ik vind niets!’ riep de oude man. ‘Ik weet dat het een doodzonde zou zijn. In een familie waar zulke misdaden gebeuren laat je een wees niet trouwen. Misschien is zijn dochter ook goddeloos, want ze kan Duits lezen!’

‘Maar rabbi – mijn Jütte zegt –‘

‘Uw Jütte! Als ik u was, liet ik mijn kind daar niet… Duits lezen en schrijven is een smet op het hele leven, sterker nog: het is een gif! Wie mag er met gif omgaan? Een apotheker. Luiser moet het kennen, omdat hij het bevolkingsregister moet verzorgen, en Dovidl Morgenstern voor de processen. Maar voor iedere andere zoon of dochter van het joodse volk is het een doodzonde, een doodzonde, hoort u? En wat er ook tegen Sender ingebracht wordt, hij is vroom en onderhoudt alle geboden en heeft zich verre gehouden van de wegen der wetsovertreders en afvalligen. Voor hem een vrouw die christelijke boeken leest? Ik ben voor hem verantwoordelijk en tolereer dat niet! Zo’n vrouw komt mijn gemeente niet in – nooit!

De marschallik haalde zijn schouders op. ‘Dan moet hij die uit Kolomea nemen,’ zei hij, ‘Lea van reb Chaim Goldgulden. Haar vader stemt erin toe, want hij weet dat er niemand anders te vinden is.’

‘In ’s hemelsnaam!’ riep juffrouw Rosel. ‘Die kleine met de bochel? En ze is lelijk als de nacht en bijna dertig jaar – dat is me verteld!’

‘Achtentwintig,’ zei de marschallik. ‘Trouwens – ik had de arme Sender ook liever die mooie Malke gegund…’

De rabbi streek peinzend over zijn lange baard.

‘Reb Chaim Goldgulden is een vroom en rechtvaardig man,’ zei hij. ‘Klein? Een bochel? Wat maakt dat uit? Er staat geschreven: Let op de schoonheid van het hart. De dochter van reb Chaim is vast deugdzaam en gaat laster uit de weg.’

‘Daar kunt u van op aan!’ riep de marschallik. ‘U zou haar moeten kennen. Lea hoeft laster niet uit de weg te gaan: de laster gaat háár uit de weg!’

‘En die tweehonderd gulden voor Dovidl Morgenstern zou reb Chaim direct betalen?’

‘Ja,’ antwoordde de marschallik. ‘Ik denk dat hij zelfs wel vijfhonderd zou betalen. Als de oude man geen hartaanval krijgt van blijdschap! – Dat die nog aan een man komt, had hij echt niet durven hopen. Overigens zijn haar voor de rechter achthonderd gulden toegekend!’

‘Goed,’ zei de rabbi. ‘Meyerl!’ riep hij luid. ‘Waar is uw zoon?’ vroeg hij de vrouw.

‘In de werkplaats. Maar in ’s hemelsnaam –‘

De sjoelklopper verscheen in de deuropening.

‘Jij haalt de paljas uit de werkplaats,’ beval de rabbi, ‘snel!’

De bode rende weg.

‘Rabbi!’ riep juffrouw Rosel in tranen. ‘Dat is een zonde voor God. Wilt u iemand die gezond van lijf en leden is aan een invalide binden?’

‘Zwijg!’ riep de oude man hevig verontwaardigd. ‘Wat zonde is en wat een vrome daad, weet ik beter dan u! Zonde is het als hij soldaat wordt! Denkt u dat ik me voor mijn plezier met uw zaken bemoei? Uit eerbied voor Gods geboden! Maar dan moet ik ook een beslissing nemen overeenkomstig Zijn wil!’

‘O,’ snikte juffrouw Rosel. ‘Dat kan niet overeenkomstig Zijn wil zijn! Het huwelijk zal ook kinderloos blijven. Zo’n invalide kan geen moeder worden. Nietwaar, reb Itzig?’

De marschallik haalde zijn schouders op. ‘Bij God is alles mogelijk. Maar dat zou een wonder zijn.’

‘Hoort u het?’ riep juffrouw Rosel. ‘Ik ben maar een onwetende vrouw, maar ik heb altijd gehoord: een huwelijk sluiten dat kinderloos moet blijven is een zonde!’

‘Een onwetende vrouw,’ zei de rabbi. ‘U zegt het zelf. Er is maar één doodzonde voor man en vrouw: ongetrouwd blijven. Blijft het huwelijk kinderloos, dat loopt het vanzelfsprekend uit op een scheiding. Overigens –‘ hij keerde zich naar de marschallik – ‘weet u nog een derde?’

‘Nee…’ antwoordde die. ‘Maar misschien over een paar dagen…’ voegde hij er medelijdend aan toe met een blik op juffrouw Rosel.

‘Hebben we daar tijd voor?’ vroeg de rabbi. ‘Geef me de oproep,’ beval hij de vrouw.

Ze reikte die aan.

Hij schudde zijn hoofd. ‘Dat kan ik niet lezen,’ zei hij en schoof het papier schichtig weg.

‘Over twee weken is de keuring,’ zei juffrouw Rosel. ‘Maar voor die tijd –‘

‘Moeten we wachten?’ zei de rabbi heftig. ‘Onmogelijk. Lea! Die moet het worden.’

Terwijl zo over zijn toekomst beslist werd, zat Sender argeloos in de werkplaats. Toen Meyerl Kaiseradler binnenrende om hem mee te nemen naar de rabbi, kromp hij ineen van schrik. Was rabbi Manasse iets te weten gekomen over zijn bezoeken aan het klooster? Dan was hij verloren!

‘Waarom?’ stamelde hij. ‘Waarvoor –‘

‘Het gaat over de dienstkeuring,’ zei Meyerl geruststellend.

‘De dienstkeuring?’ stamelde Sender met bleke lippen. ‘Maar ik heb vrijstelling.’

‘O nee,’ zei Jossele Alpenroth met een hoog stemmetje, terwijl zijn ogen schitterden van vreugde, ‘dat is een vergissing van je, Sender. Je moet opkomen!’

‘Ja, dat moet je,’ bevestigde Meyerl. ‘Ik heb jou ook een oproep voor de loting moeten bezorgen. Je moeder heeft hem net voor je aangenomen. Maar kom: ze zitten te wachten.’

Een ogenblik stond Sender verstijfd van schrik. Toen begon hij te wankelen; hij voelde plotseling een vreselijke pijn in zijn longen, alsof er een mes in gestoken werd, en tegelijkertijd stroomde het bloed naar zijn hersenen: een duizeling zoals die morgen, alleen veel erger.

Geschrokken sprong de baas op de wankelende jongen af en hielp hem op zijn kruk. Zwaar ademend bleef Sender zitten, zijn gezicht werd beurtelings bloedrood en lijkbleek en instinctief hield hij zijn hand tegen zijn borst gedrukt.

‘Soldaat,’ stamelde hij. ‘Nu. Barmhartige God… Nu!’

‘Nee hoor,’ troostte Meyerl. ‘Kom maar luisteren. Ze zijn aan het overleggen. Kom mee!’

Sender vermande zich en volgde de bode, eerst met aarzelende passen, maar vervolgens sneller dan de ander. De warmte en zwaarte in zijn longen zwol aan tot een pijnlijke hitte, hij ademde piepend in en uit, en zijn grauwe gezicht was bedekt met zweet. Zo rende hij, ver voor Meyerl, het huis van de rabbi binnen, naar zijn moeder, die, even bleek als hij en met haar gezicht vol tranen, haar armen naar hem uitstak.

‘Dat kan niet!’ zei hij moeizaam hoestend. ‘Ik ben toch je enige zoon! Waar is die oproep?’

Hij rukte het document uit haar handen.

Sender Glatteis!’ riep hij. ‘Dat ben ik niet! Of toch… bij Rosel Kurländer…’

Het blad viel uit zijn hand.

‘Barmhartige God!’ kreunde de oude vrouw en sloeg haar handen voor haar gezicht.

‘Moeder… wat is dat… wat betekent dat?’ Bevend tastte zijn hand naar de hare…

Plotseling voelde hij hoe hij bij zijn schouder gegrepen en achteruitgetrokken werd. De oude rabbi stond voor hem, in zijn volle lengte, met verstoorde blik, sprakeloos van woede.

‘Ellendeling!’ schreeuwde hij. ‘Jij kunt deze letters lezen? Mijn vloek over je… Weg…’

Sender probeerde zich los te rukken – daar voelde hij die snijdende pijn terugkomen, heet en zoutig kwam het opzetten in zijn keel en dreigde hem te verstikken; hij viel op de grond en een stroom bloed vloeide uit zijn mond.

‘Hij gaat dood!’ riep juffrouw Rosel en wierp zich op hem. ‘Jullie hebben mijn jongen gedood!’

 


 

Hoofdstuk 16

Toen Sender weer bij bewustzijn kwam en om zich heen keek, bevond hij zich in zijn eigen bed, maar in de huiskamer van het tolhuis. Het was nacht en op tafel brandde een olielampje, de ramen stonden wijd open en lieten de lauwe lentelucht binnenstromen. Op de weg klonk luid gezang uit ruwe kelen, dat geleidelijk wegstierf in de verte. Dit rumoer kon hem gewekt hebben, nadat hij lang, heel lang geslapen had; hij voelde dat zodra hij zijn ogen opsloeg. Op zijn hoofd lag iets kouds en nats – hij tastte ernaar: het was een in ijswater gedrenkte doek.

Aan het voeteneinde van zijn bed kwam een gestalte overeind, die zich over hem heen boog. ‘Reb Itzig?’ mompelde de zieke verbaasd.

‘Goddank!’ riep de marschallik vrolijk. ‘Maar probeer nog een beetje te slapen alsjeblieft, alsjeblieft! Het is bij tweeën – Het is nog veel te vroeg!’

‘Ben ik ziek geweest?’ stamelde Sender; nu herinnerde hij zich vaag dat er de laatste keer dat hij dit gezicht gezien had iets pijnlijks en zelfs verschrikkelijks gebeurd was – maar wat dan – en wanneer?

‘Was dat gisteren?’ mompelde hij.

‘Sst!’ deed de marschallik. ‘Verhalen vertellen we wel een andere keer.’ Hij streek hem liefdevol over zijn gezicht. ‘Ga nu maar slapen, zeg ik.’

Gehoorzaam sloot Sender zijn ogen – hij voelde zich zo vreselijk moe. De oude man knikte tevreden. Toen sloop hij op zijn tenen naar het raam.

Buiten bij de slagboom stond juffrouw Rosel; ze kon haar post vannacht nog geen een minuut verlaten. Want het was de nacht na de keuring; sinds middernacht stroomden de boeren van het district van Barnow weer naar hun dorpen terug, sommigen treurig, anderen vrolijk en allemaal dronken. Wie aan het gevaar ontkomen was, moest dat uitgebreid vieren, maar de recruten en hun familieleden konden natuurlijk niet ongetroost naar huis terug. Onophoudelijk schalde het gehuil, gesnik en gejoel door de nacht en nauwelijks was het lawaai van een groep weggestorven of de volgende diende zich al weer aan. Zoals nu.

Meisje, kus me nog eens goed,

Daar ik nu marcheren moet –

huilde een mekkerende stem op hoge tonen uit de ladderwagen die langzaam aan kwam hobbelen, en de anderen die in de wagen zaten vielen joelend in: marcheren moet…’

Desondanks gaf de marschallik de vrouw fluisterend de blijde boodschap door.

‘Zowaar als ik de vreugde zal beleven,’ bezwoer hij, ‘mijn Jütte onder de huwelijksbaldakijn te zien: hij heeft heel duidelijk “Reb Itzig” gezegd en begrijpelijke taal gesproken. Juffrouw Rosel, hij is gered.’

Ze sloeg haar ogen op naar de hemel.

‘Maar doe nu het raam maar dicht,’ zei ze, ‘dat gajes schreeuwt steeds harder! Was de nacht maar voorbij!’

De marschallik deed wat ze vroeg, maar dat hielp op den duur niet. Tegen drieën kwam er een groep voorbij die voor de weg naar huis flink ingenomen had, want er werd gebruld dat de ruiten rinkelden:

Ja, naar Wenen zal ik gaan,

Voor de Keizer val ik neer

En hef een smeekbede aan:

Geef mij toch mijn Iwan weer!

‘De duivel zal jullie halen, voor jullie daar zijn,’ mompelde de marschallik grimmig en boog zich onwillekeurig over de zieke, alsof hij zo het lawaai bij hem weg kon houden.

Maar Sender was al overeind gekomen.

‘Recruten –‘ mompelde hij verstoord. ‘Ik moet ook mee…’ Hij probeerde de deken van zich af te schudden.

‘Zoals je er nu bij ligt in generaalsuniform?’ lachte de marschallik en duwde de zieke terug in de kussens. ‘Je bent geen recruut, het gaat je niets aan,’ zei hij nadrukkelijk. ‘Vandaag ben ik de commandant en ik beveel je: “Ogen dicht!”’ Maar hij moest lang smeken voor Sender kalmeerde en nu kwam de zieke bij ieder gerucht overeind.

Ook weer toen juffrouw Rosel zich twee uur later eindelijk vrij kon maken en naar zijn bed kwam.

‘Moeder!’ riep hij blij, toen hij haar herkende. Maar toen betrok zijn gezicht. ‘Ben je – ben je boos op me?’

Ze had zich tot dan toe goed gehouden, maar was nu aan het eind van haar krachten. ‘Mijn arme jongen!’ snikte ze en de tranen stroomden over haar bleke, afgetobde gezicht, dat deze kwade dagen tientallen jaren ouder geworden was, ‘wees niet bezorgd. Als je maar gezond wordt, komt alles goed!’

De zieke glimlachte en toen zijn moeder haar hand op zijn voorhoofd legde, sluimerde hij zacht weer in.

‘Het komt goed,’ zei de marschallik. ‘De koorts is gezakt, over vier weken is hij beter. Die verzopen Grundmayer wist nauwelijks wat hij voorgeschreven heeft, maar God heeft hem gered!’

‘Zijn naam zij geloofd!’ voegde ze er in tranen aan toe. ‘Maar morgen zal hij zich herinneren wat er gebeurd is en vragen gaan stellen…’

‘En dan is God dood en u bent verloren!’ onderbrak de marschallik haar. ‘Doe niet zo dwaas, juffrouw Rosel, het komt allemaal in orde. Maar ga nu liggen en probeer nog een paar uur te slapen. Doe nu wat ik zeg!’ vervolgde hij, toen ze tegenstribbelde. ‘Wilt u ook ziek worden?’

‘Reb Itzig,’ zei ze ontroerd, ‘wat bent u voor een man!’

‘Een verstandige,’ antwoordde hij. ‘De enige verstandige in heel Barnow. Daar zit een arme, eenzame weduwe met haar doodzieke zoon – waar was meer godsloon te halen dan hier in de afgelopen twee weken? En alles lieten die domme mensen aan mij over… Heus, juffrouw Rosel,’ voegde hij eraan toe, ‘ik moet ú bedanken.’

Toen ze naar haar kamer gegaan was, ging de marschallik aan het voeteneind van het bed zitten en stond alleen op wanneer er een wagen stilhield voor de slagboom. Hij dacht na – het waren geen vrolijke gedachten die de medelijdende man vervulden. Hij was geen fanaticus, de vrolijke, verstandige sfeermaker van Barnow en hij vond het niet erg dat Sender in het geheim de christelijke tekens geleerd had, maar hij had toch een onbehaaglijk gevoel. ‘Dus daarom,’ dacht hij, ‘heb je mij en die dikke Mortche in Mielnica zo lelijk te pakken genomen. Natuurlijk: een Duitser trouwt laat of helemaal niet. En een Duitser wil je worden. Wie had dat achter de vrolijke Paljas gezocht? Mijn arme jongen, ik ben bang dat het daarvoor al te laat is, en hoe wil je dat dan doen? Van wie je die boeken gekregen hebt die we boven in je la gevonden hebben, mag de duivel weten; ze zijn nu verbrand, maar het kwalijke voor jou is gebleven. De rabbi is woedend, de gemeente is tegen je – wat moeten we nu met je? En wat zeggen we, nu je je echte naam weet?’

Bezorgd pakte hij Senders gebedsriemen, die – zoals de vrome gewoonte bij ernstig zieken voorschreef – met het gebedenboekje in een netje aan het hoofdeinde van het bed hingen, wond ze om zijn hoofd en rechterarm en sprak zijn ochtendgebed uit. Toen hij bij de regel kwam: Help ons, Vader, en we zullen geholpen zijn. Want van u alleen komt het heil, leefde zijn gezicht op en nadat hij het gebed afgesloten had, herhaalde hij die woorden nog een keer.

‘O, dwaas die ik ben,’ mompelde hij. ‘God is toch ook zijn Vader? Nee, je zult niet te gronde gaan, arme kerel. Hij zal wel zorgen dat ik een oplossing voor je vind, ook als ik me zelf geen raad meer weet.’

Zijn optimistische stemming hield aan, toen juffrouw Rosel weer verscheen om hem af te lossen. ‘Bedenk eens hoe het twee weken geleden was,’ zei hij. ‘Toen leek uw en zijn wereld ineen te storten. En over weer twee weken is misschien alles goed.’

Dat verwachtte ze niet, maar de vergelijking was ook voor haar een troost. Wat waren de mensen op dat pijnlijke moment ongevoelig geweest tegenover haar en haar zoon! – Met moeite had de marschallik er een paar zover kunnen krijgen om de bewusteloze “zondaar” naar het tolhuis te dragen. Overigens wist niemand precies wat Sender misdaan had en het was voor hen genoeg dat de rabbi hem vervloekte. Wat haar in haar kwellende bezorgdheid over de zieke tot wanhoop dreef, was dat alleen “dokter” Grundmayer aanwezig was om het helpen, want de gemeentearts was naar Lemberg. De marschallik had gelijk: als Sender beter werd, had alleen God hem gered! Dan was Hij misschien helemaal niet zo boos als zijn dienaar, de rabbi. Ze was haar hele leven strenggelovig geweest en had nooit enige twijfel gekend, zelfs niet aan een uitspraak van de rabbi, laat staan aan de noodzaak van een van de ontelbare geboden en verboden van haar sekte. Ook nu twijfelde ze er niet aan dat Sender een zware zonde begaan had en het was niet alleen uit voorzichtigheid, maar ook om geen goddeloze dingen in haar huis toe te laten, dat ze de boeken en schriften verbrand had. Maar vervloeking door een rabbi is een vreselijke straf, die de gestrafte ellendig en eenzaam maakt – was die straf in dit geval niet te zwaar? En toen het geweld van die straf Sender bloedend aan de voeten van zijn rechter had geworpen, had hij toen geen medelijden moeten tonen en de mensen die toegesneld kwamen moeten aansporen om de jonge man te redden? Hij had alleen maar gezegd: “Breng hem weg! Het bloed van de zondaar bezoedelt dit huis!” Was dat ook in naam van God gezegd en volgens Zijn wil?

Ze richtte zich op.

‘Nee, rabbi, dat was te zwaar!’ mompelde ze, alsof ze tegenover hem stond. ‘En jullie, wat willen jullie van hem? Hij heeft gezondigd, ja, maar wie weet waarom en verleid door wie? Die boeken zijn niet uit de wolken in zijn la gevallen. En voor zijn zonden heeft hij geboet, en als God hem vergeeft door te zorgen dat hij geneest, dan moeten jullie hem niet vervolgen. Hij is mijn kind – ik sta achter mijn kind!’

Rond het middaguur kwam Grundmayer, de chirurgijn, naar zijn patiënt kijken. Dat was een bewijs van zijn grote plichtsgevoel, want hij kon nauwelijks op de been blijven. Zijn gewone roes had hij overigens altijd al de volgende morgen uitgeslapen, maar op de avond na de keuring had hij zich wel heel erg bezat, alleen al om te vieren dat de verminkingen van zijn cliënten deze keer allemaal effect hadden gehad. Hijgend en struikelend kwam hij op het tolhuis afgestevend.

Juffrouw Rosel zag hem toevallig al van verre en kwam hem voor de deur tegemoet: Sender was weer bij bewustzijn, hij sliep nu diep en vast en het was beter om hem niet wakker te maken.

‘Hoho!’ brulde de dronkelap, ‘hoe weet u wat het beste is? Maar mij best –‘ hij plofte neer op de bank voor het huis – ‘laat hem maar slapen! Als hij uit bed komt, betaalt u mij honderd gulden, want dat was een wonderkuur. Bloedspuwing – zenuwkoorts – wat weet ik – alles tegelijk.’ Hij barstte in lachen uit. ‘Maar hij komt zijn bed niet uit. Onzin. En daarom moet u mij voor ieder bezoek toch een gulden betalen! Ook voor dit bezoek. Anders –‘

Hij stond op en nam een dreigende houding tegenover haar aan. Gelukkig passeerde er op dat moment een wagen; de dikke Simche Turteltaub, Senders vroegere baas, zat op de bok. Ook hij had nog geen enkele keer naar de toestand van de zieke geïnformeerd. Maar toen hij dit tafereel zag, stopte hij en sprong van de bok.

‘Instappen!’ beval hij de dronkelap. ‘Ik breng u naar huis.’ Daarop keerde hij zich naar juffrouw Rosel. ‘Dat kan niet, dat mijn Sender aan zo iemand overgelaten wordt. Ik heb net de regimentsarts, die gisteren de keuring in Barnow leidde, naar een paar zieken in Biala gebracht; vanmiddag moet ik hem ophalen en op de terugweg stop ik bij u.’

Ze wist van ontroering niet hoe ze hem bedanken moest. ‘U hebt gelijk,’ zei ze tegen de marschallik, toen hij die middag weer verscheen, ‘God laat ons niet in de steek.’

Sender was maar een paar minuten wakker geweest en had de soep die ze hem voorzette gretig gegeten. Nu sliep hij weer.

Zo trof de regimentsarts hem aan. Hij hoorde de ziektegeschiedenis aan en onderzocht vervolgens de patiënt. Toen Sender het militaire uniform zag, kromp hij ineen van schrik. Maar de arts stelde hem gerust: ‘Nee, beste jongen, jij wordt van je levensdagen geen soldaat.’

Dat zei hij ook tegen de moeder. ‘Hij is nu niet meer in levensgevaar, en als hij zichzelf ontziet, goed eet en iedere opwinding en vooral ook kouvatten vermijdt, kan hij nog heel oud worden. Maar gezond genoeg om door de keuring te komen wordt hij nooit meer.’

Ze vroeg of de opwinding van die scène tot de bloedspuwing geleid kon hebben.

De arts haalde zijn schouders op.

‘Misschien,’ zei hij. ‘Dan was die waarschijnlijk niet zo hevig geweest. Maar hij heeft wel bloed opgegeven… De rabbi kan er niets aan doen dat uw zoon ziek geworden is, maar het hangt wel van hem af en van iedereen die de zieke blij of bedroefd kan maken, hoe snel en grondig hij herstelt. Soep alleen is niet genoeg.’

De marschallik, die naast Simche eerbiedig bij de deur stond te luisteren, gaf Simche een flinke por in zijn ribben. ‘Hoor je dat?’ fluisterde hij. ‘Jij bent mijn getuige.’

Toen de arts vertrokken was, zei de marschallik tegen juffrouw Rosel: ‘De hoofdzaak is dus: geen verwijten en geen vragen! En als hij iets vraagt, een geruststellend antwoord. Weet u niets, vertel het me dan, dan weet ik wel iets.’

‘Altijd?’ vroeg ze weifelend.

‘Ja,’ antwoordde hij. ‘Ik ben niet dom, en Gods wijsheid is groot.’

Maar zover kwam het de volgende dagen niet. Sender sliep veel en lag de rest van de tijd stil. Telkens als zijn moeder bij zijn bed kwam en zijn bleke wangen streelde, gleed er een glimlach over zijn gezicht, hij sloot zijn ogen en die glimlach bleef dan nog op zijn gezicht als hij sliep. Hij had het gevoel of hij weer een kind was en of hem niets kon overkomen zolang zijn moeder voor hem zorgde en tevreden over hem was. En toen hij ten slotte vroeg of hij buiten levensgevaar was en of hij in dienst moest, hoefde ze niet eerst met de marschallik te overleggen om hem gerust te stellen.

Intussen deed Itzig Türkischgelb zijn best om voor alle problemen die als klippen opdoemden en het verdere leven van zijn arme beschermeling bedreigden, een prettige oplossing te vinden.

Eerst zorgde hij dat de dikke Simche zijn bondgenoot werd. ‘Je moet me helpen de koe bij de horens te vatten,’ zei hij. ‘De koe is onze gemeente. Met de staart, de kleine schreeuwers, bemoeien we ons niet. Kom mee naar de rabbi!’

Toen ze voor de geleerde stonden, begon de marschallik met de vraag of de rabbi Sender in de cherem (ban) gedaan had. Niemand wist dat precies.

‘Nee,’ antwoordde rabbi Manasse. ‘Ik heb mijn vervloeking over hem uitgesproken, maar geen ban, want dat moet schriftelijk gebeuren. Ik wacht nog af. Want er staat geschreven: De mens oordele niet, waar God oordeelt. Hij schijnt immers op sterven te liggen…’

Dat was gelukkig niet waar, antwoordde de marschallik en vertelde uitvoering over Senders toestand en het oordeel van de arts; ook waren de boeken al verbrand. ‘En daarom moet u barmhartigheid tonen,’ besloot hij smekend.

De rabbi keek vijandig en schudde zijn hoofd. ‘Heeft hij míj dan beledigd, dat ik hem vergeven kan? Het was een vergrijp tegen God, en dat moet ik bestraffen. Met de vreemde tekens sluipt afvalligheid in Israëls gelederen. U ziet zijn genezing als een genade van God? Nee, hij laat de zondaar in leven, opdat die op aarde boet voor wat hij op aarde misdaan heeft!’

‘Maar de ban is een vreselijke straf!’ klaagde de marschallik. ‘De ongelukkige zou dan zijn broodwinning, zijn innerlijke vrede en zijn woonplaats kwijtraken. En waaraan is hij schuldig? Aan iets wat alle joden in Duitsland en in onze grote steden doen.’

‘Dat is al erg genoeg,’ was het antwoord. ‘Ik heb helaas alleen maar macht over mijn gemeente. Ik bescherm ze tegen het gif. Luiser en Dovidl – dat zei ik u al – zijn apothekers. Maar Sender is de eerste kwaadwillige en moet de laatste blijven. Dat willen onze Wijzen!’

‘Onze Wijzen!’ riep de marschallik. ‘Onder de tienduizend meningen van tienduizend rabbijnen die de Talmoed vermeldt, is er misschien ook een die u gelijk geeft, en u negeert de honderd die u ongelijk geven! De Talmoed is net een bos: roept u “wraak” of “genade”, dan krijgt u de echo van wat u geroepen hebt!’

‘Dat is uw mening. Ik volg onze Wijzen. Overigens was het bij hem voorbeschikt. De appel valt niet ver van de boom. Zijn vader heeft zijn eigen vader vervloekt!’

De marschallik wilde een pittig antwoord geven. Maar plotseling zweeg hij. De boze opwinding verdween van zijn gezicht en maakte plaats voor diepe droefenis.

‘Kom, reb Simche,’ zei hij met een diepe zucht. ‘Wij hebben onze plicht gedaan – tegenover Sender, maar ook tegenover de trots van onze gemeente… De vroomste rabbi van het land in handen van de politie. Maar is dat dan onze schuld, reb Simche?’

‘Nee,’ zei de voerman ontzet. Hij begreep niet wat de marschallik bedoelde, maar wilde in ieder geval niet schuldig zijn.

De rabbi spitste zijn oren. ‘Wat bedoelt u daarmee?’ vroeg hij.

‘Ja, als ik het zeggen mag,’ zuchtte de marschallik. ‘Maar kan ik het zeggen? En reb Simche, kunt u het zeggen? Kunt u het?’

‘Nee,’ verzekerde die, en hij loog waarachtig niet.

‘Dat neem ik u niet kwalijk, reb Simche. U bent hoofd van een gezin. En ik ook… Het ga u goed, reb Manasse. Maar als de ban afgeroepen is, en de politie komt u halen – denkt u dan aan mij…’

‘De politie?’ vroeg de rabbi angstig. Hij wist heel goed dat de keizerlijke rechtbank de rabbijnen streng verboden had om iemand in de ban te doen, en er stond een zware straf op. Maar het kwam alleen tot een gerechtelijk onderzoek als een invloedrijk man aangifte deed, anders bekommerden de districtsbesturen zich er niet om. ‘Heeft die Sender zulke machtige vrienden?’

‘Ja,’ zei de marschallik. ‘Die heren mogen dan met me doen wat ze willen, maar ik waarschuw mijn rabbi! Ik wil het alleen over twee van die vrienden hebben. De een is zo machtig, dat hij kortgeleden – ik was er toevallig bij – een heer in uniform naar Sender heeft gestuurd, en die beloofde meteen: “Sender hoeft nooit soldaat te worden.” Waar of niet, reb Simche?’

‘Ja,’ antwoordde deze plechtig, al kon hij zijn lachen maar met moeite onderdrukken.

De rabbi ging onrustig verzitten. ‘Kunt u bevestigen,’ vroeg hij de voerman, ‘dat u die machtige vriend van Sender kent?’

‘Dat kan ik zweren bij mijn vrouw en mijn kind,’ verzekerde de dikke man. ‘Ik ken hem als mezelf.’

‘Wie mag dat dan zijn?’ mompelde de geleerde angstig. Maar toen klaarde zijn gezicht op.

‘Waarom was juffrouw Rosel dan zo bang voor de keuring?’ vroeg hij. ‘Waarom is die man in uniform niet eerder gekomen?’

Türkischgelb lachte uit de hoogte. ‘U vergeet dat Sender dacht dat hij vrijgesteld was. En de man in uniform was toen nog niet in Barnow.’ Hij bekrachtigde ook dit met een dure eed, en de voerman deed hetzelfde.

De rabbi slaakte een zucht. ‘Maar wie was het?’ vroeg hij. ‘Zegt u het dan.’

‘Mag ik u niet zeggen,’ antwoordde Türkischgelb. ‘En ik mag u ook niet zeggen wie zijn tweede, nog veel machtigere beschermer is. Dat kan ik niet. Maar is het u niet opgevallen dat die jongen ineens lezen en schrijven kan? Waar heeft hij die boeken vandaan? Wat hebben juffrouw Rosel en ik er een hoop verbrand! Wat een hoop! Allemaal van die rijke heer… Denkt u, rabbi, dat zulke heren zullen zwijgen? Een lichte straf voor hun beschermeling zouden ze accepteren, maar de ban? U komt in het tuchthuis, rabbi, ik zie de politie u al komen halen! Maar daar is niets aan te doen, u moet naar uw geweten handelen… Kom, reb Simche…’

‘Wacht!’ zei rabbi Manasse, terwijl hij het zweet van zijn voorhoofd wiste. ‘Sender heeft berouw, zegt u, en de boeken zijn verbrand?’

‘Ja, maar dat helpt immers niet. Kom, reb Simche!’ En hij trok de voerman mee de deur uit.

Toen ze op straat stonden, barstte de dikke man in een bulderend gelach uit.

‘Reb Itzig,’ riep hij vol bewondering, ‘wat een kerel bent u toch! Maar waarom bent u niet gebleven? Dan hadden voor Sender de een of andere boetedoening afgesproken en dan was de zaak in orde!’

‘Omdat de boetedoening morgen, als hij me laat komen, kleiner zal zijn. Want tussen vandaag en morgen ligt een nacht, waarin hij niet kan slapen.’

Inderdaad verscheen de volgende morgen Meyerl Kaiseradler bij de marschallik om hem dadelijk bij de rabbi te ontbieden. Türkischgelb liet het zich geen twee keer vragen. ‘Misschien vraagt hij anders een ander,’ dacht hij.

Maar dat gevaar bestond niet.

‘Het gesprek van gisteren blijft onder ons,’ begon de rabbi. ‘Anders denken de mensen nog dat ik bang ben voor de politie, terwijl ik alleen maar onze Wijzen volg. Volgens onze Wijzen laat zo’n zware straf zich toch niet voltrekken – daar heb ik me van overtuigd. Het volstaat als Sender de volgende voorwaarden vervult. Ten eerste moet hij bij mij komen om me vergiffenis te vragen voor het kwetsen van mijn vrome hart…’

De marschallik knikte. ‘Dat zijn woorden,’ dacht hij, ‘en op woorden komt het mijn Sender niet aan.’

‘Ten tweede moet hij met een eed op de Tora zweren nooit meer een Duits boek aan te raken…’

‘Hm!’ Türkischgelb schraapte zijn keel. Hijzelf had gemengde gevoelens: hij vervloekte Sender niet, maar had alleen medelijden met hem: de wetenschap leverde hem veel haat op en geen enkel nut, maar om nu alles meteen af te zweren als een zonde! En Sender moest toch een doel gehad hebben en al was dat misschien dwaas, zou hij nu bereid zijn om dat op te geven?

‘Hm?’ vroeg de rabbi.

‘Hm!’ herhaalde de marschallik. Maar hij zag wel in dat de rabbi hier echt niet toe kon geven zonder zijn aanzien te schaden.

‘En verder?’ vroeg hij.

‘Ten derde moet Sender twee jaar lang iedere maandag en donderdag vasten en ten vierde iedere sabbat op de plaats van de zondaar naast de deur van de sjoel staan.’

‘Dat wordt niets!’ verklaarde Türkischgelb beslist. En in levendige bewoordingen maakte hij de rabbi duidelijk, dat een ziekelijk persoon echt niet ’s winters voor de deur kon staan en tweemaal per week kon vasten.

‘Maar hij moet langdurig boete doen!’ bracht rabbi Manasse ertegen in.

‘Laat hem dan twee jaar lang iedere dag vijf psalmen zeggen.’

‘Dat is een te lichte straf,’ vond de geleerde, maar ging uiteindelijk akkoord. ‘Maar bovendien,’ zei hij, ‘moet hij mij beloven binnenkort te trouwen. Dan wordt hij eerbaar en verstandig. Waarom zou hij bijvoorbeeld Lea uit Kolomea niet nemen?’

‘Rabbi!’ riep de marschallik lachend. ‘Dat zou de vierde en de zwaarste boetedoening zijn. En dat hoort toch geen straf te zijn? Er staat immers geschreven: De huwelijkse staat is een gelukkige staat. Maar dat hij u dat beloven moet, daar ben ik het mee eens.’

Hij meende dit serieus. Want hij wilde niet dat Sender een Duitser werd en ongetrouwd bleef; hij wilde dat, afgezien van het vooroordeel, waar ook hij mee behept was, vooral niet omdat het hem voor de “arme jongen” geen geluk leek nu nieuwe, vreemde wegen in te slaan – voor iemand van twintig jaar met een zwakke gezondheid was dat te laat.

Toen de marschallik zijn bondgenoot Simche het resultaat van deze onderhandelingen meedeelde, liet die luidkeels zijn bewondering blijken: ‘Reb Itzig, bij u vergeleken is Gortschakow een ezel en Schwarzenberg een os. Als u tippelmaat (diplomaat) geworden was, zou er geen oorlog op de wereld zijn. Meer had niemand voor Sender kunnen bereiken, ook zijn eigen engel niet.’

Minder beeldend drukte juffrouw Rosel haar instemming uit. ‘God zal het u lonen,’ zei ze. ‘Hij zal uw Jütte ervoor belonen’ – maar ook dit weinige raadde hij meer dan dat hij het hoorde, doordat tranen van blijdschap de stem van de arme vrouw verstikten.

‘Maar vertel het hem pas als hij uit bed is,’ waarschuwde hij. Iedere eed maakte hem bezorgd en al liet hij zich anders graag op iets voorstaan, deze keer kon hij toch niet goed met de lof van de anderen instemmen. Want omdat Sender in de gemeente geliefd was, waren alleen de vroomsten geërgerd dat hij er zo genadig afgekomen was, al was het voor de meesten ook een regelrecht wonder dat de anders zo strenge rabbi niet eens op een openlijke boetedoening aandrong – over de twee machtige personen die dit voor elkaar gekregen hadden hoorde niemand ook maar iets.

Alleen kon één man in de gemeente, die anders de stilste en zachtmoedigste was, met die mildheid geen genoegen nemen. ‘Hoon verdient u, geen lof,’ riep Jossele Alpenroth tegen de marschallik, toen ze elkaar op sabbat na de beschikking voor de sjoel troffen. ‘U hebt de rabbi misleid.’

Itzig was er anders de man niet naar om iemand met gelijke munt te betalen, maar deze keer deed hij het toch. Tot dan toe had de horlogemaker in zijn toekomstplannen voor Sender een grote rol gespeeld: natuurlijk moest de jonge man na zijn genezing weer de werkplaats in.

‘Reb Jossele,’ zei hij onthutst, ‘u bent anders toch zo mild en wijs. U gaat de arme jongen toch niet verstoten?’

De kleine horlogemaker werd rood als een kreeft.

‘Wat?’ riep hij met zijn armen in de lucht. ‘Denkt u dat ik hem terug wil hebben? Die paljas, die lanterfanter, die godslasteraar? Als ik mijn belofte brak, zou ik heel wat over hem kunnen vertellen! En hoeveel radertjes heeft hij me niet gebroken!’

De omstanders moesten hard lachen.

‘Lach niet!’ riep hij buiten zichzelf van woede. ‘Als God nog tot de mensen zou spreken, zou hij jullie toeroepen: “Stuur hem als baäl tesjoeva (zwervende boeteling) weg uit die vrome gemeenten. Anders –‘

‘Breekt hij nog een radertje,’ vulde de marschallik aan. ‘U vergist zich: zo zou u praten, als u God was. Maar God is geen kleine, domme, achterbakse horlogemaker!’

Het gelach zwol nog aan. Jossele Alpenroth vluchtte met smaad overladen naar het voorportaal van de sjoel, maar ook zijn overwinnaar was het zwaar te moede. ‘Wat nu?’ dacht hij. ‘Hij kan nu toch niet aan een nieuw vak beginnen. Simche zou hem zo weer nemen, maar dat is toch geen vak voor iemand met een zwakke gezondheid?’

Deze kwestie kon echter alleen met Sender zelf besproken worden. Maar een andere zaak moest de marschallik direct regelen. De naam Glatteis in de oproep moest een vergissing lijken. Ook de voorzichtigste onthulling van zijn afkomst zou de herstellende jonge man vreselijk opwinden, en juffrouw Rosel deinsde er ook nog om een andere reden voor terug: Voor hetzelfde geld trekt hij de wijde wereld in, net als zijn vader! Dan ziet hij dat als zijn bestemming en het zit hem jammer genoeg in het bloed. Denk je dat hij op die christelijke boeken gekomen was als hij niet de zoon van Mendele de sjnorrer was? Ik rust niet voor hij een vrouw heeft en ook voor de Keizer mijn kind is.’ Ze wilde hem adopteren volgens de aanwijzingen van Luiser en deze, die naast zijn betrekking ook juridische adviezen gaf, de zaak verder laten regelen. Maar eerst moest de gemeentesecretaris de “vergissing” schriftelijk bevestigen.

De marschallik nam het op zich om Luiser daartoe over te halen. ‘Schrijft u de oproep voor de loting nog een keer,’ stelde hij voor, ‘op naam van Kurländer, en zet erbij dat Glatteis toentertijd een schrijffout van u was.’

Luiser wilde van dit bescheiden grapje echter niets weten. ‘Het grotere werk doe ik,’ zei hij. ‘Waarom niet? Een eerlijke zaak, kost honderd gulden. Maar valsheid in geschrifte plegen? Voor geen prijs! Mijn eer is in het geding. Van mijn levensdagen niet. Voor geen tien gulden!’

‘Maar voor twee?’ antwoordde Türkischgelb kalm. ‘Tien gulden kan die arme vrouw, die nu de dokter en de apotheker moet betalen, niet opbrengen.’

‘Mijn eer voor twee gulden?’ riep Luiser verontrust.

‘Tweeëneenhalve dan,’ zei de marschallik sussend, ‘maar geen heller meer. Anders lieg ik Sender zonder bewijs wel iets voor.’ Hij greep de klink van de deur.

Zuchtend pakte de schrijver een formulier en noteerde het gevraagde, maar voegde er met koeien van Latijnse letters in zijn onbeholpen handschrift ook aan toe: Vrieger door vergipsing met andere rupriek Glatteis geheetten. – ‘Maar nu krijg ik ook het grotere werk!’

De marschallik telde het geld op tafel neer en stak de verklaring bij zich.

‘Waarschijnlijk wel,’ antwoordde hij. ‘Maar eerst vraag ik Dovidl of die het voor minder doet.’

‘Die?’ riep Luiser honend. ‘Dovidl Morgenstern wilt u zo’n belangrijke zaak toevertrouwen? Bent u wel bij uw verstand? Natuurlijk doet hij dat, de stumper, die zenuwpees doet alles, maar kan hij het wel? Hij begrijpt net zoveel van de wet als ik van –‘ hij zocht vergeefs naar iets waarvan hij, Luiser Wonnenblum, geen verstand had, en verbeterde zichzelf dan ook – ‘als de rabbi van een wals! En Duits schrijft hij, hahaha’ – hij lachte krampachtig – ‘in ieder woord zit een fout, eerlijk waar! De heren van de districtsrechtbank zitten te schudden van het lachen, als iemand met een verzoekschrift van hem aankomt. “Dat is onzin,” zeggen ze, “en geen Duits, we moeten maar raden wat hij wil,” zeggen ze, “waarom vraagt u zo’n ezel, dat is toch alleen maar nadelig voor u?” En die vent – weet u wat hij nu wil worden? Alles wat Koscielski tot nu toe geweest is. U lacht, reb Itzig? Terecht!’

‘Hoe komt u erbij?’ zei de marschallik. ‘Wat is er te lachen?’ Wladimir Koscielski was de lottocollecteur en verzekeringsagent voor Barnow, maar moest nu van dat ambt afzien, omdat hij aanvallen van delirium had. ‘Dovidl zal het beter doen dan die dronkelap.’

‘Slechter,’ riep Luiser grimmig. ‘Ik zeg tegen hem: “Laten we eerlijk delen: ik de collecte, jij de verzekeringen.” Maar hij wil alles! De stumper! En die moet een adoptie regelen? Hahaha, die maakt Froim levend in plaats van hem dood te verklaren. En waarom? Omdat hij tien gulden goedkoper is en geen negentig gulden vraagt, zoals ik, maar tachtig.’

De marschallik knikte hem vriendelijk toe. ‘Ga door, reb Luiser. U praat goed en ik luister graag. Maar honderd – negentig – in een halfuur bent u pas tien gulden gezakt – zou het van nu af aan niet sneller kunnen?’

‘Met mij valt niet te onderhandelen,’ antwoordde de gemeenteschrijver. ‘Ik blijf bij wat ik gezegd heb. Dovidl wil het voor tachtig doen, zegt u? Goed, uit vriendschap voor u doe ik het voor hetzelfde geld. Dan kan de keus niet moeilijk zijn, want die Dovidl – weet u hoever het al met hem gekomen is? Ik zou daar blij om moeten zijn, maar omdat hij een vrouw en een kind heeft, heb ik eigenlijk medelijden met hem. Omdat het districtskantoor namelijk geen verzoekschriften meer van hem aanneemt, zoekt hij nu een schrijver die beter Duits kent dan hij. Zielig, vind ik dat. Maar is het een wonder? Hij gedraagt zich als een gek – alles aan hem kronkelt – moet je dan vertrouwen in hem hebben? En zo iemand geeft u de voorkeur boven mij, bij gelijke kosten: zeventig gulden.’

‘Nee,’ antwoordde de marschallik. ‘Als het bij u beiden vijftig kost, krijgt u het, de groeten.’

 

Gortschakow: Russisch veldmaarschalk (1792-1861).
Schwarzenberg: minister-president (1848-1852) van Oostenrijk.

 

Hoofdstuk 17

De marschallik bracht juffrouw Rosel het document en zocht de concurrent van Luiser op. Onderweg bleef hij plotseling staan. ‘Wat een idee!’ mompelde hij verrukt. ‘God in de hemel, wat een idee!’ Bijna had hij van plezier over zijn gelukkige inval een gat in de lucht gesprongen. Vervolgens haastte hij zich naar het huis van Dovidl Morgenstern. Maar in de gang voor de deur met het opschrift in Duitse en Hebreeuwse letters: Prifee Agentschap. Goede raat in alle dingen wachtte hij eerst tot hij weer op adem was, voor hij naar binnen ging. Rustig optreden, daar ging het om.

Dovidl, een lange, magere man met een dunne, rossige baard, onrustige ogen en nerveuze gebaren, zat aan een lessenaar ijverig te schrijven, met zijn hoofd zover voorovergebogen, dat zijn haakneus het papier raakte. Bij de binnenkomst van Türkischgelb schoot hij overeind, maar dwong zichzelf vervolgens om door te schrijven. ‘Goedendag – gaat u zitten,’ zei hij zo rustig mogelijk en ging door met zijn werk.

De marschallik bleef een tijdje naar hem staan kijken. ‘Reb Dovidl,’ begon hij.

‘Neemt u me niet kwalijk – zo direct! Ik ben bezig – nog vijf minuten –‘

‘Nog geen halve minuut,’ zei de marschallik vriendelijk, maar beslist. ‘Daarom krijgt u de grote klus die ik u kom brengen, maar alleen als u het voor minder doet dan Luiser.’

‘Maar reb Itzig!’ riep de juridisch adviseur, terwijl hij overeind kwam en verwijtend zijn armen omhoogstak, ‘denkt u dat ik u voor de gek houd? Dat heb ik toch niet nodig? Ik heb het druk genoeg. Wanneer heb ik voor het laatste een hele nacht geslapen? Dat weet ik echt niet meer. En u dreigt met Luiser? Met die stumper? Weet u wat de heren van de districtsrechtbank zeggen, als ze een verzoekschrift van hem krijgen?’

‘Ja,’ antwoordde de marschallik. ‘Ze zeggen: “Wat een onzin, die kent geen Duits,” zeggen ze, “in ieder woord zit een fout.” En ze schudden van het lachen.’

‘Zo is het!’ riep Dovidl opgewekt. ‘Hebt u het ook gehoord?’

‘Ja, van Luiser, die heeft me dat net over u verteld!’

‘Over mij?’ Dovidl maakte een scheur in zijn kaftan. ‘Om uit je vel te springen!’

‘Straks. Luister eerst waar ik mee kom.’ Hij zette in het kort de zaak uiteen. ‘Als u dertig gulden zegt, dan zijn we het eens.

‘Onmogelijk!’ riep de juridisch adviseur. ‘Onmogelijk,’ herhaalde hij klaaglijk, terwijl hij handenwringend door de kamer ijsbeerde. ‘Dat kost me al meer aan inkt en papier. Als u eens wist hoeveel schrijfwerk dat met zich meebrengt. Eerst moet ik immers bij alle gemeenten in de hele wereld informeren of ze iets van Froim Kurländer weten, want misschien leeft hij nog. En als niemand iets van hem weet, eerst de scheiding, dan de overlijdensverklaring en dan de adoptie. Iemand doodslaan is makkelijk en een kind krijgen nog makkelijker, maar langs de wettelijke weg is dat heel moeilijk. En dat moet Luiser regelen? Natuurlijk neemt hij dat op zich. Hij wil nu zelfs de collecte en de verzekeringen op zich nemen, al heb ik hem nog zo gezegd: “Iedere –‘

‘De helft! U de collecte en hij de verzekeringen. Vreemd! De helften zijn gelijk en toch wil iedereen de collecte!’

‘Maar kan hij de collecte wel aan? Die schaamteloze figuur! Ik durf te wedden dat hij u voor deze zaak eerst tachtig gulden gevraagd heeft.’

‘Nee,’ antwoordde de marschallik stellig. En inderdaad waren het er honderd geweest.

‘Zeventig dus of zestig. En ik wil het voor veertig doen. Waarom? Omdat mijn stelregel is: “Leven en laten leven.” Luiser haalt de mensen het vel over de oren, en toch verdien ik meer. Hij roddelt over mij, zegt u? Dat is niet aardig van hem, waarom roddel ik dan niet over hem? Omdat ik medelijden met hem heb, want zijn zaak staat leeg, en ik zoek een schrijver – met een lantarentje zoek ik – en ik kan er geen vinden.’

‘Daarom krijgt u ook maar dertig gulden. Dat van die schrijver geloof ik niet: zoekt en gij zult vinden.’

‘Belachelijk! Ik schrijf de verzoekschriften eerst in Hebreeuwse letters, dat gaat sneller, en voor het overschrijven heb ik dus een jood nodig. Zijn er hier dan zoveel joden die Duits kennen? Ik goed en Luiser slecht. Iemand van buiten laten komen? Dat mag niet van rabbi Manasse. Zoekt en gij zult vinden? Geef me een schrijver en ik zal u vorstelijk belonen: twee gulden krijgt u, of één, of wat u maar wilt.’

‘Ik houd u aan uw woord. Drie gulden vraag ik. Daarvoor krijgt u een schrijver zoals u nog nooit gehad hebt. Hij kent beter Duits dan u en Luiser bij elkaar, hij schrijft of het gedrukt is, heeft een helder verstand en hij is toegewijd. En de rabbi zal er niets tegen hebben.’

‘Goed, drie gulden. Wie is het?’

‘De paljas van Rosel.’

‘Die?’ riep de juridisch adviseur. Dat was inderdaad een slimme jongen, en lezen kon hij ook. Maar voor Sender hoefde hij de marschallik toch geen provisie te betalen? Daar kon hij zelf wel voor zorgen.

‘Dat is niets voor mij,’ zei hij. ‘Een stervende! En goddeloos is hij ook. En ik weet niet of hij schrijven kan.’

De marschallik glimlachte. ‘Het was goed bedoeld voor u en voor juffrouw Rosele. Sender wil zelf liever weg – hij heeft ook al iets… Laat maar. Geen zaken dus, reb Dovidl, geen grote en geen kleine. Het beste!’

‘Die grote zaak is in orde,’ riep Dovidl en sprong op hem af. ‘Dertig gulden. Afgesproken.’

Hij stak zijn hand uit en Türkischgelb drukte die.

Toen hij de deur achter zich gesloten had, bleef de marschallik staan om zijn hoed even af te nemen. ‘Reb Itzig,’ zei hij vol respect, ‘dat heb je goed gedaan. Als Sender hier wil blijven, kan dat nu en hij hoeft als “apotheker” geen eed af te leggen. Over een week laat Dovidl zijn moeder komen en biedt het haar aan. En iedereen kan tevreden zijn, ook Dovidl, want die is blij dat hij mij met die drie gulden bedrogen heeft.’

Hij vergiste zich alleen in zoverre, dat Morgenstern juffrouw Rosel al twee dagen later bij zich riep. Zijn kansen op de collecte waren toegenomen, en nu wilde hij in ieder geval verzekerd zijn van de schrijver. Maar juffrouw Rosel kon niet komen: het was de eerste dag dat Sender uit bed was en ze wilde hem niet alleen laten.

De herstellende zieke zat bewegingloos in de leunstoel bij het raam, liet zijn blik gaan over de weg en het stukje graanveld dat hij overzien kon en haalde diep adem – de zonneschijn en de warme lentelucht deden hem goed – en dat hij leefde, leefde! De benauwde verdoving in zijn hersenen was nog niet helemaal geweken; als een spinnenweb lag die over zijn gedachten, en als hij wilde overdenken wat er allemaal gebeurd was en zich voorstellen wat er nu gebeuren zou, voelde hij een lichte pijn aan zijn slapen. Maar waarom denken? Liever ademen en herademen – diep en steeds dieper – en zijn ledematen in de zonneschijn uitstrekken – zijn hand uitsteken naar een blaadje van de linde voor het raam, het blaadje plukken en laten vallen, zijn hand tot een vuist ballen en blij zijn dat hij dit allemaal kon. Zijn hand beefde en al waren de druk en de steken in zijn longen verdwenen, hij moest toch af en toe nog hoesten, maar dat was niet erg. ‘U wordt weer beter,’ had de regimentsarts hem gisteren bij zijn vertrek gezegd, omdat hij nu verder moest, ‘en u hebt geen andere medicijnen nodig dan eten en stilzitten. En nog iets: geen treurige gedachten!’ De herstellende zieke knikte voor zich uit, telkens en telkens weer, en ademde en glimlachte: treurige gedachten? Er was maar één ongeluk in de wereld: moeten sterven – en hij leefde en hij werd weer beter. Maar eten – de dokter had gelijk – eten, waar bleef zijn moeder al die tijd? Maar daar kwam ze al, met een bord in haar hand en ze glimlachte tegen hem. Hij at gretig – wat een heerlijke soep was dat, alleen een beetje weinig. Maar zijn moeder zei: ‘Over twee uur krijg je weer een bord,’ en daarom leunde hij geduldig achterover in zijn stoel om naar het groen van de linde te kijken en toe te zien hoe zon en schaduw in een zuchtje wind over het gebladerte gleden, tot hij zijn ogen sloot en in slaap viel.

De volgende dag voelde hij zich al veel sterker. Hij kon zijn jas zelf dichtknopen en leunde op weg naar het raam op de arm van zijn moeder, alleen omdat zij dat wilde, want hij had de leunstoel bijna op eigen kracht kunnen bereiken. En vandaag kon hij ook al een heel takje van de lindeboom naar zich toe trekken om de piepkleine knopjes te bekijken, waaruit eens de geurige, bleekgroene bloesem zou ontluiken. En dat krijgertje spelen van licht en schaduw kon hij langer volgen dan gisteren, zonder moe te worden. Terwijl hij zo zat te staren vloog er een brommende meikever op zijn neus. Hup, daar had hij hem. Maar nadat hij de glanzende dekschilden en de fijne voelsprieten bekeken had, zette hij hem voorzichtig op de vensterbank en keek verheugd toe hoe hij haastig wegvloog. Ook die kever en alles, alles wilde leven en blij zijn met de zon, zoals hijzelf. Eén keer schoof er een wolk voor de zon, maar die week al gauw weer. Het moest immers mooi blijven, altijd, want licht en warmte deden hem goed en hij moest gezond worden…

En daarom was de hemel ook de derde en de vierde dag blauw, en het werd steeds mooier op aarde. Denken? Nee, denken wilde hij ook vandaag niet. Maar één ding deed hij nu toch anders. Hij had er tot nu toe nauwelijks op gelet, wie er voorbij kwam of, als hij van ver een kennis meende te herkennen, verder achterovergeleund om niet gezien te worden – hij wist zelfs nauwelijks waarom, het was een even instinctieve beweging als het sluiten van zijn oogleden, als de zon fel scheen. Maar nu keek hij de mensen onbevangen aan; het waren bijna alleen maar boeren en maar zelden een bekende. Daar kwam er eindelijk een voorbij en het was zelfs een oeroude kennis, de kleine Naphtali Ritterstolz, die ooit zijn leraar was geweest; hij was nu geen huisleraar meer, maar had een eigen school; zijn gezicht zag er nog steeds uit alsof het uit grijs vloeipapier geknipt was, maar aan het gebrekkige lijf zat helemaal vooraan een volkomen ongemotiveerd buikje en hij stak zijn neus in de lucht, zoals het een zo vrome, bij de rabbi geliefde schoolmeester paste. Naphtali was een ijverige man: de herstellende zieke voelde een blos naar zijn wangen stijgen en deed zijn ogen dicht. Maar hoe werd het hem te moede, toen hij de welbekende stem hoorde: ‘Dag Sender! Hoe gaat het met je? Je mag het gebed van de herstellende zieke echt wel van ganser harte uitspreken.’ En toen Sender zijn ogen opendeed, zag hij hoe de waardige man hem nog vriendelijk toeknikte: ‘Span je niet teveel in, dat je gauw weer beter wordt.’ Hij kon niets terugzeggen, maar de blos op zijn wangen gloeide heviger. Als Naphtali zo vriendelijk was, kon de rabbi niet heel kwaad zijn.

De rabbi! Hij legde zijn hand op zijn voorhoofd en dacht na. Nu voelde hij daarbij de steken in zijn slapen niet meer, maar hij zette de gedachte toch van zich af. Later! – Tijd genoeg. Maar iets anders waar Naphtali hem aan herinnerde, wilde hij direct doen – hij had immers het gebed van de herstellende zieke nog niet uitgesproken. Hij kwam overeind, pakte uit het netje boven zijn bed zijn gebedenboek en sloeg het gebed op. Eerst las hij de paar regels alleen met zijn ogen, vervolgens nog eens fluisterend en ten slotte nog een keer halfluid, met bevende stem, terwijl de tranen over zijn wangen liepen: Geloofd zij U, die de wankele ondersteunt en de zieken geneest. Leven en dood komen van U, in de dood is vrede, maar genade in het leven. Dank aan U die mij genadig zijt.

Zijn moeder schrok, toen ze hem in tranen vond, maar hij moest opgewekt zijn, want zijn uitgeteerde gezicht straalde. Ze vroeg niets en ging met haar naaiwerk stil in een hoekje zitten. Hij bladerde in het boekje, las hier en daar wat, liet het in zijn schoot zakken en pakte het weer op. Daarbij viel hem iets op wat hij tot dan toe niet gezien had: de twee bladen tussen band en titelblad waren aan elkaar geplakt. De lijm zat alleen aan de rand en nadat hij het voorzichtig losgetrokken had, lag het tot dan toe verborgen blad open. Er stonden drie notities in het Hebreeuws en Hebreeuws schrift. De inkt was verbleekt, maar hij kon ze nog duidelijk lezen.

Bovenaan stond in een groot, wat onbeholpen handschrift: Dit fraai gedrukte en mooi gebonden boek heb ik, Sender, zoon van Abraham, uit de stam der Levieten, koopman in de stad van mijn ballingschap, Kowno geheten, heden gekocht voor mijn geliefde enige zoon Mendele bij zijn zesde verjaardag. Gods genade is met mij geweest, moge zij verdubbeld op mijn zoon neerdalen. De vijfde van de maand Adar in het jaar 5561 van de schepping der wereld.

Daaronder was in fijne, grillig versierde letters te lezen: Ik, Mendele, zoon van Sender, uit de stam der Levieten, een man zonder rust en zonder have en goed, schenk dit boek aan degene die het na mijn dood op mijn borst vindt en mijn stoffelijke resten barmhartig teruggeeft aan de aarde naar het gebruik van de Vaderen. Wie het ook is, hij zal gelukkiger zijn dan ik. Gods genade heb ik verspeeld, maar op u, onbekende, moge ze neerdalen. Op zwerftocht in het land van ballingschap, Hongarije geheten, op de achtste van de maand tisjri, aan de vooravond van Grote Verzoendag van het jaar 5590 van de schepping der wereld.

Daaronder had dezelfde hand geschreven: Op de zestiende van de maand Av in het jaar 5592. De wanhopigen richt Hij op en Hij begenadigt de veroordeelden. Hij heeft mij een vrouw gegeven en haar schoot geopend. Dit boekje is voor mijn kind – het is het enige wat ik hem nalaten kan. Maar omdat ik nu weet hoe genadig de Heer is, weet ik dat dit boekje mijn kind tot zegen zal zijn.

De jonge man las deze regels en herlas ze – het kon aan zijn stemming liggen, dat ze hem diep aangrepen.

‘Moeder,’ vroeg hij, ‘hoe heette het familielid van wie dit boekje vroeger was?’

‘Waarom vraag je dat?’ antwoordde ze onbevangen en zonder op te kijken van haar werk, omdat ze niets vermoedde van zijn ontdekking.

‘Uiteindelijk was het die Mendele zelf,’ zei hij. ‘Je hebt die aan elkaar geplakte bladen zeker ook nog nooit bekeken. Kijk wat hier geschreven staat.’

Het bloed stolde in haar aderen. Het dreigde haar zwart voor ogen te worden. Ze had het blad ooit zorgvuldig dichtgeplakt en het niet over haar hart kunnen verkrijgen om het opschrift eraf te knippen.

‘Hoor je me niet?’ vroeg hij, toen ze bleef zwijgen, en hij probeerde zijn hoofd naar haar toe te draaien.

‘Jawel,’ mompelde ze. ‘Het blad… Wat – wat staat er dan?’

Hij las het voor.

‘Die arme man,’ voegde hij eraan toe. ‘Zo’n mooi handschrift – hij was vast niet dom… En dit boekje was het enige wat hij zijn kind na kon laten… Heb je hem gekend?’

Nog steeds was het of haar keel dicht zat. ‘Nee,’ antwoordde ze ten slotte. ‘Ik heb dat boekje van een overleden ver familielid,’ voegde ze er haastig aan toe. ‘Ik heb het eerlijk gekocht.’

‘Natuurlijk,’ antwoordde hij. ‘Maar dat familielid? Misschien heeft hij gezorgd dat het kind van die Mendele zijn enige bezit niet gekregen heeft. En het was waardevol, want de zegen van een vader weegt zwaar.’

Het hoofd van juffrouw Rosel was diep op haar borst gezonken. ‘Mijn Heer en mijn God,’ bad ze, ‘als het een zonde is dat hij niets van zijn vader weet, laat mij alleen dan daarvoor boeten.’

Maar Sender vervolgde na een poosje: ‘Moeder, je hebt immers een vroom hart, je zult het vast met me eens zijn. Wie twijfelt of hij iets van een ander bezit, moet iets aan een vroom doel geven. Ik heb het boekje nu al zo lang – en waar zou je het kind van die arme man moeten zoeken? Maar laten we in sjoel een kaars aansteken voor zijn ziel. Dit laatste is meer dan twintig jaar geleden geschreven en hij zal dus wel dood zijn. Moge God hem in vrede laten rusten.’

‘Amen!’ riep juffrouw Rosel – het was of er een zware last van haar borst viel – ‘Amen!’ –

‘Ik denk dat hij er nog steeds geen vermoeden van heeft,’ zei ze tegen haar vertrouweling, de marschallik, toen die weer bij haar aankwam. ‘Toch zit ik erg in angst… Zal ik hem morgen niet Luisers nieuwe dagvaarding geven? Dan worden zijn gedachten tenminste van dat eerste teken afgeleid.’

‘Alsjeblieft niet!’ riep Türkischgelb. ‘Dan zou hij er juist over gaan piekeren. We moeten de zaak zo onopvallend mogelijk behandelen, als het toevallig ter sprake komt en met al het andere erbij. Laat mij dat maar doen, als ik denk dat de tijd er rijp voor is. Nu moeten zijn arme longen nog op adem komen en ook zijn ziel, juffrouw Rosel, ook een ziel heeft longen die dat nodig hebben… Daar wacht ik op, want nu heb ik ook het antwoord op alle vragen die hij stellen kan.’

Hij zette zijn handen in zijn zij en keek haar triomfantelijk aan.

‘Ja!’ riep ze opgewekt. ‘En dat met Dovidl doet niemand u na… Moet ik nu naar hem toe?’

‘Nee. Hij krijgt de collecte en hij moet Sender hebben. Iedere dag dat we wachten wordt het maandloon hoger.’

Er was na dit gesprek al ongeveer een week verstreken en nog steeds vond de marschallik het niet nodig om al uitvoeriger met Sender te praten. ‘Op adem laten komen,’ herhaalde hij steeds weer, ‘hij begint zelf wel te praten, als iets hem dwarszit.’

Maar dat deed Sender niet, en hij voelde werkelijk geen al te grote zorgen en beslommeringen, ook niet nadat hij volledig besefte wat er gebeurd was. Het oneindig weldadige gevoel van de genezing, de bewustwording van de jeugdige kracht die als het ware uit die lentegeuren in zijn aderen terugstroomde, lieten geen duistere gedachten in hem opkomen. Maar ook op zichzelf leek zijn toestand hem nu niet zo erg. Hij was weer gezond en het gevaar om soldaat te moeten worden was voorgoed geweken; volgend jaar januari verwachtte zijn weldoener hem, waarom zou hij dan wanhopen? De rabbi was nu op de hoogte van zijn verborgen kennis en zijn woede leek echt niet zo groot, maar aangenomen dat hij woedend was en dat de gemeente er ook zo over dacht, dan moest hij dat doorstaan tot het uur van de bevrijding sloeg. Al te erg kon het immers niet worden, zolang zijn moeder en zijn oude vriend hem liefdevol terzijde stonden, en al maakte hij zich geen illusies dat hun roerende goedheid vooral te maken had met zijn herstel, iets daarvan zou blijven als hij weer gezond was. Dat Jossele hem weer aan zou nemen leek hem erg twijfelachtig, maar zo niet, dan vond zijn vindingrijke beschermer misschien een ander baantje, en in het ergste geval moest hij tot januari op zijn moeders kosten leven. Die gedachte beangstigde hem niet al te zeer, want hij was de zoon van een volk dat de grootste offers voor zijn kinderen vanzelfsprekend vindt. Maar even vanzelfsprekend bij dat volk is de dankbare trouw van de kinderen aan hun ouders en het vierde gebod is nergens ter wereld zo heilig als in het getto van het Oosten – en hoe kon hij dat in ere houden? ‘Het moet,’ zei hij tegen zichzelf en stelde zich voor hoe hij zijn moeder een comfortabele en eervolle levensavond zou bezorgen. Desondanks wilde zijn geweten niet zwijgen, en dit zelfverwijt was het enige echt pijnlijke gevoel dat hem in die dagen vervulde. Daarentegen dacht hij nauwelijks meer aan die vreemde man in de oproep voor de keuring, laat staan dat dat feit hem verontrustte – dat was een vergissing die vast eenvoudig te verklaren was – en hoe zou het anders kunnen? Hooguit zei hij, als hij eraan dacht, tegen zichzelf: ‘Ik moet mijn moeder vragen om dat in orde te brengen.’ Maar er was tijd genoeg en ook tijd genoeg om te zien hoe rabbi Manasse tegenover hem stond.

Maar iets anders zou hij graag weten: of zijn moeder de boeken in zijn la ontdekt had. Maar het was dwaas geweest om daarnaar te vragen: dan bracht hij haar misschien op een idee. Hij moest wachten tot hij sterk genoeg en vrij van duizelingen was om de hoge, steile ladder naar zijn kamer op te klimmen.

Eindelijk – het was in de eerste dagen van mei – voelde hij zich daartoe in staat en op een morgen, toen zijn moeder bij de tolboom stond, sloop hij naar de vliering en begon de treden te beklimmen. Maar ze had hem in de gaten en rende haastig naar hem toe.

‘Kom naar beneden!’ riep ze angstig. ‘Straks val je!’

‘Hoezo?’ zei hij geruststellend. ‘Ik ben het toch gewend?’

‘Alsjeblieft!’ riep ze smekend. ‘Heb ik niet genoeg angsten om je uitgestaan?’

Daarop gaf hij toe en kwam naar beneden. ‘Maar morgen moet je het goedvinden,’ zei hij.

‘Daar hebben we het nog wel over,’ antwoordde ze, maar toen de marschallik op zijn gewone tijd verscheen, klaagde ze tegenover hem haar nood.

‘Dan moet ik met hem praten,’ zei hij.

‘Maar dat windt hem op,’ protesteerde ze angstig.

‘Als ik met hem praat?’ riep hij. ‘Let op mijn woorden: hij zal er ons nog dankbaar voor zijn. Geef me nu ook nog de verklaring van Luiser,’ zei hij.

Ze haalde het document uit een kist waarin ze het, in een zakdoek gewikkeld, zorgvuldig had bewaard. Maar de marschallik verfrommelde het en stak het slordig opgevouwen in zijn borstzak.

‘Wat doet u nu?’ vroeg ze geschrokken.

‘Iets verstandigs, zoals altijd,’ zei hij.

Glimlachend stapte hij de huiskamer binnen en ging bij zijn beschermeling zitten.

‘Beste Sender,’ zei hij, ‘ben ik een kat? Nee. Ben jij een hete brij? Nee. Mogen wij elkaar? Ja. Daarom wil ik verstandig en openhartig met je praten.’

Sender bloosde. ‘Ja,’ zei hij, ‘dat is nodig, reb Itzig. Zegt u het maar.’

‘Dat is minder nodig,’ zei de marschallik, ‘dan dat jij antwoordt. Maar omdat ik niet dom ben, stel ik liever geen vragen waar jij waarschijnlijk toch geen antwoord op geeft. Bijvoorbeeld van wie je Duits lezen en schrijven hebt geleerd.’

Hij pauzeerde even.

‘U bent zoals altijd de slimste,’ zei Sender met een verlegen lach, ‘maar daarop geef ik echt geen antwoord, als u dat vraagt.’

‘En van wie je de boeken hebt, wil je natuurlijk ook niet zeggen.’

Toch zweeg hij weer even en keek Sender vol verwachting aan.

‘Natuurlijk niet,’ antwoordde die.

‘Maar nu komt er een vraag,’ vervolgde de marschallik op andere toon, ‘waar je wel antwoord zult geven. Gaan die boeken over ons geloof? Wil je christen worden?’

‘Nee!’ verzekerde Paljas en sprong geschrokken op.

De marschallik knikte.

‘Dus je hebt een bepaald doel en je hoopt dat ze daarbij van pas komen?’

‘Ja. Maar wat het is, kan ik nu nog niet zeggen.’

‘Wanneer dan?’

‘Op zijn laatst in januari.’

De marschallik keek hem onderzoekend aan. Sender weerstond zijn blik.

‘Goed,’ zei de oude man, ‘je bent altijd een goede, vrome jongen geweest en ook heel slim – ik zeg er geen woord meer over, tot je er zelf over begint. Wat je de anderen vertellen wilt is jouw zaak. Maar nu iets anders: kun je er tot januari van rondkomen?’

‘Nee,’ zei Sender bedeesd. ‘Anders was ik niet voor een gulden per maand bij Jossele gebleven.’

‘Dan vind je het misschien wel heel prettig dat ik iets anders voor je gevonden heb. Alleen houdt het loon niet over en of het werk iets voor je is, weet ik ook niet.’

‘Ik vind alles goed,’ antwoordde Sender.

Nu gaf de marschallik een uitgebreide uiteenzetting van zijn afspraak met Dovidl. ‘Zeven gulden per maand. Gisteren heb ik het met hem afgesproken.’

‘Reb Itzig!’ riep Sender juichend en pakte zijn hand, ‘hoe moet ik u danken?’

‘Gekke jongen!’ zei de marschallik afwerend. ‘Heb ik dat dan alleen voor jou gedaan? Ook voor de provisie. Ik wil niet voor je verzwijgen dat ik hem ook drie gulden voor mezelf heb afgetroggeld. Dat is genoeg voor een mooi jasje voor mijn Jütte… Verder kun je misschien niet met Dovidl opschieten; hij springt vijftig keer per dag uit zijn vel van woede en hij is zo druk dat je er duizelig van wordt. Maar ik dacht: het is toch een begin en altijd nog beter voor jou dan als ik het met Luiser geprobeerd had. Want die is wel erg trots op zijn geschrijf en hij kan nog minder dan Dovidl. Hij kan niet eens uit de registers een oproep overschrijven. Ik weet niet of je het gemerkt hebt – je had op dat moment grotere zorgen, arme jongen – maar hij heeft op jouw oproep een andere naam geschreven… Glatteis – geloof ik – hahaha! – een mooiere kon hij voor jou niet verzinnen…’

Ook Sender moest lachen. ‘Dat weet ik nog,’ zei hij.

‘Hij was helemaal van zijn stuk, toen ik het tegen hem zei,’ vervolgde de marschallik. ‘Je kunt je wel voorstellen dat ik hem daar flink mee geplaagd heb. “Geef terug,” zegt hij. “Ik wil een andere schrijven, want dat kan me mijn baan kosten.” Ik geef hem het papier terug. “Hier – en een goede is niet nodig,” zeg ik. “De loting is voorbij.” Maar hij schrijft hem toch en stopt hem me toe. Ik denk dat ik hem nog bij me heb.’

Hij tastte in de zak van zijn kaftan. ‘Ben ik hem toch nog kwijt. Nou, daarom sla je me niet dood.’

‘Nee hoor,’ lachte Sender.

De marschallik greep naar zijn borstzak.

‘Wacht – hier is hij! Zo – hier heb je je document, koop een brandkast en leg hem erin.’

Sender las het document vluchtig door.

‘Hahaha,’ lachte hij. ‘Vriegerandderegeheetten – in ieder woord zit een fout.’

Türkischgelb keek hem vol respect aan.

‘Zo goed Duits ken je al?’ vroeg hij. ‘Dan heb je straks geen boeken meer nodig.’

‘Jawel!’ riep Sender.

‘O ja? Waarvoor? Ik zou het hier maar bij laten. Anders krijg je nog ruzie met de rabbi. En ik heb al moeite genoeg gehad om je met hem te verzoenen.’

‘Dat is dus gelukt? Hartelijk dank. Anders had ik hier een zwaar leven gehad.’

‘Maar zoals gezegd: makkelijk was het niet,’ vervolgde de marschallik. ‘Je zult verbaasd staan hoe ver ik hem gekregen heb. Je gaat bij hem op bezoek en dan moet je twee jaar lang vijf psalmen per dag zeggen. Is dat niet verschrikkelijk?’

Sender moest hard lachen. ‘Heel verschrikkelijk!’ riep hij.

‘Verder wilde hij nog dat je zou zweren nooit meer een Duits boek aan te raken. Maar hij begrijpt ook wel dat daar nu geen sprake meer van kan zijn. Bij Dovidl moet je immers de Duitse wetten leren lezen.’

‘Natuurlijk. – Dan is alles prima geregeld.’

‘Aardig van je, dat je dat erkent. Echt heel aardig. Maar je weet niet hoe moeilijk het was. Eerst gingen hij en de hele gemeente als gekken tekeer. Hij laat je moeder en mij komen: “Zweer me dat er in huis geen onheilige boeken zijn. Anders ga ik zoeken en verbrand alles wat ik vind, en van toegeeflijkheid is dan geen sprake meer.” – “Dat moeten we toch eerst uitzoeken?” zeg ik. We zoeken en we vinden – nou, je weet het.’

Hij gaf hem een ondeugende por in zijn ribben. ‘Je moeder schrok erg, maar ik bleef kalm. “Waarom is dat zo erg? Erg zou het zijn als de rabbi zelf die boeken vond. Dan kon Sender niet langer in Barnow blijven.” Want, Sender –’ weer een vriendschappelijke por in zijn ribben – ‘ik hoef jou niet te vertellen wat voor plaatjes er in dat ene boek stonden… “Maar als we ze verbranden komt niemand er wat van te weten, en voor Sender is het niet erg,” zeg ik.

‘Jawel!’ riep die en verbleekte. ‘Zijn ze verbrand?’

‘O, slimme jongen!’ riep de marschallik spottend. ‘Ofwel de boeken waren goddeloos. Dan was het voor jou een voordeel. Ofwel ze waren niet goddeloos. Dan –’ hij gaf hem een knipoog – ‘dan geldt voor Duitse boeken toch hetzelfde als voor Hebreeuwse boeken: er wordt niet maar één exemplaar van gedrukt, en wie een maandloon van zeven gulden heeft en voor zaken zoveel Duitse boeken kan laten komen als hij wil, kan ze nog een keer kopen – of zelfs, hèhè! cadeau laten doen. Maar hadden we ze niet verbrand – dan was er niet zo’n baan voor Sender Kurländer geweest en geen zeven gulden, maar hij was de stad uit gejaagd. Dus – ben je ons dankbaar of niet?’

‘Jazeker,’ zei de jonge man met een wat zuurzoet gezicht, maar toch oprecht. Inderdaad: dat verlies was goed te maken.

‘Bedank dus ook je moeder hiervoor,’ zei de marschallik. Toen Sender dat deed, stond de vrouw perplex van verbazing en bewondering.

‘Reb Itzig,’ riep ze, ‘waarom heeft God u geen minister laten worden?’

‘Omdat Hij weet,’ antwoordde hij, ‘dat je dan minder verstand nodig hebt dan als echte marschallik. Dus: morgen brengen we de zaak met de rabbi in het reine en aanstaande zondag begin je bij Dovidl. Juffrouw Rosel, als u denkt dat ik het verdiend heb, wil ik graag een glaasje honingwijn!’

 

Hoofdstuk 18

Het was een junimorgen, enkele weken na dit gesprek, maar al om een uur of tien brandde de zon met een verzengende hitte. De straten van Barnow waren verlaten; ook de lieflijke viervoeters die ze anders met vrolijk geknor vervulden, de varkens, waarvan het vetmesten de voornaamste bedrijfstak van de weinige christelijke burgers was, hadden zich teruggetrokken op de binnenplaatsen, waar nog plassen lagen, want de modderpoelen op straat waren opgedroogd. Twee weken was er geen druppel regen gevallen en ieder zuchtje wind wervelde stofwolken op. Maar wind was er nauwelijks; dof en zwaar lag de warme lucht in de smerige steegjes en op de verwaarloosde huizen, en geuren hingen er, geuren – geen mens kon die op den duur verdragen, als hij geen geboren Barnower was.

Het verontrustte onze Sender niet, want hij was er een. En beter dan in de meeste andere huizen van Barnow was het nog uit te houden in zijn “Keizerlijk-Koninklijk Lakaal”. Want zo luidde het opschrift op het bord boven Dovidl Morgensterns nieuwe winkel aan de straat: K.-K. Lakaal van de Loto-Colecteur voor Barnow en heele omgeeving! De meeste ruimte op dit bord werd echter ingenomen door een grote, zij het wat vreemd gevormde dubbele adelaar, en het was dan ook niet overbodig dat Dovidl daaronder in Hebreeuwse letters had laten zetten: Keizerlijke Adelaar! Hier wordt gewonnen! Iedereen een terne! Want adelaars had nu ook zijn concurrent Luiser Wonnenblum op zijn deur kunnen laten aanbrengen, drie zelfs, maar dat waren alleen de wapens van de verzekeringsmaatschappijen, waarvan de vertegenwoordiging hem na het heengaan van de weleerwaarde Koscielski toegevallen was. “Luisers kippenhok”, noemde Dovidl het en er lag een wereld van minachting in dat ene woord.

Onder de vleugels van het keizerlijke dier, dus aan een enorm bureau, dat door een muurtje van de publieksruimte gescheiden was, zat Sender dus iedere ochtend in de koelte op de straat uit te kijken. Hij zag er nu beter uit dan voor zijn ziekte, zijn ogen glansden meer en zijn bewegingen waren rustiger. Ook zijn kleding liet zien dat de onaanzienlijke leerling-horlogemaker nu een goedbetaalde loterijklerk geworden was, of nog meer: een soort Duitser. De nieuwe kaftan had de gebruikelijke snit, maar was toch iets korter dan vroeger, en de slaaplokken leken gekortwiekt. Kortom: hij was nu beter af. Toch beet hij op dit moment mismoedig op zijn onderlip en keek ongeduldig naar de deur. ‘Hij komt niet,’ mompelde hij, ‘en als hij komt, heeft hij het niet bij zich.’

‘Sender,’ klonk de stem van zijn heer en meester uit het aangrenzende vertrek; het was het Prifee Agentschap, waar Dovidl Morgenstern zoals voorheen Raat in alle dingen gaf. ‘Ik ben klaar; schrijf jij het over.’

Maar nog voor de schrijver op kon staan, ging de deur open en Dovidl stoof naar binnen. ‘Er is haast bij!’ riep hij en legde twee volgeschreven foliovellen voor Sender neer. ‘De rubra is: Chaim Fragezeichen en Naphtali Ritterstolz contra Schlome Rosenthal wegens laster… Maak voort!’ herhaalde hij.

‘Het is “rubrum”,’ antwoordde Sender bedaard. ‘Maar waarom is er haast bij? Misschien groeit de baard van reb Schlome ondertussen aan. Dat kan voor onze mandanten toch alleen maar goed zijn.’

‘Mandanten!’ riep Dovidl heftig. ‘Gebruik geen uitdrukkingen die je niet begrijpt. Overigens is het inderdaad “mandanten”. Maar waarom zou dat goed voor ze zijn? Wat kan het hun schelen of die Schlome een baard heeft of niet?’

‘Eigenlijk kan hun dat ook niets schelen. Maar daarom hadden ze die ook niet uit moeten rukken.’

‘Uitrukken?’ riep Dovidl. ‘Wie hebben er uitgerukt? Onze mandanten? En dat zeg jij, mijn schrijver? Om uit je vel te springen!’

‘Maar u zegt het toch zelf,’ bracht Sender ertegen in. Het was een ruzie tussen leraren geweest, die de gemoederen van de Barnowers in grote beroering had gebracht. Sender had geen partij gekozen: “ze zijn allemaal op hun beurt mijn leraren geweest,” vond hij, “en ik mag ze allemaal even graag.” Schlome Rosenthal had met Naphtali Ritterstolz, de favoriet van de rabbi, ruzie gekregen over de uitleg van een moeilijke passage in de Talmoed. Chaim Fragezeichen was Naphtali bijgevallen, eerst met de scherpte van zijn geleerde argumenten en vervolgens, nadat de ruzie was uitgelopen op handtastelijkheden, met de scherpte van zijn vingernagels; Schlome was uiteindelijk op de vlucht geslagen, maar zijn halve baard was op het slagveld – Naphtali’s studeerkamer – achtergebleven. Schlome had eerst de rabbi als scheidsrechter opgeroepen, maar toen die in het voordeel van zijn favoriet beslist had, via Morgenstern een klacht ingediend bij de keizerlijk-koninklijke districtsrechtbank.

‘Ze zeggen het zelf!’ riep Dovidl, die met zijn armen zwaaide en tweemaal als een tol om zijn eigen as draaide. ‘Tegen wie hebben ze dat gezegd? Tegen mij, hun vertegenwoordiger! Maar voor de rechter? Schlome liegt, hij is een lasteraar, omdat hij vrome talmoedisten beschuldigt – van “lichamelijk geweld” beschuldigt – begrijp je?’

‘Nee,’ antwoordde Sender. ‘Die baard is echt weg.’

‘Nou en! Hij heeft hem zelf uitgerukt.’ Dovidl pakte het papier en zwaaide het als een vlag triomfantelijk door de lucht. ‘Dat heb ik hier geschreven – om te kunnen lasteren zelf uitgerukt!’

‘Maar als de rechter onze mandanten onder ede wil horen?’

‘Onder ede?’ Hahaha!’ Dovidl lachte krampachtig. ‘Ik ontplof! Ze zijn toch beklaagden? Die kun je toch niet onder ede horen? Ik ontplof!’

‘Jazeker,’ antwoordde Sender rustig. ‘U brengt een tegeneis in wegens laster. En dan zijn Naphtali en Chaim getuigen en kunnen onder ede gehoord worden.’

Dovidl keek hem als verstijfd aan. ‘Om uit je vel –‘

‘Te springen,’ vulde Sender aan. ‘Maar daarom heb ik toch gelijk.’

De juridisch adviseur luisterde niet meer naar hem. Bliksemsnel had hij het papier gepakt en was teruggerend naar zijn heiligdom.

Sender ging weer zitten. ‘En dat maak ik driemaal per dag met hem mee,’ dacht hij. ‘In het begin vond ik het leuk, maar nu zou ik graag wat afwisseling hebben. Ontplofte hij maar eens een keer echt of sprong hij tenminste een keer uit zijn vel… Voor mijn doel heb ik helemaal niets aan hem – zo’n gek zal ik nooit hoeven spelen, zoeen heeft nog geen dichter in een stuk opgevoerd… En Nadler laat nog steeds niets van zich horen.’

Dat was de oorzaak van zijn misnoegen. Het ging nu goed met hem en hij kon tevreden zijn. Het werk kostte wel veel tijd, maar weinig moeite. Als hij zich had kunnen beperken tot de verrichtingen waarvoor hij zijn maandloon van zeven gulden kreeg, dan had zijn dag bijna helemaal uit vrije uren bestaan, want juridisch hoefde hij alleen maar de lijsten van de collecte bij te houden en de in Hebreeuwse letters, maar in de Duitse taal geschreven concepten van zijn baas in het Duits uit te schrijven. In werkelijkheid ging het anders, want beide bezigheden brachten allerlei verplichtingen met zich mee die niet in het contract stonden en toch nagekomen moesten worden, maar dat nam hij op de koop toe. Hij kon echter niets doen om zijn doel dichterbij te brengen en in dat opzicht bracht hij zijn dagen in ledigheid door, wat hem steeds zwaarder viel. Direct na zijn intrede in de collecte had hij zijn weldoener in Czernowitz geschreven, de verandering in zijn bestaan meegedeeld en dringend verzocht de boeken nog een keer te sturen, vooral de Catechismus, maar dan niet meer als cadeau, beslist niet, maar onder rembours en ditmaal aan zijn eigen adres. Dat de directeur nog in Czernowitz was, durfde hij eigenlijk niet te hopen, ‘maar,’ dacht hij, ‘de post zal zo’n groot kunstenaar wel vinden.’ Daarom had hij geen snel antwoord verwacht – maar er waren nu al zes weken voorbij en hij wachtte nog steeds vergeefs.

Ook vandaag had de postbode niets voor hem en maakte in het voorbijgaan bijna honend een wegwerpend gebaar. Het was voor de teleurgestelde een schrale troost dat op hetzelfde moment de geestelijke elite van Barnow voor een lange conferentie de winkel binnenkwam.

Hier wordt gewonnen stond op dat bord en meer nog: Dovidl beloofde iedereen zelfs een terne. Hij beloofde niet te veel, alleen moest er nog één ding bij verteld worden: dat je nummers tussen 1 en 90 koos, die dan in de volgende editie van de Lemberger Zeitung bekendgemaakt werden. Dat dit afhing van geluk, van toeval, geloofde eigenlijk niemand in Barnow en de “heele omgeeving”: je moest het geluk gewoon afdwingen door van betrouwbare voortekenen uit te gaan. Sommigen volgden daarbij meer hun verstand, anderen meer hun gevoel, maar iedereen deed een beroep op de hulp van de collecteklerk, en al maakten de gevoelsmensen het hem niet gemakkelijk, de meest tijdrovende waren toch de aanhangers van het zuivere verstand.

Maar die vereerden hem nu met een bezoek: apotheker Ludwig Noß, belastinginspecteur Viktor Huszkiewicz en chirurgijn Franz Xaver Grundmayer; de vierde man, omkopingsagent von Wolczynski – dat was een bijna net zo officieel beroep als dat van de anderen – ontbrak vandaag.

Deze heren pakten het wiskundig aan. Zo begon de kleine, kogelronde apotheker de conferentie tenminste.

‘Kijk eens, Senderko,’ begon hij gewichtig, ‘we komen om in te zetten. Grote bedragen – Tot vijftig kreuzer!’ Hij hief zijn wijsvinger. ‘Maar hooguit de boeren doen het zonder wiskunde. Dus: lees ons eens langzaam de lijsten met nummers voor van zeven jaar geleden. Langzaam en duidelijk.’

‘En luid!’ voegde Grundmayer eraan toe. Hij hoorde niet zo goed, als hij dronken was en een beetje dronken was hij altijd. ‘De longen die je daarvoor nodig hebt, heb ik immers weer genezen. U moet weten, mijne heren, dat ik zijn leven gered heb. In april namelijk –‘

‘Maar dokter, dat weten we toch, dokter!’ onderbrak Huszkiewicz hem. ‘Aan het werk, dokter!’ Want als je Grundmayer in de rede viel, werd hij grof, tenzij je hem suste door hem “dokter” te noemen. ‘Neem dus de map van 1845, Sender, en lees voor. Ik zal vandaag weer schrijven.’

Hij haalde een dik schrift uit zijn zak, dat al bijna volgeschreven was met cijfertabellen, en ging zitten. Sender trok met een zucht de gewenste map uit de kast aan de muur en begon te lezen. Hij moest dat doen, want zijn baas had hem dringend ingeprent iedere wens van de klanten te vervullen die hun speeldrang kon bevorderen, maar hij vond het zo vervelend, zo verschrikkelijk vervelend.

‘Sender,’ klonk de stem van Dovidl uit de belendende kamer, en weer kwam hij onmiddellijk daarop binnenstuiven, ook deze keer met een foliovel in zijn hand. ‘Ik heb er nog eens over nagedacht: geen tegeneis. Ik zeg gewoon – goedendag, heren, wat een eer, heren! Laat u zichzelf voorlezen? Goed, heel goed, prima, uitstekend! Lees maar, Sender. Hij leest toch duidelijk, hoop ik? Bent u tevreden, heren? Als u niet tevreden bent, zegt u het dan. Maar waar wacht je op?’

’19. 44. 57. 3…’

‘Maar mijne heren, neemt u me niet kwalijk, dat is niet uit te hou– Heel interessant! En uw methode, pani controllor, is geweldig! Daarmee hebt u vast al veel gewonnen! Nog niets? Vreemd! Maar dan komt dat nog wel! U zult de staat nog arm maken, pani controllor, straatarm, door u zal Oostenrijk bankroet gaan, heren. Wat een methode! Maar waarom houd je nu alweer op met lezen?’

’17. 31. 6…’

‘Om gek van te worden! Het is een geweldige methode, echt geweldig! Maar neemt u me niet kwalijk: is dat echt nodig? Want – hoe werkt die methode dan eigenlijk?’

‘Heel eenvoudig,’ zei de apotheker. ‘Wij denken namelijk –‘

‘Ik denk!’ onderbrak de controllor hem een beetje gepikeerd. ‘Of eerder: ik denk niet, maar ik weet dat de nummers zich volgens een bepaalde wet herhalen. Maar één tot negentig – u begrijpt, pani Morgenstern, hoeveel verschillende variaties er mogelijk zijn. Je moet zoveel mogelijk materiaal hebben om daarachter te komen. Maar ik ben er bijna uit, en juist de getallen van vandaag passen opmerkelijk goed in mijn systeem. Opmerkelijk! Ga door, Sender…’

’51. 12. 1…’ vervolgde Sender eentonig. “Als je eens wist,” dacht hij, “hoe opmerkelijk dat is. Want ik zeg al een kwartier gewoon wat me invalt!” 4. 73. 97…’

‘Wat?’ riep de controllor en schoot ontzet overeind. ’97? Dat bestaat in de lotto helemaal niet!’

En ook de beide andere heren keken stomverbaasd.

‘Neemt u me niet kwalijk!’ riep Sender haastig. ‘Ik heb de punt over het hoofd gezien. 9. 7 moet het zijn.’

‘Ach!’ riep de controllor voldaan. ‘9. 7, dat past weer opmerkelijk. En nu, let op – komt 39 of 58!’

‘Inderdaad: 58,’ riep Sender op stomverbaasde toon en sloeg van pure bewondering het boek dicht.

’58!’ De controllor streek door zijn haar. ‘Is het echt 58? Maar het ligt ook zo voor de hand! Nu heb ik het, mijne heren, ik heb het. Bij de volgende trekking komen de nummers’ – hij begon mompelend te rekenen – ‘de nummers 6. 17. 83. – Ik zet een gulden in.’

‘Ik ook.’

‘Ik ook.’

Sender reikte de briefjes uit en opgewonden gingen de heren weg.

‘Drie gulden!’ riep Dovidl. ‘Als de nummers bekend worden, win je een vermogen. Reken gauw uit, Sender, hoeveel.’

‘Ik wacht tot ze winnen,’ antwoordde die en pakte zijn hoed, want de klok wees juist twaalf uur.

‘Maar het verzoekschrift! Ik heb het heel eenvoudig gehouden: alles is niet waar. Er is nooit ruzie geweest en nooit gevochten –‘

‘En reb Schlome heeft nooit een baard gehad. Tot straks, baas!’ –

‘Vandaag was het tenminste niet zo vervelend als anders,’ dacht Sender, terwijl hij naar het tolhuis liep. ‘Maar is dat een leven voor een toekomstig kunstenaar?’ Natuurlijk riep hij zichzelf meteen tot de orde. ‘Paljas, je bent er wel eens beroerder aan toe geweest!’ Maar het slot van het gesprek met zichzelf luidde toch: ‘Wie weet waar Nadler is! Ik moet de boekhandelaar in Lemberg schrijven. Dovidl kan me vast wel vertellen hoe die heet. Stom dat ik daar niet eerder aan gedacht heb. En als ik de boeken dubbel krijg, is dat ook niet erg. Het is wel erg om nog langer werkeloos te blijven…’

Hij ging onwillekeurig sneller lopen, alsof dat hem dichter bij zijn doel bracht. ‘Als zieke heb ik iemand anders voor me laten zorgen, maar nu –‘ De daadkracht was weer in Sender wakker geworden.

Toen hij thuis de huiskamer in ging, trof hij juist die ander aan. De marschallik was nooit een zwartkijker, maar vandaag straalde zijn gezicht van vreugde.

‘Fijn dat u er bent,’ groette Sender. ‘Is het waar? Bent u alleen een vriend in kwade dagen? Ik heb al vier weken geen slipje van uw kaftan gezien. Maar ik zie dat u vandaag iets leuks hebt meegemaakt.’

‘Dat komt nog, jongen!’ lachte de marschallik, ‘dat komt nog! Het beste wat ik op de wereld heb. Simche is gisteren naar Chorostkow gereden en neemt vandaag mijn Jütte mee. Het kind is nu al vier jaar niet thuis geweest, en sinds haar tiende is ze daar: zeven jaar! Al heeft ze het goed in het buitenland, het gaat me toch aan mijn hart dat ze daar moet blijven. Maar wat doe je eraan? Niemand wil trouwen, niet eens een zeker iemand die het de rabbi beloofd heeft.’

‘Vind maar eens iemand die mij mag,’ antwoordde Sender en probeerde het gesprek vervolgens haastig op een ander onderwerp te brengen.

Dat was niet moeilijk, want de marschallik vertelde over zijn kinderen: zijn twee zoons verdienden nu hun brood als ambachtslieden en van zijn vier dochters waren er nu drie getrouwd. ‘En Jütte breng ik ook nog aan de man,’ besloot hij. ‘Daar maak ik me geen zorgen over. Alleen niet hier, net zo min als haar zusters.’

‘Waarom niet hier?’ vroeg juffrouw Rosel. ‘Omdat u arm bent? Dat is toch geen reden?’

‘Nee,’ antwoordde hij, ‘maar omdat ik de marschallik ben. Ik weet dat de mensen me graag mogen, en op mijn eerlijkheid is ook niets aan te merken, maar niemand wordt graag familie van iemand die grappen maakt voor geld.’

Hij knikte treurig voor zich uit, maar lachte meteen al weer. ‘Denken jullie dat ik daarover inzit? Nee hoor… Maar nu moet ik verder.’

‘In die hitte?’ riep juffrouw Rosel. ‘Wacht toch tot uw dochter hier is en eet met ons mee van wat de pot schaft.’

Ze hoefde het hem geen twee keer te vragen, maar hij at maar een paar happen. ‘Ik kan niet, zo blij ben ik,’ zei hij. ‘Ach, wisten jullie maar wat voor een fantastische meid dat is. Reb Hirsch Salmenfeld zegt altijd: “Ik gun u echt de beste man voor uw kind, net zoals ik voor mijn Malke, maar ik weet niet wat ik zonder haar moet beginnen, want zij houdt het hele huis draaiende.” En jullie weten,’ vervolgde hij trots, ‘het is de grootste zaak in Chorostkow, de beste herberg in de hele omgeving. Met pijn en moeite heeft hij haar nu een week vrij gegeven, omdat er op dit moment niet veel te doen is. Ja, die Jütte van mij!’

Na het eten ging juffrouw Rosel even rusten in haar kamer, en ook de oude man dommelde in de warmte in. Daardoor zag alleen Sender de zware ladderwagen aankomen die bestuurd werd door zijn vriend Simche. Onder de linnen huif zaten wel een stuk of twaalf passagiers, onder wie een paar jonge meisjes, te puffen van de hitte.

Sender bekeek ze nieuwsgiering. ‘Jij bent Jütte!’ zei hij tegen een van hen, met lachende bruine ogen in een fris, rond gezicht. ‘Je hebt de ogen van je vader. Kom, stap maar af, hij zit binnen te slapen – van puur ongeduld.’

Ze stapte af. ‘En dan ben jij zeker Paljas,’ zei ze opgewekt. ‘Ik herken je aan je beleefdheid. Een volwassen vrouw tutoyeren: zulke goede manieren leer je alleen uit Duitse boeken.’

De medereizigers lachten. ‘Kijk maar uit,’ waarschuwde Simche hem. ‘Die is je de baas! Nietwaar, Nüssele (nootje)?’ De vergelijking was niet slecht, want ze was rond, bruin en blank als een hazelnoot. ‘Je koffertje geef ik wel thuis af.’

Hij reed verder. Sender deed de deur voor haar open. ‘Komt u toch binnen, geachte juffrouw,’ zei hij plagerig in zijn beste Hoogduits. ‘Als het u belieft…’

Ze keek hem schijnbaar verbaasd aan. ‘Wat is dat voor een taal?’ vroeg ze. ‘Denkt u dat dat Duits is?’

‘Die prik geeft geen bloed!’ lachte hij, maar bloosde toch. ‘En dan zeggen ze: dikkerds zijn goed. Nu weet ik hoe laat het bij u is.’

‘Geen wonder,’ antwoordde ze. ‘Zo’n horlogemaker als u!’

Juffrouw Rosel kwam haastig aanlopen, toen ze de onbekende stem hoorde, en bracht het meisje naar haar vader. Het was roerend om te zien hoe hij grote ogen opzette, zijn ogen weer sloot en daarna jubelde: ‘Het is geen droom! Geen droom!’

De vrouw des huizes bracht de half uitgedroogde iets te drinken en de vier bleven nog een tijdje vrolijk zitten praten. Sender zei het minste, want het ergerde hem dat het meisje hem daarnet zo op zijn nummer had gezet. Om een betere indruk op haar te maken bracht hij het gesprek op de collecte en speelde de scène na die hij daar had meegemaakt. Hij deed erg zijn best en oogstte veel succes, want de twee ouderen moesten hard lachen en ook Jütte riep vol bewondering, terwijl ze de tranen uit haar ogen wiste: ‘In het theater zie je het niet beter!’

Sender spitste zijn oren.

‘Theater?’ vroeg hij. ‘Hebt u dat wel eens gezien?’

‘Natuurlijk. De vorige maand was er nog een gezelschap in Chorostkow: vier acteurs en drie actrices. In onze zaak, in de zaal, die reb Hirsch anders voor bruiloften verhuurt, was het toneel. Ze hebben heel goede zaken gedaan: alle officieren waren er iedere avond. Het is niet na te vertellen wat die allemaal hebben laten zien, vrolijke en treurige dingen! Heel goede spelers,’ voegde ze eraan toe. ‘Ze waren eerst in Czernowitz.’

‘In Czernowitz?’ riep Sender, ademloos van opwinding. ‘Was meneer Nadler erbij?’

‘Nee,’ antwoordde het meisje.

Maar zijn moeder keek hem verbaasd aan en vroeg toen op scherpe toon: ‘Wat is er met jou aan de hand? Wat gaan jou die spelers aan? En waarvan ken jij die meneer Nadler?’

Sender beheerste zich. ‘De waarheid is het beste,’ dacht hij. En hij vertelde zo neutraal mogelijk dat hij die beroemde toneelspeler een keer op het toneel had gezien. ‘Je weet wel, toen ik met Schmule Grün bij de wonderrabbi in Sadagóra was.’

‘Dat weet ik niet meer,’ zei ze nogal scherp: ze had aan alle soorten zwervers een even grote hekel.

Maar het meisje zei: ‘Zo heel beroemd kan die Nadler niet zijn. De spelers die in Chorostkow waren hebben tenminste allerlei slechts over hem verteld. Ze gaven hem de schuld van het opheffen van het gezelschap. Hij was hun directeur, maar hij betaalde niet en is er stiekem vandoor gegaan – om vijftig gulden. Misschien logen ze wel. Wat een boeven! Zeker de vrouwen!’

Sender werd lijkbleek, zijn hart ging tekeer en hij voelde opeens weer een steek in zijn longen. Het gezelschap opgeheven, Nadler gevlucht! Al zijn hoop lag in duigen! Instinctief wendde hij zijn gezicht af, opdat zijn moeder zijn gezicht niet zag, pakte vervolgens zijn hoed en rende naar buiten.

Haast wankelend liep hij in de brandende zon in de richting van het stadje, bleef telkens weer staan en mompelde met bleke lippen: ‘Wat nu?’ Terwijl hij zijn hoop op Nadlers hulp had gevestigd, zwierf die ongelukkige ergens rond. En hij zou wel nooit meer naar de stad terugkeren die hij zo smadelijk had moeten verlaten – en als het winter werd… Sender sloot zijn ogen. ‘Barmhartige God,’ kreunde hij, ‘u had me beter kunnen laten sterven in plaats van dat mee te maken! Maar nee,’ mompelde hij meteen daarop, ‘dat is zondig. Maar wat moet er nu van mij worden?’

Hij hoorde zijn naam roepen. Het was de marschallik, die nu met zijn dochter op weg was gegaan. Sender zwaaide naar hem en probeerde snel door te lopen. Maar hij kon niet zo snel lopen als hij wilde; de pijn bij het ademen hinderde hem. ‘De opwinding!’ dacht hij. ‘De dokter heeft ervoor gewaarschuwd!’ Hij sloeg de volgende zijweg in en liep het stadje weer uit. In het eerste graanveld dat hij bereikte ging hij liggen en sloeg zijn handen voor zijn gezicht. Niets zien, niets horen en alleen zijn…

Zo lag hij daar in doffe wanhoop. Wild ruiste het bloed in zijn oren en zijn longen snakten naar lucht. ‘Het is weer net als bij de rabbi,’ dacht hij. ‘Maar wat maakt het uit?’

Toch kwam hij overeind en knoopte zijn jas open om meer lucht te krijgen. ‘Nee,’ mompelde hij voor zich uit en zette zijn tanden op elkaar, ‘ik moet flink zijn, ik heb nu niemand meer behalve mezelf… Maar,’ kreunde hij, ‘wat moet ik beginnen, wie kan me raad geven, wie kan me helpen?’

Het besef van zijn hulpeloosheid overmande hem; hij voelde zich zo ongelukkig, zo eenzaam en zo meelijwekkend! Plotseling sprongen de tranen in zijn ogen en hij begon hevig te huilen. Verbijsterd snikte hij het uit en drukte zijn gloeiende voorhoofd tegen de koele, vochtige aarde van de akker.

Zo ging er geruime tijd voorbij. Zijn adem werd geleidelijk rustiger, zijn tranen vloeiden rijkelijk, maar mild. Nu hij uitgehuild was, kon hij weer rustiger denken. ‘Die boeven!’ had het meisje gezegd, ‘misschien logen ze wel!’ Maar nee: daar hoefde hij nauwelijks op te hopen. Ze konden Nadler zwartgemaakt hebben, omdat hij er stiekem vandoor gegaan was, maar wat veranderde dat aan de zaak? Het gezelschap was opgeheven, Nadler was brodeloos – het klonk niet onwaarschijnlijk, want hij had zelf geschreven dat er in Czernowitz niet genoeg publiek was voor de hele winter – nu was het er ook niet voor die paar weken… En als het geen vijftig gulden was, maar meer, gaf dat ook geen troost.

Hij steunde zijn hoofd op zijn hand. ‘Maar kan het niet zijn,’ dacht hij, ‘dat Nadler ze weggejaagd heeft? Misschien waren dat juist de slechtsten van zijn mensen, en die spreken uit wraak nu kwaad van hem. Kon ik maar met een van hen praten, dan kwam ik de waarheid wel aan de weet. Misschien zwerven ze nog ergens in de buurt rond en misschien komen ze zelfs hierheen… Nee, dat niet, want wie gaat hier nu naar het theater? In Chorostkow zijn veel militairen, maar hier – die drie officieren van de intendance… Misschien weet het meisje daar iets van, en misschien ga ik zelf wel naar haar toe om haar uit te horen…’

In het stadje sloeg de klok van het klooster. ‘Vier uur!’ Geschrokken kwam hij overeind en rende terug naar het stadje. ‘Gelukkig is het vandaag maandag,’ dacht hij, ‘dan komen er niet veel mensen.’

Inderdaad hadden er die middag maar twee mensen ingezet: hij kon het zien in het boek. Desondanks ging zijn baas flink tekeer.

‘Vijfenveertig briefjes heb ik moeten schrijven,’ jammerde hij, ‘en het verzoekschrift is nog niet geschreven, terwijl er haast bij is. Om uit je vel te springen! Betaal ik je daarvoor zeven gulden?’

 

pani: “meneer” in het Pools.

 

Hoofdstuk 19

Het was al laat op de avond, toen Sender het verzoekschrift met veel moeite en zeker niet zonder een hoop fouten af had; desondanks ging hij niet naar huis, maar naar zijn vroegere baas, de koetsier. Zijn hoofd stond weliswaar niet naar vrolijk gezelschap, maar Simche was vriend en buurman van de marschallik, en misschien trof hij Jütte daar. En hij moest het meisje spreken om meer van haar te weten zien te komen.

De warme dag was, zoals zo vaak in de grote vlakte, abrupt gevolgd door een koele avond; heel Barnow ging zijn bedompte huis uit om in het licht van de maan een wandelingetje te maken op straat. Overal elders waar mensen wonen hoor je op zulke avonden liederen, rumoer en gelach. De zware last van de dag is afgeschud en niet alleen de borst, maar ook de ziel ademt in de koelte gemakkelijker en dieper. Anders is het bij dit volk, dat op zijn lijdensweg over de aarde het meest verkwikkende: de onbekommerde overgave aan het ogenblik, voorgoed verloren heeft. De zin in het leven ontbreekt; anderen kunnen niet zomaar treuren, terwijl de jood uit het Oosten niet zomaar blij kan zijn. Wat hielden de mensen zich stil! Een enkele keer neuriede een man halfluid een melodie uit de synagoge voor zich uit, maar verder klonk er alleen ingehouden gepraat en soms gedempt gelach uit een groepje mannen of onderdrukt gegiechel van meisjes. Want niet alleen in het godshuis, maar ook op straat en bij ieder amusement zijn de seksen streng gescheiden. Hier stonden vrouwen en daar mannen op een kluitje, meestal rond iemand die grappen of een roddelverhaal ten beste gaf; daarentegen liepen de jonge mensen gearmd in lange rijen heen en weer, maar geen jonge man waagde het bij de meisjes aan te haken, en waar de rijen elkaar ontmoetten en voor elkaar opzij moesten, passeerden ze elkaar zwijgend en verlegen. Alleen voor de poorten van de huizen ging het ongedwongener toe: die ruimte hoorde immers tot op zekere hoogte nog bij het huis.

Met snelle passen en gebogen hoofd liep Sender door; als iemand hem riep, mompelde hij een groet en ging haastig voorbij. Maar toen hij het huis van de voerman bereikte, wachtte hem een teleurstelling: daar zaten naast de huisgenoten ook de marschallik en zijn vrouw, een dikke, opgewekte oude vrouw, terwijl Jütte nergens te zien was.

‘Als je over de duivel spreekt, trap je op zijn staart!’ riep de marschallik hem tegemoet. ‘Daarnet was Luiser hier en we hadden het over je. Tuitten je oren niet? Allemaal roddelpraat!’

‘Zo?’ zei Sender losjes, om maar iets te zeggen.

‘Zo?’ aapte de marschallik hem na. ‘Doe niet alsof het je niets kan schelen. Je zou je tenminste kunnen schamen, als het werkelijk zo was… Luiser zegt dat je nu al beter kunt schrijven dan Dovidl; als je, zegt hij, ijverig de Duitse wetten studeert, kun je al over twee jaar een eigen zaak beginnen. De wetten – luister je?’

Sender gaf geen antwoord. ‘Dat zou net iets voor mij zijn,’ dacht hij grimmig.

‘Nou?’ riep Türkischgelb ongeduldig, ‘waarom geef je geen antwoord? Ik heb het idee dat je vandaag niet in je gewone doen bent. Waarom ben je er vanmiddag als een idioot vandoor gegaan?’

‘Ik voelde me niet lekker,’ mompelde Sender. ‘Door de hitte.’

‘Zo? Weet je wat mijn Jütte dacht? “Hij schrok toen ik over de toneelspelers vertelde, en daar zit wat achter!” En mijn Jütte –‘

‘Is heel pienter,’ vulde Sender geërgerd aan. ‘Wat zou erachter moeten zitten?’ Mismoedig ging hij zitten; nu kon hij hen ook bij een volgende gelegenheid niet meer onbevangen uithoren.

Maar hij zou nog diezelfde avond alles horen wat ze daarover wist. Even later kwam Jütte met de dochter van de voerman bij de groep zitten. Het gesprek kwam natuurlijk op het leven in Chorostkow en Jütte meende trots, dat Barnow wel wat meer inwoners had, maar dat ze hier toch het gevoel had of ze in een dorp beland was. Maar van de dingen die het leven in Chorostkow aangenaam maakten, noemde ze ook de concerten van de huzarenkapel in de kasteeltuin en het theater.

De vrouwen wisten niet wat dat woord betekende, maar de marschallik vertelde dat er dertig jaar of nog langer geleden ook in Barnow een toneelgezelschap was geweest. ‘Maar die heeft ons in het land dan ook zo’n reputatie bezorgd, dat niemand meer hier durfde te komen, en die arme mensen zijn bijna verhongerd. Want onze rabbi Manasse, die toen nog heel jong was, maar zo mogelijk nog strenger dan nu, verbood iedereen om erheen te gaan.’

‘Ik begrijp niet hoe je zoiets verbieden kunt,’ zei Jütte. ‘Is het dan tegen Gods wil om te praten, te lachen en te huilen? En wat brachten ze een mooie spelen!’

‘Vertel er eens wat over,’ moedigde haar moeder haar aan, die heel trots was dat haar dochter zo goed uit haar woorden kon komen.

‘Bijvoorbeeld het spel over de rovers,’ zei Jütte. ‘Dus – twee broers, de een is slecht en een grootgrondbezitter en de ander is goed en een rover –‘

‘Andersom, kind,’ verbeterde haar moeder.

‘Nee, zo is het. De goede is namelijk alleen maar rover geworden om de mensen te helpen. Het spel is opgeschreven door een zekere Schiller, zegt mijn vriendin Malke.’

‘Een mooie manier om mensen te helpen,’ lachte Simche. ‘Was die Schiller dan ook bij dat gezelschap?’

‘Nee, die arme man is al dood, zegt Malke. En die weet immers alles. Maar het spel over de verliefde kleermaker vond ik nog leuker. Fips heet hij op zijn Duits. Door een gat in de muur wordt zijn bruid ontvoerd. Ik moet nog lachen als ik eraan denk hoe meneer Stickler toen mekkerde. Zo heet die grappenmaker namelijk. Een echte boef trouwens. De hele dag was hij dronken en hij ging er ten slotte vandoor zonder reb Hirsch de rekening te betalen. En de vrouwen! Goed dat ze zelf weggingen, anders had reb Hirsch ze eruitgegooid.’

Ze bloosde en viel stil.

‘Je kunt je wel voorstellen wat een gajes dat is,’ zei Simche. ‘De mensen die met leeuwen en slangen rondtrekken zijn fatsoenlijker, schijnt het. Die hebben tenminste iets.’

Maar zijn vrouw zei: ‘Ik zou toch graag eens zo’n spel zien. Misschien komen ze hier.’

‘Ik denk het niet,’ zei Jütte. ‘Vanuit Chorostkow zijn ze naar Kolomea getrokken en vandaar wilden ze naar Zevenburgen.’

Het gesprek nam een andere wending en kort daarop ging het gezelschap uit elkaar. Met bitterheid en pijn in zijn hart liep Sender naar huis. Ook deze hoop was dus vervlogen, want hij kon de mensen toch niet op goed geluk naar Zevenburgen volgen? Die nacht kon hij de slaap niet vatten.

Het daglicht gaf hem weer moed; met innige vroomheid sprak hij het morgengebed uit. ‘Ik heb er nog maar twee waarop ik bouwen kan,’ dacht hij, ‘Hem en mezelf. Maar als ik mezelf niet in de steek laat, doet Hij het ook niet. De hoofdzaak is: verder werken en aan de boeken zien te komen. Het mag dan misschien geen goede broodwinning zijn, want anders was een speler als Nadler er niet om vijftig gulden vandoor gegaan, maar ik wil liever daarin kapotgaan dan ergens anders rijk worden.’

Vandaag waren er geen verzoekschriften te schrijven. Het was dinsdag, de dag van de weekmarkt en tevens de laatste dag van de wekelijkse collecte, waar het meeste ingezet werd en daarom had hij er geen tijd voor. Nauwelijks had hij de winkel geopend of de boeren kwamen om van hun zuurverdiende groschen af te raken.

Maar dat ging niet zo snel. De meesten wilden van tevoren advies en hulp bij de juiste keus van de nummers. De eerste die voor Senders tafel stond was meteen al een bekende klant, die hem in de regel een halfuur kostte. Een rijzige boer, de dorpsrechter van Miaskowka, die in zijn omgeving als heel slim bekendstond.

‘En, Senderko,’ begon hij vertrouwelijk fluisterend, zoals altijd, ‘regelen we het vandaag onder elkaar?’

‘Nee,’ antwoordde Sender kortaf, ‘dat kan niet.’

‘Waarom nou niet? Ik zal je echt niet verraden! En we spreken ook niets met elkaar af. Ik tel mijn dertig kreuzer neer – zo! – en jij schrijft drie nummers op die’ – hij gaf een sluwe knipoog – ‘je zomaar te binnen schieten, en jij krijgt de helft van de winst.’

De rechter was namelijk van mening dat het alleen van Sender afhing, welke nummers hij woensdagochtend na de trekking op de deur plakte. De schrijver had hem tot dan toe rustig in die waan gelaten en hem altijd alleen verzekerd dat zoiets tegen zijn geweten inging. Hij vond het leuk om te zien op welke manieren de rechter dan zijn twijfel probeerde weg te nemen. Vandaag zei hij kortaf: ‘Wees niet zo dom, rechter! Als ik wist welke nummers uit zouden komen, was ik allang een rijk man en dan zat ik hier niet meer.’

De boer keek hem verbluft aan.

‘Betekent dat,’ zei hij aarzelend, ‘dat je het me nooit gaat vertellen?’ Zijn gezicht werd hoogrood van woede en hij sloeg op het muurtje. ‘Dan plegen jullie hier bedrog, rotjoden! Bedrog! Voor dertig kreuzer zo’n rotbriefje!’

Op dat rumoer kwam Morgenstern af.

‘Idioot!’ voer hij tegen Sender uit, nadat hij gehoord had wat er aan de hand was, ‘is dat de manier waarop jij voor de zaak zorgt?’

Vervolgens wendde hij zich tot de boer.

‘Meneer de rechter,’ fluisterde hij smekend, ‘ik vertel u welke nummers we morgen aanplakken. Het kan zijn dat meneer de districtsvoorzitter andere nummers wil – maar anders wint u in ieder geval. En ik ben al met een kwart van de winst tevreden.’

‘Dat klinkt al anders,’ zei de boer bedaard en gaf zijn inzet. ‘Maar ik laat me niet bedriegen en al helemaal niet door zo’n jonge pummel!’

‘Dat begint al goed,’ dacht Sender zuchtend en besloot nog extra voorzichtig te zijn. Gelukkig was er onder de andere klanten niemand die de rechter van Miaskowka in sluwheid evenaarde. Die boeren en kleine burgers wilden alleen maar weten of nu “de wind meer naar even of meer naar oneven woei”, of ze dus beter 15 en 43 of 16 en 44 konden inzetten of, nog vaker, of “de wind laag, in het midden of hoog woei”, dat wil zeggen of ze de getallen tussen 1 en 30, 31 en 60 of 61 en 90 moesten kiezen. “De wind” – de hemel mocht weten wat ze daarmee bedoelden en het was hunzelf waarschijnlijk net zo duidelijk als Sender, die de wind afwisselend door alle drie de gebieden liet waaien. Weer anderen vertelden hun dromen en kozen de nummers die daaraan beantwoordden; voor dat doel lag hier, net als in iedere lottocollecte in het Oosten, een dromenboek op tafel. Sender dacht de mensen niet te benadelen, als hij het niet eerst opensloeg.

‘Dus,’ zei hij tegen de kokkin van de pastoor van Barnow, ‘u hebt van een kuip vol geld gedroomd: 7, van een korporaal: 23, en een hond heeft u in uw kuit gebeten: 50. En u?’ vroeg hij een oude boerin.

‘Van een zwarte kip heb ik gedroomd,’ antwoordde ze, ‘en dat een jonge man lief voor me was.’

‘3 en 32. En wat nog meer?’

‘En dat ik in de kerk in slaap viel.’

’50… En u, mevrouw?’

De vraag was gesteld aan de vrouw van de stedelijke houtvester, mevrouw Theodora Putkowska, die om haar kwaadaardige tong wel de adder van Barnow genoemd werd.

‘Een roze zijden jurk,’ fluisterde ze hem toe. ‘Dat is het enige wat ik gedroomd heb, maar meer dan één keer…’

’50!’ antwoordde Sender.

‘Wat?’ riep ze en gooide het briefje dat hij haar aanreikte terug. ‘Schande! Is een roze zijden jurk hetzelfde als door een hond in je kuit gebeten worden of in de kerk in slaap vallen? Allemaal 50! Dat is bedrog…’

Ontzet besefte Sender dat hij het getal dat hem sinds gisteren, omdat hij de hele tijd aan Nadlers lot moest denken, het meeste bezighield, iets te vaak gebruikt had. ‘Mag ik het even nakijken?’ vroeg hij geschrokken en pakte het dromenboek.

Het was te laat: Morgenstern was al verschenen om de zaak in orde te brengen. Het regende klachten en scheldpartijen aan het adres van de schuldige. ‘Je wilt me tot de bedelstaf brengen!’ schreeuwde Morgenstern, ‘maar voor die tijd jaag ik je weg!’

‘Hoe krijg ik hem weer rustig?’ dacht Sender, nadat de winkel leeggestroomd was. ‘Hij moet me immers het adres van de boekhandelaar geven.’ Hij ging voor zijn baas staan. ‘Als u werk voor me hebt: ik heb net tijd.’

Dovidl keek hem wantrouwig aan. ‘Wat ben je opeens ijverig!’ zei hij.

‘Het is ook de verveling,’ zei Sender. ‘Ik heb immers niets te lezen. En ik wou u vragen –‘

‘Dat ik je iets van de wetten geef?’ vroeg de juridisch adviseur met een loerende blik en wees naar de boeken die voor hem lagen.

‘Nee,’ antwoordde de klerk. ‘Ik wil een grammatica uit Lemberg laten komen, misschien ook een leesboek, vertelt u me hoe ik dat moet doen?’

Rood van woede sprong Morgenstern op uit zijn stoel.

‘Schaam je!’ riep hij. ‘Zo jong en dan al zo verraderlijk! Denk je dat ik niet weet wie daarachter zit? Die goede Luiser! Die zegt de hele tijd: “Je moet de wetten leren, dan kun je Dovidl zijn werk afpakken.” En nu moet ik je vertellen hoe je aan de boeken moet komen!’

‘Nee!’ riep Sender. ‘Ik zweer u…’

‘Ik wil er geen woord meer over horen… Wat een ondankbaarheid…’

‘Maar gebruik toch uw verstand!’ riep Sender heftig. ‘Als Luiser erachter zat, zou hij het me toch meteen zelf kunnen vertellen?‘

‘Maar hij weet het niet! Is hij ooit in Lemberg geweest? Nee, nee, zo makkelijk houd je me niet voor de gek!’

Mismoedig ging Sender weer aan de schrijftafel zitten. ‘Dan vraag ik het Luiser echt,’ dacht hij. ‘Die komt vandaag vast wel.’

Inderdaad kwam de gemeenteschrijver kort voor het middaguur binnen, zoals iedere vrijdag en dinsdag. Hoezeer Dovidl hem ook haatte, hij liet zich de bezoeken graag welgevallen. Luisers inzet was zeer aanzienlijk, omdat hij het hoofd van een speelclub was. De leden wilden de regering niet bedriegen, maar er ook niet door bedrogen worden. ‘We laten ons niet wijsmaken,’ zeiden ze, ‘dat de nummers in Lemberg door een weesjongen getrokken worden. Die weesjongen draagt een bril en een lange baard en kijkt van tevoren alle lijsten na. De nummers die het minst bezet zijn worden natuurlijk getrokken, dat er zo weinig mogelijk winst uitgekeerd hoeft te worden.’ Nu konden ze natuurlijk niet over alle lijsten van het land beschikken, maar ze spanden hun netten zover ze konden: iedere vrijdag werden de lijsten doorgekeken, de resultaten schriftelijk uitgewisseld en dan dinsdags verwerkt. Geen teleurstelling kon de overtuiging van deze vreemde kartelbroeders dat alleen zij op de juiste weg waren aan het wankelen brengen. Ook Luiser Wonnenblum telde het stapeltje biljetten van een gulden zo vrolijk voor Sender neer of God zelf hem de winst gegarandeerd had. Maar nog vrolijker stond zijn gezicht, toen Sender hem naar de boekhandelaar vroeg.

‘Goed zo!’ fluisterde hij. ‘Je hoeft die boekhandelaar niet eens te schrijven. Ik stuur je de wetten wel via mijn neef in Lemberg.’

Sender bedankte hem, maar zei dat dat niet nodig was. ‘Doet u geen moeite, vertelt u me alleen hoe die boekhandelaar heet.’

‘Dat weet ik niet. Maar zoals gezegd, mijn neef…’

Toen Sender dat beslist afwees, verliet Luiser stomverbaasd de winkel. ‘Denkt hij misschien,’ dacht hij, ‘dat ik eraan verdienen wil? Helemaal niet: het is voor mij al voordelig genoeg als Dovidl en Sender met elkaar overhoopliggen.’

Sender schreef echter direct aan de Duitse boekhandelaar in Lemberg en bestelde de boeken onder rembours. De juiste titels wist hij niet, maar dat was voor iemand die ze verkocht misschien ook niet nodig.

Toen hij de brief in de bus van het postkantoor deponeerde, trof zijn blik de brieven die boven het loket uitgestald waren. Aan de heer theaterdirecteur NadlerGoede hemel! Dat was zijn brief, waarop hij zo vurig antwoord wilde hebben, en die was als onbestelbaar teruggestuurd!

De postmeester bekeek Sender glimlachend, toen die de brief terugvroeg: ‘Jongen, wat heb jij voor kennissen? Die brief ligt er trouwens al een maand.’ Op de achterkant stond Retour. Geadresseerde onbekend.

Senders hart kromp ineen. Nu hoefde hij het niemand meer te vragen. Die meneer Stickler en de anderen hadden niet gelogen…

Hij was nu werkelijk helemaal alleen en zijn weldoener was gevlucht, want waarom had hij anders geen adres achtergelaten? ‘Die arme man,’ mompelde hij, ‘om vijftig gulden!’ En behalve medelijden met Nadler kreeg hij ook weer medelijden met zichzelf.

Maar nu hoefde hij niet meer te huilen. Toen zijn moeder bij het middageten bezorgd vroeg waarom hij zo bleek en treurig was, trok hij zelfs een vrolijk gezicht.

 

groschen: 1/20 van een gulden.
De rovers: toneelstuk (1781) van Friedrich Schiller.
Kleermaker Fips: komedie van August von Kotzebue (1761-1819).

 

Hoofdstuk 20

Even dapper probeerde hij ’s middags zijn werk in de collecte te doen. Het was het moeilijkste moment van de week. De winkeldeur stond niet stil en tussendoor moest de hele lijst overgeschreven worden om voor de laatste buslichting van zeven uur naar Lemberg verzonden te worden. Want op woensdagochtend was de trekking al in Lemberg en de nummers werden direct telegrafisch aan alle collecteurs doorgegeven; een tijdige levering van de lijst was voor de overheid dus de enige garantie tegen misbruik.

Na zessen – Sender had de envelop al geschreven en stond op het punt de lijst te ondertekenen – kwam de heer von Wolczynski de winkel binnen.

‘Ik was er gisteren niet,’ zei hij, ‘want met Huszkiewicz wil ik niets meer te maken hebben. Die methode van hem – haha! is pure dwaasheid. Jij bent slim, Senderko, of niet soms?’

De schrijver keek een beetje bevreemd op: zo amicaal was de heer von Wolczynski anders niet. Daarop haalde hij met een diplomatiek glimlachje zijn schouders op.

‘Wij begrijpen elkaar,’ riep de edelman en klopte hem vertrouwelijk op zijn schouder. ‘Goed: ik zet op eigen houtje in, nummers die ik zelf heb uitgerekend. Hier: honderd gulden!’ Hij legde het bankbiljet neer. ‘Het kan toch nog?’

‘Jazeker,’ zei Sender bereidwillig en legde het biljet in de kassa. Het was de hoogste inzet die hij ooit genoteerd had. ‘De nummers, alstublieft.’

Wolczynski greep in zijn vestzakje. ‘Hier heb ik het papiertje.’ Maar het was er niet. Hij zocht in zijn rok, in zijn broek, maar het papiertje was niet te vinden. ‘Verdomme!’ riep hij, ‘wat nu? Heb ik nog tijd om het thuis te gaan halen?’

‘Nee,’ antwoordde Sender. ‘Over tien minuten moet de lijst op het postkantoor zijnn.’

‘Maar ik kan mijn geluk toch niet mislopen?’ riep de edelman ontdaan. Maar meteen klaarde zijn gezicht op. ‘Wacht!’ riep hij. ‘Het simpelste bedenk je altijd het laatste. Jij schrijft zowel in de lijst als op mijn briefje alleen de inzet en je geeft ze allebei aan mij; ik ga gauw naar huis, vul ze in en breng de lijst nog op tijd naar het postkantoor. Weet je, de postmeester is een goede vriend van me – ik sta ervoor in. Is dat niet het makkelijkste voor ons beiden?’

Sender werd bleek. ‘Schurk die je bent!’ dacht hij. Maar hij zei alleen maar: ‘Dat is wel makkelijk, maar ook gevaarlijk!’ Hij haalde de honderd gulden tevoorschijn en schoof die naar de edelman.

‘Gevaarlijk?’ lachte Wolczynski. ‘Wees toch verstandig! Hier heb je tien gulden fooi, en als ik win, krijg je twintig procent van mijn winst.’

Ook dat geld schoof Sender terug. ‘Twintig procent van uw winst?’ vroeg hij. ‘Dat is te veel voor mij, dat is twee jaar tuchthuis!’

‘Hoezo?’

‘Heel eenvoudig. Ze vinden uw briefje pas morgen, nadat het telegram aangekomen is. De lijst gaat morgenmiddag weg. Als ze in Lemberg merken dat de verzending vertraagd is, dan bedraagt uw winst tien jaar tuchthuis.’

‘Kerel!’ zei de omkopingsagent woedend, ‘hoe kun je –‘

Op dat moment hield hij in. De deur werd haastig opengetrokken: het was Jossele Alpenroth. ‘Is er – nog – tijd?’ hijgde hij moeizaam en hield Sender twee gulden voor.

Wolczynski had zijn geld weer bij zich gestoken.

‘Adieu, Senderko!’ zei hij weer heel vriendelijk. ‘We spreken elkaar nog. Dat was natuurlijk een misverstand!’

‘Natuurlijk!’ riep Sender hem na en pakte toen haastig zijn pen. ‘Snel, meester. Twee gulden dus. Terne. Welke nummers?’

‘5, 63, 88. Die kreeg ik vannacht in mijn droom. De hele dag heb ik met mijn vrouw overlegd of ik in zou zetten of niet. Uiteindelijk vond ze het goed.’

Sender luisterde niet naar hem. In grote haast schreef hij de nummers op een briefje en in de lijst, ondertekende die, vouwde de envelop dicht en rende naar het postkantoor, waar hij de zending nog net kon inleveren.

Hij was erg moe en voelde de doorwaakte nacht nog in zijn hele lijf, en daarom ging hij direct naar huis en lag al gauw in een diepe slaap in zijn kamer.

Hij zou er ruw uit gewekt worden. Er werd op zijn deur geklopt. ‘Opstaan!’ hoorde hij zijn moeder angstig roepen. ‘Reb Dovidl is hier: er schijnt iets niet te kloppen in de zaak.’

‘Wolczynski!’ dacht hij ontzet en maakte licht. Het was nog geen tien uur. Haastig schoot hij zijn kleren aan. Maar wat kon de edelman hem maken? En nu hoorde hij beneden ook een bekende stem roepen: ‘Als hij me dat geld niet teruggeeft, dan krijgt hij met mij te maken!’ Dat was Jossele Alpenroth.

‘Wat wil die?’ vroeg Sender zich verbaasd af. Maar toen hij de huiskamer inging, werd het hem direct duidelijk. Reb Dovidl stoof op hem af en hield een loterijbriefje onder zijn neus. ‘Lees maar!’ schreeuwde hij.

Sender las: ’50, 63, 88. Terne. Twee gulden voor de trekking van morgen. – Wat is er aan de hand? Dat briefje is in orde.’

‘In orde?’ kraaide Dovidl en draaide driemaal in de rondte.

‘In orde?’ riep Jossele en greep Sender bij zijn borst. ‘Ik zei 5 en niet 50, God sta me bij!’

‘Dat is mogelijk,’ mompelde Sender ontdaan. Dat nummer was hem voor de tweede keer op één dag noodlottig geworden.

‘Mogelijk?’ schreeuwde Dovidl. ‘Zeker! Ben je vandaag gek geworden met je vijftig? O, kon ik je maar een pak op je donder geven! Wil je die twee gulden even vergoeden of niet? Zo niet, dan hoef je niet meer in de winkel te komen en dan dien ik namens reb Jossele een aanklacht tegen je in.’

‘Ik vergoed ze,’ zei Sender en schudde het mannetje af. ‘U hoeft niet te dreigen. Het is mijn plicht. Ik haal het geld.’

‘Van je zuurverdiende loon,’ snikte zijn moeder achter zijn rug. ‘Wat twee gulden voor ons betekenen! O, wordt hij dan nooit verstandig?’

Sender reikte zijn voormalige patroon het geld aan en nam het briefje aan. ‘Zo, dat is nu van mij.’

‘Ja!’ zei de horlogemaker. ‘Dat briefje is van jou! Maar als morgen 5, 63, 88 uitkomt, klaag ik je aan om de driehonderd gulden winst. Reb Luiser zegt dat hij gratis voor me wil procederen, omdat het niet te verliezen is.’

‘Wat?’ riep Morgenstern. ‘Wat?’ herhaalde hij in opperste verontrusting. ‘U haalt me uit mijn bed en ik moet in het holst van de nacht met u mee om deze arme drommel die twee gulden afhandig te maken, hoewel u helemaal niet bewijzen kunt dat u niet 50, maar 5 gezegd hebt – en u laat uw processen door Luiser voeren? Hahaha! Dan bent u aan het goede adres! Procedeer maar: wij zijn niet bang. Want ik vertegenwoordig mijn Sender, begrijpt u? Die vertegenwoordig ik!’

‘Maar reb Dovidl,’ zei de horlogemaker in een poging hem te kalmeren. ‘Als reb Luiser me vertelt –‘

‘Eruit!’ riep de juridisch adviseur. ‘Juffrouw Rosel, en jij, beste Sender, ik hoop dat jullie me toestaan dat ik deze man jullie huis uit gooi. Weten jullie wat hij zei toen we hierheen gingen?’ “Ik zal blij zijn met die vergissing,” zegt hij, “als ik daardoor mijn geld terugkrijg. Ik was er te snel bij,” zegt hij, “om zoveel in te zetten, en mijn vrouw staat verschrikkelijk te kijven.” En nu hij zijn geld heeft, wil hij Luiser laten procederen! Schiet op en ga u schamen!’

De horlogemaker deed wat hem bevolen werd: met gebogen hoofd sloop hij het huis uit en achter hem aan liep de verontwaardigde Dovidl, trots en dreigend als een wraakengel…

Toen moeder en zoon de volgende ochtend samen aan de ontbijtsoep zaten, begon juffrouw Rosel: ‘Wat je toch allemaal meemaakt, Paljas! Nu speel je in de loterij, zonder ingezet te hebben!’

‘En uiteindelijk win ik nog die driehonderd gulden! Wat zou je dan zeggen, moeder?’

‘Ik zou er niet om rouwen,’ antwoordde ze. ‘Maar hoop er maar niet op. Dat zou een wonder zijn.’

‘Geen wonder,’ antwoordde hij, ‘maar hetzelfde toeval dat ik nu zo vaak te zien krijg. Vijfhonderd mensen of meer zetten iedere week in en drie of vijf daarvan winnen. En die komen niet op een verstandiger manier aan hun nummers als ik aan de mijne. Waarom zou ik toevallig niet winnen? Maar rustig, moeder, hoop is niet genoeg om een huis van te kopen.’

Inderdaad dacht hij er nauwelijks meer aan en zat ’s morgens ijverig aan een nieuw verzoekschrift te werken, toen de telegrambezorger binnenkwam. Tegelijkertijd kwam Morgenstern binnenstuiven.

‘En?’ vroeg hij, toen Sender het telegram vluchtig doorlas. ‘Heb je gewonnen?’

‘Ja,’ mompelde Sender met zwakke stem en zakte half verdoofd weer op zijn stoel, ‘ja: ik heb gewonnen!’

‘Geen geintjes!’ riep Dovidl en rukte het vel uit zijn hand. Maar er stond: 8. 36. 50. 63. 88.

Het nieuws van Paljas’ geluk ging als een lopend vuurtje door het stadje en wekte minder jaloezie dan gebruikelijk in dergelijke gevallen, niet alleen omdat Sender geliefd was en arm, maar ook omdat de mensen tegelijkertijd reden hadden voor een ander, aangenaam gevoel: leedvermaak over Jossele Alpenroth. De kleine horlogemaker brieste van woede en rende naar Luiser om meteen een aanklacht in te dienen. Die was daar zonder aarzelen toe bereid, als Jossele tenminste de onkosten vergoedde. ‘Want de 50 is uitgekomen,’ zei hij, ‘en dan is de uitslag onzeker.’ Maar toen Jossele verklaarde dat hij zijn goede geld daar niet aan uitgaf, was de gemeenteschrijver ook eerlijk genoeg om te zeggen: ‘U had ook niets bereikt.’

Op hetzelfde moment zaten moeder en zoon bij elkaar in het tolhuis, hand in hand, maar zwijgend. Senders vreugde was bijna even sterk als twee dagen tevoren het verdriet; zijn keel zat dicht en hij kon nauwelijks ademhalen en niet helder denken.

‘Dat heeft God gedaan,’ zei zijn moeder. ‘O, het is zoals geschreven staat: Hij hoort waar ons hart ’s nachts om smeekt. Hoe vaak heb ik hem niet aangeroepen: “Sender is ziek en zijn hoofd staat niet naar geldverdienen: zorgt U voor hem, als ik er niet meer ben.” Nu is er voor je gezorgd. Maar laten we Hem ook niet vergeten. Zijn opdracht is: een tiende voor de armen. Dertig gulden is veel geld en ik heb dat al vijfentwintig jaar niet bij elkaar gezien, maar dat offer moeten we toch offeren, nietwaar?’

‘Jazeker, moeder,’ zei hij instemmend. Of ze gelijk had, of God werkelijk ook de winsten in de lotto bepaalde – hij wist het niet. Hoe vaak had hij de afgelopen weken geen welgestelde mensen zien winnen, terwijl armen die hun laatste geld geofferd hadden met lege handen naar huis gingen. Maar hij vatte het toch op als een teken dat de hemel hem en zijn plannen steunde. Wat was het bereiken van zijn doel een stuk gemakkelijker geworden! Hij hoefde nu niet langer in Barnow te blijven dan hij wilde en in de herfst, als de theaters in de grote steden weer opengingen, wou hij weg, niet meer naar Czernowitz, maar naar Lemberg, waar een nog groter theater was. Nu had hij geen weldoener meer nodig die in zijn onderhoud voorzag, maar hij kon leven en zelfs zijn leraren betalen, tot hij zelf als toneelspeler een inkomen had. Hij had nu zoveel, zo verschrikkelijk veel geld – ook voor zijn moeder kon hij daarvan wat achterlaten. Ja, naar Lemberg – tenzij Nadler intussen iets van zich liet horen en hem ergens anders naartoe liet komen. Want hem wilde hij trouw blijven en ook eerlijk met hem delen, als die edelmoedige man nog steeds in nood verkeerde.

‘Waar blijft de marschallik nu?’ zei zijn moeder. ‘Nu,’ vervolgde ze lachend, ‘zal hij wel andere kandidaten voor je weten dan ouwelijke weduwen en gebochelde meisjes. En als er iets goeds bij is, zul je toch geen nee zeggen?’

Sender drukte zwijgend haar hand. Ja zeggen kon hij niet en nee zeggen wilde hij niet. Moest hij nu haar plezier bederven, het eerste dat haar na lange, lange tijd weer gegund was?

‘En wat denk je nu te gaan doen?’ vroeg ze. ‘Ik bedoel, je blijft voorlopig bij Dovidl, tot je iets passends vindt. Maar ik wil je niet vertellen wat je moet doen; een welgestelde jonge man kan ook een tijdje van zijn rust genieten…’

‘Ik blijf bij hem,’ zei Sender. Het maakte hem niet uit waar hij de paar maanden tot oktober doorbracht, als hij maar tijd voor zijn studie overhield.

’s Avonds kwamen de marschallik en Simche, de koetsier, met hun gezinnen feliciteren, en juffrouw Rosel onthaalde hen feestelijk. Ze had voor een halve gans gezorgd met zelfs de hele lever, een enorme schaal gebakken aardappels en als dessert de grootste lekkernij: kaantjes, in eigen vet geroosterd en fijngesneden ganzenvel. Daarbij wittebrood en als drank honingwijn. Maar alleen de gasten waren druk en vrolijk, terwijl juffrouw Rosel er stilletjes bij zat: de vreugde was zo ongewoon! Ook haar plichten als gastvrouw vervulde ze slecht. Ze zei af en toe wel: ‘Tast maar toe, er is genoeg voor iedereen!’ of vroeg: ‘Wil je niet nog een glaasje?’ maar “aanhouden” deed ze niet, zoals het nu eenmaal hoorde. Een gastvrouw moet zich noch van het nee, noch van een afwerend gebaar van een gast iets aantrekken, maar met zachte drang of desnoods enige dwang nog eens opscheppen en zelfs zijn glas bijvullen, ook als dat veel moeite kost. Maar dat namen de gasten haar niet kwalijk, want het was het eerste feest sinds ze in dit huis woonde, en daarom speelden haar vriendinnen, juffrouw Chane Türkischgelb en mevrouw Surke Turteltaub afwisselend voor gastvrouw en deden dat heel grondig. Zelfs juffrouw Rosel werd door hen “uitgenodigd” en dat was goed, want anders had ze geen hap gegeten, en ook tegenover Sender was dat niet overbodig. Hij die bij feesten van anderen zo luidruchtig was, zat er nu stil bij en zelfs de beste grappen van zijn oude vriend maakten hem nauwelijks aan het lachen.

Natuurlijk bracht de marschallik meer dan genoeg toosts uit en vanzelfsprekend deed hij dat in knittelverzen, zoals in zijn vak gebruikelijk was. De eerste op juffrouw Rosel bracht ontroering en vroljjkheid teweeg, de tweede hilariteit, want die betrof de eigenlijke veroorzaker van dit geluk: Jossele Alpenroth. Nu was het Senders beurt om op de gasten te drinken. Maar hij zweeg. Hij die anders nog gewaagder rijmde dan de marschallik! Het was zijn verdiende loon, dat juffrouw Chane het woord nam en de redenen uiteenzette waarom Sender geen toost verdiende. En omdat het vandaag nu eenmaal de “omgekeerde wereld” was, bracht ook juffrouw Surke een toost uit in dezelfde stijl… ‘Meisjes, zet hem maar voor schut!’ riep ze tegen haar dochters Lea en Jütte. Lea giechelde verlegen, maar Jütte keek de geplaagde jongen met haar fonkelende bruine ogen vrolijk aan en riep, terwijl ze met haar mes tegen haar glas tikte en over heel haar ronde gezicht gloeide: ‘Jij of ik – je mag kiezen!’

Daarop ging hij staan en zei: ‘Beste mensen, als mijn hart minder vol was en jullie niet onze beste vrienden waren, wat zou ik dan lang praten! Maar nu zeg ik alleen maar: dank jullie wel! En wat er ook gebeurt, houd de vriendschap in stand.’

Dat was alles. ‘Wat er ook gebeurt?’ riep de marschallik. ‘Ook al win je nog duizend gulden, ik blijf je vriend!’ Ook het plagen door de anderen begon nu pas goed.

Alleen Jütte zweeg. Het was haar een raadsel hoe ze dat wist – misschien had ze het in zijn vochtige ogen gelezen – maar ze wist: ‘Deze man heeft een plan waar heel zijn hart naar uitgaat, iets groots en moeilijks. En omdat hij een goed mens is, zal het wel iets goeds zijn. Dat het hem mag lukken!’

Maar ook hem werd het vreemd te moede, toen hij haar warme, begrijpende blik ontmoette. Hij stak zijn glas naar haar uit en klonk met haar. ‘Dank je wel,’ zei hij zacht. Waarvoor? – Dat had hij niet kunnen zeggen.

 

Hoofdstuk 21

In de dagen die volgden leerde Sender ook de schaduwzijde kennen van een dergelijk geluk. Hij kon zich nauwelijks de bedelaars van het lijf houden die zich in de winkel en thuis aan hem opdrongen; ook allerlei plannenmakers liepen de deur bij hem plat: de een wilde met zijn geld een kruidenierswinkel beginnen, de ander een veehouderij en de derde een brouwerij. Vooral de financieel adviseurs bezorgden hem veel last; driehonderd gulden was – en is nog steeds – een heel kapitaal in een kleine Galicische stad. De een bood hem twintig, de ander zelfs dertig procent rente of nog meer, en er waren mensen bij die goed voor dat bedrag waren. Maar Sender bracht zijn geld naar de spaarbank, al betaalde die maar vijf procent. Zelfs zijn moeder liet dit niet zonder hevig protest gebeuren en anderen begrepen niets van zijn manier van doen. Alleen de meest gematigeden zeiden: ‘Hij is nu eenmaal een paljas, hoe zou hij dan met geld om kunnen gaan?’ Terwijl Dovidl riep: ‘Een gek – om uit je vel te springen!’

Behalve dit moeilijk uitvoerbare dreigement liet de juridisch adviseur zich tegenover zijn schrijver overigens minder gaan dan anders, want de “kapitalist” had hem nu immers niet meer nodig. Zelfs over Senders wens om elke dag twee extra vrije uren te krijgen troffen ze een minnelijke schikking, nadat hij van zijn loon één gulden opgeofferd had. Maar één incident had aan de verhouding bijna een eind gemaakt, want als het om de orthodoxie ging, kon Morgenstern niet tegen een grapje, alleen al niet om zakelijke redenen.

Toen Sender op een dag afwezig was, bezorgde de post namelijk een pakket voor hem onder rembours, waarvoor negen gulden betaald moest worden. Omdat er als afzender een boekhandelaar uit Lemberg op stond, schoot Dovidl het bedrag voor: hij wilde weten welke wetten de toekomstige concurrent in het geheim liet komen om dan op zijn gemoed te werken. Hij was aangenaam teleurgesteld toen hij na het afrekenen van een grammatica en een brievenboek, waarvan hij het nut wel inzag, louter domme dingen in het pakket aantrof; waar had een juridisch adviseur een wereldgeschiedenis, een leesboek en dergelijke dingen voor nodig? Daarnaast lag nog een dun boekje, en toen Morgenstern dat opensloeg en nog maar twee regels gelezen had, liet hij het ontzet vallen. Want die twee regels luidden: Vraag: In wie geloof je? Antwoord: In mijn Heer en Heiland Jezus Christus

Het was ontzettend, het was gruwelijk, maar onmiskenbaar: Sender was in het geheim al gedoopt of bezig met de voorbereidingen daarvan. Zo iemand kon hij niet langer onder zijn dak dulden, anders trof hemzelf de banbliksem van de rabbi. En daarom wachtte hij de komst van Sender in de hoogste staat van opwinding af en krijste toen: ‘Geef me negen gulden, pak je boeken en verdwijn… Vervloekte afvallige!’

Sender keek hem verbluft aan, trok, toen hij de samenhang doorzag, zijn portemonnee, legde de negen gulden op tafel, pakte de boeken en vroeg toen rustig: ‘Bent u echt zo bekrompen als rabbi Manasse of doet u maar alsof?’

‘Om uit je vel te springen… Sla dat boekje open… Ik raak het niet aan – dat dunne daar… Nou?’

Sender las: ‘Catechismus voor katholieke lagere scholen… Dat heb ik niet besteld.’

‘Niet besteld? Om uit je vel te springen… En wat staat er in die brief?’

Hij hield de begeleidende brief van de boekhandel onder de neus van zijn baas. De firma schreef dat de post de brief met vertraging had bezorgd en dat ze de opdracht dus nu pas hadden kunnen uitvoeren; ze hadden over de gewenste onderwerpen de meestverkochte titels gekozen en waren eventueel graag bereid om te ruilen. Wij kunnen u echter, besloot de brief, geen andere catechismus dan deze sturen, omdat wij alleen deze officiële, door het aartsbisschoppelijke ordinariaat goedgekeurde uitgave leveren, en omdat er voor zover wij weten geen catechismus voor afzonderlijke beroepen bestaat.

Nu was het Sender duidelijk. ‘Ezel,’ mompelde hij, hoewel de schuld bij hemzelf lag. Hij had een “catechismus voor een toekomstige toneelspeler” besteld.

Maar hij zei hardop: ‘Een misverstand. Ik stuur het boekje terug waar u bij staat. Is dat voldoende?’

‘Nee!’ riep de juridisch adviseur. ‘Ik moet toch weten wat er aan de hand is? Geef toch toe dat je christen wilt worden.’

Pas nadat Sender hem met de plechtigste eed gerustgesteld had, was Dovidl tevreden, als hij de brief aan de boekhandelaar tenminste mocht lezen. Maar dat kon Sender hem niet beloven; hij was van plan zijn bestelling duidelijker te herhalen en voor de verzending Fedko’s adres op te geven. Dovidl was wel de laatste die hij inzicht in zijn plannen wilde geven.

‘Neemt u maar een beslissing,’ zei hij. ‘Als mijn eed u niet overtuigt, gaan we uit elkaar. En ik ga ook, als u iemand een woord over de catechismus vertelt.’

Dovidl vloekte en jammerde, maar gaf vervolgens toe.

De volgende weken kon Sender rustig en ijverig studeren. Hij kon ongestoord doorwerken, in de openlucht, in de winkel en thuis; door de Duitse boeken kregen de mensen zelfs meer respect voor hem, want die hoorden bij zijn vak. Niet zonder ontroering ging hij af en toe naar de binnenplaats van het kasteel, waar de ongelukkige “sjouwer” hem een jaar geleden lezen had geleerd; het lot had was hem toch goedgezind, want hoeveel dichter voelde hij zich nu bij zijn doel!

Maar niet alleen om dit doel beviel het werk hem; hij verheugde zich op het onbekende, onvermoede leven dat hij nu te zien kreeg. De aarde, haar bewoners en haar geschiedenis begonnen zich langzamerhand voor hem te onthullen en hij erkende dat hij als een blinde had geleefd, of liever als een kind dat zichzelf als het middelpunt van alles beschouwde en zijn wereldje voor het enige bestaande. Omdat zijn kennis toenam, zag hij duidelijk welke enorme lacunes ze vertoonde en dat hij pas een miniem stukje wist van wat er te weten was, ja eigenlijk pas een atoom van wat hij weten moest. Maar noch dat besef, noch het instinctieve gevoel dat hij van het weinige dat zijn boeken hem leerden veel verkeerd begreep kon zijn vertrouwen vertroebelen; hij moest leraren hebben, absoluut – de echte vooruitgang begon pas in Lemberg, maar die stond voor hem dan ook vast.

Was het maar vast herfst! Hij wou dat de tijd vleugels had, want aan al die lange, warme julidagen wilde maar geen einde komen. Maar behalve door de studie werd de pijn van het wachten ook verzacht door het besef dat dit de laatste periode was waarin hij de liefde van zijn moeder met liefde kon beantwoorden. Zijn verstandhouding met haar was nu inniger en tederder dan vroeger, misschien doordat ze sinds zijn ziekte allebei veranderd waren. Zijn overmoedigheid was verminderd en hoofdschuddend dacht hij nu soms terug aan de ontelbare rare streken waarin hij een uitweg had gevonden voor zijn duistere neigingen, die nu waren uitgeraasd. De harde, verbitterde vrouw werd ook steeds zachter en was nu in de zonneschijn van het geluk bijna vrolijk geworden. Hij kreeg wel het idee dat deze lichtere stemming al weer wat betrokken was: ze zuchtte af en toe en staarde urenlang peinzend in het licht van de lamp. Maar hij dacht de reden te weten, want de marschallik kwam weer vaak langs en dan zaten ze vaak lang met elkaar te fluisteren; blijkbaar werd er weer over een nieuwe kandidaat onderhandeld, en deze keer leek Morgenstern er ook bij betrokken te zijn, want ook die verscheen af en toe in het tolhuis of juffrouw Rosel ging naar het Prifee Agentschap. Binnen werd dan zo zacht gesproken, dat hij er geen woord van verstond, maar hij was niet nieuwsgierig; hoe de bruid ook heette, de moeite was vergeefs.

Vervelender vond hij het dat hij die Catechismus nog steeds niet ontvangen had; de boekhandelaar schreef hem uiteindelijk dat hij het boek zonder een juiste opgave van de titel niet te pakken kon krijgen. Maar ook dat was niet zo heel erg, dan moest hij augustus en september op een andere manier gebruiken. Nu was hij zover dat hij Nadlers advies kon opvolgen en de werken van Lessing en Schiller kon gaan lezen, en die stonden hem in de bibliotheek van het klooster ter beschikking.

Zijn vriend Fedko was niet moeilijk te vinden: hij zat nog steeds iedere avond in zijn stamkroeg. De oude man was oprecht geroerd, toen Sender hem zijn plan voorlegde.

‘O, ik voelde het al,’ zei hij. ‘Kortgeleden had ik een vreemde droom: ik lag op het marktplein en was zo straalbezopen, dat ik me niet bewegen kon. Toen begon het te regenen – pure slivovitsj – en het regende mijn mond in. Ik sta op en ik zeg: “Fedko,” zeg ik, “dat duidt op iets prettigs – misschien gaat de prior dood – een begrafenismaal, en ze moeten een nieuwe kiezen – een feestmaal. Of misschien komt die gekke jood terug.” Nou, de prior leeft nog, maar jij bent er weer! Nou, wanneer wil je bij de boeken?’

‘Goed! Morgen! Maar de slivovitsj zou je vandaag al kunnen betalen.’

Dat wilde Sender wel. Met een stralend gezicht ging de oude man aan de tap zitten. Maar toen hij het glaasje naar zijn mond wilde brengen, betrok zijn gezicht opeens.

‘Verduiveld!’ mompelde hij ontdaan, ‘daar had ik even niet aan gedacht!’

‘Waaraan?’ vroeg Sender.

‘Hm! Ze hebben namelijk –‘ Hij hield in en dacht na. Vervolgens pakte hij het glaasje en dronk het leeg.

‘Ach wat,’ mompelde hij, ‘niet alle mensen zijn toch zo gek als deze jood. En als we maar voorzichtig zijn… Dus morgen, beste Senderko, morgenmiddag.’

De volgende dag bracht hij hem omstreeks het middaguur, kort na het angelus, naar de bibliotheek.

‘Er dreigt wel een gevaar,’ mompelde hij, ‘we moeten zachtjes lopen.’

‘Waarom?’ vroeg Sender.

‘Hm – nee – niets,’ stotterde de oude man en werd donkerrood, want hij was het liegen niet gewend. Maar ze stonden al voor de deur van de bibliotheek.

‘Ik ben hier sindsdien ook niet meer geweest,’ zei Fedko trouwhartig, terwijl hij de deur openmaakte, ‘het deed me te veel pijn in mijn hart. Zo zonder jou – zonder doel… Alles is nog net als eerst.’

Sender ging naar binnen en de deur werd achter hem vergrendeld.

Alles was inderdaad precies als hij het achtergelaten had. Er stond alleen een venstervleugel open, waardoor de zomerlucht binnendrong.

‘Misschien heeft de storm het raam ingedrukt,’ dacht Sender. Maar toen hij beter keek, zag hij nog een verandering. Op de tafel van Aemilius lagen een paar vergeelde schriften. Hij sloeg ze open en begon te lezen. Ho-mo homi-ni lu-pus. Hij begreep er geen woord van, want het was Latijn.

Was een van de monniken intussen hier geweest? Misschien, maar daar had hij geen last van. Hij begon naar de werken van Schiller te zoeken, maar kon ze niet vinden. Hij kreeg wel een ander boek in handen, waarvan hij ook al de titel kende, omdat die in het leesboek vaak genoemd werd: Faust van Goethe. Hij bladerde erin. Het vreemde was dat er geen lijst met personages in stond en geen indeling in akten. Maar toen begon hij opgewekt te lezen:

Ik heb nu, ach, filosofie,

Rechten en medicijnen

En zo door tot het vers: Ik heet magister, doctor zelfs – Daar keek hij eerst van op: Magister? Dat was de titel van de apotheker, die magister in de farmacie was – ‘Is die Faust apotheker en dokter tegelijk?’ dacht hij. ‘Maar waarom ook niet, als hij zoveel gestudeerd heeft?’ En hij las verder tot het vers

Mij plagen geen scrupules of twijfel

waar hij opnieuw stilhield en zich hardop afvroeg: ‘Wat plaagt hem niet? Wat zijn scrupules?’

‘Is dat het enige wat je niet begrijpt?’

Het was een zachte, vriendelijke stem die de woorden achter hem sprak, maar Sender schrok zich dood en het boek rolde op de grond. ‘God van Israël!’ bracht hij eruit en keerde zich om.

Voor hem stond een gebogen oude man, klein van stuk en in het witte gewaad van de orde der dominicanen.

‘Je hoeft niet zo te schrikken,’ zei hij glimlachend. ‘Hoe kom je hier?’

‘Neemt u me niet kwa-lijk –‘ stamelde Sender en staarde hem met wijdopen ogen aan.

‘Heeft Fedko je binnengelaten?’

‘Ja.’

‘En wat zoek je hier?’

‘Boeken – Duitse boeken.’

Hij kreeg het er met moeite uit en voegde er bevend aan toe: ‘Ik heb niets weggehaald – ik zet alles weer op zijn plaats terug.’

De oude man kwam naderbij – Sender deinsde achteruit.

‘Wees maar niet bang,’ zei de monnik vriendelijk. ‘Ik doe niemand kwaad.’

Hij ging op de stoel van Aemilius zitten.

‘Waarom zoek je de boeken hier?’ vroeg hij.

‘Waar zou ik ze anders kunnen vinden?’ antwoordde Sender. ‘Maar ik wil ze alleen maar lezen – bij God in de hemel!’

Weer glimlachte de oude man – het was een goedige, vriendelijke glimlach op het fijne, bleke en gerimpelde gezicht. ‘Ik geloof je. Dieven laten zich niet door de portier insluiten om de monoloog uit Faust te kunnen lezen. Maar ik denk dat je dat boek en dat soort boeken ook ergens anders kunt vinden. Bij de stadsdokter bijvoorbeeld, die ook een jood is.’

‘Vast wel,’ antwoordde Sender. ‘Die heeft veel boeken en is een goede man, hij zou ze me misschien wel lenen en het niemand vertellen. Maar door een toeval kan het toch bekend worden en ik dacht: ik ben nergens zo veilig als hier.’

‘Maar waarom die geheimhouding?’

‘Onze rabbi is streng en de anderen zijn het ook. Je mag alleen de noodzakelijkste Duitse boeken lezen, maar zulke boeken niet. Dat is een zonde, geloven ze.’

‘Dat geloven ook veel andere mensen,’ zei de monnik. En als in een monoloog voegde hij er zachter aan toe, terwijl hij zijn hand op de schriften van Aemilius legde: ‘Die man had gelijk: het is overal hetzelfde, alleen de kleding is verschillend…’

Toen vroeg hij: ‘Waarom doe je wat de rabbi verbiedt?’

‘Omdat ik niet anders kan.’

De oude man knikte, alsof hij dat antwoord verwacht had.

‘Weer iemand die gekweld wordt door erge dorst, nietwaar?’

Sender zweeg: hij begreep niet wat de monnik bedoelde.

‘Je bent gegrepen door de grote raadsels en je wilt het antwoord vinden, jezelf uit de klauwen van de sfinx rukken?’

Sender schudde langzaam en aarzelend zijn hoofd.

De oude man keek hem scherper aan. ‘Begrijp je me niet?’ vroeg hij.

‘Voor raadsels ben ik niet gekomen,’ zei Sender verlegen.

‘Wat zoek je in de boeken?’

‘Kennis,’ zei Sender. ‘Ontwikkeling.’

De oude man knikte. ‘Waarom zoek je die?’

‘Meneer – meneer –‘ Sender zocht naar de juiste titulatuur. ‘Meneer de prior, dat is een lang verhaal –‘

‘Zeg maar pater Marianus of Pater Poczobut, zo heet ik en ik ben geen prior. En hoe heet jij?’

‘Sender – Alexander Kurländer…’

‘Zo, Alexander, vertel je verhaal maar.’ En toen hij de jonge jood zag aarzelen, voegde hij eraan toe: ‘Je kunt me vertrouwen, absoluut.’

‘Ja,’ zei Sender, ‘dat weet ik.’ De man voor hem droeg kleding die hem sinds zijn jeugd vrees en zelfs afschuw had ingeboezemd, maar dat was het gezicht, de stem en de blik van een goed mens. En dan – ‘betrapt ben ik nu toch,’ dacht hij, ‘misschien is hij dan tenminste overtuigd dat ik ook geen slecht mens ben.’ En hij vertelde alles wat hij meegemaakt had, het doel in zijn leven – en veel uitvoeriger dan hij van plan was, doordat pater Marianus met vragen tussendoor en zijn gezichtsuitdrukking blijk gaf van levendige belangstelling voor het verhaal.

‘Vreemd,’ zei hij, toen Sender uitgepraat was. ‘Heel vreemd. Ik wist niet dat zoiets mogelijk was. En toch,’ vervolgde hij op de langgerekte, halfluide toon waarop hij hardop placht te denken, ‘wat is er zo verwonderlijk aan? Waar zo’n vonk opgloeit, vaak in de diepste duisternis, en een licht wordt, zit er ook iets raadselachtigs in – de diepste oorzaak kennen we niet. We geloven dat die vonken heel zeldzaam zijn op deze donkere aarde – dat kan onterecht zijn, er zijn er genoeg, alleen zien we de meeste niet, omdat de duisternis ze weer verzwelgt… En hoe zal het deze vonk vergaan?’

Hij richtte zijn aandachtige blik op het intelligente, bleke en scherpgesneden gezicht van de jonge man met de vurige, beweeglijke ogen.

‘Uithoudingsvermogen heb je denk ik wel genoeg,’ zei hij. ‘Ik weet niet hoeveel je aan je studie in de winter hebt gehad, maar je hebt er in ieder geval een hoge prijs voor betaald. Want blijkbaar heb je hier kougevat.’

‘Misschien,’ antwoordde Sender. ‘Daar heb ik niet bij stilgestaan. Maar wat doet het ertoe? Nu ben ik gezond.’

‘Wat doet het ertoe?’ herhaalde de oude man. ‘Deze vonk lijkt echt. En waarom zou iets dergelijks geen tweede keer gebeuren? Je hebt toch vast en zeker,’ zei hij weer tegen Sender, ‘van je beroemde lotgenoot gehoord! Dat was ook een arme, onwetende joodse jongen, een paljas net als jij, en hij is een groot Duits toneelspeler geworden.’

‘Natuurlijk heb ik van hem gehoord!’ riep Sender opgewekt. ‘Hij is zelfs mijn beschermer, Adolf Nadler. Weet u misschien waar hij nu is?’

‘Nadler? Die ken ik niet. Ik bedoelde Bogumil Dawison. Ik heb hem twee jaar geleden een keer in Breslau gezien als Shylock en ik zal die indruk nooit vergeten.’

‘Die speelt meneer Nadler ook heel goed,’ zei Sender. ‘En ik zal hem ook goed spelen – dat weet ik.’

De oude man moest glimlachen. ‘Hoe oud ben je?’

‘Bijna eenentwintig.’

‘Als het niet al –, begon hij, ‘te laat is,’ had hij willen zeggen. Maar waarom zou hij die arme jongen ontmoedigen? In september wilde hij toch al naar Lemberg.

‘Ik mag je wel,’ zei hij. ‘Als ik me die twee maanden nuttig voor je kan maken, doe ik dat graag.’

‘Dank u wel!’ riep Sender opgewekt en deed een stap vooruit. Hij wilde de hand van de oude man pakken, maar durfde niet. Toen de pater hem zijn hand reikte, boog hij eerbiedig over die bevende, rimpelige hand en had haar gekust, als ze niet snel teruggetrokken was.

‘Als je rabbi dat gezien had!’ zei Poczobut. ‘Overigens – wie weet of ik je van nut kan zijn. Je wilt toneelstukken lezen, zeg je? Maar dan toch niet als eerste de Faust – die kun je echt nog niet begrijpen. Liever een stuk van Schiller –‘

‘Ik kon er geen vinden,’ verontschuldigde Sender zich. ‘Dat was trouwens niet mijn eerste. Van Lessing heb ik al veel gelezen. De Nathan en –‘

‘Zo? Nathan de wijze? Maar heb je die ook echt begrepen? Vind je alle drie ringen nu even echt?’

Sender haalde verlegen zijn schouders op. ‘Ik weet het niet. Maar mijn ring is in ieder geval echt. Want hij is de oudste en hij kan dus niet nagemaakt zijn van een andere.’

De monnik moest lachen, zo olijk stond het gezicht van de paljas.

‘Te oordelen naar deze repetitie,’ zei hij daarna ernstig, ‘zou het misschien geen slecht idee zijn om de Nathan nog een keer te lezen… Maar niet met mij,’ vervolgde hij. ‘We willen alles vermijden wat je in de war kan brengen of je zelfs wantrouwig tegenover mij kan maken. Ik wil je niet overhalen om je te laten dopen, Alexander, waarachtig niet!’

‘Ik geloof u wel,’ antwoordde de jood. ‘Maar zegt u alstublieft Sender – met “Alexander” begin ik pas in Lemberg. Wilt u dan zo goed zijn om een stuk van Schiller met me te lezen? Maar zijn die boeken hier?’

De monnik wees waar ze stonden en opgewekt haalde Sender de delen. ‘Maar als Fedko merkt dat een monnik ervan weet –‘

‘Ik houd mijn mond. En ik wil graag dat jij dat ook doet. Want ik heb een strenge meerdere, net als jij de rabbi… We kunnen overigens gerust zijn, want de anderen komen hier nooit…’

‘U bent hier zeker vaak? Maar hoe kan het dat Fedko daar niets van weet?’

‘Omdat ik door dat poortje binnenkom.’ Hij wees naar een zijwand. ‘Ik woon in de cel ernaast.’

‘In een nonnencel?’ riep Sender.

‘Ja, zo noemen ze die. Sinds twee maanden.’

‘En wat –‘ Sender haperde. ‘En wat hebt u misdaan?’ had hij willen vragen.

De oude man raadde het. ‘Ja, ik ben hier voor straf,’ zei hij rustig, zonder een spoor van bitterheid. ‘Ik heb een boek geschreven dat mijn meerderen in Silezië niet beviel. En daarom ben ik hierheen gestuurd, tot – nou, tot ik mijn leven gebeterd heb.’

‘U hebt het hier vast niet slecht,’ zei Sender meelevend. Hij dacht aan de gesels, maar daar durfde hij niets over te zeggen.

‘Niet best!’ antwoordde de monnik. ‘Maar wat doet dat ertoe? Ik ben tegen de zeventig, oud en gebroken. Ik heb geen hoop en geen plannen meer. Maar mijn boek is de wereld in en het leeft, en geen geweld kan het vernietigen, het leeft tot er iemand komt die groter en beter is en het overbodig maakt. Moge die gauw komen!’

Sender keek hem ontroerd en vol innig medelijden aan. Maar tegelijkertijd dacht hij: ‘In mijn wereldgeschiedenis staat hoe ze de monnik in Rome verbrand hebben. Ik dacht zelfs ook een dominicaan. Ik heb altijd gedacht: daar zit een mooie tragedie in. Nu weet ik ook hoe ik de monnik spelen moet.’

Pater Marianus veegde over zijn voorhoofd. ‘En laten we nu een stuk voor je uitzoeken.’ Maar terwijl hij nog in de delen zat te bladeren, sloeg het twee uur en tegelijkertijd klonk de zware pas van Fedko in de gang. ‘Tot ziens,’ fluisterde de oude man en verdween in zijn cel.

In een vrolijk humeur ging Sender naar huis. ‘God staat me bij,’ dacht hij. ‘God wil dat ik mijn doel bereik. Wat had ik me voor de tijd dat ik hier nog ben beter kunnen wensen?’

 

Bogumil Dawison: Pools-Duits toneelspeler (1818-1872).

 

Hoofdstuk 22

De tolboom werd bediend door het christelijke dienstmeisje. Moeder was, zoals zo vaak de laatste tijd, naar het stadje gegaan. In de huiskamer zag Sender haar breizak liggen; toen hij er zijn hand over liet gaan, voelde hij een hoekig bordje. Nieuwsgierig haalde hij het tevoorschijn. ‘Wie is dat?’ mompelde hij verbluft. ‘Wat een knap meisje!’

Het was een ingekleurde daguerreotypie, zoals je die veertig jaar geleden had, die een jong en opvallend knap meisje voorstelde. Goudbruin, licht golvend haar omgaf een lang, smal en voornaam gezicht met grote blauwe ogen. De fijne lippen waren een beetje omlaaggetrokken, wat haar gelaatstrekken samen met de ernstige, peinzende blik een strenge, bijna lijdende uitdrukking gaf. Een portret van je laten maken is in de sekte van de chassidiem nog steeds niet gebruikelijk en was dat toen zeker niet, en de marschallik moest vaak lachen om zijn collega’s, de huwelijksmakelaars in de grote steden, die met een hele stapel van die foto’s leurden. Was hij nu toch overgegaan op de nieuwe mode? Dat was niet waarschijnlijk. Ook juffrouw Rosel voelde niets voor zulke “goddeloze” nieuwigheden – maar wat kon de foto anders betekenen? ‘Mij kan het in ieder geval niet schelen,’ mompelde Sender en liet de foto in de zak terugglijden.

Maar daarop haalde hij haar toch weer tevoorschijn. Hij had tot nu toe niet veel belangstelling gehad voor vrouwelijke schoonheid en een knap gezicht was hem liever dan een lelijk gezicht en zoals iedere jood in het Oosten had hij liever een doorvoed dan een mager gezicht, maar wat hij tot nu toe over de macht en bekoring van schoonheid gelezen had was hem nooit erg duidelijk geweest. Nu kreeg hij daar een notie van. ‘Zo’n gezicht heb ik nog nooit gezien,’ dacht hij. ‘Ze is mager, dat arme meisje, en toch kijk je graag naar haar en intelligent is ze vast ook. Maar waarom is ze zo treurig? Zo’n jong kind!’

Hij had zijn Leesboek gepakt en het artikel Het leven van Schiller opgeslagen om zich voor morgen voor te bereiden. Gewoonlijk dacht hij op het moment dat hij begon te lezen nergens anders meer aan. Maar deze keer werd zijn blik steeds weer naar de breizak getrokken en hij kon de verleiding niet langer weerstaan om de foto voor de derde keer tevoorschijn te halen.

Wie was dat meisje? Hoe kwam zijn moeder aan die foto? Het kon niet anders of de marschallik had haar die gegeven. Maar was dat wel een joods meisje? Hij kon het niet echt geloven. Hij kon tenminste niets karakteristieks in haar gelaatstrekken ontdekken. ‘Als ze een jodin is,’ dacht hij, ‘dan een heel speciale, en voor haar zullen haar ouders iemand anders zoeken dan Sender, de paljas. Ze heeft iets in haar gezicht – iets bijzonders – ik weet niet goed wat het is.’ Het was de geestelijke uitdrukking.

Pas toen hij buiten de stem van zijn moeder hoorde, stak hij de foto haastig in de zak. Hij wilde haar er in geen geval naar vragen: als het meisje hem iets aanging, moest zij er maar over beginnen.

Juffrouw Rosel kwam binnen; haar ogen waren rood en ze was blijkbaar opgewonden en verdrietig. Toen zijn blik de hare trof, keek ze onzeker naar de grond.

‘Moeder,’ vroeg hij bezorgd, ‘wat is er gebeurd? Heb je gehuild?’ Ze keerde zich van hem af. ‘Er is niets,’ mompelde ze. En toen hij aandrong, herhaalde ze: ‘Echt niets. Een kleinigheid, niet de moeite waard.’ Ze streek het tafelkleed glad en hij wist dat het geen zin had om nog iets te zeggen.

Daarom zweeg hij, maar maakte zich ook niet bijzonder ongerust. Ze kon zelf eigenlijk niets meegemaakt hebben wat haar verdrietig maakte. Waarschijnlijk was de nieuwe “partij” die ze met Dovidl en de marschallik voor hem geregeld had, mislukt. Dat was toch niets geworden, zelfs als het om die mooie, treurige ging…

De volgende dag begon hij onder leiding van pater Marianus aan het lezen van De rovers. Na rijp beraad had de oude man dat drama als eerste gekozen. ‘Dat is voor jou het makkelijkste te begrijpen, zei hij, ‘en dan zie ik ook het snelste of er echt, zoals jij denkt, een toneelspeler in je zit.’ ‘En wat er voor een onrijp iemand aan gevaarlijks in zit,’ voegde hij er in gedachten aan toe, ‘is door een slimme uitleg wel onschadelijk te maken.’ Daarop liet hij hem zonder verdere inleiding beginnen, en Sender moest zelfs de lijst van personen, die hij nieuwsgierig bekeek, voorlopig overslaan.

Senders hart klopte vol vreugde, toen hij begon te lezen: hij voelde zich als iemand die tot dan toe wankelend op een gladde weg gelopen had en nu opeens een sterke arm voelde waarop hij steunen kon. Het ging wel een beetje langzaam en over het eerste woord, Frankenland, deden ze al een uur. Sender dacht dat het Frankrijk betekende, maar de pater legde het uit, vertelde hem uitvoerig over het oude en het nieuwe Frankenland en haalde er een atlas bij om de Duitse landstreken te laten zien. Ook Leipzig werd hem op de kaart aangewezen en uitvoerig beschreven. ‘Het zal wel nodig zijn,’ dacht Sender, ‘maar zo leer ik in twee maanden nooit wat er eigenlijk in de brief uit Leipzig staat.’ Toch gaf deze eerste dag hem al een blij gevoel van voldoening. Toen hij de woorden van Franz las: Wij zouden ons vandaag nog allemaal de haren uit het hoofd trekken boven uw doodskist, voegde hij eraan toe: ‘O, slechte kerel!’

‘Waar maak je dat uit op?’ vroeg Poczobut.

‘Hij windt de arme oude man alleen maar meer op,’ was het antwoord. Waarop de pater zei: ‘Je bent niet dom, jongen.’

Dat soort plezier, maar ook dat soort narigheid brachten hem de volgende dagen. Er kwam geen einde aan de uitleg, en al was die ook noodzakelijk, onderhoudend was hij niet. Daar kon Sender zich wel overheen zetten, maar bedreigender vond hij een ander gevaar, dat hij in een gesprek met zichzelf zo onder woorden bracht: ‘Nu weet ik wie Alexander Magnus was, maar waarom ergert het die slechte kerel dat zijn broer zo graag over die held las?’ Hij was bang door de bomen het bos niet meer te zien. Maar al was de bejaarde dominicaan nu voor de eerste keer leraar toneel, hij wist wel waar het hier op aankwam: hij vergat de hoofdzaak niet, en toen ze de eerste scène nog een keer doornamen, glansden Senders ogen van blijdschap. ‘Nu begrijp ik alles!’ riep hij, ‘alsof het een verhaal is dat ik op sabbatmiddag tussen minche en meirev (middag- en avondgebed) voor sjoel aan mijn vrienden verteld heb. Eerlijk waar, zo zie ik het.’

Pater Marianus glimlachte, want die manier van uitdrukken had voor hem langzamerhand niets vreemds meer. ‘Waarom zeg je,’ vroeg hij, ‘niet liever meteen: alsof ik de scène zelf geschreven heb in plaats van Schiller?’

‘Dat zou ik ook kunnen zeggen,’ antwoordde Sender ijverig. ‘Maar als ik hem geschreven had –‘ hij hield in. ‘Neemt u me niet kwalijk – het is belachelijk om zoiets te zeggen –‘

‘Nou?’

‘Dan liet ik Franz een beetje minder praten en niet zo hatelijk. Want als die oude man nu niet ziet dat dat een hond is, is hij niet goed meer bij zijn hoofd… En dan nog iets: ik vind dat Franz een heel slecht mens is. Heeft er wel eens zo iemand geleefd?’

De pater moest hard lachen. ‘Je bent een scherpe criticus!’ Daarop probeerde hij Sender duidelijk te maken onder welke omstandigheden het werk ontstaan was en dat het jeugdige genie altijd krachtige kleuren koos.

‘Ik zeg ook niet dat het slecht is,’ verontschuldigde Sender zich, ‘ik zeg alleen dat ik het anders gedaan had.’ Hij voelde zich een beetje beledigd dat de monnik ook daarom moest lachen. Maar toen dacht hij: ‘Als hij het nu leuk vindt – hij mag me zelfs uitlachen. Zo de hele dag alleen, die arme man!’

Vrolijk ging hij naar huis, zoals gewoonlijk in die tijd. Net als een week geleden was zijn moeder weer naar de stad gegaan; ook haar breizak lag er weer. Maar het portret van het meisje zat er niet meer in. Dat stelde hem niet meer teleur, want het was de dag erop al verdwenen. ‘Jammer,’ dacht hij, ‘ik had graag nog eens naar dat gezicht gekeken. Zoiets zie je niet iedere dag.’

Deze keer duurde het lang voor zijn moeder naar huis kwam, en toen ze binnenkwam, zag hij dat ze weer gekrenkt was, erger zelfs dan een week geleden. Maar voor hij iets kon vragen, begon ze: ‘Heb jij een keer ruzie gehad met die slechte man, die Wolczynski?’

‘Ruzie kun je het eigenlijk niet noemen,’ antwoordde hij bedremmeld. ‘Ook had ik niet gedacht dat hij het iemand zou vertellen. Ik heb mijn mond gehouden, niet om hem te ontzien, maar omdat ik het vergeten was.’ En hij vertelde haar van die brutaliteit van de edelman. ‘Nu bedenk ik pas,’ eindigde hij, ‘dat hij zich na die tijd niet meer in het lottokantoor heeft laten zien.’

‘De schurk,’ zei ze. ‘Natuurlijk had je gelijk door hem af te wijzen. Maar dat grapje over jouw aandeel aan zijn winst had je niet moeten maken. Nu wil hij wraak nemen.’

‘Hoe kan hij dat?’ vroeg Sender. ‘De regimentsarts heeft toch gezegd dat ik niet bang meer hoef te zijn voor een oproep?’ ‘En wie weet,’ voegde hij er in gedachten aan toe, ‘waar ik bij de volgende keuring ben.’

‘Hij gaat ook over andere dingen,’ antwoordde ze, ‘je weet toch dat ik een week geleden zo treurig thuiskwam. Toen hoorde ik dat voor het eerst.’ Ze was nu bijna een kwarteeuw pachtster van de tol voor de weg en omdat ze op tijd betaalde en verder nooit reden tot ontevredenheid gegeven had, was de pacht na het verstrijken van de termijn steeds met vijf jaar verlengd. Daarom had ze, nu haar contract in maart van het volgend jaar af zou lopen, ook deze keer in juni bij het districtskantoor weer een verzoek tot verlenging ingediend. Ze had geen bericht gekregen, maar wel had Jossef Grün, de voorzitter van de gemeente, haar een week geleden laten komen en haar gezegd: ‘Wolczynski heeft me gevraagd of ik niemand voor uw pacht weet. Uw contract, zegt hij, wordt niet verlengd. Hij maakt in het districtskantoor de dienst uit, ga maar met hem praten.’ Ze was dat advies opgevolgd en had Wolczynski twee keer geprobeerd te spreken te krijgen, maar was pas vandaag door hem ontvangen. ‘Dat klopt,’ had hij gezegd, ‘ik heb de heren van het districtskantoor erop gewezen dat de staat tweemaal zoveel pacht kan innen. Waarom ik dat gedaan heb? Ten eerste als goed staatsburger en ten tweede omdat uw zoon een brutale vlerk is. De aanbesteding voor de pacht is 1 november.’

‘Weet je wat dat betekent?’ eindigde ze handenwringend. ‘Dat we hem of op de een of andere manier moeten sussen of dat we in maart onze broodwinning kwijtraken. Je kunt je wel voorstellen hoeveel die schurk zich aantrekt van de overheid; hij weet ook dat niemand bij een aanbesteding een hogere offerte zal doen dan ik, waarschijnlijk minder. Want iedereen weet dat adjunct Strus, een Pool en een vriend van Wolczynski, erover moet beslissen, en het komt er dus niet op aan wat iemand de overheid biedt, maar wat hij die twee biedt, want dan draaien ze het wel zo: “Die en die heeft wel het minste geboden, maar hij is de betrouwbaarste.” Dat was vroeger, toen er alleen Duitse ambtenaren waren, anders: ruwe binken, maar eerlijke mensen. Ik kreeg de pacht, omdat ik het meeste bood… Maar nu!’

‘Hij wil geld,’ troostte Sender. ‘In godsnaam dan maar. Ik zal hem wat geven.’

Ze schudde haar hoofd. ‘Ik ben bang van niet! Ik weet hoe je hem aan moet spreken en ik vroeg: “Wat is uw prijs?” Maar hij zei: “Met de moeder van die Sender doe ik geen zaken.” Daarop zei ik: “Als mijn zoon u beledigd heeft, moet hij om vergiffenis vragen.” “Nee, dan laat ik hem met honden van mijn deur verjagen, als hij komt!” Het is om wanhopig van te worden. Ook Dovidl weet zich geen raad en hij zegt dat hij zoiets met Wolczynski nog nooit heeft meegemaakt. En met Strus, zegt hij, is direct ook niets te regelen. Dat is een vrome huichelaar, zegt hij, en die neemt alleen iets aan via Wolczynski.’

Daar wist Sender ook niets meer op te zeggen. ‘Komt tijd, komt raad!’ zei hij ten slotte aarzelend. ‘Het is nog bijna drie maanden tot november.’

Somber schudde ze haar hoofd. ‘Dat is makkelijk gezegd,’ antwoordde ze. ‘Het ligt als een molensteen op mijn hart. En was dat dan nog maar mijn grootste zorg!’

‘Heb je nog grotere zorgen?’ vroeg hij ontzet. ‘Wat is er dan aan de hand?’

Ze perste haar lippen op elkaar en keerde zich van hem af.

‘Vertel het me dan!’ drong hij aan. ‘Ben ik je zoon dan niet? Heb ik dan niet het recht om mee te lijden?’

Door die vanzelfsprekende woorden sprongen de tranen in haar ogen. Dat was het hem juist: dat hij haar zoon niet was! Wat Luiser Wonnenblum de marschallik ooit voorspeld had: “Geeft u het aan Dovidl, dan maakt hij Froim niet dood, maar levend!” leek nu werkelijkheid te worden, alleen niet door Dovidls, maar door Luisers schuld. Om zijn concurrent te ergeren, zich te wreken voor de misgelopen opdracht en hoofdzakelijk omdat er na Senders winst bij juffrouw Rosel iets te halen was, had Luiser als “curator” van Froim niet volstaan met de oproep in de officiële bladen, maar ook de hulp van de rabbijnen ingeroepen: het ging immers om een vrome zaak en de afwezige mocht geen onrecht gedaan worden. Wat Dovidl om de prijs op te drijven in de onderhandelingen had aangevoerd: dat “alle gemeenten” aangeschreven moesten worden, had Luiser in een aantal gevallen ook inderdaad gedaan. Eén keer had hij al succes gehad: de rabbi van Wadowice in West-Galicië had hem meegedeeld dat Froim Kurländer daar lange tijd van liefdadigheid geleefd had en drie jaar geleden naar Opper-Hongarije was gegaan. Als hij nog leefde, zou Luiser hem zeker kunnen vinden.

Terwijl Sender nog vergeefs aandrong, kwam de marschallik binnen. Hij was blijkbaar in een bijzonder goede stemming en schrok toen hij de vrouw huilend aantrof.

Hij ging naar haar toe. ‘Juffrouw Rosel,’ fluisterde hij verwijtend, ‘hebt u tegen mijn advies –‘ hij wees met zijn ogen naar Sender.

‘Nee,’ antwoordde ze haastig. ‘Er is iets anders.’ En ze volgde hem naar de gang, waar ze lang overlegden. Toen ze terugkwam, leek ze iets rustiger.

De volgende dag vertelde Sender de pater van het nieuwe verdriet waaronder hij gebukt ging. ‘Ik weet,’ zei hij, ‘dat u me niet kunt helpen, maar is dat niet erg? Hoe kan ik weg voordat dat in orde is? O, ik heb Schiller onrecht aangedaan, want Wolczynski is nog slechter dan Franz.’

De oude man luisterde en leefde met hem mee.

‘Dat was iets voor hem geweest,’ zei hij, wijzend naar de schriften van Aemilius. ‘Hij heeft er een boek over geschreven dat de mens voor de mens een wolf is. Maar hij had toch ongelijk door zo verbitterd te worden in zijn edele hart. Je moet bedenken dat er ook goede mensen zijn, en van nature is niemand slecht. Hoeveel moeite doet Schiller niet om te laten zien waardoor Franz een monster geworden is?’

‘Natuurlijk!’ riep Sender. ‘Wat is hij lelijk! Als ik hem ooit speel, zullen de mensen nog schrikken. Zo!’ Hij trok een verschrikkelijke grimas. ‘Maar ik verheug me er al op hoe het verdergaat.’

Maar zover kwam het vandaag niet. ‘Nu moet ik je ook in iedere passage die je bijna uit je hoofd kent een betere uitspraak bijbrengen,’ zei de pater. Zijn Duits had weliswaar een duidelijk Opper-Silezisch accent, maar hij sprak het toch veel beter dan Wild, wiens Tirools zo vreemd in Senders uitspraak doorklonk. ‘Lees maar.’

Zuchtend begon Sender. Het was zwaar, maar het moest. De twee oefenden tot hun gezichten rood aanliepen en de stem van de oude man heel hees klonk. Hij stond voor Sender en riep de woorden zo luid hij kon. Maar die herhaalde ze in zijn ijver bulderend.

Daardoor hoorden ze het niet twee uur slaan en vergaten dat Fedko nu binnen moest komen.

Nog één keer,’ riep de pater. ‘Niet O, Karl! Karl! wisjt je, maar O, Karl! Karl! wist je.’

O, Karl! wisjt –‘ bulderde Sender, maar de woorden bleven steken in zijn keel en zijn blik verstarde.

In de deuropening stond Fedko, maar ook hij staarde de twee met open mond ontzet aan en kon zich niet verroeren.

Pater Poczobut was eveneens bleek geworden, maar beheerste zich als eerste.

‘Kom toch dichterbij,’ zei hij tegen de portier. ‘Wees gerust: hier gebeurt niets slechts.’

De oude man sloeg het ene kruis na het andere en zijn lippen bewogen, maar hij verroerde zich niet.

‘Begrijp je me niet?’ vroeg de pater en ging naar hem toe. Hij sprak het Waterpools van de Opper-Sileziërs en Fedko was een Roetheen, maar ze hadden elkaar tot nu toe kunnen verstaan.

De portier deinsde achteruit. ‘Ik begrijp het wel,’ mompelde hij ten slotte en sloeg nog een kruis. ‘Ik begrijp maar al te goed wat hier gebeurt! Zeg eens eerlijk,’ vervolgde hij en deed een stap vooruit, ‘wie is die Karl die jullie vervloeken?’

Ondanks hun angst moesten de twee hard lachen. ‘Wij vervloeken niemand,’ verzekerden ze in koor.

‘Mij maak je niets wijs,’ zei Fedko somber. ‘De prior is ziek, bedoelden jullie hem misschien? Alleen heet hij geen Karl, maar Chrysostomus!’

Nu probeerde Sender te bemiddelen.

‘Gebruik toch je verstand,’ zei hij, ‘je hebt zelf gehoord dat het niet over de prior ging. En wat ik hier doe heb ik je al een keer verteld: ik leer een “komedie” en de pater helpt me daarbij.’

Maar Fedko schudde zijn borstelige hoofd. ‘Dat heb je me verteld, maar nu zie ik dat je gelogen hebt. Hoe ik dat weet? De christelijke “komedie” is voor en na Kerstmis, als de jongens rondgaan met de kribbe, maar dat gaat jou niets aan, want jij bent een jood. De joodse “komedie” is op jullie carnaval, en daarbij kan de weleerwaarde jou niet helpen, want daar begrijpt hij niets van. Dus…’

‘Maar laat het ons toch uitleggen,’ riep de pater ijverig, ‘er zijn nog andere “komedies” voor iedereen, christenen en joden. Namelijk –‘

Maar Sender wist een probatere uitleg. ‘Ik zie aan je dat je dorst hebt,’ zei hij en deed een greep in zijn zak.

Deze keer hielp ook dat middel niet.

‘Dorst heb ik,’ zei Fedko. ‘Ik ben goddank niet ziek. Een gezond mens heeft altijd dorst. Maar ik ben een christen en een kloosterdienaar. Ik wil van iets wat misschien tegen het christendom ingaat geen voordeel hebben, zelfs niet als het slivovitsj is.’

‘Maar ik zweer je –‘ riep Sender.

‘Die eden van jou vertrouw ik niet. Waarom niet? Je weet dat je als jood toch naar de hel gaat, en een beetje dieper of een beetje minder diep maakt voor jou geen verschil. Maar als de weleerwaarde zou willen zweren.’ Hij keek aarzelend naar de oude man. ‘Hij is dan wel een zondaar, maar hij heeft de heilige wijding ontvangen.’

‘Goed, ik zweer,’ zei pater Marianus. Maar Fedko rustte niet voor de oude man zijn vingers opstak bij de eed.

Pas toen haalde hij opgelucht adem, maar bleef nog steeds staan, keek vervolgens naar de boeken en schudde zijn hoofd.

‘Vreemd,’ zei hij, ‘heel vreemd… Die boeken – wie leest ze? Zondaars, zoals Aemilius zaliger en die weleerwaarde daar en een jood. De vrome paters komen niet eens op het idee. Dus kunnen die boeken niet goed en niet heilig zijn. Maar waarom mogen ze dan hier in het klooster blijven? En als ze goed zijn, waarom lezen de vrome paters ze dan niet? Vreemd! Maar zoals God het wil… Kom, Senderko.’

Sindsdien konden de twee ongestoord werken. Alleen zag Fedko er streng op toe dat er geen woord meer gesproken werd als hij binnenkwam.

‘Ik wil het niet horen,’ zei hij. Ook beangstigde het hem dat de prior van dag tot dag zieker werd. ‘Ik weet,’ zei hij, ‘dat de zeereerwaarde Chrysostomus nu sterven moet: ouderdomszwakte, daar is geen kruid tegen gewassen. Maar misschien schaadt dit gedoe hem toch.‘

 

Hoofdstuk 23

Een paar dagen later – het liep tegen eind augustus – luidden de klokken van het klooster bij de begrafenis van de oude prior. De lessen moesten onderbroken worden; pater Marianus was weliswaar alleen maar in het klooster “om zijn leven te beteren”, maar het convent mocht hem niet uitsluiten van het bijwonen van de begrafenis en de dodenmis.

Alle zaken waren gesloten en heel Barnow was die dagen op de been. Ten eerste was er veel te zien, omdat de adel en de geestelijkheid van het hele district bijeengekomen waren, en verder was de komende verkiezing een gebeurtenis die alle inwoners van de stad levendig interesseren moest; voor de joden was het zelfs een levenskwestie. De meeste bouwgrond was eigendom van het klooster, want de oude prior had de joden voor geen prijs zelfs maar een el bouwgrond verkocht; het getto was overvol en als de nieuw prior dezelfde handelwijze volgde, dan moest een deel van de inwoners de stad verlaten. Iedereen wist dat er twee kandidaten tegenover elkaar stonden: de verdraagzame Valerianus en de vijandige Marcellinus; zelfs rabbi Manasse stond toe dat er in de sjoel een gebedsdienst voor de keuze van Valerianus gehouden werd. De ruimte was overvol en ook Sender ontbrak niet en bad zelfs heel ijverig. ‘Een huis hoef ik hier niet,’ dacht hij, ‘maar misschien krijgt de arme Marianus het dan beter.’

Toen hij uit sjoel naar huis ging, langs het huis van voorzitter Jossef Grün, zag hij voor de deur twee vrouwen staan, van wie hij er een kende. De fleurige jonge vrouw met de rode wangen was Taube Grün, de schoondochter van de voorzitter, wie Sender in de herberg van Sadagóra ooit zo’n rijke kinderzegen had toegedicht, terwijl ze sindsdien één jongetje ter wereld had gebracht. De andere was nog een meisje, ze had prachtig, licht golvend en lichtbruin haar; toen ze hem nu haar gezicht toekeerde, kromp hij ineen en bloosde: dat was de “mooie, treurige”! Met moeite beheerste hij zich zo dat hij Taube onbevangen kon groeten; ze beantwoordde zijn groet met een glimlach en, meende hij te zien, zelfs met een zekere spot. Dat was misschien een vergissing geweest, en daarom durfde hij na een tijdje achterom te kijken. Maar hij had zich niet vergist: nu wees Taube glimlachend naar hem, terwijl het meisje met een bijna somber gezicht luisterde en zich alsof ze boos was van hem afkeerde, toen zijn blik haar trof.

Bedremmeld liep hij door. ‘Ik kan me wel indenken wat Taube gezegd heeft,’ dacht hij. ‘”Dat is Paljas, die al die rare streken uitgehaald heeft.”’ Maar wie was die vreemdelinge en hoe was haar foto in de breizak van juffrouw Rosel terechtgekomen? ‘Geen goede foto,’ dacht hij. ‘Ze is in werkelijkheid nog veel mooier en ook niet zo mager als ik dacht. En die gestalte – als een koningin… Maar wat gaat het mij aan?’

Dat laatste herhaalde hij zelfs hardop, maar daardoor werd het niet waarder. De gedachte aan het meisje verliet hem niet, in de winkel niet en thuis niet. En het beste bewijs was dat hij niemand naar haar durfde vragen, de juridisch adviseur niet, die als familielid van Grün vast wel van het bezoek wist, en juffrouw Rosel niet.

Bij het vallen van de schemering – Sender zat juist met zijn moeder aan het avondeten – kwam de marschallik binnen. ‘Weten jullie het al?’ zei hij onder andere, ‘vanavond is de verkiezing. Ze zeggen dat de goede, Valerianus, meer kans maakt. Dat zou goed zijn voor de hele stad en zeker voor mij. Als de mensen mogen bouwen, gaan mijn zaken dubbel zo goed. Jossef Grün bouwt dan alleen al twee nieuwe huizen: een voor zijn Schmule en een voor Mosche, de jongste.’

‘Die is nog vrijgezel,’ zei Sender.

‘Maar niet lang meer. Het is nog wel strikt geheim, en als jullie iemand er een woord over zeggen, ruïneren jullie mijn zaak misschien, maar de bruid is al in huis. Gisteravond is ze gekomen. Een mooi meisje, wonderschoon, goede familie, mooie bruidsschat, maar omdat ze toevallig goed Duits kan lezen, wil Jossef haar eerst een tijdje in de gaten houden, of ze vroom genoeg gebleven is.’

‘Natuurlijk!’ zei Sender grimmig. ‘Zo’n geluk als die domme jongen, die Mosche, die amper zestien is en eruitziet als dertien, is een meisje niet gauw waard.’

‘Wat gaat jou dat aan?’ vroeg de marschallik. ‘Je windt je behoorlijk op. Je hebt trouwens gelijk: het is een ongelijk paar. Ik had haar oorspronkelijk voor een ander bestemd, die beter bij haar gepast had, maar dat heb ik uit mijn hoofd moeten zetten: die schijnt helemaal niet te willen trouwen of hij wacht op de vrouw van zijn dromen. Jij kent hem ook.’

Sender probeerde te lachen, maar helemaal onbevangen klonk het niet.

‘Dat was een goede beslissing,’ zei hij. ‘Die is moeilijk tot een huwelijk te bewegen – dat wil zeggen, op korte termijn,’ verbeterde hij zichzelf meteen, toen hij zijn moeder met een pijnlijk gezicht ineen zag krimpen. ‘Maar wie is het?’

‘Malke van reb Hirsch Salmenfeld,’ zei de marschallik, ‘de vriendin van mijn Jütte, uit Chorostkow.’

‘O – die?’ zei Sender langzaam. ‘Jütte heeft wonderen over haar verteld.’ Maar toen flitste de gedachte door hem heen: ‘Als hij niet serieus aan mij dacht, hoe komt die foto van Malke dan in de breizak van mijn moeder?’ Maar hardop zei hij: ‘Dus de verloving met Mosche is een uitgemaakte zaak?’

‘Ik hoop het,’ zei Türkischgelb. ‘Jossef zegt: “Als ze mij bevalt.” Maar wie zou zij niet bevallen? Daarnet zei hij tegen mij: “U hebt nog niet hoog genoeg van haar opgegeven, reb Itzig.” En ze is hier amper een dag.’

‘En hoe bevalt ze jou?’ vroeg Sender zijn moeder.

‘Ik ken haar niet,’ antwoordde juffrouw Rosel.

‘Maar je kent haar foto toch.’

‘Haar foto?’ Het magere gezicht van juffrouw Rosel kleurde donkerrood. ‘Hoe wist jij dat ik haar foto had? Ik wou niet dat je die zag, echt niet.’

Sender kende de toon: dat was de waarheid. Maar waarom was ze dan zo verlegen en keek ze smekend om hulp naar de marschallik? Daar zat toch wat achter?

Hij zou het direct te weten komen. ‘Laten we hem de volle waarheid vertellen, juffrouw Rosel,’ zei Türkischgelb. ‘Zoals ik hem ken, denk ik dat hij niet beledigd zal zijn. Voor de dienstkeuring heb ik jou voorgesteld bij reb Hirsch en hij ging akkoord. Je ziekte kwam ertussen. Toen wou ik de zaak een paar weken geleden weer aanpakken en bracht je moeder de foto. Ze was er helemaal verrukt van, dat zal je niet verbazen, want je hebt hem gezien. Maar nu zegt reb Hirsch nee. “Ik weet,” zegt hij, “dat hij de lotto gewonnen heeft en Jütte heeft ook goede dingen over hem verteld, maar sinds ik weet dat hij Duits kent, wil ik niets meer van hem weten.” Dat is alles. Het ergert je toch niet?’

‘Nee,’ zei Sender. Toen stond hij op een ging naar het raam. Daardoor kon hij niet zien hoe listig de marschallik tegen juffrouw Rosel glimlachte en daarbij zijn vinger tegen zijn lippen hield.

Op dat ogenblik begonnen alle klokken van de stad en het klooster te luiden: de mis die de verkiezing inluidde was begonnen.

De marschallik nam afscheid. ‘Ik moet weten wat daarbinnen gebeurt,’ zei hij. ‘Kom je mee, Sender?’

‘Later,’ antwoordde die.

‘Ik heb toch het gevoel,’ zei de marschallik, ‘dat je beledigd bent. Bedenk dat ieder mens zijn geweten moet volgen, ook reb Hirsch. En dat je niemand vertelt waarvoor Malke hier is, beloof je me – ja toch? Want Jossef is ook heel vroom, en als hij misschien toch nee zegt – maar ik wil geen verwachtingen bij je wekken.’

‘Verwachtingen!’ riep Sender geërgerd. ‘U moet geen onzin vertellen. Ik denk helemaal niet aan die Malke van u.’

‘Dat geloof ik graag,’ antwoordde de marschallik trouwhartig en vertrok met een heel tevreden gezicht.

Een halfuur later volgde Sender dezelfde weg. ‘Wat zo’n chassied voor elkaar krijgt,’ dacht hij kwaad. ‘Zolang ik niets kan en niets heb, ben ik voor hem goed genoeg – nu niet meer. We pakken het verstandig aan, moet ik zeggen! Zo’n mooi, ontwikkeld meisje en dan die domme, onrijpe jongen! Overigens – voor mij is het in ieder geval beter, want als haar vader mij had willen hebben, had ik toch nee moeten zeggen, en dat had ik in dit geval moeilijk gevonden, denk ik.’

Voor het traliehek van de binnenplaats van het klooster stond de halve joodse gemeente in angstige spanning te wachten op de uitslag. Af en toe hoorde je gefluister, maar niemand durfde te lachen. Des te luidruchtiger ging het op de binnenplaats van het klooster toe. Daar stonden, zaten en lagen de katholieke burgers van de stad, die bij het licht van fakkels aten en dronken van de goede gaven die de kloosterdienaren op reusachtige tafels hadden neergezet en ze joelden dat de ruiten ervan rinkelden. Als het rumoer te erg werd, stond Fedko, de waardige portier, van het bankje naast de poort op, mompelde iets tegen de dronkelappen en riep dan met een stentorstem naar de menigte buiten: ‘Stilte, goddeloze joden! Voor zo’n lawaai zou de duivel op de vlucht slaan en nu zeker de Heilige Geest! En de Heilige Geest, ellendelingen, is bij de verkiezing nodig. Want hoe moeten de weleerwaarde heren anders de juiste kiezen?’

Daar drong een opgeschoten jongen haastig door de rijen joden heen. ‘Opzij!’ schreeuwde hij. ‘Mijn vader stuurt me!’

Het was Mosche Grün. ‘Fedko,’ riep hij naar de portier. ‘U moet zeggen wie er gekozen is! Nu meteen!’

‘O jij kleine, brutale pad,’ schold de oude man. ‘Wil jij het eerder weten dan de Heilige Geest? Ga weg, of –’

Hij hief zijn hand. Mosche vloekte krijsend. De anderen hoonden hem en Sender wel het hardst.

Daarna liep Sender verder het marktplein op. Ook hier wemelde het van de mensen, en wie niet de straat op ging, stond wel voor het open raam. Dat deed ook Jossef Grün; hij praatte met een paar mannen op straat. Voor het raam daarnaast stond het vreemde meisje naast Taube ernstig op het rumoer neer te kijken.

Sender ging zover achteruit dat ze hem niet kon zien en keek naar haar op. ‘Waarom niet?’ dacht hij. ‘Je mag toch wel naar een mooi gezicht kijken? En vreemd: zo van opzij is ze nog mooier dan overdag. Wat ziet die dikke duif, die anders toch een mooie vrouw is, er naast haar uit! Als een vetgemeste gans naast een zwaan! Echt een passende bruid voor de jongen die het daarnet zo goed gedaan heeft.’

De jongen kwam juist aanrennen. ‘Vader,’ klaagde hij, ‘ze willen het niet zeggen. En Fedko wilde me slaan en de anderen hebben me uitgelachen.’

‘Een mooie boodschapper ben je,’ zei Jossef boos en liet zijn blik over het plein gaan. ‘Is er dan geen verstandig mens die het me zo snel mogelijk vertelt?’

Op dat moment stapte Sender naar voren. ‘Ik wil het wel proberen, reb Jossef,’ zei hij, terwijl hij met een schuin oog opkeek naar het zijraam. Hij zag Taube lachen en Malke daarbij plagerig aanstoten; maar die bloosde en ging snel de kamer in.

‘Goed zo, Sender,’ zei de voorzitter verheugd. ‘Jij komt het vast wel aan de weet.’

Sender rende terug naar het klooster. ‘Wat betekent dat?’ dacht hij. ‘Ze deden allebei weer zo als vanochtend.’

Fedko had weer dreigementen geuit, deze keer met een hoorbaar onzekere stem.

Sender ging op hem af. ‘Hoe staan de zaken binnen?’ vroeg hij.

‘Senderko – ben jij het?’ riep Fedko vriendelijk, terwijl hij het hek vastgreep. Dat was geen overbodige beweging, want de grote fles die op het bankje stond was al bijna leeg. ‘Er is nog niets besloten. Maar zodra ik wat weet, vertel ik het jou – alleen jou – want je bent wel gek, stapelgek – komedie, hèhè! – en een jood, maar ik mag je graag, Senderko, heel graag…’

Sender bleef naast het hek staan. Hij hoefde maar een paar minuten te wachten. Er verscheen een lekenbroeder op de binnenplaats die riep: ‘Ga naar huis, de beslissing wordt pas morgen bekendgemaakt!’ Onder de joden klonken kreten van teleurstelling, maar van de drinkebroers binnen luisterden er maar weinig. ‘Vraag hem hoe het ermee staat,’ vroeg Sender de portier, en die stevende dan ook gehoorzaam in een boog op de frater af en kwam op dezelfde manier terug.

‘O, die slimmeriken,’ giechelde hij. ‘Ze willen alleen maar die dronken bende kwijt zijn. Ze zijn bang dat die kerels anders tot morgenvroeg hoera roepen voor Valerianus en steeds maar meer honingwijn en drank vragen. Schande’ – hij wankelde – ‘schande om bij zo’n gelegenheid zo dronken te worden. Maar wie gekozen is, mag ik je niet vertellen, de broeder heeft het me verboden.’

‘Dan wil ik niet aandringen,’ lachte Sender en stapte achteruit. In een mum van tijd was hij omringd door een menigte vragende mensen en twintig handen trokken tegelijk aan zijn kaftan, knopen en mouwen. ‘Wat zei hij? Wat zei hij?’ Maar hij schudde hen af. ‘Ik weet het nu,’ riep hij. ‘Maar de voorzitter moet het als eerste weten.’

Als een overwinnaar met zijn gevolg ging Sender op weg naar het marktplein, eerst snel en dan steeds langzamer. Want het gevolg groeide met iedere pas aan als een lawine, terwijl de een de ander toeriep: ‘Sender heeft het gehoord en gaat het de voorzitter vertellen!’ Maar ook Sender had geen haast, want het was niet onplezierig om zo voort te gaan, terwijl hij van alle kanten bij zijn knopen gepakt, maar ook bewonderd werd, want zijn lof lag op ieders lip. ‘Ze willen het niet zeggen, maar Paljas weet het.’

Toen de stoet eindelijk het huis van Jossef Grün bereikt had, was niet alleen de stoet zelf, maar ook Senders verdienste tot onmetelijke proporties aangegroeid: ‘Wat een knappe kop! Zoeen hebben we nog niet gehad.’

Jossef, die juist met de zijnen aan het avondeten zat, kwam hem op straat haastig tegemoet en nam hem mee naar binnen. ‘En?’ riep hij, buiten adem van opwinding, ‘vertel! Marcellinus of Valerianus?’

Maar Sender voelde er niets voor om met één woord te antwoorden. Hij liet zijn blik door de kamer gaan. Daar stond de hele familie met de andere notabelen van de stad en ze hingen aan zijn lippen. Malke had zich in een hoek verstopt achter de brede rug van haar vriendin, maar hij zag dat ook haar ogen vol verwachting op hem gericht waren. ‘Wat een grote, blauwe ogen,’ dacht hij, ‘hoe heet de Griekse godin in het Leesboek, die zulke ogen heeft?’ Hardop zei hij ten slotte: ‘Het ging er vreselijk aan toe bij de verkiezing, reb Jossef, echt vreselijk. En beide partijen hebben dingen tegen elkaar gezegd, fraai was het niet. “Als jullie Valerianus kiezen,” riepen sommigen, “dan is het afgelopen met de kloostertucht en dan verkoopt hij heel Barnow aan de joden.” “En als jullie Marcellinus kiezen,” riepen anderen, “dan is het hier voor ons niet meer uit te houden en het klooster verarmt. Waarom mogen wij de joden voor goed geld geen bouwgrond verkopen? Misschien breekt de pest uit, als we ze nog langer op een kluitje laten wonen.” Maar het werd nog erger –‘

‘Erger?’ riep Jossef en hij verbleekte. ‘Erger?’ herhaalden de anderen ademloos.

‘Ik bedoel bij de onderhandelingen,’ zei Sender. ‘Kwade woorden – maar waarom zou ik ze herhalen? Ten slotte zei de subprior: “We kunnen elkaar niet overtuigen. Laten we overgaan tot de verkiezing.” Hij verdeelt de stembriefjes en –‘

‘En?’

‘Athene heet de godin,’ dacht Sender, ‘maar laten die ogen me nog langer zo aankijken!’ ‘En iedereen schrijft een naam op,’ vervolgde hij. ‘Ook daarbij ging het niet helemaal volgens de regels, hoor ik. Ten slotte verzamelt de pater secretaris de stembriefjes en de subprior begint te lezen: “Marcellinus – Valerianus – Marcellinus – Valerianus –‘

‘Staakten de stemmen?’ bracht de voorzitter eruit.

Sender schudde zijn hoofd. ‘Spartel maar,’ dacht hij, ‘zo’n meisje voor jouw Mosche!’ – ‘En vervolgens Marcellinus, Marcellinus, Marcellinus –‘

‘God van Israël!’ kreunde Jossef Grün angstig.

‘En Marcellinus,’ vervolgde Sender. ‘Wacht,’ dacht hij, ‘er zijn maar dertien kiezers.’ ‘Maar daarna Valerianus en Valerianus tot het eind.’

‘En wie is er gekozen?’

‘Valerianus! Maar het wordt pas morgen bekendgemaakt!’

‘Valerianus!’ juichte de voorzitter en omhelsde Sender. ‘Valerianus!’ vielen de anderen in. En het verspreidde zich naar de straat en binnen enkele minuten naar de verste uithoek van het getto: ‘God zij geloofd: Valerianus!’ Ook de armste, die nooit gehoopt had een voetbreed aarde zijn eigen te mogen noemen, juichte alsof hij een huis cadeau gekregen had: een zware last was van de mensen afgevallen, want de mannen van wie het lot van die onderdrukten afhing, telden één humaan persoon meer.

‘Laat de wijn maar komen!’ riep Jossef. ‘Ga allemaal zitten. Sender, jij naast mij. Je weet dat ik altijd een hoge dunk van je gehad heb. En vertel nu eens: hoe ben je dat allemaal zo precies te weten gekomen?’

‘Dat is mijn geheim,’ antwoordde Sender glimlachend. Weer zweefde zijn blik naar Malke. Ze vermeed het hem aan te kijken, maar ze zou hem wel horen.

‘Misschien is het soms ook goed voor de gemeente als iemand Duits kan lezen en nog andere mensen kent dan joden.’

‘Zeker,’ gaf Jossef toe. ‘Dat wil zeggen,’ voegde hij er aarzelend aan toe, ‘niet voor iedereen. Maar als een man het tevens om zakelijke redenen doet, zoals jij, en zo’n helder verstand heeft, kan niemand er iets op tegen hebben… Dus,’ vervolgde hij haastig om de netelige kwestie te laten rusten, ‘hoe je het te weten bent gekomen is geheim. Maar waarom wordt de uitslag pas morgen bekendgemaakt?’

‘Vraagt u dat niet, reb Jossef,’ zei Sender met een veelzeggende glimlach. ‘Neemt u genoegen met het nieuws. Want als ik uw nieuwsgierigheid bevredig, wordt me misschien een weg versperd waarop ik ook in de toekomst nuttig kan zijn voor de gemeente. Een weg naar het klooster – u ziet: ik ben een gevaarlijke man.’

‘Nee,’ riep Jossef ijverig, ‘dat je een goede jood bent, weet ik!’

‘Dat spreek ik niet tegen,’ zei Sender glimlachend, maar waardig. ‘Ik ben ook redelijk verstandig geworden en dat werd ook tijd.’ Hij keek Taube scherp aan. ‘Wie me nu nog Paljas noemt, doet me onrecht. En dat allemaal ondanks de Duitse boeken, reb Jossef; zo slecht kunnen die dus niet zijn. U zegt: “Je bent een zakenman en daarom nemen we je het niet kwalijk.” Ik moet ze ook voor zaken wel lezen, want ik ben arm. Maar als ik rijk was, zou ik het zeker doen. En als u er zo over denkt, is een meisje dat Duitse boeken leest in uw ogen dan zondig?’

De voorzitter gaf hem een flinke trap met zijn voet. ‘De nieuwe prior –‘ begon hij op luide toon.

Maar Sender was er de man niet naar om zich te laten intimideren. ‘Waarom trapt u me op mijn voet?’ vroeg hij nog luider. ‘Ik zou graag willen weten hoe u over zo’n meisje denkt! Ik bedoel: je moet daarom juist nog meer respect –‘

Hij zweeg verbluft. Malke, die tot dan toe met gloeiende wangen en haar ogen neergeslagen was blijven zitten, was demonstratief opgestaan. ‘Kom, Taube,’ zei ze en liep de deur uit. Taube moest hard lachen en ging haar achterna.

‘Weet je niet wie dat is?’ vroeg de voorzitter. ‘Dat meisje kan Duits lezen. Nu denkt ze dat je haar voor de gek houdt.’

‘Maar dat is niet zo,’ verzekerde Sender. ‘Vertelt u haar dat alstublieft.’

Een nieuwe groep gasten kwam luidruchtig binnen en ook die overlaadde Sender met complimenten. Maar zijn stemming was vanavond bedorven. Hij ging naar het raam: buiten liepen Malke en Taube arm in arm heen en weer. Zou hij hen aanspreken en zich verontschuldigen? Misschien maakte hij het dan nog erger. ‘Ach wat,’ dacht hij, ‘dat kan me de kop niet kosten.’ En hij liep naar buiten en ging naar Malke toe.

‘Neem me niet kwalijk,’ zei hij. ‘Je moet als vreemde niet denken dat ik u wilde beledigen. Ik bedoelde het goed –‘

De blauwe ogen keken hem afwijzend, bijna vijandig aan. ‘Ik was niet beledigd,’ zei ze koel. ‘Ik vond het alleen onaangenaam. Het was ál te duidelijk…’

‘Dat is waar,’ gaf hij beteuterd toe. ‘Nu begrijp ik het. Als je de bedoeling voelt, raak je onstemd, luidt een Duits spreekwoord dat in mijn leesboek staat.’

Ze lachte spottend. ‘zo is het ongeveer,’ zei ze. ‘Alleen is het geen spreekwoord, maar een vers uit Goethes Tasso, en het luidt: Zo voelt men de bedoeling en men is ontstemd.’

‘Ik zal het onthouden,’ zei hij deemoedig. ‘Is die Tasso ook een spel?’

‘Wat versta je daaronder? Een drama? Ja.’ Het klonk messcherp. ‘Kom, Taube.’

Maar de flegmatieke jonge vrouw voelde medelijden met het slachtoffer. ‘Je hebt vandaag goed werk geleverd, Sender. Hoe noemde jij hem, Malke? “De held van de avond.” Ze wilde zo een pleister op de wonde leggen. ‘Maar waarom keek je me eerst zo scherp aan? Ik spreek geen kwaad over je. Nietwaar, Malke?’

Het meisje haalde haar schouders op. ‘Ik weet echt niet meer,’ zei ze, ‘wat we over deze – meneer gezegd hebben. Kom!’

Dat ging Taube toch te ver. ‘Maar Malke!’ zei ze en gaf Sender hartelijk een hand bij het afscheid. ‘Je kunt vandaag rustig gaan slapen, want je hebt ons allemaal heel blij gemaakt. Jezelf hopelijk het meest,’ voegde ze er plagerig aan toe. En toen hij haar vragend aankeek: ‘Wanneer ga je een huis bouwen, Sender?’

‘Ik?’ Hij begon te lachen. ‘Met Gods hulp over honderd jaar. Dat wordt dus na mijn dood. Levend doe ik dat niet. Waar heb ik een huis voor nodig?’

‘Om er met een vrouw en een kind in te wonen,’ lachte ze. ‘Ze zeggen dat je nooit wilt trouwen. Is dat waar?’

‘Nooit?’ antwoordde hij. ‘Daar moet je nooit een eed op doen. Maar niet meteen.’ Plotseling flitste er een gedachte door hem heen: dat hoogmoedige meisje behandelde hem zo slecht, omdat ze wist dat haar vader hem afgewezen had en omdat ze nu bang was dat hij haar nog eens een aanzoek zou doen. ‘O,’ dacht hij, ‘we zullen je even uit de droom helpen.’

‘Over een jaar of tien, vijftien,’ vervolgde hij, ‘eerder niet, ‘zelfs al kwam ik de mooiste, intelligentste en bescheidenste tegen. Want bescheidenheid, Taube, is in mijn ogen meer waard dan alle andere dingen bij elkaar en meer waard dan het uit je hoofd kennen van de hele Goethe en Lessing en Moritz Hartmann en Shakespeare en wat weet ik allemaal!’ Hij werd steeds heftiger. ‘Een man moet trouwen als hij iets voorstelt en dan degene die hij uitzoekt, niet de huwelijksmakelaar. Nu zul je vragen, waarom de marschallik mij dan te koop aanbiedt, als een slager een kalf? Omdat hij hoopt me over te kunnen halen. Maar hij vergist zich. Sinds die kwestie in Mielnica heb ik er niets meer over gehoord en daarom heb ik ook geen nee kunnen zeggen. Maar zonder mij kan het niet. En als ze me vragen, zeg ik nee, nee, nee!’

‘Zo,’ dacht hij, ‘nu weet je het, met al je hoogmoed.’ Maar hij keek vreemd op, toen het meisje naar hem toe kwam en haar hand uitstak.

‘Je hebt gelijk,’ zei ze bijna ontroerd. ‘Ik ben blij dat je er zo over denkt. De huwelijksmakelaars zorgen voor veel narigheid… En dan die vroege huwelijken! Mijn Jütte zei: “Die Sender heeft zijn eigen ideeën!” Ik ben blij dat ze gelijk heeft en dat het verstandige ideeën zijn.’

Taube staarde de twee onthutst aan.

‘Onzin!’ zei ze toen met een verlegen lachje. ‘Als iedereen er zo over dacht, zou de wereld uitsterven.’ Ze bloosde. ‘Ik heb mijn Schmule pas onder de huwelijksbaldakijn gezien en hij is ook nog twee jaar jonger dan ik, en sinds ik mijn jongetje heb, ben ik toch heel gelukkig. Moeten joodse kinderen dan alleen nog uit liefde trouwen?’

‘Alsjeblieft niet,’ zei Malke. ‘Dat zou wel heel erg zijn.’ Ze wilde het spottend zeggen, maar het klonk als een pijnlijke hartenkreet.

Daarop keerde ze zich naar Sender, die er nog steeds bedremmeld bij stond.

‘Ik hoor,’ zei ze vriendelijk, ‘dat je nooit een leraar hebt gehad. Hoe ben je eigenlijk op het Duits gekomen?’

‘Toevallig,’ zei hij aarzelend. ‘Maar daarom weet ik ook te weinig. Je hebt me daarnet al twee keer op een fout betrapt – maar als je wist –‘

‘Neem me niet kwalijk,’ zei ze hartelijk. ‘Dat had ik niet moeten zeggen. Waar zou je zijn als je mijn leraren gehad had!’

‘Niet zo ver,’ antwoordde hij en was meteen verbaasd dat hij zich zo galant had kunnen uitdrukken. Want het duizelde hem, vooral wanneer hij naar haar keek – en wat was ze mooi, nu een vriendelijke, goedmoedige glimlach haar ernstige gezicht verhelderde! ‘Ik heb het niet gemakkelijk gehad. Weten jullie hoe ik dat beetje kennis van me zie? Ik heb hier een bonte lap op mijn kaftan genaaid en daar nog een die ik toevallig vond, maar een Duitse jas is het niet geworden.’

‘Wie weet,’ troostte ze, ‘misschien naai je die ooit nog een keer… Maar het is al laat!’ Ze gaf hem een hand. ‘Goedenacht – en tot ziens, hè?’

‘Tot ziens,’ antwoordde hij, gaf haar een hartelijke handdruk en liet haar toen blozend gaan.

Langzaam liep hij naar huis. Iedere vijf passen bleef hij staan om zijn hand op zijn verhitte voorhoofd te leggen, maar daardoor werd het van binnen niet helderder.

‘Kan iemand me dat meisje uitleggen?’ mompelde hij. ‘Als ik beleefd ben, wordt zij grof en als ik grof ben, is zij beleefd. En kan iemand me mezelf uitleggen? Zou ik met haar willen trouwen? God bewaar me! Waarom was ik dan zo geërgerd toen ze het met me eens was?’

 

Hoofdstuk 24

‘Om uit je vel te springen… Wat heb je daar geschreven? Ik ontplof!’

‘Rustig toch, reb Dovidl!’

‘Rustig? Ik zal jou “rustig” de deur uit gooien. Of je naar het gekkenhuis brengen. Als dit verzoekschrift ingediend was, hadden ze me “rustig” gearresteerd Dit is nog nooit vertoond!’

‘Maar wat is er dan aan de hand?’

‘Hij vraagt nog wat er aan de hand is! Wat schrijf jij in de zaak tegen Schlome Rosental? Als echter reeds door de hooggeëerde keizerlijk-koninklijke rechtbank aangenomen is dat wij de baard uitgerukt hebben, dan dienen wij een tegenklacht in, en wel ik, Naphtali Ritterstolz, wegens een gekwetst oor, en ik, Chaim Fragezeichen, wegens een blauw oog. En dan staat er een grote inktvlek. En dan blauwe ogen en honderddertien uitroeptekens. En dan: Allerliefste droomster, wat bewonder ik je zachtmoedige, liefdevolle hart! En dan: Ondergetekenden vragen daarom gerechtigheid. Het dichtstbijzijnde gekkenhuis is in Lemberg. Het is hoog tijd!’

‘Ik heb me verschreven… Dat kan iedereen gebeuren. Ik zal het overdoen.’

‘Heel aardig van je! Verschreven – haha! Al twee weken doe je niets anders dan je verschrijven. Allerliefste droomster met driehonderdtweeënveertig uitroeptekens. Ik zeg je, dat kan alleen iemand gebeuren die… Maar ik zeg het niet, ik schaam me! – Je bent toch ook een jood. Dat komt door die Duitse boeken!’

‘Daardoor komt het echt. Het is een citaat uit een stuk dat ik momenteel lees, De rovers van Schiller.’

‘Hahaha! Dat moet dan een excuus voorstellen. Wat hebben die dingen met elkaar te maken? Zijn Chaim Fragezeichen en Naphtali Ritterstolz rovers? Arme melamdiem (leraren) zijn het, die door de verdraaiingen van die Luiser bloedig onrecht lijden. Maar ik zeg je, allerliefste dromer, de zaak ligt anders en ik ken die droomster. Word maar niet rood – of nee: word maar rood, donkerrood en schaam je en maak een einde aan de zaak…’

‘Ik zweer u dat we tot nu toe altijd alleen maar over Duitse boeken gepraat hebben.’

‘Dat is erg genoeg, dat jullie al zoveel gepraat hebben, maar anderen praten tien keer zoveel over jullie! Ik vraag me alleen af waarom mijn neef, reb Jossef, het goedvindt. Maak er een eind aan, zeg ik, anders doe ik het. Het is de hoogste tijd. Of het meisje bevalt je en jij bevalt haar vader, en dan vraag je je moeder of ze via de marschallik bij hem om haar hand kan vragen. Of je hebt geen serieuze plannen, maar schrijf dan in mijn verzoekschriften geen zevenhonderdtweeëntachtig uitroeptekens en onzinnige dingen! Het is de hoogste tijd, zeg ik, de hoogste tijd!’

En meneer Morgenstern hief beide handen op ten hemel en verdween in zijn Prifee Agentschap.

Maar Sender bleef als door de bliksem getroffen op zijn plaats zitten en staarde bewegingloos voor zich uit. Al te helder waren zijn gedachten en gevoelens de twee afgelopen weken toch al niet geweest; nu voelde hij ze helemaal door elkaar krioelen, alsof elk van hen een eigen wil had en hijzelf niet meer. Zo bleef hij wel een halfuur zitten met wijdopen ogen, zonder iets te zien en horen en met af en toe een blik op het corpus delicti dat Dovidl kwaad voor hem neergegooid had. Het stond er inderdaad allemaal: de inktvlek, de woorden en de uitroeptekens. Alleen had de juridisch adviseur het aantal een beetje overdreven, want het waren er maar drie. Toch slaakte Sender iedere keer een diepe zucht als zijn oog erop viel.

Eindelijk vermande hij zich. ‘Maar dat is allemaal onzin,’ mompelde hij en drukte zijn hand tegen zijn voorhoofd. ‘Onzin,’ herhaalde hij halfluid. ‘Ik heb haar af en toe gesproken – ja, maar “zulke dingen”! Praten de mensen erover? Wat kunnen wij daaraan doen?’ En: ‘onzin, onzin!’ riep hij nu bijna schreeuwend, alsof hij zichzelf overtuigen moest en hij zocht in zijn doodsangst alles bij elkaar wat voor die onschuldige opvatting sprak.

Nooit hadden ze over liefde gesproken, niet eens in dezelfde zin als op de eerste avond. Ze praatten over het leven om haar heen, over de boeken die hij kende, over andere die ze hem kon aanbevelen – en steeds was zij de soevereine, maar minzame lerares geweest en hij een eerbiedige, zij het niet altijd instemmende leerling.

Alles wist ze, alles! Daarom had Taube hem een keer geplaagd om zijn schuchtere pogingen zijn kaftan en slaaplokken korter te maken. Maar dat viel bij Malke niet in goede aarde. ‘Denk je dat dat de joodse kleding is? Wij hebben die van de Polen overgenomen toen we ons hier vestigden. Nu dragen ze andere kleding, en moet hun oude kleding heilig voor ons zijn?’ Ze hadden het over het Nieuwjaarsfeest, dat juist gevierd werd. ‘Alles is bij ons anders dan bij de christenen,’ vond hij. – ‘De jaartelling wel,’ antwoordde ze, ‘maar de meeste feesten niet. Pasen en Pinksteren hebben ze bijvoorbeeld van ons overgenomen.’ Het klonk ongehoord, bijna zondig, maar ze wist het te onderbouwen.

Soms werd hij haast bang van zoveel geleerdheid; dan begon hij grappen te maken, zoals de mensen graag van hem hoorden, maar dan keek ze hem vol verbazing aan en hij viel stil. Of hij vroeg naar haar leven thuis en naar haar jaren in Czernowitz. Daar ging ze wel op in, maar heel beknopt. Hij nam het haar niet kwalijk: het zou wel treurig zijn om nu weer in dat lege nest te moeten leven – onder larven de enige borst met gevoel, zoals ze een keer geciteerd had, “uit De duiker van Schiller, die moet je lezen!” – en bovendien was er een stiefmoeder in huis.

Hijzelf onthulde haar ook niet alles. Hij vertelde wel over Wild en over de boeken die hij gelezen had, maar niet over zijn plannen. ‘Anders verraadt Taube me nog,’ dacht hij. Toch had hij een keer het idee dat ze hem doorzien had. ‘Het is wel vreemd,’ zei ze, ‘dat je tot nu toe alleen maar toneelstukken gelezen hebt en mij ook alleen maar naar toneelstukken vraagt. Romans zijn ook mooi, en gedichten.’ Haar ogen schitterden. ‘Laura aan de piano of De ode aan de vreugde. Goethes gedichten zijn ook mooi, maar niet zoals deze. Maar jij bent alleen maar met “spelen” bezig. Waarom?’ Ze keek hem lachend aan. Hij bloosde. Daarop begon ze over het theater van Czernowitz te vertellen en over de grote kunstenaar die Nadler was.

‘Maar die ken ik,’ riep hij, ‘en hij is ook een goed mens!’

Ze glimlachte weer heel eigenaardig. ‘Die ken je dus?’ vroeg ze. ‘Dat verklaart veel.’ Hij werd er heel verlegen van, maar ze vervolgde snel: ‘Dat is trouwens een gevaarlijk beroep. Je glijdt heel makkelijk af en wat is het dan moeilijk om weer naar boven te klimmen! Het komt niet alleen op talent aan, maar ook op karakter. In het voorjaar was er bij ons een gezelschap met erbarmelijke derderangsacteurs, maar één meisje had echt talent. Ik vond haar interessant, alleen al om haar talent en ook omdat de mensen vonden dat ze op me leek. Maar ze was niet meer te redden.’

Alles van die gesprekken herinnerde hij zich nu. ‘Nee, Dovidl, je bent onrechtvaardig tegenover me!’ Maar het was ook om andere redenen “onzin”. Had de voorzitter het anders getolereerd? Het gebeurde immers voor zijn ogen. ‘En jij met je lange neus,’ mompelde hij, ‘weet niet wat ik weet: dat hij haar voor zijn Mosche bestemd heeft. De oude had allang ingegrepen, als hij iets vermoedde.’

Hij stak zijn hoofd buiten de winkeldeur en haalde diep adem. Maar daarop kromp hij verschrikt ineen en verbleekte. Waarom? Er was een regendruppel op zijn neus gevallen en toen hij omhoogkeek zag hij dat de lucht bewolkt was. ‘Nee toch, het gaat regenen tot vanavond, net als eergisteren, en dan zie ik haar niet!’ En het bloed schoot hem ook weer naar zijn wangen. ‘Waarom was ik eergisteren zo ongelukkig en waarom schrik ik nu zo? Omdat ze me de les leest? Dat kan ik Dovidl wijsmaken, maar niet mezelf. Lieg niet, Sender! Als het je alleen om het leren gaat, waarom bonst je hart dan, zodra het begint te schemeren? Waarom word je naar Jossefs huis getrokken als naar een magneet? Waarom staar je steeds maar naar haar gezicht? Je luistert nauwelijks naar wat ze zegt, je kijkt haar altijd alleen maar aan en denkt: “O, wat is ze mooi!” Je lerares! Heb je ooit van de soldaat gedroomd of nu van pater Marianus? Maar van haar droom je iedere nacht. En er komt al die tijd nauwelijks werk uit je handen en wat je doet, doe je verkeerd. Je droomt op klaarlichte dag en je denkt aan niets, niets anders meer dan aan haar. Je bent verliefd, Sender. Ja dat is wat in de boeken “liefde” heet en niets anders!’

Hij liet zich op de stoel aan de schrijftafel vallen en sloeg zijn handen voor zijn gezicht. In ’s hemelsnaam, wat een ongeluk, hij kon niet met haar trouwen, hij moest immers naar Lemberg, zodra de kwestie met de tolpacht van zijn moeder in orde was. Maar hoe kon hij weg? Hij was eergisteren als een gek in de regen op het marktplein heen en weer gelopen, of ze zich toch niet liet zien, om uiteindelijk even doorweekt als wanhopig naar huis te sluipen, en vandaag had één druppel hem in de war gebracht – hij keek naar buiten: nu regende het echt, wat erg – hoe kon hij haar nu voor altijd missen? Haar laten gaan? Onmogelijk! Zijn doel vergeten? Onmogelijk! Maar één van beide moest gebeuren. Dat was een ongeluk, een echt, waarachtig, groot ongeluk!’

Opgewonden sprong hij op en begon in de winkel heen en weer te lopen. Nog eens probeerde hij zichzelf te verdedigen. ‘Maar van “zulke dingen” is toch echt nooit –‘

Nee! Maar waarom niet, beste Sender? Alleen omdat je er niet over durfde te beginnen. Ze had op de kleinste vleierij immers al stuurs gereageerd. ‘Dat met die naam,’ mompelde hij, ‘en daarna met het haar.’ Ze had het aannemen van christelijke voornamen verdedigd en Taube, Jütte, Hirsch en Wolf waren immers Duitse namen.

‘En dan heet jij Regina,’ zei hij, ‘een koningin blijft een koningin!’

Ze keerde haar hoofd af en ging meteen het huis in.

Ze hadden gesproken over de wrede chassidische gewoonte om een meisje voor haar huwelijk het hoofdhaar af te knippen. ‘Als ik eraan denk,’ riep hij grimmig, ‘dat jouw prachtige haar opgeofferd moet worden!’ – zij beantwoordde dat met een compliment.

Hij was daar natuurlijk nooit blij over geweest, maar had zichzelf getroost: ‘Ze voelt zich nu eenmaal al de verloofde van Mosche en berust in haar lot.’ Toen bedacht hij pas dat die berusting haar niet hinderde om in het bijzijn van haar toekomstige schoonzuster scherp op dergelijke ongelijke huwelijken af te geven en over Mosche als een verwende jongen te spreken. Had dat een andere reden? Misschien die Bernhard, die ze zo vaak citeerde? Onmogelijk: die moest immers veel, veel ouder zijn dan zij en ze hadden elkaar jaren niet meer gezien. Het was vast alleen de gedachte: ‘Als ik bij Jossef Grün in de smaak val, ben ik de bruid van zijn zoon.’ Maar het was vrijwel onmogelijk dat hij, een van de vroomsten in het getto, zo’n schoondochter koos. Daarom had hij ook geen bezwaar tegen haar omgang met Sender: van Jossef hoefde hij dus geen protest te vrezen. En evenmin van haar vader: die gaf wel toe als hij zag dat het ook met Mosche niets werd. Maar zijzelf? ‘Als ze Mosche wilde,’ dacht hij, ‘zal ze mij toch ook nemen.’ Het probleem lag alleen bij hemzelf! – hij moest toneelspeler worden. –

‘Ik moet het,’ mompelde hij. ‘Ik moet het,’ herhaalde hij sterker. ‘Vanavond ga ik er al niet meer heen. Het doet me pijn, en ik kan er niets tegen doen… En nu wordt er weer gewerkt.’ Hij liep naar zijn plaats terug. ‘Op volle kracht!’ riep hij luid en rekte zijn armen uit.

‘Jezus Maria! Och, arme Senderko!’

Geschrokken keek hij om. Bij de deur van de winkel stond Fedko, die hem schuw, maar medelijdend aankeek.

‘Fedko, ben jij het? Kom binnen.’

Maar de oude man bleef bij de deur staan en toen Sender naar hem toe liep, ging hij een stap achteruit.

‘Je praat dus tegenwoordig altijd in jezelf?’ zei hij bang en keek hem onderzoekend aan. ‘Ik heb altijd gezegd, Senderko, dat loopt slecht met je af… Laat je je daarom niet meer zien?’

‘Nee, Fedko, ik ben nog bij mijn verstand. Ik ben sinds de verkiezingen weggebleven, omdat ik niet wist of pater Marianus tijd voor me heeft.’

‘Zozo!’ De portier schudde zijn hoofd. ‘En hij zette vandaag grote ogen op,’ mompelde hij, ‘zoals ik hem nog niet eerder gezien heb. Maar wat gaat mij dat aan? Dus,’ vervolgde hij luider, ‘de weleerwaarde laat je weten dat je vanaf vanmiddag weer in de bibliotheek kunt komen, al woont hij er sinds eergisteren niet meer naast.’

‘O nee? Waarom niet?’

‘Omdat hij geen hele zondaar meer is, maar alleen nog een halve, of een kwart of misschien helemaal geen. Het is namelijk zo: nieuwe prior, nieuwe vroomheid. Die weleerwaarde Valerianus’ – hij slaakte een diepe zucht – ‘zet alles op zijn kop. Een beetje drinken is een zonde, maar bouwgrond aan de joden verkopen mag een christen wel. “De monniken hebben te veel nodig,” zegt hij, maar hij heeft wel het geld om bij een schilderes in Lemberg een nieuw altaarstuk voor de kloosterkerk te bestellen. De pater econoom heeft hij in een nonnencel gezet, omdat hij niet gelooft dat de vrouw van de houtvester, mevrouw Putkowska, zijn nicht is, en dat is ze toch al acht jaar. Maar pater Marianus, die een jood een komedie leert, krijgt een mooie kamer op de eerste verdieping. Dat wil zeggen: dat weet de prior natuurlijk niet en dat hoeft hij ook niet te weten. Kom je dan vandaag dan aan de Tartarenpoort?’

‘Ja, bedank de pater alvast namens mij.’ Toen viel zijn blik op het verzoekschrift: dat moest vandaag geschreven worden. ‘Nee, morgen pas, beste Fedko, maar dan in ieder geval.’

‘In ieder geval?’ vroeg de oude man, terwijl hij treurig zijn hoofd schudde. ‘Wat is in deze tijd nog zeker? Straks ben ik ook die slivovitsj nog kwijt. Maar zoals God het wil.’

Sender ging aan het werk. Eerst bekeek hij nog de noodlottige plek. Nu schoot hem te binnen hoe de schade was ontstaan. De enorme inktvlek was eerst op het vel gekomen. Hij had gewacht tot die een beetje opgedroogd was om hem weg te kunnen schrappen. Daarbij waren zijn gedachten van Chaim Fragezeichens blauw oog afgedwaald naar het marktplein. Vervolgens had hij het vel over willen schrijven, maar de volgende morgen had hij het omgekeerd en het slot toegevoegd.

‘Vandaag zal me zoiets niet overkomen,’ dacht hij. Hij vouwde een nieuw foliovel en begon het rubrum te schrijven. Repliek in de zaak… Dovidl zou deze keer tevreden zijn, want het woord repliek zou een toonbeeld van kalligrafische kunst worden, zoals hij het graag zag. Alleen al aan de R werkte hij een paar minuten.

‘Werken,’ dacht hij ondertussen. ‘En aan die kwestie moet een einde komen. Maar zal ik er vanavond dan al niet meer heen gaan?’ Hij keek naar buiten en zag dat het niet meer regende. ‘Wat moet ze daarvan denken? Ze zal beledigd zijn. En één keer meer of minder maakt toch niets uit. En vandaag had ze beloofd me het treurspel van Schiller te vertellen waarin de ene koningin de andere onthoofdt. Dat leest ze het liefste, zegt ze, en dat geloof ik graag. Malke heet ze, een koningin is ze, een regina, zoals de christenen zeggen… O, wat is ze mooi, o, wat mooi!’

De deur werd opengerukt en Dovidl stoof naar binnen.

‘Het verzoekschrift – ben je klaar? Nog niet? Om uit je vel te springen! Wat heb je die twee uur gedaan?’ Hij griste het gevouwen vel van tafel. ‘Wat! Wat?’ Hij zette steeds grotere ogen op. Regina – hahaha! Naar Lemberg – morgen, vandaag, nu meteen. In een dwangbuis en naar Lemberg!’

Doodsbleek staarde Sender naar zijn nieuwe misdrijf. Waarachtig: daar stond de naam in de mooiste Latijnse letters die hij maar schrijven kon.

‘Neemt u me niet kwalijk…’ stamelde hij, ‘ik – ik wilde alleen maar mijn pen proberen.’

‘Proberen!’ lachte Dovidl krampachtig. ‘Twee uur lang heeft hij zijn pen geprobeerd en alles wat hij geschreven heeft is Malke op de christelijke manier… Hahaha! Maar wat lach ik nog… Bloedige tranen zou ik moeten huilen. Dat is het werk voor zes gulden per maand! Je maakt me arm, je scheurt me de kaftan van mijn lijf, mijn broek scheur je me van mijn benen, mijn onderbroek…’

De opgewonden man had zijn ellende vast tot op de huid onthuld, als zijn vrouw op dat moment niet de deur van het Prifee Agentschap had opengedaan en hem met haar ogen een wenk gegeven had. ‘Wie is daar nu weer?’ riep hij, maar rende haastig naar buiten, toen ze hem veelbetekenend aankeek.

Sender ging weer aan het werk. Hij deed zijn uiterste best en het gedeelte dat hij voor het middaguur af kreeg, bevatte geen fouten. Toen liep hij haastig naar huis om te eten: hij wilde zo snel mogelijk terugzijn, want zijn geweten speelde hem parten.

Hij moest alleen eten. Juffrouw Rosel was niet thuis. Omwille van haar was Dovidl weggeroepen.

Rabbi Manasse had haar bij zich laten komen om een gisteren ontvangen brief van de rabbi van Marmaros-Sziget in Opper-Hongarije voor te lezen. Zijn ambtgenoot deelde hem mee dat Froim Kurländer daar sinds enkele maanden woonde. Daar hij als gebrekkige en verloederde man de gemeente tot last was, had die tot haar grote genoegen vernomen dat iemand hem zocht, en dat was de bedelaar meegedeeld. Froim was ook graag bereid naar Barnow te komen, maar alleen als de reiskosten vergoed werden. Of de gemeente van Barnow die wilde sturen. Zo niet, dan wilde de Szigeters de oude schooier in ieder geval kwijt zijn en hem direct na de feestdagen verwijderen, maar of hij dan naar Barnow kwam, konden ze niet garanderen. ‘Hij is dus nog in leven,’ was het wanhopige einde van juffrouw Rosels mededeling aan de juridisch adviseur, ‘en hij komt hierheen, al stuurt onze gemeente hem natuurlijk geen geld. Maar als de Szigeters hem wegjagen, komt hij toch wel bedelend naar Barnow, omdat hij hier gezocht wordt. Rabbi Manasse zegt dat hij Luiser de brief moet geven.’

‘De schurk!’ riep Dovidl woedend. ‘Ziet u nu wat een stumper hij is?’

Ze keek hem bevreemd aan. ‘Ik denk,’ antwoordde ze, ‘dat hij zijn werk deze keer maar al te goed gedaan heeft.’

‘Een stumper,’ herhaalde Dovidl des te heftiger. ‘Hij zal de brief bij de districtsrechtbank inleveren en een verzoek indienen om de rechtbank van Sziget uw aanklacht tegen Froim in behandeling te laten nemen. Natuurlijk wordt het nu niets met die overlijdensverklaring en we krijgen een proces dat jaren duurt en God weet hoe het afloopt. Maar daarom is hij toch een erbarmelijke stumper. Waarom? Omdat hij op het toeval vertrouwt! Als die Froim niet toevallig nog in leven was, hoe zou Luiser er dan nu voorstaan? Een prifee-advocaat die op het toeval vertrouwt – hahaha! Dat doe ik nooit.’

Dat was echter maar een schrale troost voor juffrouw Rosel en hij kon haar grootste zorg ook niet wegnemen.

‘Hij komt hier niet!’ riep hij. ‘Absoluut niet! Of tenminste waarschijnlijk niet! Of het kan tenminste zijn dat hij niet komt. Overigens, als hij komt – ik heb u immers altijd gezegd dat hij zal komen! Niet? U vergist zich! Ik heb het gezegd, of ik heb het tenminste altijd geloofd – dus als hij komt, des te beter voor ons. Dan wil hij of niet bij u intrekken, en u wordt gescheiden, of hij wil wel en dan is alles in orde, prima in orde. En ik hoop, juffrouw Rosel, dat we zover komen. Hij is immers een oude bedelaar, dus waarom zou hij zich niet door u laten verzorgen?’

‘Maar dat zou voor mij het allerergste zijn!’ schreeuwde ze ontzet. ‘En wat moet ik dan tegen mijn Sender zeggen?’

‘Neemt u me niet kwalijk,’ zei Dovidl, ‘dat hoort niet meer tot de zaak-Kurländer contra Kurländer, want met familiezaken bemoei ik me niet. En omdat het al gauw Jom Kippoer (Grote Verzoendag) is en omdat ik vóór die tijd veel te doen heb –‘

Ze ging weg. ‘Nu moet hij trouwen,’ dacht ze. ‘Binnen twee weken moet het gebeuren. Want als Froim hier eerder is, gaat hij ervandoor.’ En ze haastte zich naar de marschallik.

Itzig Türkischgelb knikte. ‘Binnen veertien dagen,’ zei hij. En toen ze hem weifelend aankeek: ‘Juffrouw Rosel, heb ik ooit meer beloofd dat ik nakomen kan? Vandaag is het maandag. Uiterlijk donderdag zijn die twee verloofd, als er niet toevallig een sjed (boze geest) tussenbeide komt. Zondag, op Jom Kippoer, kunt u de Heer onze God niet alleen uw zonden toevertrouwen, want daar bent u als goede, arme vrouw gauw mee klaar, maar ook uw vreugde. En die zal groot zijn. Wat een meisje!’

‘Maar of hij dat wil?’

De marschallik glimlachte. ‘Hij? Hij gloeit, hij brandt, hij vlamt!’ Vergeleken bij zijn hart is een kalkoven een ijskelder… Ik maak me meer zorgen om iets anders, maar dat komt ook wel in orde. We moeten het wel verstandig aanpakken. Weet u wat onze Keizer drie jaar geleden deed, toen hij de Hongaren niet onder de knie kon krijgen?’

Ze keek hem verbluft aan.

‘Hij riep de Russen. Kom mee naar het telegraafkantoor.’

Daar liet hij de beambte een telegram schrijven. Ze kwam niet aan de weet wat erin stond, al moest ze een gulden onkosten betalen. Maar de marschallik troostte haar: ‘Dat geld is goed besteed, vertrouwt u daar maar op. En nu wil ik met Sender praten.’

Blijmoedig lachend liep hij naast haar naar het tolhuis. Daar werd zijn gezicht plotseling bedroefd en somber. ‘Trek een treurig gezicht,’ fluisterde hij haastig. Dat lukte maar al te goed, toen ze naar zijn plotseling veranderde gezicht keek. ‘Daar is hij,’ vervolgde hij zacht. Inderdaad kwam Sender vlug de weg af, want hij wilde naar de winkel terug.

‘Juffrouw Rosel,’ begon de marschallik met luider stemme, toen de jonge man binnen gehoorsafstand was, ‘ik heb u meteen gezegd en ik herhaal het nu: ik geef u niet de schuld, maar met Sender wil ik niets meer te maken hebben! Niets!’ herhaalde hij, ‘al doet het me pijn in mijn hart.’ Zijn stem brak van droefenis. ‘Want ik hield van hem als van een zoon en ik was tegen hem als tegen een zoon! En dan doet hij me dat aan, dat, juffrouw Rosel!’

‘Wat?’ wilde ze vragen.

‘Mondje dicht,’ mompelde hij haastig en vervolgde luid: ‘U zegt niets! Gelijk hebt u! Er is niets meer te zeggen. Zo’n ondankbaarheid als ik van die Paljas –‘

‘Van mij?’ riep Sender ontzet en kwam naderbij. ‘Wat zegt u daar, reb Itzig? Wat heb ik u aangedaan?’

De marschallik begon krampachtig te lachen. ‘Wat hij me aangedaan heeft! De arme, onschuldige jongen! Moet ik eigenlijk nog antwoord geven, juffrouw Rosel? Verdient hij dat ik antwoord geef? Maar omdat hij me smeekt – vooruit dan maar… Kom!’ En hij liep somber in de richting van het tolhuis.

‘Wat is er gebeurd?’ vroeg Sender zijn moeder beteuterd.

Ze haalde haar schouders op. ‘Ga maar,’ antwoordde ze. ‘Je hoort het wel.’ Ze ging zelf naar de keuken; ze wist niet wat voor gezicht ze bij dit gesprek moest trekken.

Toen ze in de huiskamer waren, stak de marschallik van wal: ‘Ik kook inwendig, maar ik wil rustig blijven. Ik wil je alleen wat vragen: weet je dat huwelijksbemiddeling mijn beroep is, ja of nee?’

‘Natuurlijk, u leeft ervan. Maar –‘

‘Is dat goed of slecht? Ben ik rijk?’

‘Nee. Maar –‘

‘Wist je dat het mijn zaak is, als Malke van reb Hirsch trouwt? En wist je waarvoor Malke naar het huis van de voorzitter gekomen is? Nou? Word nu niet zo rood als een kreeft en niet groen als een komkommer, hap niet naar lucht als een karper in het zand, maar geef antwoord: ja of nee!’

‘Nou – ja.’

‘En hoe wist je dat?’ bulderde Türkischgelb. ‘Doordat ik het je in vertrouwen verteld heb. Als een geheim toevertrouwd aan mijn beste vriend! En wat heb jij met dat vertrouwen gedaan? Je hebt de zaak voor me verpest, je hebt dat huwelijk onmogelijk gemaakt!’

Sender kon niets antwoorden. Schuldbewust stond hij met een bleek gezicht voor zijn aanklager.

‘Kapotgemaakt, gebroken,’ vervolgde de marschallik, ‘zoals ik dit verbreek.’ Hij trok een takje van de lindeboom af en brak het in tweeën. Ik kom vandaag nietsvermoedend bij reb Jossef en verheug me al op het mooie honorarium dat reb Hirsch me beloofd heeft, maar daar buldert hij: “Ik wil niets meer te maken hebben met u en met dat meisje. Iemand die iedere avond maar met een jongen zit te kletsen en zich het hof laat maken alsof ze allebei christenen zijn, is voor mijn Mosche niet goed genoeg. Tegen haar zeg ik niets, maar ik heb haar vader geschreven dat hij haar morgen af moet komen halen…” Sender,’ barstte hij uit, ‘waarom heb je me dat aangedaan?’

‘Ik deed het niet expres,’ stamelde Sender. ‘En Taube was erbij. Zij kan getuigen dat ik nooit iets verkeerds tegen haar gezegd heb.’

‘Lieg niet!’ riep Türkischgelb heftig. ‘Want of je liegt of je bent een slecht mens. Alleen zo iemand vindt het normaal als een jonge man tegen de bruid van een ander zegt dat ze de koningin van alle vrouwen is en dat hij sterft van verdriet als haar prachtige haar afgeknipt moet worden. Je ziet het: ik weet alles. Die arme Taube, die zich er ook aan ergert, heeft het vandaag aan haar schoonvader moeten toegeven. En bedenk dat Malke de bruid was van een domme, onrijpe jongen, terwijl jij een knappe, intelligente man bent, die Duits spreekt en je had met je geweten dus extra op je hoede moeten zijn.’

Sender had berouw, maar dit verwijt vond hij toch vleiend.

‘Ik wil mezelf niet verdedigen,’ zei hij, ‘want u zou me toch niet begrijpen, omdat u alles beoordeelt naar de normen hier. Maar ik wil u één ding zeggen: als u gelijk hebt, dat ik die verloving kapotgemaakt heb, dan spijt het me voor u, maar verder doet het me plezier. Want een meisje als Malke is voor iemand als Mosche te goed. Maar dat is geen reden om mij de schuld te geven, want ze had hem toch niet genomen.’

‘Daar vergis je je in!’ benadrukte de marschallik. ‘Ze had het gedaan, zolang ze niet aan een ander dacht. Maar nu natuurlijk niet meer. Al een paar dagen geleden zei ze tegen Taube: “Al word ik door mijn vader verstoten, ik trouw alleen met een man die ik zelf heb uitgezocht, bij wie ik pas en die bij mij past…” Waarom bloos je zo?’

Sender keerde zich om.

‘En dat,’ riep de marschallik bulderend, ‘dat is je grootste misdaad. Dat je een verloving kapotgemaakt hebt, kan ik je nog vergeven: ik heb je toentertijd zelf gezegd dat ik haar liever een ander gegund had. En mijn verdiensten – God zal me echt niet laten verhongeren. Maar dat jij, die anders zo’n goede, flinke kerel bent, zo slecht en zo gewetenloos gehandeld hebt tegenover een arm meisje, tegenover dit meisje, waarvoor zelfs de beste eigenlijk nog niet goed genoeg is – dat vind ik onvergeeflijk! Je wilt niet trouwen, zeg je? Goed, dat is jouw zaak. Maar dan wel doen alsof je serieus bent en het arme meisje gek maken en haar hart breken – foei, Sender, ik heb er geen ander woord voor… Jij trouwt niet met haar en een ander neemt ze niet – wat moet er van haar worden?’

Hijgend en met zijn hoofd op zijn arm bleef Sender zitten. Net als anders bij een hevige opwinding voelde hij ook nu een lichte steek in zijn longen, maar hij lette er niet op; inwendig stormde het als nooit tevoren.

‘Dat was niet mijn bedoeling,’ mompelde hij. ‘Bij God in de hemel, dat was niet mijn bedoeling.’

‘Dat geloof ik wel,’ zei de marschallik milder. ‘Zo’n meisje expres in opspraak brengen en voor haar hele leven in het ongeluk storten – ik denk dat de grootste slechterik daarvoor nog niet slecht genoeg was… Maar nu zitten we ermee… En nu? Wat nu? Het gaat mij niet alleen om haar, maar ook om jou, want jij zult je hele leven gewetenswroeging hebben.’

‘U hebt gelijk,’ mompelde Sender somber en perste zijn lippen weer op elkaar. Ook de Marschallik zei niets meer. Het was een angstig, drukkend zwijgen.

‘Ik ga ervandoor,’ zei Türkischgelb ten slotte en pakte zijn hoed. ‘Blijf maar rustig hier – ik excuseer je wel bij Dovidl – en denk erover na. Iemand als jij doet nooit iets zonder goede reden. Er moet een reden zijn waarom je niet wilt trouwen. Dat is erop tegen, maar misschien toch niet zozeer als jij denkt. God mag weten wat je worden wilt, maar toch zeker geen monnik. Denk er maar eens over na of je dat misschien ook als getrouwd man kunt bereiken.’

Sender maakte een heftig gebaar, niet afwerend, maar verrast.

Türkischgelb leek het niet te zien. ‘En verder,’ vervolgde hij, ‘moet je maar eens bedenken of er veel meisjes zijn zoals Malke, en wat je gewetensrust en het geluk van je moeder je waard zijn. Ik doe je een voorstel: morgenmiddag is reb Hirsch hier om haar af te halen. Als je wilt dat ik met hem praat, zeg het me dan voor die tijd. Dat hij nog een keer nee zal zeggen, denk ik niet – die arme vader van dat kind dat jij in opspraak hebt gebracht! Als je dat wilt, kunnen we morgenavond de verloving vieren. Wil je dat niet, beloof me dan tenminste dat je het arme kind niet nog bedroefder maakt en vanavond niet meer op het marktplein komt.’

‘Dat doe ik in geen geval,’ mompelde Sender.

‘Als je dat besluit, wat ik van harte hoop, dan kun je komen. Waarom niet? Malke weet nog niet dat Jossef Grün besloten heeft nee te zeggen en ze weet niet eens dat haar vader morgen komt. Ik weet niet waarom Jossef haar dat niet zeggen wil. Ze is dus helemaal onbevooroordeeld en zal op je wachten en beledigd zijn als je niet komt. Als je nee blijft zeggen, maakt het natuurlijk niets uit of zij na vanavond haar hele leven blijft zitten piekeren of pas na morgenmiddag!’

Hij stak zijn hand uit. ‘Moge God je de juiste richting wijzen,’ zei hij warm en ging de kamer uit. Buiten zei hij tegen juffrouw Rosel: ‘Laat hem maar alleen! Stel maar geen vragen… Die arme jongen!’

‘Waarom hebt u medelijden met hem?’ riep ze geschrokken.

‘Omdat hij het zo moeilijk vindt om gelukkig te worden,’ antwoordde de marschallik en glimlachte weer. ‘Maar hij wordt gelukkig, daar kunt u van op aan.’

Hoe dichter hij bij de stad kwam, hoe vrolijker hij werd. Hij had komedie gespeeld en de waarheid vaak geweld aangedaan, maar dat was nodig geweest. ‘Voor hem is het het beste,’ dacht hij, ‘en voor haar vast ook. Mijn Jütte ziet het te somber in. Een jongen als Sender – waarom zou Malke op den duur ook niet gelukkig worden? Ze is immers heel verstandig en een joods meisje – met haar komt het wel goed.’

 

Hoofdstuk 25

Zijn moeder volgde het advies van de marschallik op. Ze liet Sender alleen. Wel een uur lang kwam er uit de kamer geen geluid. Ten slotte kwam hij naar buiten, knikte zwijgend naar haar en sloeg de weg naar de velden in.

Treurig keek ze hem na. Het gaf haar een steek in haar hart, dat hij zo bleek zag. ‘Hij is niet mijn eigen vlees en bloed,’ dacht ze, ‘maar wel een mens zoals ik. Wat worstelt hij met alles, zelfs met zijn geluk.’

En daarin vergiste ze zich niet. De arme jongen worstelde ermee. Hij had nu, terwijl hij doelloos over de stoppelvelden liep en steeds verder de hei op ging, wel zijn keus bepaald, eigenlijk al eerder, tijdens het gesprek met de marschallik, maar in zijn hart heerste daardoor nog niet meer vrede. Natuurlijk moest hij naar de hand van Malke dingen, niet alleen omdat zijn geweten hem dat gebood en omdat het besef dat ze zijn liefde beantwoordde hem dronken maakte, maar ook omdat een toekomstig leven zonder haar hem onmogelijk leek.

Maar zijn doel! Het doel waarnaar hij zo vurig verlangde en waarvoor hij al zijn hartenbloed over had, verdween nu uit het zicht. Hij hoefde er natuurlijk niet helemaal vanaf te zien – de marschallik had hem pas op dat troostrijke idee gebracht, maar dat lag eigenlijk voor de hand: waren er ook geen getrouwde toneelspelers, was Nadler ook niet getrouwd? Had hij omwille van Malke van zijn beroep af moeten zien – hij huiverde; ‘wie weet,’ dacht hij, ‘wat ik dan besloten had en of ik het overleefd had!’ Maar nu voelde hij zich terneergeslagen door de gedachte dat hij misschien een jaar langer moest wachten, want direct na de bruiloft kon hij immers niet weg.

Maar hoe verder hij de herfstige, rossige hei opliep, hoe helderder zijn gedachten werden. Misschien hoefde hij niet eens een jaar te wachten: Malke was immers geen gewone vrouw, ze zou zijn doel begrijpen en hem vast en zeker helpen in plaats van hinderen. Misschien had zij ook artistiek talent – maar nee, die gedachte verdrong hij meteen nadat ze opgekomen was; zijn vrouw, zijn mooie, geliefde vrouw zou niet voor publiek moeten optreden. Hij alleen, maar met haar als zijn gids, met haar instemming als zijn mooiste loon en zijn triomfen als het geluk van haar leven. Hij liet zich in de hei vallen en deed zijn ogen dicht om beter te kunnen dromen en de beelden van zijn toekomst voor zich te zien, en een verheerlijkte glimlach gleed over zijn gezicht. Hij had liefde, zolang hij die nog niet kende, bij anderen raar gevonden, een “dwaasheid” waar hij niet aan mee wilde doen – en zo vreemd had hij dat gevoel gevonden, dat hij betwijfelde of hij ooit verliefden zou kunnen spelen. Toen het hem onverwachts zelf overkwam had het hem pijn, verwarring en opwinding genoeg bezorgd, maar geen moment geluk. Maar nu overstroomde het hem, met iedere ademtocht voller en rijker, waardoor hij alle zaligheid nauwelijks verdragen kon. ‘O, wat is het mooi,’ mompelde hij, ‘wat mooi… wat mooi…’ en toen zacht haar naam. Zijn borst leek te klein en hij kwam overeind om vrijer te kunnen ademen. ‘Wat mooi…’ en plotseling sprongen de tranen in zijn ogen en stroomden over zijn gezicht.

‘Ik ben gek,’ zei hij glimlachend en veegde zijn tranen af. ‘Ik lig eenzaam op de hei te huilen, in plaats van bij mijn bruid te zijn en samen met haar blij te zijn.’ Hij keek om zich heen. Nog lag de hei verzadigd rood van kleur te glanzen, maar de zon stond al laag en in het oosten kwam juist de witte maansikkel tevoorschijn.

Hij sprong op en ging op weg naar de stad, eerst snel en dan steeds langzamer. ‘Wacht,’ dacht hij, ‘ze wordt mijn bruid pas morgen. Vandaag moet het lijken of ik haar toevallig ontmoet. We zullen nu al anders met elkaar praten dan anders – nu ik weet –‘

Hij glimlachte. ‘Wat heeft ze komedie gespeeld! Wat zo’n meisje kan! Over ieder vriendelijk woord was ze gewoon boos.’ Hij voelde onbehagen en onzekerheid in zich opkomen. Maar hij schudde het af: ‘onzin – nu ze Taube bekend heeft –‘

Toch liep hij steeds langzamer en toen hij van verre licht zag schemeren, de lantaarn bij de tolboom, die zijn moeder zojuist had aangestoken, bleef hij staan en keek ernaar. ‘Zal ik het de oude vrouw vandaag al vertellen?’ mompelde hij.

Hij besloot dat niet te doen. ‘Eerst moet reb Hirsch toestemming geven. De marschallik denkt daar wel zeker van te zijn, maar mocht hij nee zeggen, dan kunnen Malke en ik hem vast wel ompraten, en dan hoeft mijn moeder niet in angst te zitten. Morgen, als alles in orde is, zal ze des te blijer zijn.’

Hij liep verder, naar het marktplein, maar steeds aarzelender. Het was gaan schemeren en de maansikkel wierp haar bleke schijnsel in de Tuinstraat, die hij nog door moest; nu zat ze vast al met Taube voor het huis. ‘Hoe spreek ik haar aan?’ dacht hij.

‘Nou – met goedenavond,’ lachte hij, ‘en de rest komt vanzelf.’ Toch sloop hij nu letterlijk en zijn hart bonsde heftiger, naarmate hij dichter bij het marktplein kwam.

Eindelijk was hij op het plein en na een paar minuten voor het huis van de voorzitter. Hemel, ze was er niet. Maar daar verscheen ze juist met Taube aan de deur.

Hij ging op haar af en groette haar. Ze antwoordde hem even vriendelijk als anders, zij het niet zo luid als Taube, die hem ook een hand gaf. Hij drukte die hartelijk en stak dan ook zijn rechterhand naar Malke uit. Hij deed dat vandaag bij de begroeting voor het eerst en ze keek er vreemd van op. Toen raakte ze zijn hand even met haar slanke, blanke vingers.

Hij was eerder verbluft dan bedroefd. ‘Goed,’ dacht hij, ‘ik zal je je zin geven. Dus vandaag nog net als anders.’ En daarom ging hij net als anders naast Taube lopen.

‘En?’ vroeg de opgewekte dikke vrouw, ‘wat zegt de krant van Barnow vandaag?’ Zo noemde ze hem altijd.

Hij dacht na. ‘Dat Dovidl Morgenstern uit zijn vel springt,’ begon hij, ‘weet je al. Maar wacht: er is echt nieuws: de prior heeft bij een schilderes uit Lemberg een nieuw altaarstuk besteld. Een vrouw die schildert en ook nog heiligen voor het klooster: dat is wel grappig!’

‘Waarom?’ vroeg Malke. ‘Mijn nicht Viktorine Salmenfeld, de oudste dochter van mijn oom Franz, maakt ook van die schilderijen en ook nog heel goed. Ze heeft in Wenen naam gemaakt als kunstenares en ze schijnt heel vriendelijk en heel begaafd te zijn. Jammer genoeg ken ik haar niet persoonlijk.’

‘Jammer genoeg?’ riep Taube. ‘Je moet goddank zeggen!’

‘Waarom? Omdat ze een christen is? Ze blijft familie en ik weet dat ze ook vriendelijk over mij denkt.’

‘Maar Malke!’ riep Taube ontdaan. Sender was nauwelijks minder geschrokken: volgens hem sneed een doop alle banden door. ‘Ben je daar dan zo blij mee?’ riep hij angstig.

‘Met een doop? Nee, blij ben ik er nooit mee. En van de tienduizend keer is er nauwelijks een waar niets tegen in te brengen is, want meestal doet iemand het denk ik niet uit innerlijke overtuiging. Maar daarnaast zijn er gevallen waarin je iemand mag beklagen en niet veroordelen, en zo’n geval is mijn oom Franz. Er zijn maar weinig mensen die er eerlijk over oordelen. Mijn grootvader, Nathan Salmenfeld, had veel levenservaring, maar was ook een bijzonder strenggelovig man, die het levensdoel voor zijn drie zoons vanaf het begin had uitgestippeld: Froim, de oudste, moest dokter worden, Manasse, de tweede, advocaat en Hirsch, de derde, mijn vader, moest zijn herberg erven, en ze mochten geen van allen minder fanatiek zijn dan hijzelf. Froim moest dus ook op het gymnasium een kaftan dragen en op de universiteit, in Pest, bij de chassidiem wonen. Dat leven was een hel. De christenen hoonden hem en voor die joden was hij ook niet koosjer meer. Geen wonder dat hij zijn geloof met al die vreselijke dwang ging haten en het uiteindelijk afschudde! De chassidiem hebben een christen van hem gemaakt! Maar mijn oom Max, die nu advocaat in Czernowitz is, heeft dezelfde martelgang doorgemaakt en daarna wel de dwang afgeschud, maar niet het geloof.’ En ze vertelde enthousiast wat een fantastische man dat was, een voorvechter van de rechten van zijn geloofsgenoten en bovendien voor hun zedelijke verheffing en bevrijding.

‘Straks laat die zich ook nog dopen,’ zei Taube op haar gewone toon, terwijl Sender vroeg: ‘Hoe lang heb je bij hem gewoond?’

‘Zes jaar. Op mijn achtste ben ik mijn moeder verloren. Dat is vast het ergste wat een kind kan overkomen. Maar voor mij bracht het toch nog een geluk met zich mee: ik kwam in het huis van mijn oom. Hij en zijn vrouw waren als een vader en moeder voor me en zijn kinderen als broers en zusters. En een betere leraar dan mijn neef Bernhard had ik nooit kunnen hebben.’

Alweer die Bernhard! Maar Sender kalmeerde toen ze vervolgde: ‘Natuurlijk kon hij me alleen in de vakanties lesgeven, want hij was toen student in Wenen.’

‘Dan is hij zeker al in de dertig?’ vroeg hij met een zeker genoegen.

‘Ja. Tweeëndertig. Hij is nu nog klerk in het advocatenkantoor van zijn vader, maar hij hoopt gauw tot advocaat benoemd te worden. Wat zijn vooruitzichten nu zijn, weet ik niet. Want ik hoor steeds minder van de familie,’ vervolgde ze met een kleine zucht, ‘mijn vader wordt steeds vromer en hij ligt nu al jaren overhoop met zijn broer Max.’

‘Maar je bent twee jaar geleden toch bij hem geweest in Czernowitz?’ vroeg Taube.

‘Een paar weken maar, dat mocht bij wijze van uitzondering.’

‘Het was zeker zwaar om nu alles weer te moeten missen,’ zei Sender warm en keek haar liefdevol begrijpend aan.

‘Heel zwaar,’ antwoordde ze. ‘Jij begrijpt me!’

Dat gaf hem moed. ‘Maar nu zal het gauw beter worden,’ zei hij met een stralend gezicht.

Ze keek hem verwonderd aan. ‘Hoe bedoel je dat?’

Hij bloosde. ‘Dat – dat merk je nog wel,’ stotterde hij en probeerde te glimlachen. Het kwam goed uit dat de vrouw van de voorzitter op dat ogenblik naar hen toe kwam en het verhaal van de pater econoom en mevrouw Putowska, de adder van Barnow, begon te vertellen.

Ook Jossef Grün kwam bij het groepje staan. ‘Nou, Sender,’ zei hij, ‘ik hoop dat je moeder niet al te ongelukkig was met het besluit van de districtsrechtbank.’

‘Welk besluit?’

‘Heeft ze het nog niet? Wolczynski heeft me verteld dat het haar al meegedeeld is: de afwijzing van haar verzoek om haar pachtcontract te verlengen. Die schoft heeft het doorgedrukt en ze kon het ondanks mijn goede raad jammer genoeg niet met hem eens worden.’

‘Dat was ook onmogelijk,’ antwoordde Sender, ‘maar ik denk niet dat ze daar erg ongelukkig mee zal zijn.’ Inderdaad was daar nu nauwelijks reden voor. Met zijn winst en een deel van Malkes bruidsschat kon hij ook haar toekomst wel veiligstellen.

De voorzitter en zijn vrouw liepen door en andere bekenden kwamen bij hen.

‘Hoe lang blijf je nog hier?’ vroegen ze aan Malke.

‘Dat weet ik niet,’ antwoordde ze. ‘Daar hangt van mijn vader af.’

‘Het is toch niet goed,’ dacht hij, ‘dat ze haar nog steeds niet verteld hebben dat hij morgen komt.’

Hij vertelde het haar halfluid.

Het had een volkomen onverwacht effect. Ze werd bleek en staarde hem met wijdopen ogen geschrokken aan.

‘Om godswil,’ mompelde hij, ‘wat is er met je?’

Ze beheerste zich.

‘Wat er is?’ vroeg ze bitter en zelfs minachtend. ‘Moet ik nog blij zijn dat jij het weet en ik niet? Jij hebt het natuurlijk van de marschallik gehoord!’

‘Ja,’ gaf hij toe. ‘Maar –‘ Toen schoot er een gedachte door hem heen: ze dacht blijkbaar dat haar vader kwam om haar verloving met Mosche Grün te vieren.

‘Nu begrijp ik het,’ zei hij glimlachend. Natuurlijk kon hij in het bijzijn van Taube niet openhartig zijn, maar hij slaagde er toch in het haar duidelijk te maken. ‘Jij denkt dat hij komt om het – laten we zeggen de zaak waarin de marschallik bemiddelen wilde af te sluiten. Geen sprake van! De man die de zaak moest regelen heeft ingezien dat hij er geen goed aan deed en heeft zich teruggetrokken.’

‘Wat?’ riep ze buiten zichzelf van vreugde. ‘Begrijp ik je goed?’ Ze barstte in snikken uit, pakte zijn hand en drukte die.

Er ging een koortsige rilling door hem heen. ‘Lieve Malke,’ mompelde hij. ‘Rustig maar! Niemand zal je dwingen! Je – je gaat trouwen met de man die je zelf hebt uitgezocht.’

Het onstuimige geluksgevoel dat hem doorstroomde maakte zijn woorden onduidelijk, maar ze had hem toch begrepen.

‘Sender, lieve Sender!’ stamelde ze met gloeiende wangen en drukte zijn hand in haar handen. ‘Je bent een edelmoedig mens, God zal je lonen – met geluk en roem in de loopbaan die je zelf gekozen hebt.’ Ze glimlachte naar hem door haar tranen heen. ‘Jij kent mijn geheim – maar ik ook dat van jou! We konden het allebei alleen maar raden… Maar ik kan nu niet zo…’ Haar stem brak. ‘Ik zal je morgen nog dankbaar zijn. Tot aan mijn dood zal ik het niet vergeten.’

En ze rende het huis in.

‘Wat was dat?’ vroeg Taube verbaasd.

Hij kon geen antwoord geven. ‘Goedenacht,’ mompelde hij ten slotte en rende weg, zonder te weten waarheen. Pas toen het ruisen van de Sered tot zijn oren doordrong bleef hij staan. Hij was in het park bij de rivier beland. Op het eerste bankje ging hij zitten.

‘Wat was dat?’ zei hij ten slotte hardop voor zich uit. ‘Ik denk: een verloving.’

Hij sloot zijn ogen, zoals vanmiddag op de hei en dezelfde verzaligde glimlach lag op zijn gezicht.

Koel streek de herfstwind door de bladloze takken, de rivier ruiste door het diepe duister van de stille nacht en er was niets te horen dan het slaan van de klokken. Maar ook dat hoorde hij niet, alleen maar de zachte, lieflijke stem: ‘Sender – lieve Sender!’

Lang bleef hij zo zitten. Hij zou deze uren nooit meer vergeten, ondanks alles wat er volgde, nooit, en nog in zijn stervensuur zou hij eraan denken hoe gelukkig hij die nacht geweest was…

Toen de morgen aanbrak stak de oostenwind op en bedekte hem met verwelkte bladeren. Ten slotte kwam hij overeind om naar huis te gaan.

Aan de overkant van de rivier zag hij in de eerste grijze ochtendschemering de ruïnes van het kasteel oprijzen. ‘Daar neem ik haar een keer mee naartoe,’ dacht hij, ‘daar is mijn geluk begonnen. Had die arme Wild dat nog maar mee kunnen maken.’

Hij kon niet vermoeden hoe snel hij die plek weer betreden zou en wat daar op hem wachtte.

Het was al klaarlichte dag, toen hij zijn bed opzocht. Al na twee uur stond hij weer op om zijn ochtendgebed uit te spreken. Dank u, God vol genade, die vervult waarnaar ons hart zo smacht. Sinds de ochtend in april, waarop hij zijn bloedspuwing had gekregen, had hij die woorden niet meer met zoveel innigheid uitgesproken.

Toen hij de huiskamer binnenging, kwam zijn moeder hem bezorgd tegemoet.

‘Je bent vannacht zeker laat thuisgekomen,’ zei ze. ‘Ik heb tot middernacht op je zitten wachten. Gistermiddag heeft de bode deze brief van de districtsrechtbank bezorgd.’ Ze gaf hem de opgevouwen brief aan.

‘Laten we die lelijke brief nog niet openmaken, moeder,’ zei hij met vochtige ogen. ‘Je zegt altijd: “God neemt niet alleen, Hij geeft ook en meer dan hij neemt.” In de brief staat dat je de tol niet meer krijgt. Maar laten we toch vrolijk zijn: vandaag verloof ik me met Malke.’

Met een kreet van vreugde viel de oude vrouw hem in de armen. Ze omhelsden elkaar lang en woordenloos.

‘Goddank!’ riep ze toen en prees het knappe meisje. ‘Maar dat jij toen die foto gezien hebt, was toch toeval en geen opzet.’

‘Maar een gelukkig toeval,’ zei hij vrolijk, ‘anders was ik niet zo snel verliefd op haar geworden.’

Pas na een tijdje pakte juffrouw Rosel de brief weer. ‘Lees hem maar,’ zei ze.

Dat deed hij. ‘Zo is het nu eenmaal, moeder.’

‘Maar wat moet er nu van mij worden?’ klaagde ze.

‘Een lieve grootmoeder,’ antwoordde hij en kuste haar voorhoofd; ‘er zijn nog andere dingen dan tol heffen voor de Keizer. En leukere dingen, nietwaar?’

De winkel was al open, toen hij aankwam en Dovidl bediende een paar klanten aan zijn bureau. Maar het was ongehoord! Hij dreigde niet uit zijn vel te springen en zweeg ook over gistermiddag. En toen Sender erover begon, antwoordde hij vriendelijk: ‘Ik weet toch wat er aan de hand is… Als je vanmiddag ook vrij wilt hebben, zeg het dan maar.’

Met enige aarzeling maakte Dovidl plaats aan het bureau. Hij was blijkbaar bang dat Sender vandaag nog meer onheil zou stichten dan gisteren. Maar de jonge man was ondanks de doorwaakte nacht en de komende gebeurtenis zo helder in zijn hoofd, zo vol rustig en zeker geluk in zijn hart, dat hij het werk in de loterij ondanks de grote drukte – het was vandaag immers dinsdag – punctueel afmaakte en daarnaast nog tijd vond om het verzoekschrift-Fragezeichen-Ritterstolz helemaal in het net te schrijven. Desondanks sloeg hij de aangeboden vrije middag af.

Toen hij rond het middaguur naar huis ging, kwamen er een paar huurkoetsen voorbij. ‘Wat een raar idee zou het zijn,’ dacht hij, ‘als mijn toekomstige schoonvader daar voorbijreed. Ik ken hem niet eens!’ En toen hij van verre een koetsier uit Chorostkow, zijn vroegere kameraad van de provinciale wegen, met een licht koetsje voorbij zag komen, keek hij nieuwsgierig naar binnen. ‘Dat zou reb Hirsch wel kunnen zijn.’ Maar er zat alleen een dame in en hij wilde erlangs zonder op te kijken.

Plotseling hoorde hij dat hij geroepen werd en tegelijkertijd stond het koetsje stil. Hij keek op en zag het ronde, weldoorvoede gezicht van Jütte.

‘Wees welkom!’ riep hij vrolijk en liep naar het portier. ‘Welke goede wind brengt je hierheen? Maar breng je je reb Hirsch niet mee?’

‘Die komt morgen,’ zei ze onzeker en keek hem met haar bruine ogen, die anders zo monter en doordringend stonden, bijna verlegen aan. ‘Hoe – hoe gaat het met jou, Sender?’

‘Fijn dat je dat vraagt,’ riep hij vrolijk. ‘Beter dan ooit! Je vader zal je wel vertellen waarom!’

‘O ja?’ zei ze schuchter en slaakte een diepe zucht. ‘En hoe gaat het –‘ Ze hield in. ‘Maar ik wil je niet ophouden.’

‘Heb je in de tussentijd leren zuchten?’ vroeg hij lachend. ‘Reb Hirsch komt toch zeker morgen?’

‘Zeker,’ antwoordde ze bedrukt, ‘als het nodig is.’

‘Dan komt hij,’ lachte Sender. ‘Want het is dringend nodig. Tot ziens! En doe de groeten aan Malke. Ik kom vanavond en misschien eerder!’

‘Tot ziens,’ mompelde ze bedroefd en liet de koetsier doorrijden.

Hij dacht nauwelijks na over de veranderde manier van doen van het meisje, maar vertelde het thuis toch met een lach aan zijn moeder. Ook zij glimlachte.

‘Je ziet het, Sender. Dat arme meisje, dat nog geen man heeft, slaakt een zucht als haar rijke vriendin zich verlooft. Maar Jütte wenst jou en Malke daarom toch het beste.’

Hij knikte opgewekt. Zacht fluitend liep hij naar de winkel terug en ging aan het werk. Maar terwijl hij mevrouw Putkowska een droom uitlegde – deze keer had ze niet van een roze zijden jurk gedroomd, maar van een gesel – stoof Mosche Grün naar binnen, legde een brief voor hem neer en rende weg.

Met kloppend hart keek hij naar het adres: aan de weledele heer Sender Kurländer, alhier. Persoonlijk. Wat schreef ze fijn en sierlijk. Er stond:

Beste vriend,

Ik moet je dringend spreken. Kom vanmiddag om vier uur naar de ruïne. Ik wacht daar met mijn vriendin Jütte.

Hartelijke groeten,

Je trouwe vriendin

Regina Salmenfeld.

Verrukt, verzaligd staarde hij naar het papier. Dat lieve, goede meisje wist hoe hij naar haar verlangde en regelde vrijwillig een ontmoeting, alleen maar om hem te “bedanken” voor het dingen naar haar hand. Lieve hemel, zij hem “bedanken”! Dat had een meisje uit Barnow niet gedaan, maar hij had toevallig het geluk van een verlichte bruid. Jütte zou erbij zijn, schreef ze natuurlijk, maar de binnenplaats van het oude kasteel was groot…

Het was half vier. ‘Ik moet nu toch weg,’ zei hij tegen Dovidl, die hem ook meteen liet gaan.

‘Ik moet er toch als eerste zijn,’ dacht hij en haastte zich over de Seredbrug en de heuvel op naar de binnenplaats van het kasteel. Maar toen hij de woeste ruimte betrad, zag hij al vrouwenkleren door de kale takken schemeren.

Het was Jütte. Ze zat op de bak naast de dichtgegooide bron en staarde met gebogen hoofd voor zich uit. Toen hij dichterbij kwam, stond ze op.

‘Jij – jij alleen?’ riep hij en toen hij zag hoe bleek ze was en hoe rood haar ogen waren stamelde hij bevend: ‘Wat – wat is er gebeurd?’

Ze kreeg een kleur als vuur. ‘Niets,’ mompelde ze. ‘Met Malke gaat het goed, maar ze komt niet. Ze wilde wel, maar ze had… ze had het toch niet aangekund… Dat arme meisje, wat voor vreselijke dingen heeft ze de laatste tijd meegemaakt! Maar ook omwille van jou, Sender, heb ik het van haar overgenomen… Dergelijke dingen kun je beter van een ander horen.’

‘Omwille van mij?’ Hij wankelde en greep de stenen rand van de bron om overeind te blijven… ‘Wat zeg je nou?’

‘Luister,’ zei ze, terwijl ze haar handen vouwde, ‘luister rustig wat ik zeg. Het zal hard aankomen, denk ik, heel hard.’ Weer sprongen de tranen in haar ogen. ‘Maar het is niemands schuld… Misschien van mijn vader, maar ook die bedoelde het goed.’ De tranen verstikten haar stem.

‘Vertel het dan,’ mompelde hij.

Ze knikte. ‘Ik zal het kort houden. Jouw verloving met Malke kan niet doorgaan. Sinds haar jeugd houdt ze van een ander, haar neef Bernhard. Twee jaar geleden heeft ze zich met hem verloofd. Reb Hirsch wilde er niets van weten: een Duitser die varkensvlees eet – je begrijpt het. Er waren verschrikkelijke scènes thuis en ook haar stiefmoeder was ertegen. En dat is een kwade vrouw. Ze besloten Malke te verloven met een vrome jongen, ook tegen haar wil… Mijn vader heeft veel kandidaten voorgesteld, maar er is een gedoopte in de familie en het werd niets. Daarom nam reb Hirsch uiteindelijk genoegen met jou, al heb je Duits geleerd. Maar iets anders stond een huwelijk in de weg: jij wilde immers niet trouwen vanwege je plannen. Je wilt immers toneelspeler worden…’

Hij had als verdoofd geluisterd, bleek tot op zijn lippen, maar zonder zich te verroeren. Bij dat woord ging er een stuiptrekking over zijn gezicht.

‘Schrik niet!’ zei ze haastig. ‘Ik was de eerste die daaraan dacht en Malke begreep het verder uit jullie gesprekken. Maar van ons komt niemand verder iets te weten.’

‘Ga door,’ zei hij toonloos.

‘Toen heeft mijn vader dus een plan gesmeed. “Hij is een halve Duitser en dus krijgt hij ook zo’n verloving.” Ik moest komen met Malke, jou met haar in kennis brengen en met jou en haar praten. Maar ik zei nee. Mijn vader jammerde en reb Hirsch dreigde me het huis uit te zetten. Ik heb voet bij stuk gehouden.’ Haar ogen schoten vuur. ‘Aan zo’n spelletje met twee goede mensen wilde ik niet meewerken…’

‘En toen waren er de anderen,’ zei hij. ‘De voorzitter en Taube en de hele stad. En nu,’ voegde hij er tandenknarsend aan toe, ‘ben ik voor iedereen het mikpunt van spot geworden…’

‘Alleen die twee wisten ervan,’ zei ze bedremmeld. ‘En spot, zeg je – wie kan jou bespotten? Jij hebt eerlijk…’

‘Dan was,’ onderbrak hij haar somber, ‘dat met Mosche natuurlijk ook een leugen.’

‘Ja,’ zei ze.

Hij knikte. Nu was alles duidelijk. Hij sloeg zijn handen voor zijn gezicht en voelde zich zo ellendig, zo vreselijk ellendig als nooit tevoren in zijn leven. Alsof de mensen het hart uit zijn borst hadden gerukt om het in de modder te gooien… Hij kreunde zacht, ook om de lichamelijke pijn, want nu voelde hij bij iedere ademtocht het steken weer. ‘Wat maakt het uit,’ dacht hij, ‘als ik nu sterf…’

Maar daarop vermande hij zich. ‘Goed,’ zei hij en liet zijn handen zakken. ‘Ga maar, Jütte!’

Ze keek naar zijn gezicht en sloeg geschrokken haar handen ineen. Wat zag hij eruit, wat was hij plotseling oud geworden! ‘Sender,’ riep ze snikkend, ‘houd je dan zoveel van haar? Ik kan het me wel voorstellen, want ze is zo mooi en zo ontwikkeld. Maar je kunt je afvragen of je gelukkig geworden was! Ze wil immers een ander en ze denkt alleen maar aan hem…’

‘Daarom heeft ze zich ook hierheen laten sturen,’ voegde hij er bitter aan toe. ‘Wat heeft een paljas te betekenen? Die moet vroeg wennen aan komedies!’

‘Dat geloof je zelf niet!’ riep ze. ‘Ze heeft natuurlijk haar fouten, zoals iedereen, en al houd ik nog zoveel van haar, ik ken die fouten. Ze is een ander mens dan jij en misschien ook – misschien ook dan ik – bij jou komt alles uit je hart en bij haar alles uit haar verstand. En daarom –‘ ze bloosde hevig – ‘ik zeg dat niet om je te troosten, ik meen het echt, bij God – misschien was het tussen jullie toch niet goed gegaan, ook als ze niet verloofd was met haar doctor. Ze is heel ontwikkeld, maar ze weet het ook, en wie maar een beetje minder weet dan zij is in haar ogen niets, al heeft hij nog zo’n goed en trouw hart.’ Ze ging steeds haastiger praten. ‘Ze heeft misschien honderd boeken gelezen, ja, misschien nog wel meer, maar denk je dat ze ook maar een beetje soep voor een zieke klaar kan maken? Of naaien of breien? Altijd alleen maar lezen en aan Bernhard denken. Hij was haar leraar en weet meer dan zij, en als ze hem krijgt is ze de vrouw van een doctor en kan in een grote stad gaan wonen –‘

‘Maar wat zit ik hier te praten?’ onderbrak ze zichzelf, en weer kreeg haar ronde gezicht een kleur als vuur… ‘Ik wilde alleen maar zeggen: je mag het haar niet kwalijk nemen dat ze hier gekomen is. Het is een hel bij haar in huis en ze is bang voor haar vader en ze denkt: “Jij hebt de macht – en ik het verstand.” Ze doet alsof ze zich schikt, en misschien ligt de schuld ook wel een beetje bij mij. Ik zei tegen haar: “Die Sender wil iets heel anders dan trouwen.” Zo vatte ze het plan op om jou zo lelijk te behandelen dat er niets van kwam. Maar ongelukkig genoeg zei je al de eerste avond dat je haar ook niet wilde –‘

‘Een misverstand,’ zei hij. ‘Net als gisteravond. Ik bedoelde Mosche en zij bedoelde mij.’ Zijn gekwelde zenuwen kregen plotseling een lachkriebel.

‘Hahaha!’

‘Sender,’ riep ze angstig, ‘huil als je je zo voelt, maar lach alsjeblieft niet! Ik maak me zorgen over je. Ik heb zo met je te doen. En ik kan je toch niet helpen.’ Snikkend hief ze haar gevouwen handen naar hem op. ‘Kalmeer alsjeblieft!’

Hij verstomde, want dat lachen deed hem zelf te veel pijn. En terwijl hij haar zo huilend voor zich zag staan, werd hij ontroerd door haar medeleven.

‘Dank je, Jütte,‘ zei hij. ‘Maar neem me niet kwalijk –‘ zijn bleke lippen probeerden te glimlachen… ‘Het kwam toch een beetje plotseling…’

‘Je wilt alleen zijn. Maar we moeten toch eerst afspreken hoe we deze kwestie afsluiten…’

‘Die is al afgesloten. Zij wil mij niet en ik zal haar niet dwingen.’

‘Maar wat doen we met haar vader en de mijne?’ vroeg ze angstig. ‘Die twee weten natuurlijk niet dat ik me ermee bemoeid heb. Wat mij te wachten staat, als ze het merken, kun je je wel voorstellen. Maar daar hoef je je niets van aan te trekken.’ De kleine, gezette gestalte rekte zich energiek uit en de bruine ogen fonkelden… ‘Altijd vooruit, en als een mens het goede doet, moet hij de gevolgen aanvaarden. Om mij hoef je niet te doen wat ik vraag. Toen gisteren namelijk het telegram van mijn vader kwam, of reb Hirsch meteen wilde komen, zei die tegen mij: “Ik heb morgen een belangrijke zaak, ga jij met haar praten en zeg dat ik haar iets aandoe, als ze nee zegt; misschien lukt het ook zonder mij, want bij de verloving kan reb Jossel mij immers vertegenwoordigen. Gaat het niet, dan mag je vader me morgen een telegram sturen, en dan kom ik overmorgen.” Ik moet mijn vader dus voor vanavond de uitslag vertellen, die natuurlijk negatief is. Dan komt reb Hirsch morgen – en dat wordt vreselijk. Dus –‘

‘Zal ik je vader zeggen dat ik van gedachten veranderd ben?’

‘Ja – Malke smeekt je daar ook om. Ik moet, zegt ze, ook voor mezelf smeken, maar dat kan ik niet. En doen alsof het voor jou het beste is, zou ook niet eerlijk zijn. Want dan red je je gezicht wel voor de buitenwereld, maar je zou je moeder veel verdriet doen. Maar omwille van Malke – ja, dat kan ik vragen, en dat doe ik echt van harte.’ Ze hield hem weer haar gevouwen handen voor. ‘Zo bescherm je haar voor de ergste narigheid. Jij kent reb Hirsch en zijn vrouw niet, maar ik wel… En Malke is je lief’ – ze bloosde – ‘Je bent verliefd op haar geworden. Ik weet niet wat dat is, maar het moet iets geweldigs zijn. – Sender, als je haar had kunnen zien, toen ik van mijn vader kwam en haar alles uitlegde – zo wanhopig, met die mooie blauwe ogen star van angst en ontzetting… Sender, ze is een arm wezentje, en omdat ze jou zo dierbaar was en omdat je een goed mens bent…’

‘Ik zal het doen,’ mompelde hij. ‘Daar kun je van op aan… Ik zeg het vandaag nog tegen je vader…’

‘Sender,’ riep ze, ‘een ander zou dat niet doen! Terwijl je zoveel van je moeder houdt! Wat een hart heb je! God zal je belonen! Met een trouwe vrouw, die van je houdt, wat je verdient, en met geluk en voorspoed in wat je van plan bent…’

‘Misschien, als Hij barmhartig is,’ antwoordde hij met trillende lippen. ‘Maar een vrouw… Ik zal wel alleen blijven…’

Hij draaide zich om en liep snel verder de binnenplaats op.

Ze keek naar de grond. ‘Ik wil hem niet zien huilen,’ mompelde ze. Bij haar rolden de tranen aan één stuk door over haar ronde wangen, terwijl ze naar het stadje afdaalde…

 

Pest: oostelijk deel van Boedapest.


 

Hoofdstuk 26

De sombere Grote Verzoendag en het vrolijke Loofhuttenfeest waren voorbij; de zon stond dag na dag nog bijna zomers aan de onbewolkte hemel, maar de joden van Barnow waren aan hun winterleven begonnen; ze richtten zich in alles immers niet naar de natuur, maar naar de regels van hun geloof. Iedereen ging aan het werk tussen zijn vier muren, bereidde zich met zorg en hoop voor op de winter en regelde zijn werk, zoals hij het nu tot aan het Paasfeest dacht te doen. De avondlijke drukte op straat was afgelopen, maar buren gingen vaak bij elkaar op bezoek en iedere zaterdagmiddag stond bij alle rijken de deur gastvrij open.

Sender liet zich nergens zien en de mensen nodigden hem ook niet uit; weliswaar was niet iedereen het ermee eens dat zijn vijand Jossele Alpenroth hem een “schande voor Israël” noemde, maar de openbare mening in het getto had zich wel weer tegen hem gekeerd en dat nauwelijks minder heftig dan in de lente. Want bijna even erg als in het geheim Duitse boeken lezen leek het hun een meisje van onbesproken gedrag, dat in opspraak was gebracht, te laten zitten. Ze twistten erover of Jossef Grün niet medeschuldig was, omdat hij dat ongehoorde flirten, “bijna als bij christenen”, getolereerd had, maar over Senders veroordeling was iedereen het eens. Hij verdedigde zich ook helemaal niet, als iemand hem in de winkel of in sjoel verwijten maakte, maar antwoordde alleen: ‘Jullie hebben gelijk, ik had er eerder over na moeten denken, maar nu is het gebeurd.’ Het was dus zijn verdiende loon, dat Naphtali Ritterstolz hem een keer waar iedereen bij was zei: ‘Al win je de lotto nog tien keer, geen eerlijke jood geeft jou ooit nog zijn dochter.’

Maar twee mensen zwegen en dat waren nu juist de direct betrokkenen. De marschallik had gevloekt en gejammerd, toen Sender hem die avond zijn besluit had meegedeeld; hij had alles in het werk gesteld om hem van mening te doen veranderen, maar nu maakte hij hem geen verwijten meer. Sterker nog: hij sloop stil weg, wanneer anderen tegen Sender tekeergingen en bleef de beide bewoners van het tolhuis, die nu weer eenzaam als op een eiland leefden, als vrienden bezoeken. Hij vertelde al zijn grappige verhalen om hen te amuseren, want ze hadden allebei wel een beetje gelach nodig. Maar daarin schoot zijn kunst tekort, want juffrouw Rosel luisterde nauwelijks naar hem en ook Sender trok zijn gezicht maar af en toe uit beleefdheid in een glimlach. ‘Wees niet hard tegen hem,’ vermaande Türkischgelb Senders moeder een keer. ‘Ik zeg geen woord tegen hem,’ antwoordde ze. Dat was ook zo: ze zweeg. ‘Ze kennen allebei de waarheid,’ dacht Sender, ‘daar kan ik niets aan doen.’ Hij vergiste zich. Alleen de marschallik dacht grimmig: ‘Dat schaamteloze meisje heeft hem misschien over haar Bernhard verteld.’ Zijn moeder koesterde een andere verdenking: ‘Hij is iets van plan, God mag weten wat, maar ik voel het: hij wil iets ongehoords gaan doen. Eerst gaf ze er haar goedkeuring aan, maar op het laatste ogenblik toch niet. Daarop liet hij liever haar vallen dan zijn plan.’ Haar hart kromp ineen van woede en bezorgdheid. Desondanks had ze medelijden met hem, want ze zag hoe het met hem gesteld was. ‘Hij is wanhopig,’ dacht ze, ‘en met verwijten jaag ik hem het huis uit.’

En het was die eerste tijd slecht genoeg met hem gesteld. Hij kende maar één gevoel. ‘Was ik maar dood, hoe kan ik zonder haar leven?’ Soms werd hij kwaad op haar en beschuldigde haar van kwade trouw – Jütte had immers gezegd: ‘Bij haar komt alles uit haar verstand’ – of hij voelde een jaloerse wrok tegen “die doctor”, maar meestal zuchtte hij alleen: ‘Ze had gelijk, maar wat moet ik nu beginnen?’ Onophoudelijk stonden de blauwe ogen hem voor de geest, en de klank van haar stem verloor hij nooit helemaal uit het oor; die klonk zelfs dwars door Dovidls scheldkanonnades en zelfs door de woorden van pater Marianus, en naar hem luisterde hij toch zeker met volle overgave.

Want de lessen in de bibliotheek waren weer begonnen. De edelmoedige oude man had hem welwillend opgenomen en stond hem nu met des te meer ijver ter beschikking. Hij wist niet waarom de jonge jood zo bleek en veranderd bij hem teruggekeerd was en vroeg er ook niet naar; voor hem was het genoeg, dat hij zijn hulp nu nog meer dan vroeger nodig leek te hebben en hij deed dubbel zijn best voor hem. ‘Het is alleen maar egoïsme,’ zei hij glimlachend en afwerend, als Sender hem bedankte, ‘ik heb toch niets te doen en ik hoef niet eens meer berouw te hebben over mijn zonden.’ De nieuwe prior was noch een geleerde, noch een vrijdenker, maar een verstandige, verdraagzame man. Hij had het lot van de beroemde ordebroeder, wiens boek over de ethiek van het vroegste christendom zoveel ophef had veroorzaakt, zoveel mogelijk verzacht, voor zover dat zonder toestemming van zijn meerderen mogelijk was; het lag niet in zijn macht om hem werk in de school of de zielzorg te bezorgen. ‘Egoïsme! Dat is mijn enige werk, en zonder werken kun je niet leven. Alleen werk helpt ons overal doorheen.’

Toen Sender deze uitspraak voor het eerst hoorde, geloofde hij er eigenlijk niet in. Natuurlijk wilde hij werken, want zijn doel was het enige waarvoor hij nog leefde, maar voor zijn verdriet leek het hem geen troost. Maar hoe meer tijd er verstreek, hoe groter langzamerhand zijn plezier in het werk werd. Ze hadden De rovers uitgelezen en namen nu Fiesko door. Het ging nu sneller, doordat het inzicht van de leerling toenam en zijn instinct steeds verder gescherpt werd. Vaak stond de pater versteld van de snelheid waarmee Sender vertrouwd raakte met zulke wildvreemde dingen als de verhoudingen in het zestiende-eeuwse Genua – iedere uitleg, iedere vergelijking gaf hem vastheid – en nog meer van zijn trefzekerheid in de beoordeling van karakters en situaties. Aan komische misverstanden ontbrak het niet, maar in wezen begreep hij toch bijna altijd hoe de dichter zich een figuur had voorgesteld en waar het op aankwam. ‘Goed zo!’ zei de oude man telkens weer. ‘Ik denk dat het wat wordt met jou,’ en spande zich steeds meer in. Hij kon niet weten wat een weldaad hij zijn beschermeling juist in die periode daarmee bewees. Nu was Sender niet totaal wanhopig meer, hij kon met lichte weemoed aan zijn verloren geliefde denken en soms ging er een troostrijke gedachte door hem heen: ‘Was ik niet ongelukkiger geweest als ik haar gewonnen en mijn doel verloren had? Die goede Jütte zei als troost dat Malke toch niet de goede voor mij was geweest, nu – misschien wel! Maar ze had mijn hele leven beheerst – wat als zij, die zo verstandig is, het toneelspelen een te onzekere broodwinning gevonden had en als ze het me verboden had? Ik had me daar niet bij neergelegd, maar wat dan?’

Toen kwam er een dag die hem nog meer troost gaf. Ze hadden Fiesko uitgelezen; nu moest Sender proberen de rol van de moor te lezen, die hem bijzonder aangetrokken had. Hij deed het zo goed, dat de pater verheugd uitriep: ‘Waarachtig! Dat had ik niet voor mogelijk gehouden! Je bent echt een geboren toneelspeler!’

Senders ogen schitterden. ‘Dank u!’ riep hij. ‘En u hebt er verstand van!’

‘Niet zo heel veel, maar daarin vergis ik me denk ik niet. Alleen de uitspraak is nog slecht, maar ook die wordt wat beter, dankzij je volharding.’ Met recht had de goede priester kunnen zeggen: dankzij onze volharding. Hij schreeuwde iedere dag zijn keel hees, dat het op de gang van de penitentie te horen was, en bovendien brulde Sender de a en o zo dat de ruiten rinkelden. ‘Als je ijver niet inzakt,’ besloot Marianus, ‘maar alleen dan, groeit er iets goeds uit je.’

‘Aan mij zal het niet liggen,’ verzekerde Sender. ‘Ik begrijp dat een toneelspeler heel ijverig moet zijn, ijveriger dan alle andere mensen. Er is zo verschrikkelijk veel te leren. Je mag aan niets anders denken. Voor mij was het misschien zelfs niet goed geweest om te trouwen, voor ik iets geworden ben.’ Het was eruit voor hij het wist; hij voelde nu dat hij een kleur als vuur kreeg.

De geestelijke barstte in lachen uit. ‘Trouwen?’ riep hij. ‘Dat is wel het laatste wat ik je nu zou aanraden. Over tien jaar, wanneer je het als kunstenaar gemaakt hebt. Maar waarom word je zo rood? Ik zou bijna denken…’

Hij hief dreigend zijn vinger, maar Sender verzekerde hem zo nadrukkelijk dat dat niet klopte, dat de pater hem ten slotte wel moest geloven. ‘Daar ben ik blij om,’ zei hij, ‘want dat zou heel slecht uitkomen. Zelfs een verliefdheid kun je nu niet gebruiken.’

Onbekommerder dan anders de afgelopen weken ging Sender naar huis. ‘Mijn pater,’ dacht hij, ‘is altijd een verstandige man, en waarschijnlijk heeft hij ook daar gelijk in. Onze Wijzen zeggen: Aan alles zit ook een goede kant. Misschien is de pijn die ik om Malke geleden heb en nog steeds lijd, alleen maar de terechte straf, omdat ik aan iets anders heb gedacht dan aan mijn doel.’ Hij slaakte een diepe zucht. ‘Maar dan moet die schuld wel groot geweest zijn.’

Maar toen hij de volgende dag de bibliotheek binnenkwam, begon Poczobut weer: ‘Sender, ik vind de zaak toch verdacht, ondanks je eed. Waarom ga je niet naar Lemberg? Je wilde half september weg, na jullie feestdagen. Over vier dagen is het 1 november en je denkt er nog niet over.’

‘Dat heeft een andere reden,’ antwoordde Sender met een zucht. ‘Bent u Wolczynski vergeten?’

Nadat zijn liefdesverdriet die zorg naar de achtergrond gedrongen had, groeide ze hem nu boven het hoofd. 1 November was immers de termijn van de aanbesteding van de tol. Sender bereidde ook de offerte van zijn moeder voor; beiden wisten dat juffrouw Rosel, wat ze ook zou bieden, kansloos zou zijn, als Wolczynski haar niet wilde. En de dappere edelman leek immers onverzoenlijk. Senders moeder klaagde niet, maar de knagende zorgen waren op haar gezicht te lezen – hij wist niet dat daarnaast ook de angst voor de terugkeer van Froim haar slapeloze nachten bezorgde.

‘Wat moet ik doen?’ klaagde Sender tegenover de pater. ‘Afwachten – maar ik weet nu al hoe de beslissing uitvalt, en wat dan? De hoop op hulp van Nadler heb ik opgegeven, en mijn moeder mijn geld geven en zonder geld de wereld in trekken is ook moeilijk. Maar er zal me wel niets anders overblijven.’

‘En die Wolczynski denkt ook dat hij een christen is!’ riep Marianus met een pijnlijk gezicht. ‘En dan die Strus, ik ken hem van de kerk, die vrome huichelaar biecht zelfs iedere week. Alsof God zich net zo voor de gek laat houden als een mens.’ Maar hij kon alleen maar Senders zorgen delen en helpen kon hij niet.

Toch leek ook deze wolk de volgende dag op te trekken. Toen Sender die dag – het was 29 oktober – naar huis ging om te eten, kwam hij de heer von Wolczynski tegen. Sender wilde snel doorlopen, maar Wolczynski bleef staan en wenkte vriendelijk: ‘En, beste Senderko, hoe gaat het? Waarom kom je niet eens langs? Ik heb toch tegen je moeder gezegd dat ik op je zit te wachten?’

‘O ja?’ zei Sender. ‘Dat heeft ze dan niet gehoord. Zij heeft begrepen dat niet u, maar uw honden op me wachten…’

De edelman lachte. ‘Alsjeblieft, zeg! Zo’n verstandige jongen als jij? Daarmee probeer je het eens te worden. Maar wacht niet te lang,’ voegde hij er veelbetekenend aan toe. ‘Ik begrijp het,’ zei Sender. ‘Vóór de 1e. Morgenochtend ben ik bij u.’

Zijn moeder keek verbaasd op, toen hij binnenkwam. Vandaag glimlachte hij weer. ‘Ik zei toen meteen al,’ zei hij, ‘die schoft wil geld. Als ik volhoud, kost het me niet zoveel. Want nu is hij murw, anders was hij er niet over begonnen.’

Maar hij had Wolczynski onderschat. De edelman ontving hem de volgende dag weliswaar vriendelijk en bood hem zelfs een stoel aan, maar hij wilde van geld niets horen.

‘Hoe kom je op het idee, Senderko? Mijn vriend Strus doet me graag een plezier, en al die offertes lezen is ook geen sinecure; als jullie pachtcontract gewoon op dezelfde voorwaarden verlengd zou kunnen worden, was het voor iedereen het makkelijkste. Maar zijn plicht tegenover de overheid! En moet ik hem met geld verleiden om zijn plicht te verzuimen? Dat zou ik een mooie indruk maken! En ik zou dat ook niet doen. Ambtenaren omkopen – hoe kun je denken dat een man van eer, een edelman, tot zoiets in staat is?’

Sender hield het hoofd koel. ‘Dan houdt u de twintig gulden die ik u wil geven voor uzelf en laat u zich door Strus gratis een dienst bewijzen.’

‘Rotjood!’ viel Wolczynski uit. ‘Moet ik geld krijgen dat van een ander is? Misschien is dat jullie moraal, maar niet de onze!’ Daarop kalmeerde hij echter weer. ‘Maar juist daarom, wat weten jullie nu helemaal van fatsoen en eerlijkheid? – juist omdat je een jood bent, wil ik je vergeven. Maar dan ken je mij nog niet. Ik zal je een gunst bewijzen die mij niets kost, als jij mij ook een gunst bewijst die jou niets kost en je zelfs nog wat oplevert. Honderd gulden fooi. Ik maak namelijk nog steeds mijn lottoberekeningen, begrijp je, maar altijd pas op dinsdagmiddag en dan kan het gebeuren dat ik mijn briefje thuis laat liggen – begrijp je – en –‘

‘Ik begrijp het,’ zei Sender. ‘Dat is dezelfde oplichterij waartoe u me al een keer hebt willen verleiden. Of dat kan zonder ontdekt te worden, weet ik niet –‘

‘O, jawel! Ik ken iemand die daarmee succes heeft gehad.’

‘Maar ik weet wel dat ik het niet doe.’

De edelman floot voor zich uit. ‘Dat is je laatste woord?’

‘Dat is mijn laatste woord… Maar ik wil er wel tien gulden bij leggen. Dertig dus.’

‘Joodse klootzak!’ barstte Wolczynski los. ‘Eruit! En dank God maar dat ik je niet aangeef, omdat je mij een misdrijf wilde laten begaan.’

‘Huil maar niet,’ zei Sender troostend tegen zijn moeder, toen ze na zijn verhaal in tranen uitbarstte, ‘het is daarom nog niet afgelopen met ons. Ik dien de offerte in, en als dat niet helpt, zal God ons toch niet in de steek laten.’

Hij deed zich sterker voor dan hij was. Op de laatste dag van januari, als de uitslag van de aanbesteding bekendgemaakt moest worden, wilde hij in ieder geval gaan, maar het was zwaar om als bedelaar een nieuw leven te beginnen.

Hij begon op de kleintjes te letten. Het kwam goed uit dat Dovidl steeds meer te doen kreeg en daardoor zijn loon moest verhogen. Verder kon hij met het schrijven van brieven voor andere mensen iets verdienen. Weer moest hij uitwijken naar de nachten, wat hem niet makkelijk viel, want de waterkoude late herfst zorgde dat hij weer moest hoesten. Maar het ging niet anders en zijn studie mocht niet onder zijn broodwinning lijden. Integendeel: nu besteedde hij er zo mogelijk nog meer tijd en energie aan, en de lof van pater Poczobut maakte dat hij steeds ijveriger werd.

Ze lazen nu Kabaal en liefde en daarna Don Carlos. Omdat het in de grote zaal te koud geworden was, verhuisden ze naar een verwarmde cel. Natuurlijk moesten ze nu met gedempte stem spreken omdat ze nu dichter bij de pater econoom waren, die ter boetedoening in een nabije nonnencel woonde. Maar ze hadden waarschijnlijk geen reden om bang te zijn dat ze door hem gehoord zouden worden. De pater econoom bracht zijn dagen door in een soort beschouwelijkheid, die Fedko’s onuitgesproken jaloezie wekte, liet hem ’s morgens een fles slivovitsj halen en dronk zichzelf een roes, die tot de avond duurde.

Zo was november verstreken. De eerste dagen van december brachten strenge kou, blinkende sneeuw en een wolkenloze hemel. Nu ademde Sender weer vrijer dan in de troebele, nevelige lucht. Maar deze dagen zouden hem ook een grote verrassing bezorgen.

Op een avond in december – de marschallik was juist op bezoek – klonk het tolklokje aan het huis, en toen Sender in de bittere kou naar buiten ging om de slagboom op te halen, stond daar een kleine, door een jongen getrokken slee, waarin een reizigster zat. ‘Goedenavond, Sender,’ groette ze aarzelend.

Hij stapte ernaartoe.

‘Ben jij het, Jütte?’ riep hij verrast. ‘In een open slee? Zonder bontjas, in die kou? En met je koffer? Wat is er gebeurd?’

‘Iets goeds,’ antwoordde ze, maar echt vrolijk klonk het niet. ‘Is mijn vader thuis?’

‘Hij is zelfs bij ons. Kom binnen! Je bent vast al half verstijfd!’

Ze aarzelde. Daarop klom ze zo snel als haar verstijfde ledematen toelieten uit de slee. ‘Ach wat,’ zei ze dapper, ‘hij komt het toch te weten.’ En even dapper liet ze binnen de stroom vragen en klachten waarmee de marschallik haar ontving, over zich heen gaan.

‘Ja, vader,’ antwoordde ze ten slotte en veegde de sneeuw uit haar bruine haar, ‘reb Hirsch heeft me op staande voet het huis uitgejaagd, daar is niets meer aan te doen. Eergisteren was ik nog zijn “lieve meid”, zijn “Nootje” en vandaag een misdadigster. Maar mijn schuld is het niet. Of toch – ja, maar ik heb er geen spijt van.’

‘Gaat het over Malke?’ klaagde reb Itzig. ‘Je hebt je voor haar opgeofferd?’

‘Opgeofferd?’ Het kleine meisje rekte zich uit, zoals ze vaak deed. ‘Zie ik eruit als een slachtoffer? Natuurlijk was ik liever in een goede verstandhouding vertrokken, nadat ik zo lang kind aan huis ben geweest. Waar waarom zou ik klagen? Natuurlijk was het om Malke. Twee weken geleden komt er een aan mij geadresseerde brief van Bernhard: hij hoopt gauw een baan te krijgen als advocaat, en of hij kan komen en om haar hand vragen. Zij antwoordt: als hij alleen komt, gooit reb Hirsch hem de deur uit, dus hij moet met zijn vader komen. Gisteren komen die twee dus: een vreselijke scène. Reb Hirsch gooit ook zijn broer de deur uit. Voor de schijn gaan ze weg. Maar gisteravond ga ik naar de bakker, en wie komt daar op me af? Bernhard: “Mijn vader en ik wachten morgenvroeg om vijf uur op het marktplein om Malke mee te nemen.” Dus ben ik die nacht met haar opgebleven en heb haar naar de wagen gebracht. Toen reb Hirsch opstond en het nest leeg vond, dacht ik dat hij krankzinnig werd van woede. Maar dat heeft allemaal geen zin, want ze is weg, maar ik – de huisknecht zag me naar de wagen sluipen, maar anders was ik er ook voor uitgekomen – ik moet ervoor opdraaien –‘

‘En nu?’ jammerde Türkischgelb.

‘Moet ik honger lijden,’ antwoordde ze lachend, ‘want er is in de hele wereld geen herberg meer die me gebruiken kan.’ Ze rekte haar mollige armen uit. ‘En zo zwak ben ik nebbisj (uitdrukking van medelijden) ook! Schaam je, vader, voor mij is het misschien niet slecht, voor Malke is het goed, en voor hem ook.’ Ze wees naar Sender. ‘Ik hoor dat de domme mensen veel kwaad over je spreken. Nu kunnen ze allemaal horen hoe het toen gegaan is.’

En ze vertelde het. ‘Zo bederft de dochter de zaken van haar vader!’ riep Türkischgelb, die niet wist of hij kwaad moest worden of moest lachen; maar juffrouw Rosel was heel blij: haar vermoeden dat hij haar om een geheim plan had afgewezen, was onjuist gebleken, en als de mensen nu hoorden hoe Malke was, zou iedereen het met Sender eens zijn. Volgens haar kon alleen een ontaard persoon stiekem op de vlucht slaan. Maar dan stond ook de marschallik niets meer in de weg om voor Sender een nieuwe kandidaat te zoeken, en als de oude man niet zo bedroefd geweest was, had ze het hem ook nog gevraagd.

Maar al twee dagen later was hij van zijn bezorgdheid over Jütte verlost: Schlome Freudenthal, de eigenaar van de herberg in Barnow, had haar als huishoudster aangenomen. ‘Voor mij is dat goed,’ zei Türkischgelb tegen haar vriendin, ‘maar voor haar is het slecht. In de woonplaats van hun vader is nog geen dochter van de marschallik getrouwd.’ Voor Sender beloofde hij naar iemand uit te kijken: ‘Dat lukt wel, want nu loven ze hem allemaal!’ Inderdaad kon die de gelukwensen nauwelijks verwerken. ‘Dat je dat op je genomen hebt,’ werd er gezegd, ‘was een dwaasheid, maar dat je haar niet genomen hebt, was een geluk. Anders was ze er nog bij je vandoorgegaan.’

Hij verdedigde haar echter warm en eerlijk. Hij voelde nog altijd een beetje pijn in zijn hart als hij aan haar dacht, maar hij wenste haar het beste. ‘Moge de doctor haar net zo gelukkig maken,’ dacht hij, ‘als ik van plan was.’ En met vochtige ogen las hij de kaart die hij omstreeks Nieuwjaar ontving. Op de gelithografeerde aankondiging: Wij hebben de eer u kennis te geven van ons huwelijk. Doctor Bernhard Salmenfeld en mevrouw Regine, geb. Salmenfeld had Malke geschreven: Met duizend groeten van de innigste dankbaarheid aan haar dierbare vriend Alexander Kurländer. Daaronder stond in het handschrift van de jonge echtgenoot: Wat zullen we applaudisseren, als ooit “Dawison II” in onze woonplaats triomfen zal vieren. Maar in zon gehucht komt hij vast niet. Ik zal blij zijn als ik in Barnow benoemd word. Trots liet hij de kaart aan zijn vriendin Jütte zien, en ook pater Marianus kreeg hem te lezen.

‘Dus toch!’ zei de oude man glimlachend. ‘Daarom was je zo treurig. Maar “Dawison de Tweede”: zover zijn we nog niet.’ Toch werd hijzelf in die dagen telkens weer aan Senders beroemde land- en geloofsgenoot herinnerd. Op Senders aandringen las hij met hem De koopman van Venetië. Terwijl Senders talent hem vroeger vaak genoeg met blije verbazing vervuld had, werd hij nu diep geraakt door de manier waarop Sender de Shylock las; het leek hem een wonder van de geheimzinnig werkzame natuur, en als Sender de woorden sprak: Als je ons steekt, bloeden we dan niet? Als je ons kietelt, lachen we dan niet? Als je ons vergiftigt, sterven we dan niet? draaide hij zich om, opdat Sender niet zou zien dat zijn ogen vochtig waren. ‘Het is allemaal nog ruw,’ dacht hij, ‘en hij zou op het toneel waarschijnlijk uitgelachen worden: de hoekige gebaren, de onzuivere uitspraak! Maar wat zit er een talent in die jongen en wat een gevoel! Dat kan God de Heer hem toch niet zomaar gegeven hebben, Hij wil dat hij een kunstenaar wordt die de mensen blij maakt en sticht. En wat ik eraan kan bijdragen, zal ik doen.’ Met ware hartstocht wijdde hij zich aan het onderwijs en hij had het gevoel of dat ook godsdienst was.

Deze studie van Shylock zou ook een ongewenst gevolg hebben. In hun ijver waren de twee hun buurman, de pater econoom, helemaal vergeten. En zo hoorde die, toen hij zich op een dag – het was omstreeks half januari – op zijn gebruikelijke manier overgaf aan beschouwelijke gedachten, duidelijk een vreselijke stem: ‘Ik wil hem pijnigen, ik wil hem martelen!’ En meteen daarop: ‘Ik wil zijn hart hebben! Ga heen en wacht op me bij onze synagoge!’ Ontzet sprong de dronkeman op om te luisteren. ‘Joden,’ mompelde hij, ‘er zijn joden in het klooster en ze willen me doden.’ En toen dezelfde stem nog krijsender en met regelrecht bloeddorstige uitdrukking herhaalde: ‘Ik wil zijn hart hebben!’ brak hij de huisregel, die hem aan zijn cel ketende, en rende naar de prior.

De weleerwaarde Valerianus gaf hem een strenge berisping: dat de verlopen monnik, die een sterke dranklucht verspreidde, in zijn roes een hallucinatie had gehad leek hem veel waarschijnlijker dan dat de joden van Barnow op klaarlichte dag samenschoolden om monniken te vermoorden. Maar omdat de pater hem met de heiligste eed bezwoer dat hij het duidelijk gehoord had en de zwaarste straf zou willen ondergaan als hij bleek te liegen, volgde de prior hem hoofdschuddend naar de gang van de penitentie. Het verzoek van de pater om een paar stevige fraters mee te nemen, willigde hij niet in; ‘die vreselijke joden kan ik zelf wel aan,’ zei hij en stapte glimlachend de gang in. Maar wat ging er door hem heen, toen hij uit een van de cellen werkelijk een krijsende stem hoorde – en blijkbaar die van een jood – die met wild plezier riep: ‘Ja! Dat is waar! Ga heen, Tubal, en huur een dienaar van de rechtbank!’ en dat herhaalde, tot een ander inviel: ‘Niet van die grimassen, Sender. En zachter!’ Maar de ander brulde: ‘Ik wil zijn hart hebben!’ Daarop trok de prior de deur open.

Het was moeilijk uit te maken wie meer verstijfde van ontzetting: die twee bij het zien van de prior, of Valerianus, die in een cel een jonge jood ontdekte die met een opgewonden gezicht en vuurschietende ogen tegen pater Marianus riep dat hij iemands hart wilde hebben. Onwillekeurig sloeg hij een kruis en het duurde lang voor hij zo tot zichzelf gekomen was dat hij kon vragen: ‘Wat doe jij hier? Wat is hier aan de hand?’

Maar nog langer duurde het tot Marianus antwoorden kon, en zeker wel een kwartier voor de prior begreep, niet waar het om ging – dat was hem nog lang niet duidelijk – maar dat pater Marianus goed bij zijn verstand was. Wat hij van de jood moest denken, die daar doodsbleek, als verpletterd, met half gesloten ogen in een hoek stond, wist hij echt niet, maar wel dat die in geen geval in het klooster van de dominicanen thuishoorde. ‘Verdwijn,’ zei hij, en tegen pater Marianus: ‘U komt vanmiddag bij mij.’

Sender kon echter niet direct gehoor geven aan het bevel. ‘Weleerwaarde heer,’ stamelde hij ontzet, ‘eerst moet Fedko komen om me er bij de Tartarenpoort uit te laten. Want als de anderen me uit de grote poort zien komen, slaan ze me dood…’

Gelukkig kwam Fedko met zijn sleutelbos er juist aan. Zo zag de gang van de penitentie nu de vijfde geschrokken man, en misschien de meest ontdane van allemaal. En toen de prior hem toeriep: ‘Dus jij brengt de boetelingen drank en laat joden binnen?’ viel hij haast in zwijm op zijn knieën.

Met moeite hielp Sender hem weer op de been en bracht hem naar de poort. ‘Het is allemaal afgelopen,’ mompelde de oude man, ‘met mijn dienst, met de slivovitsj van de econoom en met jouw slivovitsj. De wereld gaat ten onder…’

Dat bleek mee te vallen. Hoofdschuddend hoorde de prior het lange verhaal van Marianus aan: wat Sender wilde, waarom hij hem geholpen had, wat de jonge man nog in Barnow hield; maar toen, na lang nadenken, zei hij: ‘Beste broeder, je weet dat ik geen geleerde ben zoals jij, maar een domme monnik. Of die Sender voor het theater deugt, kan me niet schelen, of het een lofwaardig werk is hem te helpen, maak ik niet uit. Maar ik weet heel zeker dat de cellen van onze orde volgens de regel van onze verheven stichter, de heilige Dominicus de Guzman, niet bestemd zijn voor het opleiden van jonge joden tot toneelspelers. Maar aan de andere kant ken ik u en ik weet dat u niets slechts in de zin gehad kunt hebben. Door het verleden trekken we dus een dikke streep, maar het voortduren van het onderwijs moet ik verbieden. Dat hoeft voor u en hem echt niet zo erg te zijn, omdat hij over twee weken toch al weg wil. Maar om in ieder geval van hem af te zijn, zal ik Wolczynski en Strus de komende dagen de wacht aanzeggen. Ze zijn allebei mijn biechtelingen, en vooral Strus, die huichelaar, smelt al wanneer je over branden in de hel begint. Ik hoop dat die oude jodin de pacht kan houden.’

Hij krabde aan zijn tonsuur. ‘Ach ja, waar een prior zich allemaal mee bezig moet houden… En nu nog iets. Je hebt die Sender zo lang les gegeven, dat je ook wel afscheid van hem zult willen nemen. Nu, hij mag afscheid van je komen nemen, voor mijn part iedere dag dat hij nog hier is… Zo, dat is mijn beslissing. Neem me niet kwalijk, ik ben een domme monnik…’

De oude man pakte zijn hand en drukte die. ‘O,’ riep hij, ‘u bent de wijste van alle mensen!’

‘Je moet me niet vleien,’ protesteerde de prior. ‘Anders ga ik nog denken dat ik een verkeerde beslissing genomen heb, en ik heb me toch strikt aan de regel gehouden – waar of niet?’

 

Fiesko: toneelstuk (1783) van Friedrich Schiller.
Kabaal en liefde: toneelstuk (1784) van Friedrich Schiller.
Don Carlos: toneelstuk (1787) van Friedrich Schiller.
De koopman van Venetië : toneelstuk ( 1605) van William Shakespeare.

 

Hoofdstuk 27

Zo deed er zich van alle verschrikkingen die Fedko voorzien had maar één voor: met de slivovitsj van de econoom was het echt afgelopen. Verder vergaf de prior hem, en Sender maakte het ruimschoots goed. Sinds hij wist wat er door de prior besloten was, had de jonge man het gevoel of hij vleugels gekregen had en de wereld leek te baden in een eeuwig zonlicht. Nu was hij eindelijk vrij, vrij: 31 januari kreeg zijn moeder de pacht weer terug en de dag daarna wilde hij naar Lemberg vertrekken. Hij zag wel een beetje op tegen de grote stad en de wildvreemde mensen, maar daar moest hij overheen.

Een gunstig lot leek hem echter ook van deze zorg te willen bevrijden. Een paar dagen na die verrassing door de prior overhandigde Fedko hem een brief. Die droeg het poststempel Hermannstadt in Zevenburgen en Nadlers handschrift in de adressering. Bevend van opwinding las Sender de regels.

De directeur schreef dat hij sinds die bedankbrief, waar hij heel blij mee was, al was het brievenboek daarvoor iets te uitvoerig gebruikt, niets van Sender gehoord had, maar dat hij hoopte dat hij gezond was als deze brief hem bereikte en zijn plan trouw gebleven was. Ook had hij hopelijk ijverig de boeken bestudeerd. Omdat ik vorig jaar in Czernowitz goede zaken heb gedaan – alleen had ik daar de narigheid dat een paar – goddank minder belangrijke – medewerkers onder leiding van mijn tweede komiek, Stickler, ervandoor gingen om, zoals ik gehoord heb, in Galicië rond te zwerven – denk ik daar ook dit jaar weer op 1 maart te arriveren. Wil je komen, dan verwacht ik je op die datum en als je nog steeds toneelspeler wilt worden, zou ik je willen aanraden om je daar door geen uiterlijke belemmeringen van af te laten houden. Omdat je binnenkort tweeëntwintig wordt, is het hoog tijd. Hij schreef dat hij eerlijk toegaf – op het gevaar af in Senders ogen aan gezag in te boeten – dat hij was gaan twijfelen of zijn eerste advies om nog twee jaar in Barnow te blijven wel juist geweest was. Er was wel veel voor te zeggen, maar het spijt me toch: als ik je toen meteen meegenomen had, was je nu waarschijnlijk veel verder. Want bijna alle collega’s wie ik over je verteld heb vonden dat, onder wie met name je grote landgenoot Bogumil Dawison, die ik deze zomer in Dresden gesproken heb. Mijn relaas van jouw lotgevallen interesseerde hem hevig en herinnerde hem aan zijn eigen jeugd. Hopelijk ontmoet je hem een keer, wanneer jij ook een vakkundig toneelspeler geworden bent, en dan kunnen jullie allebei over jezelf zeggen dat de vroege strijd en ontberingen jullie niet gebroken, maar gestaald hebben. Het was dus vooral Dawison die tegen me zei: ‘U kent het Poolse getto niet, maar ik wel. Ze hadden die arme jongen meteen moeten bevrijden. Verder word je alleen maar toneelspeler door te spelen, alleen op het toneel en niet uit boeken. Had uw beschermeling, als hij talent heeft’ – en dat heb je, Sender – ‘in een derderangstheater twee jaar lang bedienden gespeeld, dan had hij daar meer aan gehad dan wanneer hij intussen een hele bibliotheek doorgewerkt heeft.’ Zoals gezegd, beste Sender, ik wou dit niet voor je verzwijgen, al pleit het tegen me, omdat ik nu tenminste wil voorkomen dat je te lang aarzelt. De brief eindigde met de raad om ondergoed, maar zo weinig mogelijk kleren mee te nemen. Want je kaftan zul je bij mij niet dragen. Wat geld betreft: heb je niets, maak je daar dan geen zorgen over. Tot ziens dus op 1 maart.

Sender las en herlas de brief. ‘Die goede man,’ mompelde hij ontroerd. ‘Dat hij nu zichzelf bekritiseert, terwijl hij me toch naar beste weten advies gegeven heeft. Gelukkig vergist hij zich ook, want hij weet niet wat voor een leraar ik ondertussen gehad heb en wat ik al kan… Nu ga ik pas tegen eind februari op reis, maar die drie weken maken me niets uit en de prior hopelijk ook niet… Maar die Stickler, die moet een pak slaag hebben, dat hij zulke leugens rondstrooit: “om vijftig gulden” – hahaha!’

Hij lachte vergenoegd. Ook pater Marianus wenste hem oprecht geluk. ‘Dat lijkt een redelijke en verstandige man,’ zei hij. ‘Je bent in goede handen… En dat Dawison zich voor je interesseert, daar kun je nog plezier van hebben…’

‘Zeker,’ zei Sender. ‘Als hij,’ voegde hij er aarzelend aan toe, ‘dat ook maar zegt als ik beroemd geworden ben. Kunstenaars zijn vaak heel jaloers op elkaar. In mijn leesboek staat een verhaal van Talma –‘

‘Nou,’ lachte de pater, ‘de komende jaren heeft Dawison daar nog geen reden toe…’

Sender bloosde. ‘Natuurlijk… Maar ik zal nooit jaloers zijn…’

Ze lazen de rechtbankscène. Sender moest zo vaak hoesten, dat de pater hem bezorgd aankeek.

‘Dat komt door de brief,’ verontschuldigde Sender zich. ‘Zo gauw ik me opwind over iets, of het nu vrolijk of treurig is, voel ik het hier.’ Hij wees naar zijn borst.

De pater schudde zijn hoofd. ‘Geen wonder,’ zei hij, ‘je hebt van de winter weer niet verstandig geleefd: je hebt nachten doorgewerkt en nauwelijks vier uur geslapen.’

‘Maar,’ wierp Sender tegen, ‘kon ik weten dat de prior mijn moeder en Nadler mij zou helpen? Nu heb ik er spijt van. Maar ik ben gezond genoeg.’

De pater was het daar niet mee eens, maar hij zweeg. ‘Waarom zou ik hem bang maken,’ dacht hij, ‘hij is toch niet te houden.’ Hardop zei hij: ‘Je moet jezelf ontzien, onderweg, maar ook in Czernowitz. Met je driehonderd gulden kom je echt niet zo ver!’

‘Met driehonderd gulden niet?’ riep Sender verbaasd. ‘Daar kan ik tien jaar van rondkomen. Maar zoveel heb ik niet eens en ik neem zelfs maar een deel mee. Van die driehonderd gulden is een tiende deel naar de armen gegaan, blijft over tweehonderdzeventig, mijn spaargeld met rente maakt twintig, dus totaal tweehonderdnegentig. Daarvan neem ik veertig mee en tweehonderdvijftig is voor mijn moeder.’

‘Dat is te veel!’ riep de pater heftig.

‘Ik zeg dat alleen maar,’ antwoordde Sender aarzelend, ‘omdat hij schrijft dat ik Duitse kleren nodig heb.’

‘Je laat te veel achter voor je moeder. Zij houdt haar inkomen.’

Sender schudde zijn hoofd. ‘U moet bedenken: ik moet wel gaan, maar tegenover haar is het slecht en harteloos. Op een andere manier kan ik niet bewijzen dat ik toch een goede zoon ben.’

Het verdriet dat hij zijn moeder aan zou doen was nu, net als in de lente, het enige wat hem bedrukte. Want verder ging alles goed: zijn moeder kreeg de pacht op de oude voorwaarden, van Nadler kwam na zijn bedankbrief een tweede brief, die hem hartelijke welkom heette.

Met grote zorgvuldigheid bereidde hij zich nu voor op zijn reis. Op woensdag 24 februari wilde hij vertrekken, dan was hij vrijdagavond in Czernowitz en kon zich zondag bij Nadler melden. Omdat zijn moeder niets mocht weten van zijn reisdoel, wilde hij voor het aanbreken van de dag van huis gaan, naar het dorp Miaskowka lopen en daar een boerenslee huren om zo naar het stadje Tluste te gaan. Hij wilde van niemand in het getto afscheid nemen, behalve van Jütte; zij zou hem zeker niet verraden en als hij het dringend vroeg, zou zij zijn moeder de eerste moeilijke dagen zeker bijstaan. Maar de anderen met wie hij het goed had kunnen vinden, wilde hij voor de reis tenminste nog een keer opzoeken.

De laatste zaterdag die hij in het getto doorbracht, nodigde hij zichzelf uit voor het eten bij zijn vroegere leermeester Simche Turteltaub. Behalve hem was er nog een andere gast, een sjnorrer die “Meyer met de lange baard” genoemd werd en in die tijd door zijn verhalen een goede reputatie had in de Boekowina en Zuid-Rusland; in Galicië was hij voor de eerste keer. Simche eerde hem met de lekkerste hapjes, zoals het gebruik het voorschreef, maar Sender was wel heel vriendelijk tegen hem. Hij hield van het avontuurlijke, zorgeloze karakter van die rondtrekkende mensen en had altijd goed met hen kunnen opschieten. En Meyer zag er niet alleen indrukwekkend en eerbiedwaardig uit: zijn baard vloeide zilverig over zijn borst, maar was ook een beroemd vertegenwoordiger van zijn stiel.

Hij ging ook prat op die reputatie. ‘Ik ben voor de eerste keer in dit land,’ zei hij, ‘maar ik heb nog niemand ontmoet die mijn naam niet kent. Geen wonder! Zoveel als onze koning, mijn arme vriend Mendele Kowner, vrede zij met hem, kan ik niet, maar toch wel wat! En iemand als Mendele komt nooit meer terug.’

‘Hebt u hem nog gekend?’ vroeg Sender. Mendeles naam was hem natuurlijk bekend, zoals iedere jood in het Oosten; hij had op zijn ritten herhaaldelijk over hem horen vertellen en het beroemdste verhaal van de “koning van de sjnorrers”: hoe hij met Napoleon naar Moskou getrokken was, had hij zo leuk gevonden, dat hij het precies onthouden had en vaak aan anderen verteld. Maar hij was nooit iemand tegengekomen die die bijzondere man persoonlijk gekend had. ‘Vertel alstublieft,’ vroeg hij.

De gastheer werd onrustig, maar moest Meyer zijn gang laten gaan. En zo vertelde die enthousiast over de onovertroffen humor, de trotse onzelfzuchtigheid, de goedheid en de beminnelijkheid van zijn voorbeeld. Hij haalde ook herinneringen op aan een paar van zijn streken, het verhaal van de behekste kip, van de baard van de rabbi van Wilna en hoe hij huwelijksmakelaars een hak had gezet. ‘Maar uiteindelijk is hij toch getrouwd,’ besloot hij. ‘En – dat schiet me nu pas te binnen – zijn zoon moet ook hier in de streek wonen.’

‘Daar heb ik nooit iets van gehoord,’ verzekerde Sender, en ook Simche, die het heel benauwd kreeg, haastte zich om dat te bevestigen.

Daarmee leek het netelige gespreksonderwerp dan ook met succes vermeden. Meyer vertelde nu verhalen uit zijn eigen leven en Sender voelde zich niet te trots om met hem te wedijveren. Vooral het verhaal over zijn verschijning aan de gierige Chaim Burgmann als geest van diens zuster en dat over het binnenbrengen van de twee vroedvrouwen in het huis van de strenge dochter van de rentmeester zorgden bij Meyer voor bewondering zonder afgunst.

‘Het is maar een geluk dat je schrijver bent,’ riep hij, ‘want als jij sjnorrer geworden was, konden we allemaal wel inpakken! Sinds Mendele Kowner, vrede zij met hem, heb ik niet zoiets gehoord!’ Maar plotseling – Sender streek juist met een stille glimlach over zijn kin – zette hij grote ogen op en boog bijna geschrokken voorover.

‘Wat is dat?’ mompelde hij. ‘Wie ben jij?’

‘Wat is er?’ vroeg Sender verwonderd. Dat Simche lijkbleek geworden was, zag hij gelukkig niet.

‘Niets,’ mompelde de sjnorrer. ‘Het is bijna weg. Er is nog gelijkenis, maar daarnet was het om bang van te worden. Als ik je naam niet wist… Zoals je daarnet over je kin streek – ik had gezworen dat Mendele Kowner daar zat. Hij deed dat precies zo en hij glimlachte precies zo als hij een goede grap verteld had…’

‘Dus ik lijk een beetje op hem?’ vroeg Sender half verwonderd en half gevleid. ‘Hoe zag hij er dan eigenlijk –‘

Maar verder kwam hij niet. Simche stond op en begon het tafelgebed uit te spreken, al had de vreemde gast zijn bord nog juist volgeschept met heerlijke koegel.

‘Neem me niet kwalijk,’ fluisterde hij tegen Meyer en trok hem mee naar een hoek, ‘maar daar had u bijna een ongeluk veroorzaakt.’ Hij vertelde het geheim en droeg hem strikte geheimhouding op.

‘Maar dat is toch een zonde?’ riep de sjnorrer. ‘U onthoudt de arme Mendele zijn kaddisj en hem de roem van zijn vader.’

‘Als het een zonde was,’ wierp de voerman tegen, ‘dan had de rabbi niet zo’n beroep gedaan op ons geweten.’

‘Goed, als rabbi Manasse het zegt,’ gaf de sjnorrer toe, ‘maar wat moet uw gemeente dan vroom zijn!’ En die uitroep was terecht: bij mensen die minder slaafs ieder gebod van hun geestelijke gehoorzaamden, was het jarenlang bewaren van het geheim moeilijk voorstelbaar geweest.

Na het eten wilde Sender het gesprek weer op Mendele Kowner brengen. Maar de gastheer kwam tussenbeide. ‘Laat mij nu ook eens wat vertellen!’ riep hij. ‘Deze week was ik in Sadagóra en ik overnachtte op de terugweg in Zalefzczyki. Daar is een theater! Dezelfde spelers die in de lente in Chorostkow waren. Dat ding over de verliefde kleermaker, waar Jütte over vertelde, heb ik nu zelf gezien: om je dood te lachen! Heel goede spelers!’

‘Hoe komt u erbij!’ antwoordde Sender, ‘derderangsacteurs!’

‘Hoe weet je dat? Je hebt ze toch niet gezien?’

Sender werd verlegen. Hij wist het immers alleen maar uit Nadlers brief. ‘Dat kun je je wel voorstellen. Goede kunstenaars zouden in het theater van Czernowitz of Lemberg optreden in plaats van rond te hangen in een derderangstheater in Chorostkow of Zalefzczyki.’

‘Hij praat steeds Duitser,’ lachte juffrouw Surke. ‘Je begrijpt hem nauwelijks meer.’

De volgende dinsdag was de laatste dag die hij in Barnow door zou brengen. Desondanks werkte hij in het lottokantoor alles punctueel af en stelde iedere klant tevreden, zelfs de rechter van Miaskowka, door hem bij hoog en laag te zweren dat hij de volgende keer dat hij hem hier trof alle vijf de nummers zou verklappen. Dovidl moest hem niets ten laste kunnen leggen. ‘En als ik hem laat zitten,’ dacht hij, ‘heeft hij één troost: mijn loon voor februari.’

’s Middags nam hij bij de spaarbank zijn geld op en nam daarna afscheid van pater Marianus. Snikkend boog hij zich over de gerimpelde hand van zijn weldoener. Ook de pater was heel ontroerd. ‘God zij met je,’ mompelde hij, legde zijn hand op zijn hoofd en sprak de zegen van zijn kerk over hem uit.

Sender onderging het, maar kromp onwillekeurig ineen.

‘De zegen van een oude man zal je niet schaden,’ zei de grijsaard en glimlachte met vochtige ogen. ‘Ook al zijn het de woorden die ik gewend ben.’

Ook Fedko was op zijn manier ontroerd.

‘Nu is het ook afgelopen met die slivovitsj,’ zei hij. ‘En iemand als jij maak ik niet meer mee. Want al leef ik nog honderd jaar, zo’n gekke jood is er in Barnow niet meer. Ach ja, de gekken vertrekken en de verstandigen blijven. Het ga je goed, Senderko!’

In de schemering ging hij naar de herberg van Freudenthal en liet Jütte achter het huis roepen. Geschrokken kwam ze naar buiten gerend.

‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ze, maar vervolgde meteen: ‘Ik weet het wel: morgen ga je weg!’

‘Hoe weet je dat?’

‘Ik voelde – ik voelde dat allang aankomen,’ verbeterde ze zichzelf haastig. ‘En je moeder?’

Hij zuchtte. ‘Zorg jij een beetje voor haar?’ vroeg hij met een brok in zijn keel. ‘Dat wou ik je vragen. Het ga je goed!’

Ze barstte in snikken uit. ‘O, het is zwaar – voor die oude vrouw – wil je niet nog een paar dagen… Ik bedoel, tot het beter weer wordt moet je hier blijven. Het is zo vreselijk koud, dat is niet goed voor je longen…’

‘Het kan niet, Jütte. Ze wachten op me. In Czernowitz.’ Het was eruit voor hij het wist. ‘Maar je verraadt me niet?’

‘Ik? Maar moet het echt?’ vroeg ze handenwringend.

‘Jütte,’ zei hij, ‘wat heb je toen op de binnenplaats van het kasteel gezegd? Je weet dat dit mijn levensdoel is, waarom ben je dan zo bedroefd?’

‘Je hebt gelijk,’ bracht ze eruit. Daarop pakte ze zijn hand, mompelde iets onverstaanbaars en rende het huis in.

‘Dat goede meisje!’ dacht hij. ‘Wat heeft ze een medelijden met mijn moeder! Ik vind het zelf ook moeilijk.’

Hij ging naar huis. De oostenwind floot over de vlakte en joeg de sneeuw op; zijn ijzige adem ging door merg en been. Hij lette er nauwelijks op, want zijn gedachten waren bij zijn moeder.

Thuis deed hij zijn uiterste best om een normale indruk te maken. Het lukte toch niet helemaal. ‘Wat heb je vandaag?’ vroeg juffrouw Rosel. ‘Voel je je niet lekker?’

‘Alleen maar moe,’ antwoordde hij en stond op. ‘Welterusten,’ zei hij met afgewend gezicht en ging de trap op naar zijn kamer.

Pas daar liet hij zijn tranen de vrije loop. ‘Moeder,’ snikte hij telkens weer, ‘moeder!’

Zo bleef hij in het donker zitten tot beneden het klokje luidde. Dat trok hem overeind. Hij maakte licht, haalde zijn geld tevoorschijn, stak tweehonderdvijftig gulden in een envelop en schreef de begeleidende brief, in Hebreeuwse letters, die ze kon lezen: Vergeef me, moeder, vergeef me, maar ik kan niet anders. Iedereen zegt dat ik talent heb voor toneelspeler, en mijn hart zegt me dat ik daarvoor geboren ben. Daarom ga ik de wijde wereld in om het te worden. Ik ben niet hulpeloos, want goede mensen zorgen voor me. Je hoeft je geen zorgen over me te maken, ook niet over mijn gezondheid; ik voel me heel gezond.

God is mijn getuige en ik vind het niet makkelijk om te vertrekken. En voor jou, moeder, is het een zware slag. Maar het moet, geloof me, en mijn troost is, dat we dit uur ooit beiden zullen zegenen. Jij ook, als je ziet dat ik gelukkig ben, want je hebt altijd voor mij geleefd. De mensen zeggen dat een moeder voor haar kind hoort te zorgen, maar jij hebt al die jaren duizendmaal meer gedaan dan je plicht. En wat heb je weinig plezier van me gehad – en nu dit verdriet. Maar ik kan niet anders, echt niet!

Dit geld is voor jou, als spaarcentje voor je oude dag. Ik raad je aan het naar de spaarbank te brengen, dat levert weinig rente op, maar het is veiliger. Je moet niet denken dat ik daarmee jouw liefde wil betalen of me van jou vrij wil kopen. Ik zal je vaak schrijven en je zo vaak mogelijk komen opzoeken en trouw voor je zorgen.

Moeder, lieve moeder, vergeef me. Het ga je goed.

Het handschrift was een beetje onduidelijk, doordat zijn hand beefde. Ook was er ergens een druppel op het papier gevallen.

Nu pakte hij zijn ondergoed in een rugzakje, dat hij nog had uit de tijd dat hij voerman was, en legde de boeken erbij. Daarna pakte hij een schaar en ging met de kaars in zijn hand voor zijn spiegeltje staan. Het was een bleek, maar vastberaden gezicht dat hem daar aankeek. Hij hield de schaar bij zijn slapen en knipte zijn slaaplokken af.

Daarna pakte hij de kaftan die hij aan wilde trekken, om ook die Duits te maken. Hij knipte er twee stukken af en zoomde de randen zo goed mogelijk om.

Bij deze werkzaamheden hield hij vaak in om angstig te luisteren. Het klokje luidde deze nacht niet meer, want het weer was te slecht geworden. De oostenwind was aangewakkerd tot een storm, huilde om het huis en joeg de sneeuw hoog op. Het was een akelige nacht.

Tegen vier uur ’s morgens was hij klaar. Nu moest hij nog maar één ding doen: zijn morgengebed uitspreken. Hij bond de gebedsriemen om zijn hoofd en zijn arm, sloeg zijn oude boekje open en bad innig. Zijn ziel lag voor God in het stof en smeekte troost af voor zijn moeder en voorspoed op zijn wegen. U helpt degenen die een zuiver hart hebben en het goede willen – ja, hij mocht op Gods hulp vertrouwen…

Toen hij het boekje dicht wilde slaan, viel zijn blik weer op de vreemde opdrachten, die hij sindsdien zo vaak gelezen had. Dit boekje is voor mijn kind – het is het enige wat ik hem nalaten kan. Maar omdat ik nu weet hoe genadig de Heer is, weet ik dat dit boekje mijn kind tot zegen zal zijn.

‘Arme man,’ dacht hij, ‘zijn zegen is niet voor mij bestemd, maar van dit boekje zal ik toch nooit afstand doen.’ Hij stak het in de zak van zijn jas, hing de rugzak over zijn schouders, pakte zijn hoed en zijn stok en klom de trap af.

In de gang voor zijn moeders slaapkamer bleef hij staan om te luisteren. Maar hij kon de ademhaling van de oude vrouw niet horen, daarvoor huilde de wind te hard.

Geruisloos probeerde hij de deur open te maken. De ijzige storm woei naar binnen en hij had al zijn kracht nodig om de deur weer dicht te doen. Als verdoofd stond hij een ogenblik stil, zo snijdend teisterde de wind hem en de sneeuwsplinters prikten in zijn ogen.

Maar toen richtte hij zich vastberaden op en liep de nacht in, een nieuw leven tegemoet.

 

Hermannstadt: het tegenwoordige Sibiu in Roemenië.
Zevenburgen: Transsylvanië, het Noord-Westelijke deel van het tegenwoordige Roemenië.
koegel: bepaald gebak, gegeten op sabbat.

 

Hoofdstuk 28

Honderden mijlen strekt zich de vlakte naar het oosten uit en daardoor heeft de wind die uit die richting waait een vreselijke kracht, en wakkert hij aan tot een storm, dan duiken mens en dier weg voor zijn dodelijke adem en komen pas weer tevoorschijn als hij uitgeraasd is. God, de duivel en de oosterstorm kan niemand weerstaan, luidt het gezegde in Podolië. Hij laat je bloed stollen, werpt de sterkste als een rietstengel neer en begraaft hem in de sneeuw, die hij huizenhoog opwerpt! Woedt hij op volle kracht, dan is er geen ontkomen aan en al het leven dat in zijn wrede klauwen terechtkomt stikt en komt om.

Nog had de “verderver”, zoals ze hem op de vlakte noemen, in die nacht niet zijn volle kracht bereikt. Maar hij woedde al vreselijk genoeg, en na honderd passen moest Sender tegen zichzelf zeggen dat hij aan een dwaas waagstuk begonnen was – niet meer. Aan een ernstig gevaar geloofde hij niet, al moest hij telkens weer met afgewend gezicht, gebogen rug en ver uit elkaar geplaatste voeten blijven staan tot er een windstoot voorbij was, en al kwam hij ook dan maar langzaam, stap voor stap vooruit, doordat zijn voeten in de sneeuw wegzakten en de ijskoude lucht het ademen bemoeilijkte. Maar hij had niet voor niets jaren van zijn leven op de landwegen doorgebracht. ‘Erger zal het vandaag niet worden,’ dacht hij, ‘en tegen de ochtend wordt het beter.’ Het was nog wel een hele mijl naar Miaskowka, maar als hij eerst maar het voetpad bereikte dat ongeveer halverwege van de hoofdweg afboog, dan zou het gemakkelijker gaan. Het voetpad sneed de weg af en leidde door een kloof, waar de storm minder hevig woedde. En zo zwoegde hij verder, van de ene populier langs de weg naar de volgende, hijgend en badend in het zweet zolang hij voorwaarts stapte en verstijvend als hij stil moest staan, maar onverzettelijk.

Toen, volkomen onverwacht, alsof een reuzenvuist zijn keel had dichtgeknepen, verstomde de verderver. De lucht werd stil, de opgejaagde sneeuw viel op de aarde, het donker lichtte op, zodat de besneeuwde weg een heel stuk te overzien was. ‘Barmhartige, heb erbarmen!’ kreunde Sender en bleef verlamd van ontzetting staan. Hij wist wat deze plotselinge stilte betekende. De storm verzamelde nieuwe krachten om na een minuut terug te keren als een orkaan die alles doodde en begroef.

‘Terug,’ dacht hij, ‘mijn huis haal ik misschien nog, maar de holle weg niet meer.’ Hij keerde om. Toen schoot door hem heen dat hij de terugweg voor zichzelf had afgesneden, letterlijk, met de schaar: zonder slaaplokken en in een korte kaftan kon hij zijn moeder en de mensen niet meer onder ogen komen. En dan kwam aan het licht dat hij een Duitser wilde worden… ‘Voorwaarts!’ En als een wanhopige ijlde hij verder, alsof hij de verderver kon ontvluchten.

Maar daar was hij plotseling weer, de ontzaglijke. Een langgerekt, huilend gieren vloog voor hem uit, onderbroken door dof gedreun en geknetter, het geraas van splinterende takken en bomen; het werd donker en nu kwam hij aanjagen met ontzettende kracht. Bliksemsnel had Sender zich op de grond laten vallen, want alleen zo ontkwam hij aan het lot door de razende gegrepen en enkele passen verder weer neergesmakt te worden. Platgedrukt lag hij op de sneeuw, met zijn gezicht naar de luwte om adem te kunnen halen.

Maar de sneeuw bedekte hem steeds dichter en dreigde hem te verstikken… Hij wilde overeind komen, maar de orkaan drukte hem neer. Hij verzamelde al zijn krachten en kroop op handen en voeten vooruit tot hij de volgende populier bereikte. Hier kon hij weer ademhalen, maar nu voelde hij hoe de kou langzaam zijn ledematen omklemde. Hij kon zich nog bewegen en zich nog verweren – maar hoe lang nog…

Toen viel er opnieuw een plotselinge stilte, een doodse stilte; alleen de fijne opgewaaide sneeuw viel zacht tinkelend neer, en heel ver begon iets te kreunen. Misschien een tak, die zich losmaakte van de stijfbevroren stam, misschien een dier dat lag te creperen. Sender probeerde overeind te komen en keek om zich heen. Op de akker rechts van hem zag hij in het vale schijnsel van de sneeuw een kruis opdoemen; hij kende het: het stond ongeveer halverwege tussen het stadje en de holle weg; hij had nu toch een kwartmijl afgelegd, alleen was de stilte een slecht teken. De orkaan had nog niet zijn volle kracht bereikt en nu moest hij iedere ademtocht benutten voor de storm terugkwam…

En weer waadde hij verder door de sneeuw, zo snel als zijn bevende knieën hem konden dragen, met een hoestend lijf en bezweet verder… verder… Nu moest er weldra rechts van hem een kleine kapel opdoemen, langs de veldweg naar Biala, misschien kon hij die nog bereiken voor de orkaan losbarstte… Hij spande al zijn pezen, daar, nog geen tien passen van hem verwijderd, schemerde de kapel… Maar op hetzelfde ogenblik kwam de orkaan aansuizen over de reusachtige vlakte, hemel en aarde begonnen te kreunen en werden een witte, brullende, steunende chaos, bliksemsnel – voor Sender zich kon laten vallen voelde hij hoe hij door een reuzenvuist gegrepen werd en door de lucht gedragen en zo hard neergesmakt, dat horen en zien hem vergingen.

Een ogenblik maar en toen trok de doodsangst hem overeind. Het was of er een zware, ijskoude hand op zijn gezicht werd gelegd, die zijn mond dichthield, waardoor hij het gevoel kreeg dat hij stikte. De storm had hem in de greppel gegooid en met sneeuw bedekt. Hij sloeg om zich hen. ‘Help! Help!’ rochelde hij, nu kon hij weer ademen. Langzaam worstelde hij zich de greppel uit en kroop naar de kapel, terwijl boven hem het reusachtige razen van de luchten voortging.

In de kapel zakte hij half bewusteloos in elkaar. ‘Wakker blijven, blijven denken!’ mompelde hij en pakte een hand sneeuw om zijn gloeiende voorhoofd te koelen. Toen kromp hij ineen, want uit een hoek van de kapel kwam een jankend geluid en daarna een zacht gehuil. Het moest een dier zijn, dat daar een toevlucht had gezocht. En nu kwam het langzaam op hem af – een wolf? Een hond? Duizelig greep hij zijn stok en hief hem. Het dier ging liggen en jankte en kwispelde met zijn staart. Nu zag hij dat het een hond was. ‘Moskal!’ riep hij, dat is een van de bekendste hondennamen in die streek. Toevallig kon hij het goed geraden hebben, want de hond kwam naar hem toe, likte zijn handen en vlijde zich tegen hem aan. Sender liet het gebeuren en krauwde hem over zijn vacht. Zo troostten en warmden ze elkaar, mens en dier. En beiden hadden op dat moment van de hevigste angst voor het woeden van de natuur hetzelfde en zeker geen hoger gevoel.

Toen begon Sender zijn gedachten te verzamelen. Het grootste gevaar was nu wel geweken. De orkaan woedde nog met onverminderde kracht, maar Sender wist dat het niet lang meer kon duren. Of zijn kracht nam geleidelijk af of er viel plotseling een nieuwe stilte waarin de verderver op adem kwam. In beide gevallen kon hij de kloof bereiken, en daar zou hij zeker gemakkelijker vooruit kunnen komen. Want hier blijven zitten tot het ochtend werd, was onmogelijk: dat zou een wisse dood betekenen. De kou was ontzettend. Hij voelde weer hoe die zich om zijn ledematen legde, zijn voeten verstijfden en zijn handen. Hij verweerde zich ertegen, probeerde overeind te komen en drukte de hond steviger tegen zich aan. Maar zijn bewegingen werden steeds langzamer, zijn krachten lieten hem in de steek… ‘Slapen,’ mompelde hij en sloot zijn ogen. ‘Maar slapen is doodgaan!’ schoot het door hem heen en angstig richtte hij zich op. Maar opstaan kon hij niet meer. Weer vielen zijn ogen dicht.

Niet bij de hond, misschien omdat die een scherper instinct had. Hij schudde zich en blafte, likte de mens over zijn gezicht en trok aan zijn jas. Dat bracht Sender weer tot zichzelf. Hij stond wankelend op, begon stampend heen en weer te lopen en zich te schudden. Daarbij rolde er iets uit zijn jas op de grond. Het was zijn gebedenboek. Hij raapte het op en omklemde het met beide handen. Het was alsof er nieuwe kracht uit stroomde, alsof hij Gods gewaad gepakt had en dat maar vast hoefde te houden om niet ten onder te gaan. Het gebed van iemand in levensgevaar schoot hem weer te binnen en hij sprak de woorden voor zich uit. Heer over leven en dood, begenadig mij met het leven! De klank van zijn eigen stem gaf hem nieuwe kracht; hij ging weer op zijn hurken zitten, legde het boekje naast zich neer met zijn rechterhand erop, en de hond kwam weer aangekropen.

Toen werd het plotseling weer stil. Nu op naar de greppel! Sender kwam overeind en pas toen hij naar buiten stapte merkte hij dat de orkaan zijn hoed had ontvoerd – wie weet hoeveel mijlen ver. Hij bond een doek om zijn hoofd en ging naar buiten – de hond volgde hem. Daarop begon het kreunen dat hij eerder had gehoord. Het was een hees, krassend, langgerekt geluid. Het bloed stolde Sender in de aderen: dat waren wolven! Ook de hond moest het geluid herkend hebben, want hij bleef staan met zijn staart tussen zijn poten en stootte een angstig gehuil uit.

‘Dat helpt niet,’ mompelde Sender. ‘Vooruit! Het geluid lijkt van de weg te komen en ik wil de greppel in. God sta me bij!’ En hij tastte naar het boekje.

Hij kon het niet vinden. Hij woelde door zijn zakken, maar hij had het niet meer. Toen bedacht hij dat het misschien in de kapel was blijven liggen. Hij keek achterom: het was nog geen tweehonderd passen, maar naar de greppel niet veel meer, en ook deze stilte zou maar van korte duur zijn. Maar hoe dan ook: de hoed was te vervangen, het boekje niet. En hij rende terug en de hond volgde met vrolijke sprongen.

Daar lag het boek inderdaad aan de voet van het kruis. Hij pakte het op – daar barstte de orkaan weer los. Weer zat hij vast in de kapel, en opnieuw begon de strijd tegen de kou. Hoe verzwakt hij ook was, Sender voelde zich moediger dan eerst. Hij hield het boekje vast, het gewaad van God, de storm moest toch een keer gaan liggen. En nu kleurde het oosten rood, het licht kwam terug, vaal en lelijk, maar toch een dag, een dag!

Tegen zeven uur zweeg de orkaan. Sender stond op en viel om; hij was te zwak en zijn knieën konden hem niet meer dragen. Hij probeerde het nog een keer – nee, het ging niet. Hij moest wachten tot er een voertuig voorbijkwam. Gelukkig was met de orkaan ook de kou gebroken. Zoals na bijna iedere oosterstorm op de grote vlakte begon de wind nu uit het westen te waaien, zacht, warm en week.

Ongeveer een uur nadat het licht geworden was, kwam er van Barnow eindelijk een slee. Een boer mende de paarden en zijn vrouw lag in de slee. De hond sloeg aan. Sender kwam de kapel uit en wenkte de man. Het was de rechter van Miaskowa.

‘Alle heiligen nog aan toe!’ riep hij en bracht de slee tot stilstand. ‘Senderko, hoe kom jij hier? Heb je de nacht in de openlucht doorgebracht?’

Sender knikte. ‘Neem me alstublieft mee naar uw dorp,’ smeekte hij. Daar was de rechter toe bereid. Alleen was er niet veel plaats. ‘Je ziet: mijn vrouw is bezopen. Maar we zullen haar op haar zij leggen.’ Toen dat gebeurd was, kon Sender gaan zitten. De hond sprong ook op de slee.

‘Is dat mormel van jou?’ vroeg de rechter. ‘Een mooi beest heb je uitgezocht.’

Liefdevol aaide de doodvermoeide man over de ruige vacht. ‘Ja, die is van mij,’ antwoordde hij, ‘voor altijd. Rijden maar, rechter.’

De paarden zetten zich in beweging. ‘Je hebt me nog niet verteld hoe je hier verzeild bent geraakt,’ zei de boer. ‘En wat zie je eruit! Om bang van te worden! En zonder hoed!’

Sender antwoordde dat hij in alle vroegte naar Miaskowka had willen gaan, maar vlak voor de kloof door de storm was ingehaald.

De boer zette grote ogen op. ‘Wilde je door de kloof? Dan mag je de storm dankbaar zijn. Die is helemaal ondergesneeuwd en daar zitten nu wolven. Daar was je niet levend vandaan gekomen. Maar wat trek je een raar gezicht, jood?’

Inderdaad was Senders gezicht bepaald aangedaan. ‘Het boekje heeft me gered,’ dacht hij. ‘God door middel van het boekje. Als ik niet teruggegaan was naar de kapel om het te halen –‘ Hij sloot zijn ogen en er ging een rilling door hem heen. Daarna bewogen zijn lippen zacht in een dankgebed.

Na een tijdje begon de rechter weer: ‘Krankzinnig, om in zo’n nacht naar Miaskowka te lopen. En wat wil je daar?’

‘Een zaak regelen,’ antwoordde Sender, ‘met de waard.’ Hij voelde zich doodmoe en moest nu ook rusten. ‘Dan wil ik door naar Tluste. Wilt u me rijden? Ik betaal goed.’

De rechter schudde trots zijn hoofd. ‘Dat is mijn vak niet,’ zei hij waardig. Maar toen krabde hij zich peinzend achter zijn oren. ‘Misschien,’ zei hij, ‘voor deze keer. We hebben gisteren op de weekmarkt al ons geld verzopen. Wat een roes dat was, kun je aan mijn vrouw zien. Jullie verdomde joden, die ons uitzuigen, weten niet wat een zwaar leven een boer heeft! Zonder loterij gaat het echt niet meer! Maar je hebt me immers beloofd…’

‘Jazeker!’ mompelde Sender moeizaam. De naweeën van de nacht werden nu pas echt merkbaar: iedere ademhaling deed pijn.

Wankelend ging hij naar de kamer die de herbergier in het dorp hem wees, liet thee zetten en viel, nog voor hij het glas helemaal geleegd had, als een blok in slaap.

Toen hij wakker werd, had hij erge hoofdpijn en ook een brandend gevoel in zijn keel en neus, maar de steken in zijn longen waren wat minder hevig. Omdat hij ook een knagende honger had, maakte hij daaruit op dat hij er nog genadig vanaf gekomen was. In de kamer schemerde het; hij dacht dat het aan het geblindeerde raam lag, maar terwijl hij zich aankleedde werd het steeds donkerder: hij had de hele dag verslapen.

De waard diende op wat de arme zaak te bieden had en de gast tastte flink toe. Daarop duwde er iets nats en kouds tegen zijn hand: het was de snuit van Moskal. ‘Arme jongen!’ riep Sender vol medelijden, ‘heb jij ook de hele dag niets gegeten?’ En hij deelde eerlijk met hem.

De waard kwam bij hem zitten. ‘Neem me niet kwalijk, Sender, maar ik ben nu wel erg nieuwsgierig! Wat wil je hier? Waar zijn je slaaplokken? Waar zijn de panden van je kaftan?’

Sender dacht na. ‘Goed, ik wil het wel vertellen, als u uw mond kunt houden,’ fluisterde hij. ‘Ik moet in opdracht van rabbi Manasse iets regelen in Tluste, en ze moeten denken dat ik een christen ben. Het is voor de hele gemeente. Als iemand het voor het einde van de maand te weten komt, is de rabbi verloren. U ziet: we zijn in uw hand.’ ‘Hopelijk houdt hij nu zijn mond,’ dacht hij. De rechter, die die avond langskwam, bestelde hij voor de volgende ochtend.

Weer sliep hij tien uur een vaste en droomloze slaap. ’s Morgens werd hij zo verkouden wakker dat zijn ogen ervan traanden, maar hij voelde zich verder redelijk goed. ‘Goddank,’ dacht hij, ‘een ziekte kan ik er nu echt niet bij hebben.’ En toen hij toch nog pijn in zijn borst had, dwong hij zich gewoonweg daar niet op te letten. ‘Ik moet gezond zijn,’ dacht hij. Vrolijk vertrok hij, na hij bij een boer een bontmuts op de kop getikt te hebben en nadat hij de waard nog eens op het hart gedrukt had dat het lot van rabbi Manasse op het spel stond.

Het was een grijze, maar bijna warme dag. De westenwind woei onophoudelijk. ‘Raar weer,’ vond de rechter, ‘zo erg hebben de verderver en de tranenmaagd het lang niet gemaakt. Sinds gisteren werkt ze aan één stuk door.’ De “tranenmaagd”, zo noemen ze de westenwind, omdat die regen brengt of de sneeuw laat smelten. ‘Aan de Dnjestr kan het spoken, ineens heb je daar kruiend ijs, en een lelijke verrassing. En wat een weg is dit!’

Inderdaad zwoegden de paarden moeizaam door de zachte sneeuw en het was al laat in de middag, toen ze Tluste binnenreden. Bij het eerste huis van de plaats kwamen ze een grote slee tegen, waarin wel tien joden op een kluitje zaten. Sender keek haastig een andere kant uit, want in een van hen had hij zijn vroegere leraar Schlome Rosenthal herkend. ‘Hopelijk heeft hij mij niet herkend,’ dacht hij, ‘anders weten ze in Barnow morgenmiddag welke weg ik ingeslagen ben.’

Hij ging naar een herberg waarvan hij de eigenaar niet kende, maar nauwelijks had de man hem de soep voorgezet of hij begon: ‘Jij bent toch Sender, de paljas? Mag ik vragen waarom je als een Duitser op reis bent, zonder slaaplokken, in een korte jas en met een hond? En ook nog een boerenmuts?’

Sender dacht na. De waard maakte geen vrome indruk en dus kon Sender het lot van rabbi Manasse niet in zijn handen leggen. ‘Wacht maar even,’ zei hij, ‘u zult mijn vertrouwen belonen en de grap niet bederven…’

‘Waarachtig niet!’ verzekerde de waard. ‘Daarvoor zijn je grappen te goed. Om het verhaal over je bruid, de horlogemakersdochter in Mielnica, heb ik me ziek gelachen.’

‘Prima,’ dacht Sender, ‘die man kan me helpen.’ Nadat hij hem strikte zwijgzaamheid had laten beloven, zei hij: ‘Dit is net zoiets, maar dan nog beter. Mijn moeder wil dat ik met de dochter van een chassied in Sadagóra bij Czernowitz trouw. In deze toestand ga ik kennismaken.’

De waard schudde van het lachen en behandelde zijn gast vanaf dit moment met nog meer aandacht. Ook zorgde hij voor goedkoop vervoer: een koetsier die met een lege slee naar Czernowitz terug moest. Natuurlijk konden ze er niet voor zondag zijn, omdat ze de sabbat in Zalefzczyki rust moesten houden. Dat vond Sender wel een troost. ‘Dan bekijk ik daar het beroemde gezelschap van Stickler,’ dacht hij, ‘en de rust zal me goeddoen.’ Want al werd zijn ervaring bevestigd dat zijn welbevinden sterk van zijn gemoedstoestand afhing, al de vrolijke daadkracht die hem vervulde kon de pijn in zijn borst niet helemaal doen vergeten. De slechte nacht had toch diepere sporen achtergelaten dan hij aanvankelijk gehoopt had. Zijn troost was alleen het warme weer.

Dat hield ook vrijdag aan, toen ze van Tluste verder naar het zuiden gingen, op het rivierdal van de Dnjestr aan, sterker nog: nu werd de westenwind een scirocco en het was zo zwoel, dat Sender zijn jas uit moest trekken. De wind likte de sneeuw weg en weekte het ijs. Op de weg lag nu een mengeling van modder en sneeuw, waar de slee zich moeizaam doorheen werkte, en van alle velden droop het grauwe sneeuwwater, dat de greppels vulde en de beken tot rivieren liet aanzwellen. Overal, zover de blik reikte, kolkte en schuimde het en het eentonige ruisen van het water vervulde onophoudelijk het oor.

‘Zo plotseling heb ik het nog maar zelden meegemaakt,’ zei de koetsier. ‘Vannacht of morgenvroeg begint het ijs in de Dnjestr te kruien. Met de sabbatrust in Zalefzczyki wordt het nu niets. We moeten vandaag nog de pontonbrug over, anders is die meegenomen door het kruiende ijs.’

‘En waar zijn we dan op sabbat?’ vroeg Sender.

‘In een landelijke herberg aan de overkant van de rivier. Het is wel een armzalige gelegenheid, maar verder komen we vandaag niet.’

Dat beviel Sender niet erg, want hij had zich zo op de voorstelling en het goede bed in Zalefzczyki verheugd. ‘Laten we eerst kijken of het nodig is,’ antwoordde hij.

De meningen van de voerlieden die hen tegemoetkwamen, liepen uiteen. ‘Er zitten barsten in de ijslaag,’ antwoordde de een, ‘maandag zal het wel beginnen.’ ‘Vannacht al,’ dacht een tweede. De derde zei: ‘Vóór woensdag hebben we niets te vrezen. En ook al begint het ijs te kruien, de brug heeft daar geen last van.’

Het stelligste was de waardin van het logement in Zalefzczyki, waar Sender de koetsier liet stoppen; zij verzekerde hem dat er absoluut niets te vrezen was.

‘Het ijs is zo sterk als een muur,’ bezwoer ze, ‘binnen een week komt het niet in beweging. En als het gebeurt, hebben jullie daar geen last van. Vijf jaar geleden heeft het kruiende ijs de pontonbrug verwoest, maar sindsdien niet meer. En nu is de brug nieuw en hij rust op kettingen die net zo dik zijn als ik.’

Dan moesten het wel betrouwbare kettingen zijn, want de vrouw was zo dik als een ton, maar de koetsier schudde zijn hoofd. ‘Het gaat jullie om de sabbatgasten,’ antwoordde hij, ‘en mij om het thuiskomen. Zo’n verschrikkelijk kruiend ijs als we nu krijgen is er lang niet geweest. Dat neemt de brug mee.’

Sender wilde al instemmen met de voortzetting van de reis, toen zijn blik viel op een reusachtig rood biljet op de deur: Theater in Zalefzczyki, en tegelijkertijd verscheen er een slanke, blonde man in een sjofele jas en met een enorme vilthoed schuin op zijn hoofd gedrukt bij de deur en keek geeuwend om zich heen. Zijn afgeleefde gezicht was gladgeschoren. Een toneelspeler!

Senders kreeg hartkloppingen. ‘Is het theater hier bij u?’ vroeg hij de waardin.

‘Ja,’ antwoordde ze ijverig. ‘In mijn zaal. Zulke spelers hebt u nog nooit gezien. En na de voorstelling komen ze allemaal naar mijn herberg. Er zijn mooie meisjes bij,’ voegde ze er met een onaangename glimlach aan toe. ‘Zo’n amusement hebt u vast nog nooit gezien.’

Sender aarzelde. De mooie meisjes trokken hem niet aan, maar de voorstelling wel. En moest hij de sabbat in een armzalig, saai logement doorbrengen? Maar aan de andere kant: maandag was het 1 maart, dan moest hij in Czernowitz zijn… ‘Laten we eens kijken hoe het er daar beneden uitziet,’ zei Sender tegen de koetsier en wees naar de rivier. ‘Kom mee.’

Ze liepen de weg af tot een kleine, kunstmatige verhoging aan de rivieroever, een soort bastion dicht bij de brug. Daar konden ze de Dnjestr een heel eind overzien: een smerige, grauwe, brede reuzenslang, die zich door het wit van de akkers slingerde. Onder hen lag de pontonbrug, een rij platte, met planken bedekte bootjes, die aan twee enorme, om stenen pijlers gewonden ijzeren kettingen bevestigd waren. Voetgangers en wagens trokken eroverheen en wijd en zijd was niets bedreigends te bekennen.

‘Ik blijf niet,’ zei de koetsier desondanks. ‘Kijk eens naar de kleur van de Dnjestr. Het ijs is nog sterk, maar er staat al een voet water op, anders zag het er niet zo vuil uit. De kleur van het ijs komt er nauwelijks nog doorheen. Ik ken dat.’

‘Er staat water op,’ gaf Sender toe, ‘maar je hoort niet het minste gekraak in het ijs, en dat begint al dagen van tevoren.’

‘Blijft u dan maar,’ zei de koetsier. ‘Ik ga weg.’

Ongeduldig keek Sender om zich heen: misschien was er iemand uit de buurt, die deze hardnekkige man bekeren kon. En er was inderdaad iemand, zelfs een officieel persoon.

In een hoek van het bastion was een jonge man in een grijze soldatenjas bezig een kuil te graven. Zijn jas was gescheurd en het gezicht van de man was buitengewoon dom, maar op zijn strohoed blonk een koperen schildje met Gemeentepolitie.

‘Denk je,’ zei Sender in het Roetheens, ‘dat de brug gevaar loopt?’

‘Zeg maar u,’ antwoordde de haveloze man waardig, ‘want ik ben de politie. Maar de brug, vraagt u. Wie zou die dan in gevaar kunnen brengen?’

‘Nou, het kruiende ijs.’

‘Dat doet niets. Dat mag niet. Meneer de burgemeester heeft het verboden. Ik was er zelf bij, toen hij zei: “Deze keer mag het kruiende ijs de brug niet verwoesten, want dat kost te veel geld.”’

‘Bent u nu gerustgesteld?’ lachte de koetsier honend.

Maar Sender vroeg: ‘En heeft meneer de burgemeester niet gezegd wanneer het ijs begint te kruien?’

‘Nee. Maar hij zegt: “Niet zo gauw, want ik heb nog geen telegram ontvangen.”’

‘Stuurt het ijs hem dan een telegram?’ vroeg de koetsier.

‘Ik weet niet wie,’ antwoordde de politieman. ‘Maar eerst moeten we telegrammen krijgen uit Mikolajow, uit Halicz, uit Jezupol en uit alle steden daarboven.’ Hij wees in stroomopwaartse richting. ‘Dan kan het pas komen. En het mag ook niet eerder komen dan woensdag.’

‘Waarom?’

‘Daarom.’ Hij wees op de kuil. ‘”Hritzko,” zei de burgemeester, “vandaag graaf je de kuil voor het mortier, maandag brengen we dat erheen en dinsdag laden we het.” Dus,’ besloot hij gewichtig, ‘vóór woensdag gebeurt er niets, want door die mortierschoten wordt het de stad meegedeeld.’

‘Nu kunnen we rustig slapen,’ lachte de koetsier. Maar Sender dacht: ‘Als er geen theater was, zou ik in godsnaam wel toegeven. Maar nu?’ Maar omdat de voerman ook bij zijn besluit bleef, maakten ze in het logement de rekening op en gingen uit elkaar.

 

Hoofdstuk 29

Sender liet zich een slaapkamer wijzen en in de gelagkamer een maaltijd opdienen. Goddank, de kelner kende hem niet en vroeg dus ook niet naar zijn slaaplokken, maar wel of hij ’s avonds naar het theater wilde, en toen Sender ja zei, greep hij in zijn zak en legde een kaartje voor hem neer. ‘Eerste rang stalles, veertig kreuzer. Nummer 6. Rij 1. Die plaats heeft het beste zicht!’

‘Hebt u geen goedkopere?’ vroeg Sender.

‘Een heer als u,’ riep de kelner, ‘een Duitser, die geen slaaplokken meer draagt en een korte jas! De tweede rang kost dertig kreuzer – of twintig – ik weet het echt niet precies, want met mensen die daar gaan zitten heb ik niets te maken. Maar op deze plaats zat eergisteren meneer het districtshoofd en gisteren meneer de kolonel. Op de tweede rang zie je trouwens niets.’

Dat gaf de doorslag. Sender betaalde de veertig kreuzer. ‘Hebt u geen programma?’ vroeg hij.

‘Nee. Maar er hangt er een op de deur. Er worden er per dag maar zes gemaakt, omdat het hier nog heel primitief is. Er is in Zalefzczyki immers geen drukkerij. Maar wacht: bij de kassa hangt een affiche, die haal ik voor u.’

Hij rende weg en kwam behulpzaam aansjouwen met het programma. Het was een enorm ding, dat bestond uit een aantal aan elkaar geplakte vellen rood papier, die bewerkt waren met een penseel. Een dikke streep verdeelde het in twee helften. De linker had Hebreeuwse en de rechter Latijnse letters. Beide teksten waren Hoogduits en zeiden ongeveer hetzelfde, maar alleen ongeveer.

 

De affiche zag er als volgt uit: (Hier komt de affiche)

 

 

Toen Sender beide helften van de enorme affiche helemaal gelezen had, was het vlees koud geworden en daarna kon hij van ergernis nauwelijks eten; Moskal hoefde over zijn deel niet te klagen. ‘Wat een schurken,’ mompelde hij in zichzelf, ‘ze willen het iedereen naar de zin maken en liegen dat het gedrukt staat. En dat zijn dan kunstenaars. Hebben jullie zulke affiches bij meneer Nadler leren maken, schoften?’ Het meeste ergerde hem eigenlijk nog dat ze diens naam durfden te misbruiken. ‘Wacht maar, hij krijgt jullie nog wel!’

Veel op de affiche was raadselachtig en prikkelde zijn nieuwsgierigheid, maar hij wilde er niet meer naar kijken. ‘Tuig, ik zal jullie voorstelling bekijken – dat zal wel wat moois zijn! Maar verder zijn jullie het niet waard dat ik aandacht aan jullie schenk.’ Hij betaalde en ging weg om de stad te bekijken, die hij nog nooit bij daglicht gezien had, want hij had er als voermansknecht alleen maar overnacht.

Toen hij de deur uit ging, hoorde hij plotseling roepen: ‘Paljas, jij hier?’ Het was de waard bij wie hij indertijd altijd overnachtte. ‘En je bent niet bij mij gekomen? Maar waar zijn je –?’

‘Mijn slaaplokken gebleven?’ riep Sender woedend. ‘De duivel heeft ze eerst gehaald en nu komt hij voor die van jullie!’ En hij liet de verblufte man staan en rende weg.

‘Dat was niet netjes,’ dacht hij. ‘Maar je wordt gek van al dat gevraag. Dat moet ophouden. Of ik hier helemaal Duits word of pas in Czernowitz, maakt toch niets uit. Dan herkent niemand me meer.’

Hij ging een kapperswinkel binnen en liet zijn haar kort knippen en zijn snor en baard afscheren. De kapper, een jood, deed het hoofdschuddend. ‘Net een toneelspeler,’ zei hij, ‘dat heeft nog geen joodse jongen me gevraagd. Eerst de slaaplokken –‘

Sender gooide het geld neer en vloog de deur uit. Niet ver daarvandaan was een kledingzaak. De eigenaar, eveneens een jood, keek hem met grote ogen aan, toen Sender vroeg of hij zijn jas en kaftan met bijbetaling in kon ruilen voor een Duits pak en een moderne jas. ‘Het ligt eraan hoeveel u bijbetaalt,’ zei hij ten slotte traag en haalde kleren. Sender moest lang zoeken voor hij iets passends vond en nog langer marchanderen, want de winkelier vroeg een schandalig bedrag. ‘Die kaftan is niets waard,’ zei hij, ‘die is niet door een kleermaker bijgeknipt.’ Pas toen Sender wegliep, kwam hij hem achterna en ging akkoord met twintig gulden. Nadat de jonge man achter in de winkel de kleren aangetrokken had, ging hij voor de spiegel staan. Hij vond zichzelf er in de ongewone kleding vreemd uitzien en ook de hond begon ineens te blaffen, alsof hij hem niet herkende of zijn verwondering tot uiting wilde brengen.

Zuchtend legde Sender de twintig gulden op tafel; nu had hij er nog dertien over. ‘U bent een echte uitbuiter,’ zei hij, ‘want dit zijn geen nieuwe kleren.’

‘Maar ze zijn van een graaf geweest,’ antwoordde de winkelier. ‘Trouwens – ik wil niet liegen. Het is maar dat u het weet, maar iedere christen had ze goedkoper gekregen. Maar iemand bij geloofsafval helpen is een zonde en die wil ik betaald zien. Hoe lang is het geleden dat u uw slaaplokken –‘

‘Houd je mond!’ bulderde Sender en liep weg. ‘Maar nu is het tenminste afgelopen,’ dacht hij.

Inderdaad werd hij in de volgende winkel, bij de hoedenmaker, al met “meneer” aangesproken en dus waarschijnlijk helemaal niet meer als jood herkend. Sterker nog: de ambachtsman reikte hem een enorme, zachte vilthoed aan. ‘Zoeen heeft meneer von Hoheneichen ook bij me gekocht,’ zei hij. Sender zag er dus al als een toneelspeler uit. Maar zijn trots daarop werd minder, toen de hoedenmaker, terwijl Sender plaats nam voor de spiegel naast de deur, voor diezelfde deur ging staan en zijn hand zelfs angstig op de klink legde. Moskal liet weer zijn geblaf horen, maar Sender vond dat de hoed hem uitstekend stond en kocht hem na lang marchanderen over drie gulden en gaf de boerenmuts erbij. Bij het zien van het geld klaarde het gezicht van de winkelier op. ‘Als u misschien,’ vroeg hij, ‘uw collega, meneer von Hoheneichen, eraan herinneren wilt…’

‘Die ken ik niet,’ antwoordde Sender trots. ‘Ik ben ook toneelspeler, alleen niet bij dat derderangsgezelschap, maar bij het stadstheater in Czernowitz. Bij de echte directeur Nadler…’

‘Dat had ik kunnen weten,’ zei de hoedenmaker even onderdanig als treurig. ‘De mensen van het gezelschap hier betalen nooit…’ Hij deed vol respect de deur open en Sender stapte met opgeheven hoofd de straat op.

Het was gaan schemeren, maar vergeleken met vanmiddag was het nog zachter geworden; het droop van alle daken en door de doornatte straten stroomden beekjes: alle sneeuw leek in één keer weg te smelten. De westenwind was sterker, maar ook nog zwoeler geworden; bijna lusteloos woei zijn ademtocht om je ledematen, zodat Sender het erg warm kreeg in zijn jas, al was die veel lichter dan de oude, degelijke jas, die hem zo lang trouw tegen weer en wind beschermd had. Het was onbehaaglijk in de modderige straat en hij wilde juist teruggaan naar zijn logement, toen hij plotseling de woorden opving: ‘Het water stijgt! Nu kraakt het ook al in het ijs!”

Een heer had het naar een andere geroepen en beiden renden nu naar beneden, naar de Dnjestr. ‘Daar heb je het al!’ dacht Sender geschrokken en ging achter hen aan. ‘Tien gulden heb ik nog, dat is net genoeg voor het eten en de reis tot zondagavond. Ik kom toch al bijna platzak in Czernowitz aan. Gaat die pontonbrug nu ook nog voor mijn neus weg –‘

Maar zo dreigend zag het er aan de Dnjestr nog niet uit. De brug was nu met fakkels verlicht; het bastion stond vol met mensen die nieuwsgierig het ongewone schouwspel gadesloegen en niemand leek bang te zijn. Het water was gestegen, maar ze hadden de kettingen ook opgetrokken, zodat de planken weer boven de rivier uit kwamen; het verkeer over de brug ging door en werd alleen even onderbroken, wanneer het werk van de pioniers dat vereiste; kwamen er boomstammen en ander afval tegen de brug te liggen, dan trokken zij het met haken en stokken uit de rivier, sleepten het over de brug en gooiden het aan de andere kant weer in de stroom. Griezelig was alleen het kraken in het ijs, een vreemd geluid, dat dof begon en dan steeds lichter en doordringender aanzwol, alsof een reuzenvuist een enorme glasplaat in tweeën sneed, om dan uit te klinken in een soort geborrel, het geluid van het water, dat in de scheur drong en die verbreedde.

Temidden van een menigte aandachtige toeschouwers stond een dikke, oude heer heftig en nadrukkelijk te praten. ‘Wees maar niet bang!’ riep hij, ‘van stroomopwaarts is nog geen telegram gekomen! Jullie zien dat ik het mortier nog niet eens heb laten opstellen! Vóór maandag begint het ijs niet te kruien. Ga maar naar huis: ik houd de wacht!’

Een oude jood in een zijden kaftan – het moest een notabele zijn – drong door de rijen. ‘Meneer de burgemeester!’ riep hij buiten adem, ‘ik heb net een telegram gekregen –‘

‘Waarvandaan?’

‘Uit Barnow!’

‘Haha!’ riep de burgemeester. ‘Sinds wanneer ligt Barnow aan de Dnjestr?’ Ook de omstanders moesten lachen.

‘Maar het is belangrijk!’ antwoordde de jood en begon fluisterend tegen de burgemeester te praten. Maar die luisterde nauwelijks. ‘Een andere keer, meneer Silberstein. Ik heb nu geen tijd voor uw joodse aangelegenheden.’

‘Wat kan dat zijn?’ dacht Sender meer nieuwsgierig dan bezorgd. Het kon toch onmogelijk over hem gaan, want hij was geen dief, die je telegrafisch kon volgen. En hij hoefde nu ook niet bang te zijn dat hij zondag niet weg kon.

Hij ging terug naar het logement. Op de weg naar de deur stond de dikke waardin en hield hem tegen toen hij erlangs wilde. ‘Waar wilt u heen, meneer?’

‘Nummer negen,’ antwoordde hij kortaf.

Ze zette grote ogen op en sloeg haar handen in elkaar. ‘U bent het! Een toneelspeler wil je – wilt u dus worden?’

Op dezelfde manier werd hij ontvangen door de kelner in de gelagkamer en Sender kreeg een prettig gevoel: er was geen twijfel mogelijk dat hij er nu echt als een toneelspeler uitzag. Toen de kelner het bestelde flesje Moldauer bracht, bleef hij bij de tafel staan en zei: ‘Neemt u me niet kwalijk, maar u moet hier contant betalen.’

Glimlachend haalde Sender zijn portefeuille tevoorschijn en haalde zonder te kijken het briefje van tien gulden tevoorschijn. Dat ging geweldig en was toch geen prestatie, want verder zat er niets meer in.

De kelner sloeg een andere toon aan. ‘Neemt u me niet kwalijk, meneer,’ stotterde hij, ‘de toneelspelers hier…’

‘Dat geloof ik graag,’ zei Sender neerbuigend. ‘Wij van het stadstheater in Czernowitz kennen die mensen ook

 

Hoofdstuk 30

De kelner sloop naar buiten. Blijkbaar vertelde hij buiten wat hij meegemaakt had, want de waardin verscheen en vroeg of hij geen betere kamer wenste. Sender sloeg het aanbod beleefd af. En nauwelijks was ze weg of de slanke, blonde man die Sender bij zijn aankomst gezien had kwam binnen en haastte zich met uitgestoken handen naar Sender, alsof hij hem omhelzen wilde. Maar Moskal kwam dreigend overeind en gromde grimmig naar hem. Daardoor kon hij alleen van enige afstand roepen: ‘Een collega! Op doorreis? Wat leuk!’

‘Koest, Moskal!’ commandeerde Sender. ‘Ja,’ antwoordde hij koeltjes, ‘Ik ben inderdaad toneelspeler’ – ‘maar geen collega van jou,’ voegde hij er in gedachten aan toe.

De blonde man kwam naderbij, nu met zijn armen omlaag. ‘Hermann Dagobert von Hoheneichen,’ zei hij met een lichte buiging. ‘Jeune premier, held, karakterspeler, bonvivant.’

Sender kwam half overeind. ‘Alexander Kurländer.’ ‘Wat moet ik nog meer zeggen,’ dacht hij. ‘Ik denk dat ik karakterspeler word, maar dat moet Nadler eerst uitmaken.’ Daarom zei hij helemaal niets.

‘Kurländer?’ riep Hermann Dagobert von Hoheneichen. ‘Echt waar? Alexander? de beroemde Kurländer? O, wat leuk!’ Hij pakte Senders hand. ‘Ik heb al zoveel over u gehoord! U bent toch een steunpilaar en de trots van de Duitse kunst. Kurländer in Zaleszczyki!’ Hij greep naar zijn hoofd, alsof hij bijna gek van vreugde werd. ‘Wat een gelukkig toeval!’

Sender was een ogenblik verbluft. ‘Bestaat er echt een beroemde Kurländer?’ dacht hij. Maar toen de ander enthousiast riep: ‘Dat moet gevierd worden! Zeg ober –‘ wist hij hoe de zaak in elkaar zat.

‘U vergist zich,’ zei hij. ‘Ik ben helemaal niet beroemd. Ik –‘

‘Wat een bescheidenheid!’ riep Hoheneichen en nam plaats aan tafel. ‘Ja, dat is echte grootheid! Ik – ik kan me niet met u meten, maar bescheiden ben ik ook. Alleen zijn er grenzen! U niet beroemd? Wie dan wel? Ze hebben u herhaaldelijk Dawison de Tweede genoemd! Wie zei dat ook weer? Saphir – ja – Saphir! Hij die anders iedereen kapotschrijft – dat wil zeggen, mij heeft hij ook geprezen, herhaaldelijk en met nadruk, collega – maar u heeft hij de hemel in geprezen.’ Hij was een spraakwaterval, sprak met een hoge, hese tenor en sliste een beetje. ‘En was ik er niet zelf bij, toen u van de hele zaal ovaties kreeg? Ik applaudisseerde ook als een bezetene. Waar was dat ook weer? In Wenen? In Berlijn? Maar wat maakt het uit, ober – waar zit die vent?’

De kelner kwam aangerend. ‘Voor mij ook zo’n fles,’ commandeerde Hoheneichen.

De kelner keek Sender vragend aan. Die schudde zijn hoofd.

‘U vergist zich,’ herhaalde hij nadrukkelijk. ‘Ik ben nog nooit opgetreden. We hebben elkaar wel eens gezien, maar dat zult u zich niet herinneren.’ Het spraakgebrek van de kunstenaar had hem op het goede spoor gezet. ‘Twee jaar geleden in Czernowitz, na de voorstelling van De koopman van Venetië. U was Antonio. U zat toen ook aan tafel bij meneer Nadler en u zat te schudden van het lachen om mij. Ik vertelde meneer de directeur hoe goed ik de voorstelling gevonden had.’

‘Dat was u!’ riep Hoheneichen, pakte Senders hand en schudde hem als een pompzwengel op en neer. ‘Die jonge, bleke student was u? En nu hebt u het al zover gebracht? Verbazingwekkend! Maar nee, het is niet verbazingwekkend. Het bevestigt alleen maar wat ik altijd zeg. “Jongens,” zeg ik, “let op: academische vorming!” Nee, dat is geen ijdele waan! Wij oud-studenten maken ook bij het toneel de snelste vorderingen en niet de kappers en de kleermakers! Proost! Vivat academia! Ober, waar blijft mijn wijn?’

De kelner verroerde zich niet. Ook Sender hield het been stijf. ‘Alweer een vergissing,’ zei hij, ‘ik was toen geen student, maar voermansknecht…’

‘Wat was u?’ Een ogenblik stokte de spraakwaterval, maar dat duurde maar even. ‘O, ook een mooi beroep. “Als de zweep knalt…” En des te eervoller, dat u zich zo snel opgewerkt hebt!’

‘Nou, dat moet nog blijken. Maar ik vertrouw op directeur Nadler. Hij is een goede man en heeft verstand van de zaak.’

‘Dat is hij!’ riep Hoheneichen. ‘Bij God! Van top tot teen een man van eer! Dat wil zeggen: fouten heeft hij ook, net als ieder mens. Collega, u bent jong en onervaren, staat u me toe dat ik openhartig tegen u ben. Nadler is tegen beginners vriendelijk, maar tegen volleerde kunstenaars keihard en dan merk je dat hij jaloers is. Hoe meer talent een speler heeft, hoe minder hij te doen krijgt. Daar kan ik over meepraten. Wat kreeg ik, die in Wenen, in München en in Berlijn de lieveling van het publiek was, uiteindelijk te doen? Daarom ben ik bij hem weggegaan, dat wil zeggen niet alleen daarom. Hij is namelijk ook een bedrieger, die gages belooft maar geen heller betaalt. Hij is er vorig jaar vandoorgegaan en heeft ons laten zitten. Misschien mag ik u dat vertellen, collega, want dat kan heel interessant en heel nuttig voor u zijn. Heel!’ Hij hief zijn wijsvinger. ‘Het is mijn plicht om u voor die schurk te waarschuwen. Maar met een droge keel kan ik dat niet, bestelt u een fles voor ons – onder collega’s maakt het niet uit wie er betaalt!’

‘Onder collega’s – dat kan zijn,’ antwoordde Sender. ‘Maar wie op Nadler scheldt en zo liegt, is mijn collega niet. U bent ervandoor gegaan, omdat Stickler u opgestookt heeft, en dat heeft blijkbaar niet zo goed uitgepakt. En in plaats van de schuld bij uzelf te zoeken lastert u over Nadler?’

De toneelspeler stoof op, en Sender ook. ‘Dit wordt een scène,’ dacht hij. ‘Doet er niet toe, dat was ik Nadler schuldig.’ Wel stak de kunstenaar zijn hand naar Sender uit, maar alleen maar om die geroerd op zijn schouder te leggen.

‘U hebt gelijk, collega,’ zei hij, ‘op alle punten! Ik kan het waarderen dat u zo manmoedig voor uw directeur opkomt. Ook ik heb karakter, niet alleen maar talent. Gelukkig lopen onze meningen helemaal niet zover uiteen; we kunnen elkaar tegemoetkomen zonder onszelf tekort te doen. “Van top tot teen een man van eer”, dat was mijn oordeel over Nadler; daar bent u het hoop ik mee eens! Daarentegen geef ik graag toe dat het dwaas van me was om de influisteringen van die ellendige Stickler te volgen en de verbintenis eenzijdig te verbreken. En u hebt ook gelijk, dat me dat moet spijten.’ Hij viel slap op zijn stoel neer. ‘Dit is immers een hondenleven! Een man van oeroude adel, een Hoheneichen! Weet u wat dat betekent? Bij ons vergeleken zijn de Habsburgers parvenu’s. Een Hoheneichen was in de derde eeuw keizer van Duitsland!’

‘Neemt u me niet kwalijk,’ onderbrak Sender hem. ‘Dat is alweer een vergissing. Ik heb de hele wereldgeschiedenis doorgelezen. Maar dat u het hier niet goed hebt, geloof ik graag.’

‘We zijn het dus op alle belangrijke punten eens!’ riep Hoheneichen enthousiast en reikte hem boven de tafel zijn hand. ‘We moeten vriendschap sluiten, beste Kurländer, want de natuur zelf heeft ons voorbestemd om vrienden te worden. Wat kunt u in mijn ziel kijken! Ja, een hondenleven! Als het enthousiasme voor de kunst er niet was, zou je bezwijken. Wat een milieu voor een kunstenaar die opgeleid is door Seidelmann, gepropageerd door Laroche, erkend door Devrient, benijd door Döring en gevolgd door Dawison! Die verzopen Stickler, die aan lager wal geraakte Birk, die armzalige Können en dan nog die drie wijven. Hahaha! Ik zou om mezelf kunnen lachen, als ik niet moest huilen. Ze juichen me toe, maar wat betekent het gejuich van de Chorostkowers en de Zaleszczykers voor iemand die in alle wereldsteden toegejuicht is? Weet u waarom ik met mijn rechteroor niet zo goed kan horen? Omdat door het uitzinnige applaus van de Weners voor mijn Franz Moor mijn trommelvlies gescheurd is.’

‘Dan had u in uw linkeroor,’ vroeg Sender, ‘gelukkig toevallig net een watje?’

‘Inderdaad,’ antwoordde Hoheneichen. ‘Het stond in alle kranten… Maar nu het verschil in gage! Niet de hoofdzaak voor een kunstenaar, maar toch de moeite van het vermelden waard. Toen honderd gulden per dag en nu?’

Hij pauzeerde even. ‘Ik kan het u niet zeggen, beste Kurländer,’ vervolgde hij met bevende stem, ‘want u hebt hart voor me. Uw hart zal bloeden.’

Weer hield hij in en keek Sender vol verwachting aan. Maar omdat die geen spier vertrok, wenkte hij de kelner.

‘Ruben,’ fluisterde hij, ‘vertel deze beroemde kunstenaar maar hoe zijn collega eraan toe is.’

‘U bent er echt slecht aan toe,’ zei de kelner. ‘Twintig kreuzer per dag en vrije kost en inwoning. Bij iedereen hebt u schulden. Nu’ – hij keek op de klok, die half zeven wees – ‘hebt u waarschijnlijk erge honger, want om twaalf uur krijgt u uw warme maaltijd. Het avondeten is pas na de voorstelling.’

‘Zo is het wel genoeg,’ mompelde Hoheneichen, toen de kelner klaar was, ‘ik schaam me dood…’

‘Geeft u deze meneer een boterham en een flesje Moldauer,’ zei Sender. Want de kelner geloofde hij, en deze nakomeling van een Duitse keizer was zijn “collega” weliswaar niet, maar toch een man van het vak, waar ook hij nu voor altijd deel van uitmaakte.

‘Broeder,’ juichte Hoheneichen, ‘dat zal ik nooit vergeten! Want we tutoyeren – nietwaar?’

‘Later,’ zei Sender. ‘Waarom blijft u hier?’ vroeg hij toen. ‘U was toch al bij een beter gezelschap.’

‘De trots van het Weense Burgtheater. Maar zo zonder geld op zak kan ik toch niet weg, dan verhonger ik! En verder – dat zeg ik je in vertrouwen, broederhart – de liefde houdt me hier! Schönau is mijn verloofde. En dat ellendige leven heeft ook lichtpuntjes,’ vervolgde hij, terwijl hij begerig in de boterham beet. ‘Ik blijf ondanks mijn ellendige doodsvijand! O, die Können! Alles wil die rotzak me afpakken: mijn verloofde en mijn rollen. Bijna had hij gedaan gekregen dat hij Franz Moor mocht spelen. In de regel speel ik natuurlijk Karl en Franz – en hoe! Amadeus Können als Franz Moor: hahaha! Maar zo heet hij helemaal niet, hij heet Aaron Kohn en was schrijver in een advocatenkantoor in Tarnow.’

‘En ik in een lottokantoor in Barnow,’ antwoordde Sender. ‘Maar daarom kan hij wel een fatsoenlijk mens zijn.’

‘Jij,’ riep Hoheneichen, ‘jij had putjesschepper kunnen zijn, jij bent door het sjenie op je voorhoofd gekust! Maar die Können –‘

‘Sst!’ waarschuwde Ruben.

Er kwam een klein, mager mannetje in armoedige kleren binnenschuifelen, echt het type van een armzalige, neerslachtige jood. Met gebogen hoofd sloop hij op zijn korte beentjes triest naar de tafel in de hoek, met in zijn rechterhand een pot stijfsel en in zijn linkerhand een enorme rol rood papier.

Mistroostig haalde Ruben op zijn bedeesde verzoek het kleed van tafel. De man spreidde de rol op tafel uit en begon de papieren aan elkaar te plakken.

De affiches voor morgen zijn al klaar,’ zei de kelner. ‘Waarom smeert u mijn tafel weer vol met lijm?’

‘Dit zijn de affiches voor maandag, de eerste voorstelling in Borszczow,’ antwoordde de man deemoedig. ‘Meneer de directeur heeft me opdracht gegeven om ze kant en klaar mee te nemen, omdat we zondag onderweg zijn, en maandag moet ik het toneel helpen opbouwen.’

‘Wordt hier morgen ook nog gespeeld?’ vroeg Sender de man tegenover hem verbaasd.

‘Natuurlijk,’ antwoordde Hoheneichen. ‘Uitverkocht huis. Geen plaats meer vrij. Benefietvoorstelling voor mijn verloofde. Je koopt toch ook een kaartje?’

‘Maar op de affiches staat dat het vandaag gegarandeerd de laatste keer is.’

Hoheneichen schoot in de lach.

‘Dat moet je die bedrieger daar vragen,’ zei hij met gedempte stem. ‘Die kliedert al de leugens neer… Maar neem me niet kwalijk, beste kerel, die pad verpest de lucht. En ik moet mijn rol nog een keer doornemen.’

Hij stond op. ‘Tot ziens, beste kerel. Hier, na de voorstelling, denk ik?’

Hij ging weg. Ook de kelner verliet de gelagkamer. Sender was nu alleen met het mannetje, dat ijverig doorging met zijn werk, maar af en toe stiekem in zijn richting keek. Ook Sender moest dat, want het was toch een heel vreemd en lelijk gezicht. Onder het lage, wijkende voorhoofd met het dichte, kroezende, pikzwarte haar zaten twee kleine, melancholieke oogjes, en daartussen stak moedig een reuzenneus naar voren, die een voet lang leek te willen worden, maar als geschrokken van zijn eigen dolle plan in een plotselinge kromming omlaagboog naar de dunne lippen; daarentegen stak de kin weer krachtig naar voren. ‘Als Franz Moor een jood was,’ dacht Sender, ‘zou ik dit masker voor hem kiezen.’

Het mannetje keek steeds vaker zijn kant uit. ‘Nu gaat hij me aanspreken,’ dacht Sender met een onbehaaglijk gevoel. Hoheneichen was hem hevig onsympathiek en met de opsteller van deze affiche wilde hij ook niets te maken hebben. Maar toen de kleine man na een zichtbare tweestrijd inderdaad om hem af geschuifeld kwam, kon hij er moeilijk vandoor gaan. Hij trok alleen een zo afwerend mogelijk gezicht.

De ander merkte het en bleef halverwege staan.

‘Neemt u me niet kwalijk,’ zei hij deemoedig, terwijl hij nog langzamer voortschuifelde, ‘ik wilde u alleen maar wat vragen. Ik heet Können en ben hier bij het gezelschap. U bent toch de Barnower, waar Nadler zo’n hoge dunk van heeft? Ik heb in opdracht van hem de boeken gekocht die hij u vorig jaar januari gestuurd heeft.’

‘Ja, dat ben ik.’

‘En mag ik vragen: heeft Nadler u nu uitdrukkelijk gevraagd om te komen of doet u dat op eigen houtje?’

‘Dat gaat u eigenlijk niets aan,’ antwoordde Sender, ‘maar hij heeft me gevraagd om te komen.’

‘Dan is het goed,’ zei Können en knikte. ‘Heel goed. Neemt u me niet kwalijk.’

En hij ging terug naar zijn werk.

Sender keek hem verbluft na. ‘Waarom vroeg u dat?’ riep hij na een poosje.

De kleine kwam weer aanlopen. ‘Waarom? U hebt gelijk: het gaat mij niets aan. Maar als u iemand ziet die niet kan zwemmen en die in stromend water wil springen, vraagt u ook: “Heb je een touw, waar je je aan vast kunt houden?” En als hij nee zegt, waarschuwt u hem. U hebt goddank een touw, dus ik hoef niets meer te zeggen. Wat Adolf Nadler je adviseert, moet je doen.’

‘Heeft hij u geadviseerd om ervandoor te gaan?’ vroeg Sender.

‘Mij?’ riep de kleine man geschrokken. ‘De anderen zijn ervandoor gegaan en mij heeft hij zelf weggestuurd. In april – drie jaar had hij me toen al op sleeptouw genomen, gewoon uit medelijden en omdat ik bruikbaar was als secretaris – toen dus zegt hij: “Kohn,” zegt hij, want dat is mijn echte naam en zo noemde hij me altijd, “je hebt een mooie hand van schrijven, je bent een beste man, een fatsoenlijke man”’ – de kleine man strekte zijn gebogen nek – ‘ja, dat zei meneer Nadler tegen me, “maar voor toneelspelen heb je geen talent en geen postuur. Ga maar weer naar een advocaat of in de handel; je zult overal beter je brood verdienen dan in het theater.” Maar meneer Nadler zei dat ook nog om een andere reden…’

Het mannetje bloosde. ‘Nu zag ik dat ook wel in en ik ben als assistent gaan werken bij doctor Max Salmenfeld, en hij en zijn zoon, de jongeheer doctor Bernhard, waren heel tevreden over me. Ook ik had niets te klagen en toch was ik heel ongelukkig, want het theater – als je eenmaal –‘ Hij slaakte een diepe zucht. ‘En begin mei komt Stickler dus naar me toe. “Kom mee, Können, als eerste karakterspeler en theatersecretaris. Je gaat Franz Moor spelen,” zei hij, “en Wurm en Martinelli en Shylock en Mephisto” – en hij had nog een lokmiddel voor me’ – hij bloosde weer – ‘en dat gaf de doorslag en daarom ben ik meegegaan… Neemt u me niet kwalijk dat ik u daarmee lastigval, maar omdat u het over ervandoor gaan had – ik was graag tot het eind van mijn leven bij mijn meneer Nadler gebleven.’

En hij keerde zich weer om.

Sender kreeg een vreemd gevoel, niet zozeer door de woorden als door de treurige toon ervan. Dit was toch een heel andere man dan hij gedacht had.

‘Als er geen haast bij het werk is,’ zei hij, ‘komt u dan even bij me zitten.’

‘Er is jammer genoeg wel haast bij,’ was het antwoord. ‘Vóór de voorstelling moet ik de vellen geplakt hebben, dan kunnen ze drogen en dan kan ik ze vannacht en morgenvroeg beschrijven. Maar als u bij mij wilt komen zitten, vind ik dat een grote eer.’

Dat deed Sender, al stemde de verwijzing naar de affiche hem weer koeler.

‘Hoe lang bent u al bij het toneel?’ vroeg hij.

‘Zes jaar,’ was het antwoord. ‘Ik ben er te laat bij gekomen, op mijn vijfentwintigste.’

Sender maakte onwillekeurig een verbaasde beweging.

‘Omdat ik er zoveel ouder uitzie?’ vroeg het mannetje met een treurige lach. ‘U schatte me vast een eind in de veertig. Maar, meneer, wat een leven is dit!’

‘Hoe bent u er eigenlijk toe gekomen?’

‘Alleen maar omdat ik het zelf wou,’ was het antwoord, ‘al van jongs af aan ging mijn hart ernaar uit. Al zou je dat niet zeggen, ik kom uit een goede, rijke familie en mijn vader Schlome Kohn was de grootste wijnhandelaar in Tarnow en ook de vroomste chassied. Mijn oudere broer zou de zaak erven en ik zou rabbijn worden. Vanaf mijn vijfde hebben ze me volgestopt met Talmoed en Tora, waar er maar plaats was. Maar ik weet het niet’ – hij wees naar zijn voorhoofd – ‘er was helemaal niet veel plaats, of tenminste niet voor zulke dingen, en het ging niet goed. Maar één ding deed ik graag en dat ging dan ook gemakkelijk: gedichten leren, Hebreeuwse natuurlijk. Op mijn achtste kende ik de halve Jehoeda ha-Levi uit mijn hoofd. Het meeste plezier had ik in de spelen bij Poeriem (vastenavond) en Chanoeka (Makkabeeënfeest); maanden van tevoren droomde ik van niets anders meer, maar ik deed niet mee: ik was te verlegen. En toen ik het wou proberen vonden de andere jongens dat niet goed, omdat ik te lelijk was en te klein, en toen ik eindelijk mijn zin kreeg, bleef ik steken. Maar op mijn dertiende, meneer, was het met me gedaan. Toen was ik op bezoek bij familie in Krakau en die namen me een paar keer mee naar het theater, en toen had ik het niet meer. Overdag dacht ik aan niets anders meer en ’s nachts droomde ik van niets anders meer, ook toen ik weer in Tarnow was. En toen ik op een dag weer vroeg naar mijn jesjiewe (leerschool voor Talmoedonderwijs) ging, wist ik: “Jij moet naar het theater in Krakau.” En als jongetje van dertien met twee kreuzer op zak ben ik weggelopen en bedelend in Krakau terechtgekomen en ’s avonds het theater binnengeslopen, toen er juist gelucht werd, en ik heb me verstopt op het balkon. De voorstelling heb ik gezien, maar toen werd ik eruitgegooid en ’s nachts ben ik van de honger bewusteloos geraakt op straat. De politie vond me en bracht me terug naar Tarnow. En daar heb ik een vreselijk pak slaag gekregen, maar u kunt zich wel voorstellen dat dat niet hielp.’

Sender knikte.

‘Ik heb eraan vastgehouden,’ vervolgde het mannetje, ‘jaren en jaren. Maar nu wilde ik het verstandig aanpakken. Je moet Duits kennen – dat heb ik, doordat mijn broer als toekomstig zakenman een leraar Duits had, stiekem meegeleerd. En geld moet je hebben, en daarom heb ik’ – hij ademde zwaar – ‘van mijn vader honderd gulden gestolen en ben naar Lemberg gegaan. Zeventien was ik. In Lemberg ga ik naar de directeur en ik vraag of hij mij als toneelspeler aan wil nemen. Hij lacht zich halfdood en gooit me eruit. Ik ga naar de toneelspelers. Sommigen maken me belachelijk en de anderen proberen het me uit mijn hoofd te praten. En terwijl ik zo wanhopig rondloop, kom ik een gladgeschoren man tegen. “Bent u ook toneelspeler?” vraag ik. – “Directeur Thalheim,” antwoordt hij. Hij heeft net een kermistroep bijeengebracht, hij neemt me voor mijn negentig gulden mee naar Stryj en laat me daar een bediende spelen, die moet zeggen: Mevrouw de gravin verwacht u. Zodra ik opkom, lachen de mensen zich kapot en ik heb niets gezegd. Toen jaagt die schoft me meteen weg en geeft me “uit medelijden” een gulden terug. Die nacht’ – zijn stem beefde – ‘ben ik in de Stryj gesprongen, maar houtvlotters hebben me gered. Ik kwam in het ziekenhuis en toen heeft mijn vader me op laten halen.’

‘Verschrikkelijk!’ mompelde Sender.

De kleine man knikte.

‘Maar het verschrikkelijkste is dat mijn waanzin me toch niet losgelaten heeft. Onze huisarts was een verstandige man. “Die jongen is een fantast,” zei hij, “toneelspeler kan hij niet worden, maar misschien wel schrijver.” Op zijn advies deed mijn vader, hoe moeilijk hij dat wegens zijn vroomheid ook vond, me op het gymasium. Ik leerde makkelijk, maar niet graag – waarvoor heeft een toneelspeler Latijn en Grieks nodig? Toen haalde mijn vader me na drie jaar van school en gaf me aan een advocaat, om juridische teksten te leren schrijven, en tegelijk werd ik uitgehuwelijkt. Het was een verschrikkelijk huwelijk, ik haatte mijn vrouw vanaf de eerste dag, omdat ze mijn plannen in de weg stond, en zij haatte mij langzamerhand nog meer; ongelukkig genoeg kwam er ook nog een kind, net zo’n armzalig onderkruipsel als ik. Vier jaar later gaat mijn vader dood en kort daarop mijn zoontje. Ik laat me van mijn vrouw scheiden en geef haar de helft van mijn erfenis. Met de andere helft ga ik naar Wenen om toneellessen te nemen. Iedereen raadt het me af, maar ik blijf erbij, alleen wil ik het nu in de praktijk leren. Ik organiseer een kermistroep bijeen en trek daarmee door Moravië en Silezië naar Galicië, en raak in twee jaar mijn achtduizend gulden kwijt. Waarom? Omdat ik overal de hoofdrol wil spelen, en daardoor lopen de mensen weg. Toen ik tot de bedelstaf gekomen was, ontfermde Nadler zich over me en – de rest weet u.’

Hij slaakte een diepe zucht en streek met gebogen hoofd met de lijmkwast over het papier.

‘Maar als u dat allemaal zo duidelijk ziet –‘ begon Sender.

‘Waarom ik niet wegga? Omdat ik stapelgek ben!’ riep de kleine man wanhopig. ‘Omdat de duivel in me zit. Nu wil ik nog maar één ding: ik moet en zal weer Franz Moor…’

De klok sloeg acht.

‘Om godswil,’ riep hij ontzet en spreidde de vellen haastig uit om ze te laten drogen. ‘En ik kom al in de eerste akte op… En ik heb vandaag een grime bedacht, een mooie grime – maar die kost tijd…’

 

Habsburgers: de adellijke familie die over Oostenrijk-Hongarije heerste.
Franz Moor: hoofdpersoon uit De rovers van Schiller.
Wurm: personage uit Kabaal en liefde van Schiller.
Mephisto: de duivel in Goethes Faust.
Jehoeda ha-Levi: joods dichter (1075-1141) in Spanje.
Chanoeka: joods feest, in de maand december.

 

Hoofdstuk 31

Ook Sender haastte zich om zijn plaats in de stalles in te nemen. Hij vond het vreemd dat hij op de trap maar een paar jongens zag, die daar rondhingen, en ook in de gang was geen volwassene te zien, de caissière niet meegerekend. Dat was een dikke, oude, bont geschminkte vrouw in een vreemd kostuum: een grijs jasje, een rode onderrok en een gele hoofddoek.

‘Waarschijnlijk zijn de anderen al binnen,’ dacht Sender en stapte de zaal in. Maar daar trof hij alleen Ruben, die juist bezig was de vetkaarsen aan de muren aan te steken.

‘U bent te vroeg,’ zei hij, ‘voor negenen begint het echt niet. De joden zijn niet eerder klaar met eten en veel van de dames en heren zijn beneden bij de Dnjestr. Het water stijgt snel, zeggen ze.’

‘Maar de brug is toch niet in gevaar?’

‘Nee hoor,’ verzekerde Ruben. Desondanks vroeg Sender zich af of hij zijn besluit niet moest herzien. Maar hij had vandaag veel last van zijn longen, en het ademhalen in de zwoele, drukkende lucht was hem eerder heel zwaar gevallen; daarom bleef hij en doodde de tijd door het theater te bekijken.

Maar daar was niet veel aan te zien. Het was een zaal zoals ieder logement in een kleine Galicische stad heeft, middelgroot, met een laag plafond en in felle kleuren beschilderde muren, hier met palmen en citroenbomen, waaronder naakte, vreemdgevormde wezens, misschien mensen, misschien apen, wandelden en vruchten plukten zo groot als pompoenen. Maar door al het vuil was er weinig te zien van al dat moois. Halverwege de hoogte van de muur was er een houten balkon aangebracht, waar wankele trappen naartoe leidden. De ruimte deed dienst bij alle soorten amusement in de stad en bij de Hoge Feestdagen, als de synagoge te klein was, ook als gebedsruimte. Dan was het balkon bestemd voor de vrouwen, terwijl het nu dienstdeed als goedkoopste rang. Zoals overal in de wijde wereld werd de zaal ook in Zaleszczki het eerste gevuld met boeren, kleine burgers met hun vrouwen, en soldaten.

‘Bijna allemaal vrijkaarten,’ fluisterde de kelner tegen Sender. ‘We hebben vandaag veel figuranten nodig.’

Dat was ook duidelijk te horen. Achter het waarschijnlijk ooit hemelsblauwe, maar nu vuilgrijze doek, waarop een schaars geklede bengel met een lier in de arm ronddanste, omgeven door een paar oude wijven in heel korte rokjes, klonken vele stemmen halfluid door elkaar. ‘Zeg, joodse schurken,’ bulderde plotseling iemand in het Roetheens, ‘waar blijft de borrel? Die willen we eerst!’

‘Ja, eerst!’ vielen er een paar in.

‘Können!’ riep een vettige stem, ‘Zet die kerel met zijn hoofd onder de pomp op de binnenplaats, hij is nu al bezopen!’

‘Dat kan ik niet, meneer de directeur, want ik ben nog niet klaar met mijn grime.’

‘Sodemieter op met je grime! Uitgefloten word je toch!’

Daarop hoorde Sender de stem van de kleine man in het Roetheens smeken en bezweren.

Geleidelijk begonnen ook de rijen beneden vol te lopen, met onderofficieren, christelijke burgers in lange kapotjassen en hun vrouwen met grofgebloemde omslagdoeken, joden met hun vrouwen in zijden kleren en om hun hoofd met parels bezette voorhoofdsbanden. Dat was het publiek van de tweede rang. Rondom Sender was het nog leeg. Hij begon heen en weer te lopen, terwijl zijn hart vol verwachting klopte: het was een armzalig derderangsgezelschap, maar toch pas de tweede toneelvoorstelling in zijn leven. Het doek bewoog; voor het kijkgat, dat precies in de navel van Apollo geknipt was, verscheen af en toe een oog. ‘Sst, sst,’ hoorde Sender, net toen hij voorbijkwam, en hij keek om.

‘Dag, collega,’ klonk een heldere meisjesstem. ‘Ik wou alleen maar zeggen dat u een knappe jongen bent. Ik heet Schönau.’

Blozend keek hij naar de grond en liep door. ‘Brutale lui,’ mompelde hij.

Het liep tegen negen uur, toen eindelijk de rijen van de eerste rang bezet raakten met officieren, ambtenaren en Poolse heren met dames gekleed naar de Parijse mode van vijf jaar geleden. Omdat de stoelen van de muzikanten achter de lessenaars voor het doek nog leeg waren, bleef Sender naast het doek staan om het publiek te bekijken, tot hij merkte dat hijzelf niet minder ijverig bekeken werd. Hij bloosde en weet het aan de nieuwe kleding die hem misschien vreemd stond, en bedacht toen opeens dat iemand onder de joden hem misschien kende. Met vuurrode wangen ging hij op zijn plaats op de eerste rij zitten.

Om hem heen ging het alleen maar over het kruien van het ijs.

‘Morgen begint het,’ klonk het van alle kanten. ‘Deze keer wordt het heel erg,’ antwoordde de heer rechts naast Sender, toen die ernaar vroeg.

Sender slaakte een diepe zucht, maar toen klonk er een klokje en het doek ging op, zij het moeizaam. ‘Het aarzelt, uit medelijden,’ zei de heer halfluid tegen zijn vrouw.

Het kerkplein van het Stiermarkse dorp liet een machtig, door bomen omgeven gotisch kasteel zien. ‘Het park van Fotheringhay,’ fluisterde Senders buurman. Hanna en de pastoor kwamen op. Juffrouw Linden was een lelijke, magere, ouwelijke blondine, die vreselijk krijste, maar over Birk zei Sender na de eerste zinnen vol respect tegen zichzelf: ‘Die kan wat. Of kon in ieder geval wat,’ voegde hij eraan toe, toen hij zag hoe de knieën, handen en kinnebak van de lange man beefden en hoe hij angstig naar de souffleur keek. Maar daar kwamen Stickler en Können als Lorenz en de schoolmeester, en de toeschouwers begonnen te lachen.

Dat was om de grime van Können: in zijn poging om de neus af te zwakken had hij dikke wangen van karton en een reuzensnor met opstaande punten opgeplakt, wat er verschrikkelijk uitzag. De kleine man kromp ineen, toen hij zo onthaald werd. ‘Zo – zo is het!’ stotterde hij de eerste woorden van zijn rol. Daarop lachten ze weer. ‘Weg die wangen!’ riep een officier. ‘Kom op met die neus!’ Het joelen werd brullen. Pas bij Hanna’s declamatie over de joodse familie die haar in het bos gelaafd had, kalmeerde het publiek, maar toen Können zei: ‘Die jodin? Is dat meisje gek geworden?’ riep er iemand: ‘Foei, Kohn, gun het je mensen!’ en het spektakel begon opnieuw.

Het toneel raakte vol, want de winkelier, de kleermaker en de bakker kwamen op. En blijkbaar soldaten in de vreemdste kostuums. Nu werd Sender duidelijk waar de lange lijst van personen voor nodig was, al begreep hij niet waarom de figuranten aan de linkerkant joodse en aan de rechterkant christelijke namen hadden. Alles wat de schrijver hun had toebedeeld werd gesproken door de caissière als “oude Liese”.

Er was opnieuw gelach, maar ook applaus, want twee duidelijk aangeschoten Roetheense boeren, die rustig op mochten komen in hun gewone kleren, sleepten Deborah het toneel op.

Sender kromp ineen. ‘Om godswil, dat is Malke!’

Dat waren haar blauwe ogen, haar golvende bruine haar. Maar haar figuur, dat door het hemd en de onderrok nauwelijks verhuld werd, was veel weelderiger, en toen juffrouw Schönau begon te spreken, haalde hij verlicht adem. Dat was Malkes stem niet, net zo min als haar manier van praten. ‘Wat ziet dat meisje er vandaag weer mooi uit,’ mompelde de officier achter Sender; die viel hem in gedachten bij en kon zijn ogen niet van haar afhouden. De schrik was geweken, maar zijn hart bonsde hevig en zijn wangen gloeiden; het ergerde hem dat dit schaamteloos ontblote schepsel, dat zo overduidelijke blikken in de parterre wierp, op Malke leek, maar mooi was het meisje echt, en juist die gelijkenis had een griezelige bekoring. Toen haar blik de zijne trof en daarna steeds vaker op hem gericht werd, sloeg hij zijn ogen neer en frunnikte aan zijn toch al onwennige das; zijn adem ging moeizaam. Pas toen het doek viel voor het changement, verdween het kwellende gevoel.

‘Jammer voor haar,’ zei de heer naast Sender tegen zijn vrouw. ‘Ze schijnt een heel verdorven persoontje te zijn, maar ze is wel een talent!’ Daar had Sender nog niet op gelet. Toen het doek opging voor de scène met Deborah en Joseph deed hij zijn best om ook haar spel te volgen. Dat lukte eigenlijk alleen als ze naar haar tegenspeler, Hoheneichen, keek en niet naar de parterre, maar door zijn instinct zag hij direct de enorme afstand tussen de twee. Zij sprak bijna natuurlijk en haar klaaglijke uitroep raakte hem – ‘Die had zelfs mijn pater geaccepteerd,’ dacht hij, ‘die altijd zo voor eenvoud was.’ Nu schoot het hem ook te binnen: dat was de Portia van zijn eerste theateravond. Hoheneichen daarentegen jammerde verschrikkelijk – die was de afgelopen twee jaar blijkbaar veel slechter geworden.

‘God zegene je, geliefde! Goedenacht!’ Deborah stak verlangend haar handen uit, het doek viel en de mensen riepen: ‘Bravo, Schönau!’ En ze kwam drie keer voor het doek om te buigen, met haar volle armen voor haar weelderige boezem gekruist en op haar lippen de glimlach van een hetaere. ‘Jammer van haar,’ dacht Sender nu ook.

‘Tot nu toe is het jodenvolk er goed van afgekomen,’ zei Senders linkerbuurman halfluid tegen de man naast hem.

‘Natuurlijk hebben ze op de affiche weer gelogen,’ antwoordde die minachtend.

Sender trok een grimmig gezicht. ‘Dat zal ik tegen die kleine zeggen,’ dacht hij. Verder werd er nergens over het stuk gepraat, maar alleen over Schönau en daarnaast werd Können belachelijk gemaakt. Het publiek moest zichzelf zien te vermaken, want de stoelen voor de musici bleven leeg. Sender informeerde bij zijn rechterbuurman naar de reden.

De heer keek hem glimlachend aan.

‘Ik denk,’ zei hij, ‘dat u dat net zo goed kunt bedenken als ik. Het is sabbatavond en dan mogen de muzikanten niet spelen.’

Sender bloosde. Hij had niet gezien dat de keurige heer een geloofsgenoot van hem was.

‘Jazeker, ik ben ook een jood,’ antwoordde hij ijverig, waarop de “doctor”, zoals anderen hem noemden, nogmaals glimlachte: de uitdrukkelijke verzekering leek hem waarschijnlijk overbodig.

De eerste scène van de tweede akte leverde Sender nog een verklaring voor de lengte van de affiche. De dorpsbarbier, die de door een beroerte getroffen en daarom aanvankelijk onzichtbare Lorenz behandelde, al heette hij voor de christenen “Mohrenheim” en voor de joden “Kohn”, was dezelfde Stickler die in de eerste akte Lorenz gespeeld had. Gelach oogstte ook deze keer de ongelukkige Können door zijn uiterlijk en nog meer door zijn ophitsende toespraak tegen de joden. Na een tijdje kwam Stickler weer terug als Lorenz, de caissière na het changement als joodse vrouw en Birk als Abraham; hij had alleen een witte baard voorgebonden en de toga was dezelfde die hij als pastoor gedragen had.

De mensen zaten te kletsen en pas toen Deborah weer verscheen en haar monoloog over de liefde sprak werd het stil. Sterk als de dood is de liefde – Sender bloosde hevig en weer keek ze hem recht in zijn gezicht.

Ook deze keer was er veel applaus, maar nummer één was toch de domme Hritzko, die nu aan Könnens zijde als gerechtsdienaar verscheen. Hij droeg zijn gewone uniform en zelfs de gescheurde strohoed met het koperen schildje Gemeentepolitie ontbrak niet. Iedereen klapte als een bezetene en toen Hritzko zijn mond opendeed – hij antwoordde op Könnens claus Gaan de joden niet vrijwillig, dan jagen we ze weg! in het Roetheens: Ja, de joden moeten weg! – kwam er geen eind aan het gejuich. Maar de volgende scène, waarin Birk/Abraham Können als jood ontmaskerde, bracht bijna dezelfde hilariteit teweeg: ‘Kohn!’ juichten ze van alle kanten, ‘daar heb je het nu!’ Sender had medelijden met de gehoonde, maar hij moest toegeven dat die bijna net zo verschrikkelijk speelde als hij eruitzag. Daarentegen beviel Birk hem erg in deze scène, de aangrijpendste in het verder zo nietszeggende tendensstuk. ‘Ook jammer van hem,’ dacht hij.

Daarop weer een changement – dat wil zeggen: het doek viel en het Engelse koningsslot hing er nog altijd – en de uitwijzing van Deborah door Lorenz en haar scène met Joseph. Weer applaudisseerde het publiek en ze verscheen deze keer hand in hand met Hoheneichen; haar vurige blik trof Sender, die zijn ogen neersloeg.

Zo bleef hij ook zitten toen het doek gevallen was. ‘Schaamteloos is ze,’ dacht hij, ‘de mensen merken het vast. Wat wil ze van me?’ Maar inwendig was hij toch gevleid.

Toen hoorde hij achter zich een officier tegen zijn kameraad fluisteren: ‘Zeg Röder, heb jij iets met Schönau? Ze kijkt je telkens zo aan.’

De ander lachte verlegen. ‘Wat moet je in deze negorij beginnen?’

Sender werd afwisselend bleek en rood. Hij schaamde zich dood. En hij had gedacht dat het voor hem bestemd was!

Het eerste deel van de derde akte, de bruiloft van Joseph en Hanna, duurde maar kort, doordat de meeste rollen door figuranten gespeeld werden; het slot met de vluchtscène was daarentegen heel uitgebreid. Al was Sender verontrust door Schönau, hij moest toegeven dat ze haar werk goed deed en toen na de curieuze slotwoorden die de schrijver zijn heldin in de mond legde: Leef – ellendig! Denk aan mij! Tot weerziens! het applaus losbarstte, klapte hij mee.

Maar in dat applaus klonk nu ook gesis en protest, dat echter niet voor de actrice bestemd was. ‘Dat is voor de joden!’ riepen sommigen, ‘Weg met de joden!’ waarop de joden nog harder klapten. De officieren luisterden geamuseerd, zonder zich met de ruzie te bemoeien, en toen er een van hen riep: ‘Leve Mosenthal, de joodse Schiller!’ stemde iedereen daar lachend mee in.

Alleen Senders linkerbuurman leek niet te kalmeren. ‘Weg met de joden!’ riep hij steeds weer. Sender keek hem verontwaardigd aan, maar toen legde zijn rechterbuurman diens hand op zijn arm.

‘Rustig maar,’ zei hij glimlachend. ‘Dat is tegen mij. Die man is mijn collega… Dr. Tittinger, advocaat,’ stelde hij zich voor.

‘Kurländer, van het stadstheater in Czernowitz,’ antwoordde Sender en voegde er oudergewoonte aan toe: ‘Ik kom uit Barnow.’

De advocaat keek een beetje verbaasd. ‘O ja, uit Barnow?’ zei hij daarna hoffelijk. ‘Daar gaat nu eindelijk ook een advocaat naartoe, dr. Bernhard Salmenfeld uit Czernowitz. De benoeming is vandaag officieel bekendgemaakt… Kent u hem?’ vroeg hij, toen hij zag een zenuwtrekking op Senders gezicht zag.

‘Nee,’ antwoordde Sender haastig. Het nieuws kwam als een grote verrassing, want hij had de opmerking in Bernhards brief dat die ook met een benoeming in Barnow tevreden zou zijn, als een grap beschouwd. ‘Malke zal haar leven dus toch in Barnow doorbrengen,’ dacht hij. ‘Ik wens haar het beste – maar ook daarom is het goed dat ik weg ben.’ Hij had haar beeltenis weer duidelijk voor ogen en voelde weemoed in zich opkomen. ‘Schönau lijkt wel wat op haar,’ dacht hij, ‘maar – zoals een meisje van lichte zeden op een koningin.’

De eerste scène van de vierde akte – Ruben leidde een menigte joden naar Amerika – bracht een ander decor, een Griekse tempel, en omdat “dhr. Silberstein” van de affiche een pseudoniem voor Können was, stormachtig applaus. De wangen waren nu weg, daarentegen had hij geprobeerd zijn halve gezicht met een zwarte baard te bedekken, maar de neus sprong er nu weer glansrijk uit en werd stormachtig begroet. Deze scène werd overigens ook weer gevolgd door een ruzie over het stuk, alleen speelde die zich deze keer onder de joden af. Vooral op het balkon zag je ze heftig tegen elkaar gesticuleren.

Sender begreep niet wat ze wilden.

‘Ook die ruzie heeft de maker van de affiche op zijn geweten,’ legde de advocaat hem uit. ‘Aan de joodse kant laat hij Ruben de joden naar Palestina brengen en daarom zijn er vandaag veel chassidiem gekomen. Maar in het stuk laat hij de schrijver zeggen: Jeruzalem is ons vaderland niet en dwepen met Amerika, en nu schelden ze op Mosenthal en die arme kerel, die Können, terwijl de verlichten beide kanten verdedigen. Maar hun entreegeld krijgen ze toch niet terug,’ besloot hij lachend. ‘U ziet: de schrijver van de affiche verstaat zijn vak.’

‘Dat kan zijn,’ antwoordde Sender, ‘maar bij ons in het Stadstheater van Czernowitz komt dat goddank niet voor.’

De slotscène bevredigde weer alle partijen, christenen en joden. De twee kinderen van juffrouw Linden wekten bij iedereen ontroering, de christenen waren tevreden, omdat de titel De vloek van de joden is de zegen voor de christenen in zoverre bewaarheid werd, dat Joseph en Hanna gelukkig met elkaar waren en bleven, terwijl de joden tevreden waren dat “de vijanden uiteindelijk de Israëlieten moesten zegenen” – zelfs met rozenkransen in hun handen! Het applaus was stormachtig, alle medespelers, zelfs Können, verschenen en bogen en de tweede keer kwam juffrouw Schönau alleen voor het voetlicht om het publiek toe te spreken.

‘Hooggeëerde weldoeners,’ begon ze. ‘Namens de directie dank ik u voor de overweldigende hulde en goedgunstigheid die u ons tot nu toe betoond hebt, en ik ben zo vrij u beleefd doch dringend uit te nodigen voor mijn benefietvoorstelling van morgen. Niemand zal onvoldaan naar huis gaan, want we brengen het volgende: op veler verzoek Kleermaker Fips, dan de première van Maria Stuart van de bekende schrijver Friedrich Schiller en daarna de plaatselijke première van de komedie Het landhuis aan de heerweg van de onsterfelijke Kotzebue, die ook Kleermaker Fips geschreven heeft. Verder zal ik het gedicht De handschoen van Schiller voordragen, de monoloog Liesje in haar hemd van een onbekende, maar nog beroemdere dichter spelen en tot slot, mijne heren, zing ik een paar vlotte Weense liedjes, deels in kostuum en deels zonder, u begrijpt wel!’

Ze knipoogde cynisch en besloot: ‘En ik mag dus wel rekenen op een goede ontvangst, omdat ik geen moeite gespaard heb en zal sparen om mijn dierbare weldoeners, de weledele dames en heren tevreden te stellen.’

Gelach en applaus, en iedereen drong naar de uitgang.

 

Hoofdstuk 32

Sender ging de gelagkamer binnen. Aan bijna alle tafels zaten al gasten en er kwamen er steeds meer bij. Verlegen keek hij rond of er nog ergens plaats was; alleen de tafel waarop Können de vellen had uitgespreid was nog vrij. Sender ging ernaartoe. ‘Heel goed,’ riep Ruben, die juist met een blad vol maaltijden langsliep, ‘dat is de artiestentafel!’

Daarop aarzelde Sender weer en keek om zich heen. Maar hier zat blijkbaar iedere stand apart: aan de ene tafel de christelijke notabelen, aan de andere Tittinger en zijn vrienden in Duitse kleding, aan een derde de ambtenaren, aan een vierde de joden, aan een vijfde de christelijke kleine burgers en zelfs de officieren zaten gescheiden volgens hun legeronderdeel: aan de ene tafel de infanterie en de genie en aan de andere de ulanen.

‘In godsnaam dan maar,’ dacht Sender en ging aan de artiestentafel zitten. ‘Naast de collega’s dus. Maar ik betaal voor niemand meer.’

Ruben kwam aangesneld, haalde de vellen weg en dekte de tafel. ‘De toneelspelers komen zo,’ zei hij. ‘Met hun souper zult u niet tevreden zijn, zelfs als u uitgenodigd wordt. U krijgt van mij iets beters.’ En zonder een bestelling van Sender af te wachten, was hij weer weg.

Al gauw kwamen ook Stickler en Birk. ‘Wat leuk!’ riep Stickler met een grijns over heel zijn brede, platte, opgezwollen drankhoofd. ‘Ik heb het al gehoord! Blijf lekker zitten, beste Kurländer,’ zei hij afwerend, toen die aanstalten maakte om op te staan, en pakte zijn rechterhand met beide handen. ‘Duizendmaal welkom! Dit is Ferdinand Birk, de beroemde held en vader, vroeger aan het Weense Burgtheater en nu mijn trots, de steunpilaar van mijn gezelschap.’

Als dat zo was, dan was het fundament van dit gezelschap nog wankeler dan Sender gedacht had. Moeizaam en struikelend liet de man zich op een stoel vallen en veegde met bevende handen over zijn voorhoofd. Sender dacht eerst dat hij dronken was, maar daar pasten de uitgebluste ogen en de doodvermoeide gezichtsuitdrukking niet bij. Het moest ooit een knap, trots en onverschrokken gezicht geweest zijn, dat was duidelijk te zien, ondanks alle verwoestingen en de griezelige aanblik van voortdurend mummelende kin. De man was waarschijnlijk doodziek. Van Sender nam hij geen notitie.

‘Een borreltje, Birk?’ vroeg de directeur.

‘Nee,’ antwoordde Birk mat. ‘Je weet dat ik er niet tegen kan. Maar ik heb honger!’ Ruben zette juist gebraden vlees en een flesje wijn voor Sender neer. Birk kon zijn ogen niet van het eten afhouden.

‘Wilt u ook een stukje?’ vroeg Sender en reikte hem de helft aan. ‘En ook wat wijn?’

‘Dank u,’ mompelde Birk en viel op het vlees aan. ‘Nee, geen wijn.’

‘Maar dat is eigenlijk niet de bedoeling!’ riep Stickler. ‘U bent natuurlijk mijn gast, beste collega. Nou, straks drinkt u er een van mij… Ruben, mijn cocktail, zoals gewoonlijk. En gebraden kalfsvlees.’

Juffrouw Linden kwam binnen met haar twee kinderen, en daarna de caissière en Hoheneichen. Ten slotte kwam ook Können binnensluipen, niet door de voordeur, maar uit de keuken; hij durfde blijkbaar de volle zaal niet door. Zwijgend zat het armzalige gezelschap rond de tafel; zelfs Hoheneichen riep Sender een kort ‘Dag, beste kerel!’ toe en keek vervolgens met een schuin oog naar het gebraden vlees van de directeur. Sticklers mond stond geen ogenblik stil, hoewel hij tegelijkertijd uit alle macht zat te kauwen.

‘Dit is Hermine Linden, beste Kurländer. De tijd van de lindenbloesem is voorbij, hèhè! Maar hebt u ooit zo’n sentimentele vrouw bewonderd? Herinneringen aan die mooie dagen bleven achter, zoals u ziet, in tweevoud zelfs, hèhè! Pepi Meyer, bijgenaamd de parel van Temesvar, krijgt de zaal bij haar benefietvoorstelling nog steeds vol, als ze de kaartjes weggeeft; als caissière is ze groot en als oud wijfje onovertroffen… Mijn Hoheneichen hoef ik u niet voor te stellen, die heeft al geld bij u te leen gevraagd. Over Können hoef ik u ook niets te vertellen. Zinnig pseudoniem, komt van niet-kunnen, hèhè! Maar jongens,’ onderbrak hij zichzelf, toen er niemand lachte en alleen degene die hij op dat moment een steek onder water gaf lachte als een boer met kiespijn, ‘wat zitten jullie daar nou te zitten na zo’n triomf? Ha! Ik begrijp het: het voer… Ruben, raaf van me, waar blijft het voer? Ik zorg voor een heerlijk feestmaal. Ook zo’n cocktail, Kurländer?’

Sender bedankte haastig, want de cocktail bestond uit één deel honingwijn en drie delen brandewijn, en het heerlijke feestmaal uit een enorme schaal aardappels, en schoteltje reuzel en een kruik water. Uitgehongerd viel het gezelschap erop aan, alleen Birk was er met zijn bevende handen niet zo snel bij. Stickler schepte zijn bord vol en gaf hem ook alle reuzel die nog over was.

‘Alsjeblieft, Ferdinand van me,’ zei hij welwillend. ‘Dat smaakt toch beter dan de truffelpasteitjes van vroeger? Schönau heeft zeker weer voor zichzelf gezorgd?’ vroeg hij de kelner.

‘Die soupeert in de achterkamer,’ antwoordde Ruben. ‘Meneer von Czapka en drie Poolse heren hebben haar uitgenodigd. Ze drinken champagne…’

‘Braaf kind,’ mompelde Stickler geroerd. ‘Zorgt altijd goed voor zichzelf. En wat zegt u van dat talent?’ vroeg hij Sender. ‘Geweldig! Maar nu we het toch over talenten hebben, wat voor vak speelt u?’

Sender somde de rollen op die hij met de pater doorgenomen had. Toen hij Shylock noemde, sprong Stickler razend enthousiast op.

‘Dat was wat geweest!’ riep hij. ‘Doodzonde dat u niet eerder gekomen bent! Dan had ik u tot een gastoptreden verleid – al had dat drie gulden gekost! Want, ziet u, dat is echt een stuk voor Galicië. Dat interesseert joden en christenen en beiden kunnen naar hartenlust blij en boos worden. Shylock zorgt overal voor een uitverkocht huis; heeft een plaats meer dan drieduizend inwoners, dan kun je hem rustig twee keer brengen. En dat stuk mis ik! Ik heb geen Shylock. Hoheneichen kan hem in geval van nood spelen, maar dan heb ik geen Antonio. Speciaal daarvoor heb ik het pas nog eens doorgelezen, maar Antonio kun je echt niet weglaten. Doodzonde!’

‘Ik heb hem ook nog nooit gespeeld,’ zei Sender. ‘Wie weet of ik –‘

‘Maar natuurlijk! Absoluut! Nadler is een – nee, ik zeg niets. U dweept met hem, hoor ik – maar wie hij pousseert en als beginner ongezien engageert, die heeft talent. Een fijne neus heeft die – meneer, dat moet je hem nageven. En dan, alstublieft, in Zaleszczyki! Dat wil zeggen,’ voegde hij er snel aan toe, ‘u kunt hem vast en zeker ook in Tarnopol spelen, in Wenen en in Pardubitz – overal! Maar nu is het te laat. Vier weken zijn we hier al, we hebben zestien voorstellingen gegeven, de laatste keer Lumpazivagabundus en een stuk uit De rovers – en twee gulden aan inkomsten! Vandaag ging het wel, maar dit is ook de beste theaterdag, de vrijdag, en dan Deborah en die affiche! En na de benefietvoorstelling van Schönau hebben we geen publiekstrekker meer, helemaal niets.’ Hij slaakte een zucht. ‘Hier gaat het dus niet. Maar komt u toch mee naar Borszczow! Daar heb ik voor maandag Kleermaker Fips en Kabaal en liefde geprogrammeerd, maar Shylock zou veel meer publiek trekken! Dus denkt u er even over na – doe het!’

Hij stak zijn hand naar Sender uit. Maar die schudde zijn hoofd. ‘Maandag moet ik in Czernowitz zijn,’ zei hij vastbesloten.

‘Dan bent u er woensdag… Help me toch, jongens! Birk, hij moet mee, ja toch?’

Maar Birk verroerde zich niet. Hij staarde, nu hij zijn eten op had, apathisch voor zich uit.

‘Birk, hoor je me niet? Waar zit je eigenlijk aan te denken… Aan je gravinnen en kameniersters van vervlogen tijden… Sarolta, hè?’

Over de uitgebluste gezichtstrekken gleed een glimlach, een lelijke, gemene glimlach, en de bevende handen graaiden in de lucht. ‘Sarolta…’ giechelde hij. Sender keek hem ontzet aan; de man die tot dan toe zijn medelijden had gewekt, zag er op dit ogenblik weerzinwekkend uit. Daarna keek Birks gezicht weer even dof als eerst.

Stickler haalde zijn schouders op. ‘Wat vinden jullie, jongens?’ vroeg hij de anderen.

‘Natuurlijk moet hij mee!’ riepen de caissière en Linden in koor.

Ook Hoheneichen, die er tot nu toe lusteloos bij gezeten had, stemde ermee in. ‘Ja, beste kerel, je moet mee! Laat hem niet los, meneer de directeur, ik zeg u: hij is door het sjenie op zijn voorhoofd gekust! Jij zult een Shylock neerzetten, dat heel Borszczow in rep en roer is. Ik zou je wel om kunnen praten, als mijn keel niet zo droog was…’

De directeur begreep de hint. ‘Ruben, een bier voor Hoheneichen!’

Ze zetten allemaal grote ogen op, want zo’n vrijgevigheid was ongehoord. Aan dit engagement moest hem heel veel gelegen zijn.

‘Bravo!’ riep hij. ‘Natuurlijk is Borszczow dan in rep en roer. Wat zeg jij, Können?’

De kleine man kromp ineen, keek Stickler angstig aan, maar zweeg. Een ogenblik was het stil aan tafel en in die stilte klonk de stem van Birk.

‘Nee,’ zei hij dof. ‘Hij moet niet mee. Niet mee de ellende in. Is nog zo jong!’

‘Birk!’ riep Stickler geërgerd. ‘Jij wordt straks compleet zwakzinnig!’

‘Ja,’ mompelde de ongelukkige en veegde over zijn voorhoofd. ‘Ik voel het… Maar daarin heb ik gelijk.’

Hij stond op en sloop met knikkende knieën weg.

Daarop werd het weer stil. Ten slotte herwon Stickler zijn kalmte. ‘Nou ja!’ riep hij en probeerde te lachen. ‘Omdat hij in Wenen en München zijn kracht en zijn verstand met zijn vrouwen verzopen heeft, mag onze jonge vriend niet twee dagen mee naar Borszczow… Tildchen!’ onderbrak hij zichzelf. ‘Daar komt ze al! Tildchen, mijn steun en toeverlaat in moeilijke tijden, je komt als geroepen!’

Dat sloeg op Schönau. In een laag uitgesneden, lichtgroene, vuile zijden jurk en met namaakrozen in haar haar kwam ze juist tussen de tafels door naar de toneelspelers toe, van alle kanten nieuwsgierig of begerig aangestaard en de blikken gelijkelijk beantwoordend. Haar wangen waren geschminkt, maar hadden blijkbaar ook een natuurlijke blos en haar ogen schitterden.

‘Goedenavond, jongens! Goedenavond, knappe vreemdeling! Dat ik je leuk vind, had ik al gezegd!’ Ze streek Sender onder zijn kin. ‘O, die lieve onschuldige jongen bloost ervan! Ook in het theater, telkens als ik naar hem keek. Zo puur als hij is. O, rakker van me!’

‘Tildchen! Die rakker moet mee naar Borszczow. Speel jij maar voor pleegmoeder!’

‘Doe ik! Maar eerst de zaken en dan de vermaken!’ Ze keek de zaal rond. ‘Goddank, de mensen zijn er nog. Dat komt door het kruiende ijs. Daarbinnen wilden die gekke Polen me niet laten gaan – “maar, jongens,” zeg ik, “morgen is mijn benefietvoorstelling, ik moet de mensen nog kaarten aansmeren! Die twintig gulden van jullie,” zeg ik, “daar zul je niet vet van soppen!” Die betaalden ze me voor vier stalles!’ Ze haalde de bankbiljetten uit haar zak en gooide ze op een bord. ‘Als goed voorbeeld! Pepi, de kaarten.’

En ze ging naar de officierstafel.

‘Een duivelse meid!’ lachte Stickler. Ook Hoheneichen, de gelukkige “bruidegom’, leek veel plezier te hebben, alleen Können zat er somber bij en zijn wangen gloeiden bijna net zo als die van Sender.

Die hield het niet meer uit op zijn stoel, want hij had het gevoel dat hij in deze atmosfeer zou stikken. ‘Goedenacht,’ mompelde hij.

‘Wat krijgen we nu?’ riep Stickler. ‘Het wordt net leuk!’ En toen de jonge man zich niet liet weerhouden: ‘Morgen praten we verder!’

‘Morgen,’ zei Sender, alleen maar om ervan af te zijn, en ging naar zijn kamer. ‘Wij gaan niet naar Borszczow,’ zei hij, terwijl hij zich begon uit te kleden. ‘Hè, Moskal? Het idee!’ En de hond blafte en kwispelde, alsof hij het ermee eens was.

Toen Sender de volgende morgen wakker werd, wees zijn horloge negen uur. Bijna beschaamd stond hij op, want zo lang had hij nog nooit uitgeslapen. Ook zijn longen deden pijn. ‘Vandaag ga ik met de kippen op stok,’ dacht hij, ‘Want morgen moet ik in alle vroegte weg. Bij die benefietvoorstelling hebben ze mij niet nodig… “Rakker van me!“ Brutaal wijf!’

Toen hij de trap afging, hoorde hij hoe de kerkklok in de buurt plotseling begon te luiden. Het geluid klonk vandaag anders dan gisteren, kort en schel. De slagen volgden elkaar snel, onregelmatig en steeds schriller. Een andere, verre klok viel in. ‘Brand!’ riep Sender en rende naar buiten.

Daar kwam de dikke waardin hem tegemoet. ‘Meneer, u hoeft niet te schrikken, het is maar een overstroming. U hebt toch geen last van die overstroming?’

Zonder antwoord te geven rende hij bij haar weg, de weg af, naar de rivier. Nog steeds luidde de stormklok. Uit alle huizen kwamen de mensen aangerend en jammerden en schreeuwden. Het regende dat het goot, een warme regen. De weg naar beneden was nauwelijks meer begaanbaar en leek wel een bergbeek.

Het duurde lang voor hij het bastion bereikt had en nog langer voor hij zover door de druipende, duwende en jammerende menigte gedrongen was, dat hij het rivierdal kon overzien. Het bood een troosteloze aanblik. Zover het oog in het dichte net van de regen reikte niets dan grijsheid, lelijke, groezelige grijsheid: boven de wolken, beneden de rivier. De reuzenslang was sinds gisteren geweldig aangezwollen en zijn lichaam leek oneindig uit te dijen, want nu had de rivier de akkers overstroomd en van de hoger liggende akkers was de sneeuw gesmolten. Water, water, niets dan een griezelige, grijze vloed, uit de hemel stortte hij neer en uit de aarde leek hij op te wellen, als om al het leven te verstikken. Je zag de waterspiegel letterlijk stijgen. Daarnet staken de schuttingen beneden er nog boven uit, maar nu zag je alleen nog de punten – en nu verdwenen die ook.

Van de huizen dichtbij de rivier staken alleen nog de strodaken boven het water uit. Uit een aantal dakramen zag je de bedreigde mensen met lappen zwaaien, maar hun geroep was onhoorbaar. Uit de andere, hoger gelegen huizen vluchtten de bewoners net; met ontzette gezichten renden ze wild door elkaar en je zag hun angstkreten, maar hoorde ze niet. Ook het kletteren van de regen, het ruisen van de rivier, het kabaal van het puin dat beneden langsdreef en op elkaar botste drong niet tot het oor door. Want een reusachtig, oorverdovend lawaai vervulde onophoudelijk de lucht, nu eens een paar seconden wegstervend om dan steeds sterker aan te zwellen: het gekraak in het ijs. Het klonk alsof een orkaan in een reuzenharp greep: nu eens luidkeels gillend, dat het door merg en been ging, dan weer dof dreunend als kanongebulder, en dan weer een minutenlang geknetter, alsof plotseling alle takken van een bos versplinterden, en daartussen als griezeligst geluid dat gorgelen en borrelen van de binnendringende rivier, alsof er zich een afgrond geopend had die alle leven zou verzwelgen. Zelfs het geluid van de noodklok was bij dit reusachtige, alle zintuigen verdovende dreunen nauwelijks te horen.

Het ijs barstte, maar bleef nog op zijn plaats. Steeds vaker zag je een schots opduiken, alsof die boven de waterspiegel uit wilde kijken, en dan doodstil blijven liggen. Nog was de rivier niet machtig genoeg om ze voor zich uit te rollen; de schotsen bleven liggen en versperden het water alleen maar de weg. Vandaar het plotselinge stijgen van de waterspiegel en de steeds sterkere overstroming. Het ene huis na het andere en de ene straat na de andere in de benedenstad kwam onder water te staan.

De noodklok luidde onophoudelijk; het hoofddoel: helpers roepen en mensen aansporen werd niet bereikt. Een slaaf is er moeilijk toe te bewegen om zichzelf te helpen; dat ligt in zijn botte, berustende aard, en nog sterker geldt dat voor een jood, die niet gewend is het gevaar het hoofd te bieden en gemakkelijk in paniek raakt. Je zag vrijwel alleen de soldaten in bootjes bezig met het reddingswerk en maar zelden verscheen er tussen de witte uniformen de pelsjas van een boer of de kaftan van een jood. Maar de genie was bezig de brug te redden door de kettingen zo hoog mogelijk vast te maken. Dat ging echter moeilijk, doordat het ijs zich op de pontons afzette en die vasthield of omlaagtrok. Nog steeds lagen de planken boven water, maar verkeer was nu onmogelijk.

Angstig staarde Sender omlaag naar de brug. Hij vroeg omstanders niets meer, want iedereen gaf een ander antwoord. Toen zag hij de man die gisteravond naast hem gezeten had, doctor Tittinger, in de menigte opduiken en drong naar hem toe. Of hij morgenvroeg naar Czernowitz kon, vroeg hij.

‘Nee,’ antwoordde de advocaat. ‘Zelfs niet in het gunstigste geval. Als het lukt om de brug zover op te tillen dat het kruiende ijs eronderdoor kan, en als dat vandaag al komt, dan kunt u maandag naar de overkant. Maar ik denk niet dat het lukt, en als het ijs de brug beschadigt, zijn we wel een week van de Boekowina afgesneden.’

‘Een week!’ riep Sender angstig. ‘Maar er moet toch ergens een brug zijn?’

‘Tot twee dagreizen hiervandaan zijn er alleen veerboten,’ was het antwoord. ‘Als de Dnjestr zo makkelijk te overbruggen was, hadden we allang een stenen brug gebouwd. Alleen boven Halicz is er een, daar is de rivier nog klein en tam. Maar als u naar Czernowitz wilt, is dat een omweg van een dag of vijf, dus wacht maar liever hier!’

 

Temesvar: het tegenwoordige Timisoara in Roemenië.
Lumpazivagabundus: toneelstuk (1833) van Johann Nestroy.


 

Hoofdstuk 33

Heel angstig ging Sender terug naar het hotel. Op weg naar de deur sprong hem de affiche in het oog – die was de schuld van alles! Maar in het voorbijgaan bleef hij toch staan om te lezen. Het kunstwerk van vandaag leek op dat van gisteren, alleen ontbrak het dubbelspel van jodenhaat en -liefde, maar er was een kort woordje toegevoegd, ongeveer hetzelfde als wat Schönau gisteren gesproken had, alleen nog dubbelzinniger. ‘Die man leent zich ook overal voor,’ dacht Sender, half medelijdend en half minachtend. Overigens was er op deze affiche ook een opmerking te lezen die alleen voor christenen bestemd was: Kaarten zijn ook verkrijgbaar bij de beneficiante persoonlijk in Hotel Gurkensalat, kamer 3. Vriendelijke ontvangst!

Toen hij de gelagkamer binnenging om alsnog te ontbijten, trof hij Können aan de tafel bij het raam; die was juist bezig met penseel en sjabloon de affiche voor Borszczow af te maken. Met deemoedige vriendelijkheid begroette hij Sender: ‘De noodklok luidt niet meer: ik hoop dat u morgen verder kunt reizen.’

Sender haalde zijn schouders op. ‘Maar naar Borszczow ga ik in geen geval.’

De kleine man herademde. ‘U hebt gelijk,’ zei hij bijna opgewekt. ‘Ik maakte me al bezorgd. U kunt me geloven: wat Birk zei was waar. Het was maar één stap naar de ellende geweest, maar ook die moet u bespaard blijven. En dan kwam er wie weet nog een tweede en een derde stap.’

Hij sprak zo ijverig, dat Sender er vreemd van opkeek. ‘Dank u wel,’ zei hij en begon aan zijn ontbijt.

‘Niets te danken,’ antwoordde Können ijverig. ‘Echt niet,’ herhaalde hij even later. ‘Ik moet het u vertellen, en ik ben niet alleen blij voor u.’ Hij bloosde van verlegenheid. ‘Ook voor mezelf. En dat ik dat toegeef, is de straf voor mijn dwaasheid. Ik ben dus ook blij dat u niet Shylock bij dit gezelschap speelt, omdat Stickler mij de rol altijd beloofd heeft. En als ik hem niet krijg, krijgt een ander hem ook niet.’

Sender zweeg; wat moest hij daarop zeggen?

Können raadde zijn gedachten. ‘Idioot, zegt u. U hebt me gisteren gezien. Natuurlijk speel ik niet altijd zo erbarmelijk en ik had ook de pech met die grime. Ik had het heel mooi uitgedacht, maar het mislukte. Dat kan ook de grootste toneelspeler overkomen, nietwaar? Maar wat zit ik nu te liegen?’ onderbrak hij zichzelf heftig. ‘Ik speel altijd zo slecht, altijd! En ondanks dat die waanzin, zegt u. Ja, ondanks dat, meneer, ondanks dat!’ Hij slaakte een diepe zucht.

‘U weet het van uzelf,’ troostte Sender. ‘En wat die grime betreft hebt u gelijk.’

‘Wat dat betreft ook niet,’ antwoordde het mannetje. ‘Als ik wat kon, zouden de mensen zelfs geen aanstoot nemen aan mijn neus. En verder: ik zou natuurlijk verstandig kunnen worden en inzien dat zo’n neus niet weg te schminken is.’ Hij kreunde bijna. ‘Dat is niet één neus, dat is een hele rij neuzen. Maar weet u waardoor ik het meest beledigd was? Dat de mensen “Kohn” naar me riepen. Dat begrijpt u misschien niet. Wie zo’n neus heeft, is dat niet om het even.’ Weer gekreun. ‘Die draagt in zekere zin zijn naam op zijn gezicht…’

‘Ook dat is toch echt geen schande,’ interrumpeerde Sender.

‘Zeker niet. Maar toch! Als artiest hecht ik waarde aan mijn artiestennaam… Als artiest?’ onderbrak hij zichzelf weer. ‘Als stumper… En toch, en toch! Maar ik weet wie me dat ingepeperd heeft. Hoheneichen. Heeft hij u ook niet verteld dat ik eigenlijk Kohn heet?’

‘Dat kan ik me niet herinneren,’ antwoordde Sender. ‘Waarom zou ik voor verklikker spelen?’ dacht hij. ‘Maar ik weet wel dat u het me zelf verteld hebt.’

‘Aan u! U bent een collega en bovendien ook een jood. Maar het publiek hoeft het niet te weten, voor hen ben ik Amadeus Können en dat wil ik blijven. – U glimlacht. Gelijk hebt u. En Hoheneichen heeft gelijk, dat hij mijn doodsvijand is. Ik heb het u gisteren al verteld: ik moet en zal weer de rol van Franz Moor spelen. Deze keer gaat het lukken, denk ik, en toch weet ik dat het niet gaat lukken. De mensen zullen lachen en weer van alles naar mijn hoofd slingeren, wat me al vaak overkomen is. Maar ik geef het niet op, en toen ik een paar maanden geleden weer geld kreeg van mijn broer – hij stuurt me uit medelijden soms een paar gulden – heb ik de directeur omgekocht, dat hij Hoheneichen die rol afnam. Stickler nam het geld aan en liet hem de rol spelen, en dat was allebei verstandig. Maar heeft Hoheneichen nu niet gelijk, dat hij mij haat?’

‘Wat is dat voor iemand?’ vroeg Sender. ‘Ik mocht hem helemaal niet.’

De kleine man knikte. ‘Tegenwoordig is hij een rotzak – in alle opzichten. Maar dat is hij dit jaar pas geworden. Vroeger, bij Nadler, wou hij er ook niet graag aan herinnerd worden dat hij Max Wuttke heette en kappersbediende in Leipzig was, maar dat was menselijk. Hij was ook altijd een ruziezoeker, maar verder geen slecht mens, heel handig – hij kan voor een kapper best aardig praten – en als toneelspeler niet zonder talent. De rotstreken zijn eigenlijk pas hier begonnen – hier is alles leugen en bedrog.’

‘Dat heb ik aan de affiches al gezien,’ zei Sender openhartig. ‘Hoe kunt u, als eerlijk man, zulke affiches maken?’

Hij verwachtte de een of andere verklaring of verontschuldiging. Maar hij vergiste zich.

‘Die affiches?’ vroeg Können verbaasd. ‘Wat mankeert daaraan? De affiches zijn prima! Ik mag wel zeggen: zulke affiches heeft verder geen enkel gezelschap in Galicië. Zonder die affiches waren we allemaal al van de honger omgekomen.’

‘Dat kan zijn,’ antwoordde Sender geprikkeld. ‘Maar het was toch lelijk dat u bijvoorbeeld gisteren aan de ene kant de joden vleide en ze aan de andere kant belasterde.’ En hij vertelde over de uitlatingen van zijn linkerbuurman.

‘Nou dan! En dan begint u over laster?’ Können lachte als een boer met kiespijn. ‘Moeten wij de christenen nog vragen om ons te belasteren? Dat doe ik trouwens niet, ik doe alleen maar alsof het stuk tegen de joden gericht is. Dat moet wel, anders kwamen ze niet.’

‘En waarom heeft het stuk voor christenen vier en voor joden negen aktes, waarom heeft Mosenthal voor christenen zeventien en voor joden honderdzeventig onderscheidingen, waarom ligt voor christenen het dorp in Stiermarken en wordt de joden wijsgemaakt dat ze het misschien wel kennen?’

‘En dat vraagt u?’ riep Können. ‘Omdat joden nieuwsgieriger zijn, meer voor hun geld willen hebben en van fellere kleuren houden.’

Sender haalde zijn schouders op.

‘Er zijn trouwens nog veel meer dingen die ik niet begrijp. Waarom geeft u de mannelijke figuranten en dubbelrollen voor de joden joodse namen en voor de christenen christelijke namen, terwijl de vrouwen aan beide kanten christelijke namen hebben?’

‘Dat is iets heel speciaals, dat ik bedacht heb,’ zei Können trots. ‘Joden zijn nieuwsgierig, zei ik al, dus ik kies namen die je in het stadje veel tegenkomt. Kohn, Levy, Hirsch, Silberstein. Nu weten ze natuurlijk allemaal dat de voorzitter hier in de stad niet opeens als Ruben bij ons optreedt, maar – ze willen toch weten wat erachter zit. Daarentegen zou niemand geloven dat er een eerbare joodse vrouw op het toneel meespeelt… Iets heel speciaals, meneer, en het helpt echt!’

Sender gaf geen antwoord meer.

Dit dubbelspel van huichelarij en zelfkennis, van onstuimige eerlijkheid en overtrokken sluwheid maakte een vreemde indruk op hem. Zwijgend las hij de affiche voor Borszczow. De notitie over de directie was dezelfde als hier. En dat ergerde hem zo, dat hij zijn mond niet kon houden.

‘Meneer Können,’ zei hij, ‘u sprak goed over Nadler en u was hem dankbaar; waarom pakt u hem dan zijn naam af? En aan de joodse kant staat zelfs: Directeur: Nadler, nu heet hij Stickler. De mensen moeten geloven dat Nadler zijn naam veranderd heeft!’

‘Dat is mijn schuld niet,’ verzekerde de kleine man, ‘dat moet van Stickler, speciaal voor de joden, omdat Nadler bij hen een grote naam heeft. En Stickler is immers mijn broodheer.’

‘Maar er zijn grenzen. Ook de onfatsoenlijkheid van het toespraakje vandaag had u niet op moeten schrijven, al beveelt hij dat tien keer.’

‘Dat wilde zij,’ mompelde Können.

‘Schönau?’

De kleine man knikte, zijn gezicht werd rood en hij boog zich diep over het vel. ‘En wat zij wil, moet ik doen… Als zij zou zeggen: “Können, spring in de Dnjestr,” dan deed ik het… En dat’ – hij hijgde – ‘dat zou lang niet zoveel pijn doen als zulke toespraakjes namens haar opschrijven…’

‘Meneer Können,’ riep Sender geschokt, ‘wat zegt u daar?’ Nu begreep hij hoe Stickler de kleine man gestrikt had. ‘U bent verliefd op dat mens?’

Können gaf geen antwoord. Zijn adem ging steeds sneller, een snik ontsnapte aan zijn borst en nu viel er een dikke druppel op het papier, die de inkt uitwiste.

‘Neemt u me niet kwalijk,’ mompelde hij. ‘Ik kon er niet meer tegen… Ik heb er al lang niet meer over gepraat met iemand die het goed met me meent… Hier weet iedereen het, maar ze lachen me alleen maar uit… En ze hebben gelijk…’

Hij draaide zich om en ging in een hoek staan. Aan de bewegingen van zijn lichaam zag Sender dat de ongelukkige nog steeds tegen zijn tranen vocht. Hij had graag medelijden laten blijken, maar dit was al te erg en onbegrijpelijk.

Ten slotte had de kleine man zijn zelfbeheersing terug.

‘Ik weet wat u denkt,’ zei hij. ‘Zijn toneelspel is een ramp, maar van zo iemand houden, met heel zijn hart, is een rotstreek.’ En toch laat ook dat me nooit los. Die goede meneer Nadler zei een keer: “Mijn troost is alleen dat koorts nooit lang duurt.” Maar dat was drie jaar geleden…’

‘Zo lang al?’

‘Ja, Toen is het begonnen. Voorjaar 1850 – we waren in Laibach – kwam ze bij ons met Birk, die was toen haar geliefde, al was hij niet de eerste. Ik geloof echt niet dat die ongelukkige man er veel op zijn geweten heeft. Daar is hij altijd te edelmoedig en te goedig voor geweest; hij heeft zich door de vrouwen laten ruïneren en uitbuiten, en niet andersom. Het is hem niet aan te zien dat hij een van de meest gevierde Duitse toneelspelers was en ook nog een van de knapste mannen – en dat is nog niet eens zo lang geleden. Vijftien jaar geleden was hij nog jeune premier bij het Weense Burgtheater, en hij is nog helemaal niet oud, net vijfenveertig. Maar de vrouwen, meneer, de vrouwen! Hij heeft alles voor ze opgeofferd: zijn baan, zijn gezondheid en zijn talent. Een losbol, zegt u, hij verdient niet beter. Natuurlijk, maar doodzonde is het wel. Als ik bedenk wat hij zelfs drie jaar geleden in Ljubljana nog kon! Om hem heeft Nadler toen ook Schönau geëngageerd, want die was nog een groentje. Elise Schütz heet ze en ze is de dochter van een ambtenaar uit Troppau; op haar zeventiende is ze door een officier verleid en daarna is ze steeds verder aan lagerwal geraakt. Uiteindelijk heeft Birk haar leren kennen bij een gastvoorstelling daar en meegenomen. Hoe mooi ze toen was, is niet in woorden uit te drukken. Vrouwen konden me tot die tijd niet schelen, maar op haar werd ik meteen waanzinnig verliefd. Natuurlijk lachte ze me uit, maar hoewel ik al gauw merkte dat ze ook haar geliefde bedroog, werd ik alleen maar verliefder. Dat ging twee jaar zo door – ze werd steeds getalenteerder, maar ook steeds verdorvener – Heer, ik heb meer geleden dan ik zeggen kan. Ten slotte zei Nadler: “Zolang u bij het theater bent wordt u niet verstandig –“ en de hele rest. Maar toen heeft Stickler me overgehaald: “Kom je mee?” – dat was de enige keer dat hij me tutoyeerde, die schoft – “dan ben je iedere dag bij haar en dan heb je geen rivalen.” En het gevolg? Nog een jaar ellende… O Heer, lieve Heer, zoveel kan nog geen mens geleden hebben!’

Sender was diep geschokt; zo’n waanzinnig verdriet als uit die woorden sprak was hij in zijn leven nog niet tegengekomen.

‘Dat moet veranderen,’ zei hij. ‘Ik zal het er met Nadler over hebben, misschien engageert hij u weer. Dan hebt u tenminste de troost dat u bij het theater kunt blijven.’

Können pakte zijn hand. ‘Ik dank u,’ zei hij. ‘U bent een goed mens. En Nadler zou het uit barmhartigheid misschien echt… Maar nu is het te laat…’

‘Nu?’

Können wankelde. Zijn gezicht was doodsbleek geworden, hij balde zijn vuisten, waardoor de nagels in het vlees drongen. En zo, met neergeslagen ogen, bracht hij er nauwelijks verstaanbaar uit: ‘Al die jaren dacht ik: “Als je haar één keer – één keer maar – in je armen houdt, verdwijnt de waanzin wel –“ Een een paar weken geleden – we waren in Kolomea – mijn broer had me – juist geld gestuurd –‘

Hij zakte in elkaar en sloeg zijn handen voor zijn gezicht.

‘Nu niet meer!’ kreunde hij. ‘Nu zou ik – een moord kunnen begaan om weer aan geld te komen…’

‘Ontzettend!’ mompelde Sender en keerde zich van hem af. Hij vond geen woorden meer en ook Können zweeg.

Daarop ging de deur open.

Het was Hoheneichen. Met uitgestoken armen kwam hij op Sender af. ‘Goedendag, beste kerel, het kruiend ijs komt ons te hulp. Nu moet je naar Borszczow. Ik zeg je…’

Maar Sender was niet in de stemming voor zijn gezwets. Hij haastte zich naar zijn kamer. Toen hij nummer drie passeerde, kwam Schönau juist naar buiten, in dezelfde lichte zijden jurk als gisteravond.

‘Goedemorgen, jongen!’ Ze aaide hem over een wang. ‘Heb je al een kaartje? Wacht, je krijgt er een van me.’

Ze ging terug in haar kamer. Maar hij rende naar zijn kamer, alsof hij vluchtte voor een gevaar en deed de deur op slot.

Rond het middaguur moest hij toch weer naar beneden. Maar hij liet het eten in de achterkamer opdienen en drukte Ruben op het hart de toneelspelers daar niets over te zeggen.

Ze wisten hem toch te vinden. Nauwelijks had hij de laatste hap door zijn keel gekregen, of de directeur kwam binnen, gevolgd door Schönau.

‘Daar hebben we de voortvluchtige,’ riep Stickler. ‘Maar zo makkelijk bent u niet van ons af!’

En zij pruilde: ‘Lomperik! Zomaar bij me weglopen! Dat ben ik anders niet gewend! Vind je me zo lelijk?’

Sender stamelde verlegen dat hij niet had willen storen. ‘En ik kan in geen geval mee naar Borszczow,’ voegde hij er vastbesloten aan toe.

‘Onzin!’ riep Schönau. ‘Wat ik wil, dat gebeurt!’

Maar Stickler smeekte: ‘In ’s hemelsnaam, waarom niet? U kunt toch niet eerder dan woensdag de Dnjestr over. Of u die drie dagen nu hier of in Borszczow doorbrengt, maakt u en uw directeur toch niets uit? En bij ons kunt u spelen, geld verdienen en applaus ontvangen van een dankbaar publiek.’

‘Het gaat echt niet,’ antwoordde Sender. ‘En ik zei gisteren al,’ voegde hij eraan toe, ‘wie weet of ik het kan?’

‘Mooi,’ zei Stickler. ‘Dan spreekt u de rol voor ons. Tildchen, stuur jij de anderen naar boven en Können mag het boek halen.’

Hij pakte Sender bij zijn arm en trok hem naar de gang. Sender aarzelde of hij zich met geweld los zou rukken of toe zou geven. Hij had juist het eerste besloten, toen Birk erbij kwam. Hij zag er nog altijd broos uit, maar toch frisser dan ’s avonds.

‘Doet u het maar,’ zei hij. ‘Een repetitie kan geen kwaad. Ik heb de grootste vertolkers van deze rol gezien, ooit Ludwig Devrient en het laatste Dawison. Misschien kan ik u nog een nuttige aanwijzing geven… Nadler heeft het herhaaldelijk over u gehad en ik vind u een interessante man.’

Daarop gaf Sender toe. Ze gingen de zaal in. Beneden namen de toneelspelers plaats en op het toneel ging Stickler met het boek in de hand naast Sender staan om de andere rollen in te vullen. Het hart van de jonge man bonsde zo dat hij nauwelijks adem kon halen; hij kende de rol zo goed uit zijn hoofd als zijn ochtendgebed, en pater Marianus had hem hier om zijn interpretatie bijzonder geprezen, maar toch had hij het gevoel of hij geen woord over zijn lippen zou kunnen krijgen.

Maar het ging. Drieduizend dukatengoed – Die eerste woorden mompelde hij nog bijna onverstaanbaar. Maar daarna werd zijn stem vaster. Hij koos de manier van spreken die hij in de kloostercel had ingestudeerd en daarna ook de houding. Het ging steeds beter en hij voelde het, hij deed het goed. Beneden staken ze de hoofden bij elkaar om te fluisteren; hij wist dat het geen spot kon zijn. Stickler leek aangenaam verrast, en toen Sender de grote rede uitsprak:

Signor Antonio, u hebt al heel wat keren

Mijn naam op de Rialtobrug gesmaad –

zette hij steeds grotere ogen op. ‘Goeie hemel!’ riep hij, toen Sender klaar was, en haast opgewonden gaf hij de volgende claus.

Toen de scène afgelopen was, pakte hij Senders hand. ‘Man, waar haal je het vandaan?’

De anderen applaudisseerden, alleen Können en Birk niet. De kleine man zat met gebogen hoofd en Birk bijna rechtop; zijn ogen glansden, maar hij zei niets.

Nog meer indruk maakten de volgende scènes. Sender voelde zijn kracht steeds verder toenemen en de woorden vloeiden steeds gemakkelijker van zijn lippen. En toen de rede begon die Marianus’ hoogste lof had geoogst: De vissen ermee lokken, voedt het niemand anders, dan voedt het wel mijn wraak… toen vergat hij wie en waar hij was en voelde zich de jood Shylock op de Rialtobrug in Venetië.

Maar juist aan het slot van deze rede: De boosheid die je mij leert breng ik in praktijk – ging het bijna mis. Het woord stokte in zijn keel en het bloed drong naar zijn hart – met een bleek gezicht en verschrikte ogen staarde hij naar de parterre. Toevallig was zijn blik daarheen gegleden – en daar zat Malke. Niet Schönau, maar het meisje waar hij zo smartelijk van gehouden had. Zoals de jonge toneelspeelster daar nu zat, met een ernstig gezicht, intens meelevend en met haar ogen peinzend op hem gericht: dat was geen gelijkenis, dat was Malke zelf… Met moeite maakte hij zijn blik los en wachtte zich er wel voor om weer naar haar te kijken… Pas in de rechtbankscène hervond hij zijn vroegere zekerheid.

‘Man!’ riep Stickler, nadat hij het boek dichtgeslagen had. ‘Wat een kerel bent u… En u durft Shylock niet in Borszczow te spelen? Onder duizend beginners vind je er maar één zoals u.’

Ook de anderen kwamen om hem heen staan en complimenteerden hem. Hoheneichen was de luidruchtigste en uitvoerigste; hij wilde Sender omhelzen, maar Schönau kwam tussenbeide.

‘Houd je bek!’ beval ze haar “verloofde”. ‘Duvel op! Die heeft jouw lof niet nodig.’ Haar gezicht vertoonde een ongewone, ernstige en zelfs bittere trek. ‘En doe niet alsof je het meent.’

Ze draaide zich om en liep weg. Verbluft staarde Sender haar na en keek toen om naar Können. Het mannetje zat nog steeds onbeweeglijk op zijn plaats met zijn hoofd diep gebogen.

‘Ik laat u niet gaan!’ riep Stickler. ‘Eén keer wil ik op mijn toneel zo’n kerel hebben. U hoeft bijna niets meer te leren.’

Birk kwam dichterbij.

‘Integendeel,’ zei hij scherp. ‘Technisch moet hij nog heel veel leren, bijna alles. Maar wat maakt dat uit? U kunt het! Als u geen grote en complete acteur wordt, dan ligt het niet aan de natuur. Onthoud dat; ik hoop dat u ooit tegen uw collega’s bij het Burgtheater kunt zeggen: “Dat zei Birk tegen me, een paar weken voor de dood hem verloste…”’

Hij knikte en sloop wankelend weg.

‘Vijf gulden, Kurländer,’ drong Stickler aan. ‘Geen reis- en verblijfkosten voor die ene avond.’

Maar Sender rukte zich los en rende naar zijn kamer. Daar bleef hij wel twee uur op zijn bed zitten, met kloppend hart, gloeiende wangen en zijn hoofd vol trotse dromen en gedachten. Hij zou dat uur nooit vergeten.

 

Laibach: het tegenwoordige Ljubljana in Slovenië.
Troppau: het tegenwoordige Opava in Tsjechië.

 

Hoofdstuk 34

De noodklok maakte ruw een eind aan zijn gepeins. Huilend begon ze weer en ondertussen klonk onophoudelijk dof gedreun als het donderen van een reusachtige waterval. Sender rende de straat op, naar de rivier. ‘Het ijs kruit! Het ijs kruit!’ werd er gejammerd uit honderd kelen. En het was echt begonnen.

Verdoofd keek Sender neer op het ontzaglijke, griezelige schouwspel. Het bastion leek nu een schiereiland dat ver uitstak in zee. Maar alleen opgezweept door een orkaan gaat de zee zo luid tekeer als hier de wilde bergrivier, die eindelijk de last afwierp die op haar drukte en die aan duizend stukken sloeg, op haar vloed rondwentelde, optilde, neergooide en verpletterde. De regen viel onophoudelijk en belemmerde het uitzicht, maar zover het oog reikte: de grijze vloed en daarop dansend, slingerend, steigerend een eindeloze wirwar van witachtige, groenachtige en zwartachtige massa’s: blokken ijs. Wat een vormen, wat een kleuren! Hier een slanke, zelfs sierlijke zuil van lichtgroen kristal, die maar licht wankelend voorbijtrok, tot ze op een plomp, grauw monster stootte, waarover ze struikelde en in stukken viel. Daar een reusachtige, witte schots, die rustig en zacht voorbijtrok en alles voor zich uitdreef, tot ze op een kleine, zwarte klip, misschien een rotsblok, misschien vuil ijs dat midden in de rivier lag, stootte en vast bleef zitten. Een tweede schots, die erachter dreef, schoof eroverheen en zo een derde en een vierde, tot de klip meegaf en het hele bouwwerk nu in elkaar stortte. Daartussen lange, smalle stukken ijs, die als vissen voorbijschoten, ronde schotsen, die langzaam en dansend in een lange rij aan kwamen drijven met daartussen spitse toppen en vormeloze bergen. Maar wat hadden de woedende golven meegesleurd en wat dreven ze nu met en tussen de schotsen voort! Boomstammen, bootjes, een strodak, eindeloos veel huisraad, stukken van huizen, de palen van een brug, een bed waarop nog kussens en dekens lagen, een lege wieg – misschien had de moeder het kind er op tijd uitgehaald, of misschien dreef het nu dood en stijf mee in de rivier…

Maar hoe vreselijk de indruk ook voor het oog was, oneindig veel verschrikkelijker en geweldiger was hij voor het oor. Een gekraak, geknars, gegil, geknetter en gedreun, onophoudelijk geweldig luid; het was of de wereld ten onder wilde gaan, of alle mensenwerk in elkaar moest storten… Sender volgde het voorbeeld van de omstanders en stopte zijn vingers in zijn oren, maar eigenaardig genoeg hoorde hij het dreunen als het ware met zijn lichaam, nog sterker dan eerst; het doortrilde hem zo tot in zijn binnenste, dat hij zijn handen weer liet zakken.

Temidden van al dat geraas verdedigden een paar mensen het werk van hun handen dapper tegen het woeden van de natuur. De huizen waren nu ontruimd en wat er nog aan goederen of mensen in mocht zijn was verloren en verzopen – met vereende krachten probeerden de geniesoldaten de brug te behouden. Die hield het nog en was hoog genoeg bevestigd om de rivier en de kleinste ijsschotsen door te laten, maar de hoogste hoopten zich steeds verder voor haar op. Het was een verschrikkelijk en tegelijk verheven schouwspel, hoe de dappere blauw geüniformeerden met hun zwarte helmen op de overstroomde planken standhielden, terwijl ze tot hun knieën of hun heupen in het water stonden en met hun bijlen en stangen probeerden het ijs te splijten en de blokken weg te duwen. Maar dat lukte alleen bij de kleine stukken; die berg werd steeds hoger en de rivier dreef hem met steeds meer geweld tegen de brug… Plotseling gingen er boven op het bastion vijftig armen tegelijk de lucht in en wezen naar beneden – wat wilden de geniesoldaten? Wat betekende dat? Er werd een lage, houten stellage op de brug geplaatst, waaraan loodrecht een lange schuifladder bevestigd werd. Die reikte nu tot aan de ijsberg. Een paar soldaten klommen erover, gingen plat op de ijsschots liggen, kropen verder en verder – wat ze daar deden was door de dichte regen niet duidelijk te zien. Daarop kropen ze terug en nu stonden ze weer op de brug. De troepen trokken zich links en rechts op het bruggenhoofd terug. Toen – een enorme knal – de ijsberg wankelde, enkele blokken vlogen een paar voet de lucht in, uiteengeslagen, de berg zakte in elkaar en brak uiteen. Ze hadden in een waterdichte slang een mijn laten zakken om het ijs te laten ontploffen en nu stonden ze weer op de brug om door te gaan met hun werk.

Deze keer was het gelukt, maar de volgende keer? Er kwamen van stroomopwaarts al nieuwe massa’s aandrijven, nog geweldiger dan de vorige. Je kon ze niet goed zien, want het begon te schemeren en ook de gestalten op de brug waren nauwelijks nog te onderscheiden. Nu kwam ook de bondgenoot van alle ongeluk, de nacht, het verderf zijn donkere vleugels verlenen.

Vol angst staarde Sender naar beneden. Het lot van de brug ging hem zo ter harte, dat hij nauwelijks nog aan zichzelf dacht. Hij voelde hoe hij weggedrukt werd, terwijl van heel dichtbij een trompetsignaal klonk; een afdeling infanterie ontruimde het bastion en dreef de menigte langzaam naar de stad terug. Toen Sender weer in de nauwe straten stond, hoorde hij plotseling zijn naam. Het was de advocaat. ‘Het ziet er slecht uit, meneer Kurländer.’ Het bastion was niet in gevaar, voegde hij eraan toe; ze hadden het alleen maar ontruimd om er een raketinstallatie te plaatsen voor de verlichting van de brug. Maar het was de vraag hoe lang de brug nog te houden was. Het was nu te laat om haar zelf af te breken.

Op weg naar huis overdacht Sender zijn situatie. Als de brug verwoest was, moest hij het hier een week zien uit te houden – en daarvoor had hij geen geld genoeg. Andere hulp dan die van Nadler hoefde hij niet te verwachten. Daar moest hij een beroep op doen. Hij wilde dat direct doen als de ramp zich voltrok. Nadler zou hem vast niet in de steek laten. Het was wel geen ongeluk, maar toch heel pijnlijk.

Hij ging naar zijn kamer om zijn druipnatte kleren voor de kachel te drogen. Het maakte hem nog mismoediger dat hij zoveel last had van zijn longen. Dat was geen wonder, want hij was de halve dag in het noodweer op straat geweest.

Hij wilde niet naar de voorstelling. Maar hoe dichter de wijzer van de klok de zeven naderde, de aanvangstijd vandaag, hoe minder zijn besluit vaststond. Wat moest hij al die uren doen? En verder: een voorstelling missen die je kon zien, ging bijna tegen zijn geweten in. Klokslag zeven kocht hij zijn kaartje. De “Parel van Temesvar”, ditmaal in het kostuum van madame Zephir uit Kleermaker Fips, wilde de veertig kreuzer beslist niet van hem aannemen. ‘Een collega – en het huis is toch al bijna uitverkocht – natuurlijk komen er vandaag veel mensen niet opdagen.’ Hij telde het geld voor haar neer en ging naar binnen.

Inderdaad waren de rijen slecht bezet en dat bleef ook zo. Terwijl hij voor het doek zat en de muziek begon – een viool, een fluit, een bas en een Turkse trom – dwaalden Senders gedachten naar steeds verdere verten af… Maar toen het doek opging, was hij toch één en al oor. Hij kon het gemekker van Stickler als Fips lang niet zo komisch vinden als Jütte het vroeger gevonden had, maar de derde akte uit Maria Stuart boeide hem erg; Linden als Elizabeth en Hoheneichen als Mortimer waren weliswaar afschuwelijk, maar over Schönau moest hij tegen zichzelf weer zeggen: ‘Wat jammer van haar! Wat jammer!’ De arme Können zorgde als Paulet weer voor hilariteit. Toen de andere klucht van de “onsterfelijke” Kotzebue met Stickler, Schönau en Hoheneichen afgelopen was, zouden de “voordrachten en liederen” volgen. Maar nauwelijks had Schönau de eerste strofen van De handschoen gesproken, of de noodklok begon plotseling weer te luiden – een paar slagen maar – om daarna weer stil te vallen.

Het publiek stond op en rende naar de uitgang. Iedereen, ook Sender, wist direct welke jobstijding het korte signaal verkondigde: de brug lag in puin. ‘En drie geniesoldaten verongelukt,’ hoorde Sender voor het logement. Op straat waren het er al tien. De nacht was pikzwart, het stroomde van de regen: Sender ging terug.

In de gelagkamer zat nog niemand van de toneelspelers; haastig nam hij een paar happen, liet Ruben papier en schrijfgerei brengen en ging naar zijn kamer om de brief aan Nadler te schrijven. ‘Ja, ja, Moskal,’ knikte hij naar zijn metgezel, ‘nu moeten we geld vragen en schulden maken.’

Hij had pas een paar regels geschreven, toen er op de deur geklopt werd. Nog voor hij “Binnen!” had kunnen roepen, kwam Schönau binnen; blozend stond hij op.

‘U hoeft niet te blozen,’ zei ze. ‘Gooi me ook niet de kamer uit. Ik doe u niets en ik wil u niet eens een kus geven.’ Dat zei ze half ernstig en half lachend, maar nadat ze de deur achter zich dichtgetrokken had, vervolgde ze ernstig: ‘Stickler heeft me gestuurd. Wat hij biedt, dat weet u. Hij is een gierigaard, maar wat hij belooft dat doet hij, en anders kreeg hij trouwens ook met mij te doen. De brug is nu weg, hier leeft u op uw paar groschen – als u die hebt; u hebt geen goede reden meer om nee te zeggen. Waar bent u eigenlijk bang voor? Voor het derderangstheater? Dat is die ene keer nog niet besmettelijk. Voor mij?’ Ze lachte even en keek hem vervolgens weer ernstig aan. ‘Ik doe u niets. Als ik wou,’ vervolgde ze dreigend, ‘lag u binnen twee minuten daar’ – ze wees naar de grond voor haar voeten – ‘en dan deed u alles wat ik wou. Maar dat wil ik niet. Ik ben nu eenmaal zo, maar voor één ding heb ik respect: voor talent. “Je vergist je,” zei ik tegen Stickler, “die wil ik niet op mijn geweten hebben.” Dus wat moet ik nu tegen hem zeggen?’

‘Dat ik niet meega,’ zei Sender vastbesloten, maar vermeed het haar aan te kijken. Hij vond haar lach niet gevaarlijk, maar haar ernst wel. Ze keek nu weer net zo als tijdens de repetitie. ‘Neemt u me niet kwalijk, maar ik kan niet…’

‘Waarom niet? Het derderangstheater schrikt u af? U hoeft het daar niet bij te laten. Alle groten zijn zo begonnen –‘

‘– En geëindigd,’ vulde hij aan. ‘En hoeveel zijn er niet verstikt, die wat hadden kunnen worden. Mijn leraar heeft me uit een boek dat hij gelezen had veel voorbeelden gegeven.’

‘Daar hebben we geen boeken voor nodig.’ Ze lachte even. ‘Zo’n voorbeeld staat voor u. Maar wat bewijst dat voor u?’

Hij keek naar de grond. ‘Ik weet het niet,’ zei hij zacht. ‘Ik gruw ervan… Maar u, juffrouw, als u inziet dat u – u bent toch een groot talent,’ vervolgde hij en zijn stem klonk steeds vaster en warmer. ‘En aan uw leven hier beleeft u toch geen plezier… U zou bij een groot gezelschap kunnen spelen… Waarom bent u bij Nadler weggegaan? Het is zo jammer van u… En er is nu nog tijd genoeg…’

‘U vergist zich,’ antwoordde ze. ‘Nu niet meer… Ik zit al te diep in de rotzooi, tot aan mijn nek, ook met mijn hele denken. Ik kan geen nieuwe rol meer instuderen, die lelijke gedachten komen ertussen, en als ik op het toneel sta – soms word ik meegesleept, maar dan moet ik weer de parterre in kijken… Het is geen wonder, ik heb zelf al zoveel rotzooi meegebracht…’

‘Zo moet u niet praten,’ zei hij. ‘Dat is toch treurig… Maar als u bij een beter gezelschap zou zijn… Misschien weer bij Nadler.’

‘Die neemt me niet meer,’ antwoordde ze. ‘En hij heeft gelijk, dat hij het niet doet. Ik heb hem vorig jaar mei al vanuit Chorostkow geschreven. Daar had namelijk ook iemand op mijn gemoed gewerkt, net als u nu: een meisje, de dochter van de waard daar…’

Sender maakte onwillekeurig een beweging.

‘Kent u haar misschien?’ vroeg ze. ‘Salmenfeld heette ze, geloof ik.’

‘Ja,’ antwoordde Sender. ‘Ik ken haar toevallig, ze is een goed en verstandig meisje.’

‘Jazeker, alleen een beetje betweterig. Ze praatte onuitstaanbaar, net een boek. Maar ze bedoelde het goed. Nou, op haar aandringen heb ik Nadler geschreven. Geen antwoord. Toen probeerde ik het een paar weken geleden nog een keer. Deze keer gaf hij antwoord: hij wees me kortweg af.’

‘Misschien als ik het voorstel,’ zei Sender schuchter. ‘Talenten zijn toch zeldzaam…’

‘Dank u wel. Maar dat heeft geen zin… Dus – wat moet ik tegen de directeur zeggen? Ik moet nu gaan: vandaag is er weer een souper in de achterkamer.’ Ze liet weer haar korte, gillende lachje horen. ‘U ziet dat Nadler gelijk heeft!’

Hij voelde zijn weerzin opkomen. ‘Ik ga niet mee,’ zei hij.

Ze schudde haar hoofd. ‘Maar dat heeft echt geen zin. Denk erover na tot morgenvroeg. We moeten eigenlijk om zes uur weg, maar het wordt wel acht uur voor we vertrekken. Tot ziens!’

Ze stak haar hand uit. Hij raakte aarzelend haar vingers. Maar ze drukte zijn hand warm en stevig.

‘Het ga u goed! We zien elkaar vast nooit meer terug!’ Haar stem beefde. ‘Misschien kan ik ooit nog vertellen… Onzin!’ onderbrak ze zichzelf. ‘Over een jaar ben ik dood… Vaarwel!’

Ze ging weg. Diep getroffen staarde hij haar na, en het duurde lang voor hij verder kon schrijven aan zijn brief. Hij was heel moe, maar de slaap wilde niet komen, en vervolgens hoorde hij nog in zijn droom haar korte, gillende lach.

De volgende morgen werd hij gewekt door een klop op de deur. De klok wees zeven uur. ‘Stickler,’ dacht hij en hield zich stil.

Die was het inderdaad. ‘Collega! Hoort u me niet? Doe niet alsof u doof bent! Beste Kurländer, zes gulden, als het moet! Maar komt u…’

Hij zweeg.

‘Zeven gulden!’ Ten slotte hoorde hij de man vloekend weglopen.

Snel stond Sender op en ontbijtte haastig. ‘De toneelspelers waren allemaal heel ongelukkig dat u niet mee wilde,’ meldde Ruben. ‘Alleen moest ik van Können zeggen dat u er goed aan gedaan hebt.’

Sender rende naar de post en liet de brief aantekenen. Toen hij ook voor een expresbrief wilde betalen, zei de beambte glimlachend: ‘Bespaar u de moeite. We kunnen de brief via Halicz en Kolomea sturen. Maar binnen vier dagen is hij in geen geval in Czernowitz.’

Sender schrok, want daar had hij niet bij stilgestaan. ‘Dan wil ik een telegram sturen,’ zei hij en vroeg een formulier. Maar hij vond in zijn verwarring niet de juiste woorden en moest telkens om een nieuw formulier vragen. Daarop zei de beambte ten slotte: ‘Stelt u dat telegram maar thuis in alle rust op. Dat maakt niets uit. Het kruiende ijs heeft namelijk ook de telegraafleiding vernield. We moeten nu langs een enorme omweg door Hongarije en Zevenburgen proberen verbinding met Czernowitz te leggen. Voorlopig gaat het niet – daar ligt al een hoop officiële telegrammen. Het maakt helemaal niets uit of u me het telegram vandaag of morgenochtend geeft.’

Diepbedroefd sloop Sender weg.

Onwillekeurig sloeg hij de bekende weg naar het bastion in. Van verre drong het dreunen en kraken van de schotsen tot zijn oren door. Nog was het kruien van het ijs in volle gang, zover het oog reikte – de grijze rivier was met blokken en puin bedekt. Van de brug was alleen nog maar de pijler te zien waarom de ketting gewonden was en de andere lag in de rivier. De regen was opgehouden en je kon ver uitkijken over de woestijn van de wateren…

Langzaam liep hij terug naar het hotel en bleef op het pad naar de deur staan. Daar kwam Hritzko aan; hij nam zijn hoed af, bleef staan, krabde zich achter zijn oren en zei ten slotte: ‘Neemt u me niet kwalijk, meneer, maar mag ik u iets vragen? Bent u misschien – neemt u me niet kwalijk – die joodse schurk uit Barnow die zich als toneelspeler verkleed heeft? Die moet ik arresteren.’

Sender werd lijkbleek, maar de ernst van de situatie gaf hem zijn tegenwoordigheid van geest terug. ‘Nee,’ antwoordde hij, ‘die is gisteren al naar Lemberg vertrokken.’

‘Goddank,’ zei Hritzko opgewekt. ‘Daar zal ook meneer de burgemeester heel blij mee zijn. “Er is namelijk geen arrestatiebevel,” zegt hij tegen Silberstein. “Ik krijg daar last mee,” zegt hij, “en dat de joden in Barnow het willen is niet genoeg.” Maar omdat Silberstein het vroeg, eergisteren al en vandaag weer, heeft hij uiteindelijk toegegeven. “Voor mijn part,” zegt hij, “grijpen we die vent en zetten we hem op transport. Hritzko,” zegt hij, “je hebt nu toch niets te doen, want de brug is weg.” Dus hij is naar Lemberg?’

‘Ja,’ antwoordde Sender, ‘met de post. Telegrafisch kunnen jullie hem nog te pakken krijgen.’

‘Dat kunnen de joden wel,’ zei Hritzko, ‘wij van het bureau hebben er niets meer mee te maken. Maar wat zullen ze kwaad zijn! “Ik heb het slim aangepakt,” zegt Silberstein. “Alleen de waardin heb ik in vertrouwen genomen. Die schurk heeft geen idee!” zegt hij. Nu heeft hij het toch geroken – hèhè! Vriendelijk dank, weledele heer.’ Hij nam zijn strohoed af en ging weg.

Met een zucht van verlichting keek Sender hem na. Daarop rende hij naar zijn kamer en was een paar minuten later klaar om te vertrekken. Hij legde een gulden op tafel, want meer kon de kamer in geen geval kosten. Nu moest hij nog ongemerkt zien te ontsnappen. Hij sloop de achtertrap af met de hond, die leek te begrijpen wat er aan de hand was en geluidloos met zijn staart tussen zijn poten achter hem aan kwam. Goddank kwam hij niemand tegen.

Door de poort van de binnenplaats ging hij de straat op en liep zonder op de richting te letten door: als hij de stad maar uit was, het gaf niet waar. Ten slotte stond hij voor een tolhuis. ‘Waar gaat deze weg heen?’ vroeg hij de tolgaarder.

‘Naar Borszczow,’ was het antwoord.

Hij aarzelde even, maar ging toen op weg. ‘Misschien is dit het beste,’ dacht hij. ‘Vijf gulden heb ik nog, zeven wil Stickler betalen. Dan hoef ik Nadler helemaal geen telegram te sturen; daarmee haal ik Czernowitz, als ik zuinig ben. En omdat ze in het logement weten dat ik niet mee wilde, zoeken ze me in Borszczow misschien het laatst.’

 

Hoofdstuk 35

Hij stapte door zo snel hij kon.

Maar dat ze hem ook zochten! Dat zijn moeder hem liet vervolgen als een misdadiger, ondanks zijn brief en ondanks zijn erfenis! Nu het gevaar een ogenblik geweken was, werd hij overmand door verontwaardiging. O, zo’n hardheid, zo’n bekrompenheid had hij niet achter haar gezocht! Maar ze had er niets aan, want er waren niet overal burgemeesters die onwettige bevelen uitvoerden om de chassidiem terwille te zijn. Ze zouden hem niet krijgen – nee! ‘Ik word waar God me voor bestemd heeft…’

En hij ging steeds sneller lopen. Maar dat hield hij niet lang vol; hij moest langzamer lopen en daarna helemaal stilstaan, want de steken in zijn borst gingen te veel pijn doen. Nu kreeg hij een hoestbui – en schrok zich dood. Daar was weer diezelfde, zoetig-zoutige smaak in zijn mond, die hij maar één keer geproefd had, maar nooit vergeten was: bij die verschrikkelijke scène voor de rabbi. Bevend haalde hij zijn zakdoek tevoorschijn en drukte die tegen zijn mond: ja, bloed. Wanhopig keek hij om zich heen – rondom het moeras van de akkers, de doornatte weg, nergens een mens te bekennen en naast hem alleen de hond, die kwispelend om hem heen sprong. ‘Mijn Heer en mijn God,’ smeekte hij, en zijn hand omklemde het gebedenboekje in zijn jas, ‘laat me zo niet sterven!’

Het leek erop dat de hemel zijn gebed wilde verhoren. Hij moest wel telkens hoesten, en soms kwam er nog een rode druppel over zijn lippen, maar tot een bloedspuwing leek het deze keer niet te komen. Met knikkende knieën vervolgde hij zijn weg en keek telkens weer achterom, of er geen wagentje aankwam dat hem mee kon nemen. Eindelijk zag hij een kar, maar die kwam hem tegemoet. Er zat een joodse jongen op de bok. Sender hield hem aan. Of hij niet een paar grote wagens tegengekomen was?

‘De paljassen? Ja. Voor de herberg van Rosatyn. Een halve mijl hiervandaan.’

Ze werden het snel eens over de prijs, de jongen keerde het wagentje en liet het paard flink draven. ‘Dat is aardig van je,’ zei Sender.

De jongen keek hem met grote ogen aan. ‘Dat is in mijn belang,’ zei hij. ‘Des te sneller zijn we er. Maar u ziet zo bleek, meneer, alsof u doodgaat. Bij mijn vader in de wagen is een keer een heer gestorven en daar heeft hij veel narigheid mee gehad.’

Eindelijk bereikten ze het dorp. Voor de herberg stonden nog de wagens: een vroegere meubelwagen met de decors en kostuums en een levensmoede omnibus voor het personeel. Toen Sender afstapte, kwam het gezelschap juist naar buiten om de reis voort te zetten.

‘Hoera!’ riep Stickler. ‘Juichen, jongens! Leve Kurländer!’ Ook de anderen kwamen blij om hem heen staan, alleen Birk niet, die met een korte hoofdknik in de wagen klom.

‘Maar wat bent u bleek!’ riep Schönau. ‘En er zit bloed op uw lippen. Wat is er aan de hand?’

‘Niets,’ zei hij haastig. ‘Een beetje hoest, ik heb kou gevat… Gaan we?’ vroeg hij de directeur.

‘Hij heeft er zin in!’ riep Stickler, ‘hij gaat naar de plaats waar hij zijn triomf zal vieren! Ja, mijn zoon, je zult als Shylock de harten van de Borszczowers veroveren en je krijgt nog drie gulden bovendien.’

‘Vijf!’ zei Schönau, terwijl ze haar voet van de treeplank haalde. ‘Anders ga ik niet mee.’

Stickler keek haar aan. Dat gezicht kwam hem bekend voor. ‘Heb ik hem vijf beloofd?’ vroeg hij. ‘Dan natuurlijk vijf. Stickler houdt woord. Stap in! Rijden!’

Ze klommen in de omnibus, alleen Können niet, die naast de koetsier van de meubelwagen zat; daar zaten ook ergens de kinderen van Linden ingepakt. Schönau wees Sender zijn plaats tussen Linden en Mayer, op de middelste bank, waar het stoten van de wagen het minste voelbaar was; zij had daar eerst gezeten, maar ging nu tegenover hem zitten. De directeur moest in de hoek en Hoheneichen naast de koetsier.

‘Stinkstokken weg!’ beval ze Stickler, toen die een sigaar aan wilde steken. ‘En zeg niets tegen Kurländer, want die mag niet praten.’

‘Om dat beetje hoest,’ lachte Stickler. Maar Sender keek haar dankbaar aan. Hij had koorts en voelde zich vreselijk zwak. Met zijn ogen dicht zat hij zwaar te ademen, en alleen als er weer een druppel kwam, hield hij zijn zakdoek voor zijn mond.

‘Dat overkomt de gezondste mensen,’ ze Stickler. En Mayer vertelde een lang verhaal over een tuberculeuze graaf, die een ongelukkige liefde voor haar had opgevat en uiteindelijk aan ouderdomszwakte gestorven was. Maar Schönau onderbrak haar: ‘Houd op! Je kunt ook een keer je mond houden.’

Langzaam hobbelde de omnibus door de diepe modder van de hoofdweg die van de Dnjestr naar het noordoosten loopt – Borszczow ligt dicht bij de Russische grens – links en rechts, zover het oog reikte, drassige hei en modderige akkers. Langzaam begonnen de reizigers te knikkebollen, Stickler en de “parel van Temesvar” zaten hoorbaar te snurken. Telkens als hij opkeek, zag Sender dat alleen de ogen van Schönau op hem gericht waren. ‘Hoe gaat het?’ vroeg ze zacht.

‘Beter,’ antwoordde hij. Hij loog, maar toen de zon doorbrak, voelde hij zich werkelijk beter en nadat hij in de herberg waar ze middagpauze hielden soep gegeten en wat wijn gedronken had, begon de matheid in zijn leden te verdwijnen. ’s Middags werd ook het hoesten minder. ‘Het zal wel overgaan,’ dacht hij, ‘het zou ook ontzettend zijn als het niet overging. Nu ziek worden en doodgaan! Zo hard kan de Algoede niet zijn!’

Er heerste al diepe duisternis, toen ze eindelijk het stadje bereikten en stilhielden voor het logement. De waard kwam hen tegemoet. Sender kromp ineen: waar had hij die lelijke gierenkop eerder gezien? Pas de naam, Salomon Wohlgeruch, zette hem op het goede spoor: het was de broer van die rebbe Elias, die als kind ooit zijn arm gebroken had. Hij kende de man niet; die was voorzover hij wist nooit in Barnow geweest.

Sender ging direct naar de kamer die hem aangewezen werd. Hij wilde alleen zijn, maar kon niet verhinderen dat Schönau zelf hem de thee bracht; daarna kwam Birk moeizaam binnenstrompelen en ging op zijn bed zitten.

‘Probeer u te ontzien,’ zei hij. ‘Houd moed, denk aan uw toekomst!’ Hij bleef tot hij aan Senders ademhaling merkte dat de zieke ingeslapen was. ‘Zo wreed kan de natuur niet zijn,’ mompelde hij. ‘Om zo haar eigen werk te vernietigen… Maar ze is vaak zo wreed… o zo vaak! Hij sloop naar buiten, zo zacht als zijn wankele passen hem toestonden.

Toen Sender midden in de nacht wakker werd, zag hij bij het schijnsel van het nachtlichtje iets bewegen in de hoek van de kamer. ‘Moskal!’ riep hij. De hond sloeg aan uit een andere hoek. Het schepsel daar was Können. Op zijn tenen kwam hij aangeslopen.

‘Houd je bij mij de wacht?’ vroeg Sender geroerd. ‘Na zo’n reis?’

‘Niet praten!’ zei de kleine man. ‘Ga maar slapen. Mij maakt het niets uit. Ik ben van ijzer… Helaas!’ voegde hij er bijna onhoorbaar aan toe.

Sender hoorde het niet. En daarop viel hij weer in slaap. Ook deze keer, net als na de ontzettende zwerftocht van woensdag, leek de natuur zichzelf te willen helpen. Hij sliep tot de middag en toen hij opstond, was de koorts gezakt. Hij hoestte wel meer dan anders, maar nu kwam er bijna geen bloed meer.

In de gelagkamer werd hij begroet door zijn collega’s – nu waren ze het toch geworden – alsof hij uit de dood was opgestaan.

‘We spelen de Koopman pas woensdag,’ deelde Stickler hem mee. ‘Schönau wil dat – morgen is een rustdag. De bezetting is een kunstenaar als jou waardig… Hoheneichen doet Antonio, Marocco en Arragon; Birk doet Bassanio en Oude Gobbo; Schönau Porzia en Lancelot; Können Tubal en Lorenzo; Linden Jessica en Graziano; ik doe de Doge en Salarino; Mayer doet Nerissa en Solanio… Alle andere rollen vervallen.’

Diepe ontzetting stond op Senders gezicht te lezen.

‘Het wordt een modelvoorstelling!’ riep Stickler. ‘Goede souffleur hier gevonden. Al op de repetitie, woensdag tien uur, zul je grote ogen opzetten. Tot die tijd ben je vrij en je kunt gaan wandelen.’

Dat deed Sender niet. Hij bleef de rest van de dag op zijn kamer en bekeek ook maar één akte van Kabaal en liefde. De zaal was nog kleiner en smeriger dan die in Zaleszczyki, maar bijna vol en de mensen applaudisseerden uit alle macht. Dat stelde hem gerust en hij sliep snel in, ondanks de angst voor zijn debuut, en het liep dinsdag al tegen de middag, toen hij in de gelagkamer verscheen.

Daar legde Können de laatste hand aan de affiche voor morgen. ‘Om te zorgen dat u zich bij uw debuut niet ergert,’ zei het mannetje, ‘heb ik deze keer de christelijk-joodse toestanden achterwege gelaten, al leent het stuk zich daar nog beter voor dan Deborah. Inderdaad was de affiche vrij van dat soort dubbelspel, en zelfs de titels waren aan beide kanten hetzelfde, en het waren er niet minder dan vijf: De koopman van Venetië of De handel en wandel van christenen en joden of Wat in een kistje zitten kan of Hoe snijd je uit een levend mens een pond vlees zonder een druppel bloed te vergieten of Liefde, wraak en wanhoop. Sender werd aangekondigd als De heer Alexander Kurländer, bijgenaamd “Dawison de Tweede”, een van de grootste talenten van heden en verleden, lid van verscheidene wereldtheaters, op doorreis van Berlijn naar Wenen onherroepelijk alleen deze ene keer als gast.

Hij schrok. ‘Wat verwachten de mensen nu wel?’ riep hij.

‘Minder dan ze zullen vinden,’ zei Können. ‘Ik heb u tot nu toe niets over de repetitie verteld,’ vervolgde hij stamelend. ‘U denkt – uit jaloezie – en daarin hebt u niet helemaal ongelijk – er was ook jaloezie bij. Maar hoofdzakelijk was het de gedachte: “Je bent het niet waard om hem te loven.” Hij pakte Senders hand en drukte die. ‘Hier, ter herinnering heb ik voor u een eigen affiche gemaakt. Let op: hij komt een keer in een museum, zowaar als ik een armzalige stumper ben. Maar hoe voelt u zich? Beter, hoop ik. Want u had een goede nacht: u hebt maar twee keer gehoest, zonder wakker te worden.’

‘Hebt u bij me gewaakt?’ riep Sender geroerd.

‘Ja, na de voorstelling ben ik naar binnen geslopen en in alle vroegte weer naar buiten. Moskal is een slim beest, hij wist dat ik zijn baasje niets zou doen… Niets te danken,’ zei hij haastig, toen Sender dat wilde doen.

De avond bracht Sender door met Birk op diens kamer. De arme man zag er frisser uit dan Sender hem ooit gezien had en vertelde veel uit de beste jaren van zijn leven, vooral over het Burgtheater en daarna over de ellende van de derderangsgezelschappen. Sender begreep de bedoeling. Om negen uur stuurde Birk hem weg. ‘Naar bed. Morgen moet je gezond zijn.’

‘Dat lukt wel,’ antwoordde Sender met schitterende ogen. Het was allemaal meegevallen. En wat een toekomst had hij voor zich!

Deze keer deed hij de deur op slot. Hij vond het een pijnlijke gedachte dat de arme man die zich overdag zo inspande nu misschien ook vannacht op de grond moest doorbrengen, alsof hij zijn hond was. Daarna lag hij lang verzaligd met open ogen te dromen, maar nog mooiere dromen bracht de slaap. Daar was alles wat hij van de toekomst verwachtte werkelijkheid: hij stond op een toneel en had een grote, welverlichte en goedbezette zaal voor zich, die nog veel, veel groter was dan de theaterzaal in Czernowitz, met rood pluche op alle stoelen en daarop mooie vrouwen en heren met onderscheidingen en officieren, en daar – daar was de jonge Keizer… Hij had juist de scène met Tubal gespeeld en allemaal applaudisseerden ze, zelfs de Keizer, en ze riepen: ‘Kurländer!’ Sommigen stampten ook op de vloer en dat stampen werd steeds sterker en een stem riep: ‘Sender!’ De stem van zijn moeder. Maar hoe kwam die in het Burgtheater? Maar nu zwegen alle andere stemmen en alleen zij riep: ‘Sender!’

Hij ging rechtop zitten en wreef zijn ogen uit. Barmhartige God, dat was geen droom meer. Het was klaarlichte dag en dat was de kamer in het logement in Borszczow en buiten klonk het kloppen en roepen van zijn moeder: ‘Sender! Doe open! Dit heeft geen zin!’

Half bewusteloos zakte hij terug in de kussens; zijn gedachten tolden door elkaar heen. Maar dat duurde maar een paar seconden, want hij sprong uit het bed naar het raam. De kamer lag op de begane grond; voor zij de deur openkreeg, was hij allang aangekleed en buiten. Maar dat ging hoogstens even door zijn hoofd. Vluchten? Waarom? En toen buiten weer klonk: ‘Dit heeft geen zin’, wierp hij koppig zijn hoofd in zijn nek. ‘O jawel,’ dacht hij, ‘mijn recht om over mezelf te beschikken zal me helpen.’

‘Ik doe open,’ zei hij. ‘Wacht tot ik aangekleed ben.’

Toen hij klaar was, legde hij zijn hand op het boekje, dat op het nachtkastje lag. ‘God, laat me niet vergeten dat het mijn moeder is.’ Om kracht hoefde hij niet te smeken.

Hij deed de deur open. Zijn moeder kwam binnen en achter haar aan drong de marschallik de kamer in. Moskal blafte tegen de binnenkomers. Sender riep: ‘Koest!’ Dat was het enige woord dat hij uit kon brengen, zo diep was hij geschokt door de aanblik van zijn moeder: een oude, maar krasse vrouw had hij achtergelaten, maar een gebroken bejaarde vrouw stond voor hem. Ook zij staarde hem aan met ogen vol ontzetting; misschien net zo om zijn kleding als om zijn ziekelijke gezicht.

‘Moeder,’ begon hij ten slotte. ‘Je bent voor niets gekomen… Het spijt me dat je mijn brief niet wilde begrijpen…’

‘O, ik heb hem heel goed begrepen!’ riep ze. ‘En wat ik nog niet wist, heb ik van de waard en de waardin hier kunnen horen. Een afvallige, die met andere verworpenen zijn leven probeert te rekken door gekke streken uit te halen. Dat is het grote wat je hart je gebiedt en waar God je voor bestemd heeft!’

‘Je moet het ook aan anderen vragen,’ antwoordde hij. Hij probeerde haar duidelijk te maken welk doel hij zich gesteld had; hij verwees naar Nadlers brieven en naar zijn engagement in Czernowitz.

Ze hoorde hem ongeduldig aan. ‘Waanzin,’ mompelde ze telkens weer. ‘Waanzin en zonde.’

Maar de marschallik vroeg: ‘Sender, je was vorig jaar zo ziek – en nu heb je weer bloed opgehoest; ben je voor zo’n leven wel gezond genoeg?’

‘Met Gods hulp wel.’

‘Haal God er niet bij!’ riep ze wild. ‘Je bent ziek en als je zo leeft ga je eronderdoor! Maar ook als je gezond voor me stond, zou ik je bezweren: “Keer om, zolang het nog kan! Kom naar huis!”’ En toen hij zijn hoofd schudde, zei ze tandenknarsend: ‘Dan dwing ik je. De rechters weten dat een minderjarige toestemming van zijn moeder nodig heeft.’

‘Succes!’ antwoordde hij grimmig.

Ze wilde nog heftiger tekeergaan, maar de marschallik kwam tussenbeide.

‘Niet op zo’n toon!’ smeekte hij. ‘Of je gedwongen kunt worden, weet ik niet, daar denken de mensen verschillend over. Maar je moet je niet laten dwingen. Nee, bij God niet! Denk aan je gezondheid en aan je oude moeder. Je brengt haar voortijdig in het graf. Kijk dan toch!’

Sender kon geen antwoord geven, hij kreunde alleen maar en keerde zich van hen af. En zo bleef hij ook staan, toen ze naar hem toeging.

‘Sender!’ riep ze met gevouwen handen. ‘Je hebt geschreven dat ik meer voor je gedaan heb dan welke moeder ook – is dit je dank? Wil je het met geld betalen? Hier is je geld!’ Ze trok een portefeuille tevoorschijn en gooide die op tafel. ‘Tel maar na, er ontbreekt niets!’

Haar woede gaf hem zijn zelfbeheersing terug. ‘Ik neem het niet aan!’ riep hij. ‘Het is van jou! En alles wat ik zal verdienen. Maar met mijn leven kan ik niet betalen!’

‘En dus moet ik het doen!’ schreeuwde ze. Het volgende ogenblik knielde ze aan zijn voeten neer. ‘Sender,’ snikte ze, ‘je moeder ligt voor je op haar knieën en smeekt om haar leven! Maar nee – niet om haar leven – alleen om een rustig sterfbed.’

Hij trok haar overeind en sloeg zijn armen om haar heen. ‘Je moet mijn hart niet verscheuren,’ mompelde hij met bleke lippen… ‘Een rustig sterfbed! Denk je dat God net zo oordeelt als rabbi Manasse? Je kunt in vreugde leven en in vreugde sterven, ook als je zoon toneelspeler wordt!’

‘Nee!’ schreeuwde ze. ‘De rabbi? Dat hoeft geen rabbi me te vertellen!’

Weer kwam de marschallik tussenbeide. ‘Kom met ons mee, Sender, ga met onze dokter in de stad praten! Misschien kan die je moeder kalmeren. Het hangt voor jou toch niet van een paar weken af?’

‘Nee!’ riep ze. ‘Ook als de dokter het goedvindt. Ik vind het niet goed. Kies maar!’

‘Ik heb gekozen,’ antwoordde hij. ‘Een moeder mag heel veel van haar kind verlangen – maar zoveel niet!’

Weer wilde ze voor hem op haar knieën vallen. De marschallik hield haar tegen. ‘Juffrouw Rosel,’ zei hij. ‘Hij is ziek. En zo wordt u het. Ontzie hem en uzelf en ga in vrede uit elkaar. Zoals God het wil – wat gezegd moest worden, is gezegd.’

‘Nee, ik ga niet!’ gilde ze. ‘Nee! Nee! Nee!’ Ze zag er huiveringwekkend uit. Haar ogen gloeiden als die van een krankzinnige en ze was alle zelfbeheersing kwijt. ‘Mijn leven op aarde heb ik voor een vreemd kind opgeofferd, maar mijn leven in het hiernamaals niet! Ik wil rustig sterven, ik wil zijn ouders kunnen zeggen –‘

‘Moeder,’ stamelde Sender ontzet. ‘Barmhartige God,’ dacht hij, ‘ze is krankzinnig geworden…’

Ook de marschallik was verbleekt tot op zijn lippen. ‘Juffrouw Rosel,’ mompelde hij, ‘om godswil, wat zegt u daar?’

‘Nu kan niets me meer schelen!’ riep ze wild. ‘Hier heb ik ellendig geleefd omwille van hem – mijn zaligheid geef ik niet op voor hem. Vóór zijn arme vader, Mendele Kowner, in een greppel stierf, was zijn laatste woord: “Mijn zoon mag alles worden, alleen geen sjnorrer!” En je moeder, vrede zij met haar, heb ik het beloofd, dat word je niet…’ Ze drukte haar linkerhand als in doodsangst op haar hart en strekte haar rechterhand uit. ‘Wat moet ik nu tegen ze zeggen? Wat? Wat?’

Sender bleef doodstil staan; alleen zijn bleke lippen trilden. Star keek hij haar aan en vervolgens de marschallik. Toen hij zag dat de ogen van de oude man vol diep medelijden op hem gericht waren, sloot hij de zijne en liet zich als verpletterd op de stoel zakken die naast hem stond.

Daarna was het heel lang stil; alleen de opgewonden ademhaling van de drie mensen was te horen.

Toen stond Sender wankelend op, tastte naar het boekje en bracht het naar zijn lippen. Hierna verborg hij zijn gezicht en barstte in hevig snikken uit.

Ook juffrouw Rosel begon hevig te huilen. Ze wilde naar hem toe gaan, maar de marschallik hield haar tegen.

‘Kom,’ fluisterde hij, en toen ze hem niet volgde, herhaalde hij gebiedend: ‘Kom. Nu is hij uw zoon niet meer; laat hem alleen met zijn ouders.’ En tegen Sender: ‘Je ziet ons beneden.’

Al waren er twee uren verstreken, Sender liet zich nog niet zien. Daarop slopen de twee naar zijn deur en waagden zich ten slotte naar binnen.

Ze troffen hem in dezelfde houding als waarin ze hem achtergelaten hadden: de ene hand hield het boekje vast en de andere bedekte de ogen. Toen ze voor hem stonden, richtte hij zich op. Zo bedroefd had de oude man zijn lange leven nog geen menselijk gezicht gezien, en toch klonk Senders stem wel toonloos, maar vast: ‘Ik ga mee.’

‘Sender!’ jubelde ze en wilde op hem af rennen. De marschallik hield haar tegen.

‘U moet hem beloven,’ zei hij, ‘dat u er niets op tegen hebt, als onze dokter toestemming geeft… Anders overleeft hij de pijn niet,’ fluisterde hij tegen haar. En vervolgens weer hardop: ‘Het is niet voor altijd. De doden mogen niet verlangen dat de levenden zich voor hen opofferen.’

‘Zoals God het wil,’ antwoordde Sender. ‘Mijn ouders – dat zou ik voor mijn rekening nemen. Maar een vreemde heeft haar leven voor mij opgeofferd, dus mag zij mijn leven daarvoor eisen.’

 

Hoofdstuk 36

Het duurde een volle week tot de drie het tolhuis in Barnow weer bereikt hadden. Ze moesten stapvoets rijden en dat per dag maar een paar uur en moesten zowel in Zaleszczyki als in Tluste twee dagen rusten. Want juffrouw Rosel haalde haar pleegzoon wel terug, maar als een ernstig zieke. De koorts werd steeds erger en het hoesten steeds pijnlijker. De waarschuwing van een dokter, dat hij niet mocht praten, was overbodig en met zijn ogen dicht en doffe treurnis op zijn gezicht lag hij in de wagen. Hij leed eronder dat zijn moeder zich voor hem inspande en als ze hem liefdevol moed insprak en het over de zomer had, die hem net als vorig jaar helemaal genezen zou, kon hij het zelfs over zijn hart verkrijgen om te glimlachen. Maar onrustig werd hij, als de marschallik bij wijze van troost zei dat de dokter in de stad hem in de zomer toch toestemming zou geven om te doen wat zijn hart hem ingaf, en dat zijn moeder zich daar dan ook wel in zou vinden. Daar wilde hij niet aan herinnerd worden, dat was voorgoed voorbij, en zijn pijn daarover was zo vreselijk, dat hij ineenkromp als de vreemde hand vol medelijden de wond beroerde die alleen de dood kon helen.

Zo afgestompt en dodelijk bedroefd bleef hij ook de eerste weken na zijn thuiskomst. Stil lag hij, met zijn hand op de kop van zijn trouwe hond en met een lege blik, op de sofa van de huiskamer of in de leunstoel bij de kachel, want die bij het raam vermeed hij angstig. Niemand had hem verteld hoeveel opzien zijn vlucht in het stadje gebaard had en welke vervloekingen en verwensingen hij over zich afgeroepen had door in Duitse kleding thuis te komen; waarschijnlijk vermoedde hij het, maar niet om die reden meed hij de stoel bij het raam. Niemand zien, door niemand gezien worden en rustig sterven, dat was het enige wat hij nog wilde. Zelfs de bezoeken van de marschallik en zijn dochter haalden hem niet uit dit doffe getob, al waren die twee mensen hem nog zo lief en al vond hij hun medeleven nog zo roerend. Als ze kwamen, gingen ze ook gauw weer weg, want hijzelf vroeg nooit iets; hij luisterde nauwelijks naar wat ze vertelden, maar leek alleen al door hun aanwezigheid onrustig te worden. Maar één keer, toen hij hoorde dat de nieuwe advocaat en zijn vrouw de komende weken verwacht werden, kwam er leven op zijn gezicht. ‘Dan kan ik nog afscheid van haar nemen,’ dacht hij, maar meteen daarop stond zijn gezicht weer mat: ‘waarom, ze voelde toch nooit iets voor me?’ Ook zijn Duitse boeken raakte hij niet meer aan, terwijl hij het gebedenboek nauwelijks nog uit handen legde; maar ook over zijn ouders vroeg hij niets: voor zijn gevoel was hij immers al naar hen op weg!

Heel bezorgd waren de drie mensen die aan hem gehecht waren, maar alleen de marschallik en Jütte begrepen dat het niet alleen de hoest was die hem gebroken had. Juffrouw Rosel gaf wel toe dat hij bedroefd was, ‘maar,’ zei ze, ‘dat komt door zijn ziekte.’

Ze twijfelde er geen moment aan dat ze juist gehandeld had en kon niet inzien dat ze een offer geëist en gekregen had. Integendeel: als de hemel hem zijn gezondheid teruggaf, was dat mede haar verdienste, want in dat ellendige leven onder hoeren en zwervers was hij toch ten onder gegaan.

Ze was ontdaan, toen de dokter op een dag het tegendeel zei. Dat gebeurde na zijn tweede bezoek, begin april. Toen juffrouw Rosel hem de eerste keer liet komen, wist hij van Sender alleen wat de mensen in Barnow vertelden: dat de rusteloze man bij rondtrekkende kunstenmakers beland was en door zijn moeder teruggehaald – dat kon hem niet bijzonder interesseren. Hij onderzocht de zieke en vond dat er reden tot bezorgdheid was, maar dat de zaak niet hopeloos was en dat Sender er door goede voeding, gemoedsrust en een melkweikuur in de zomer nog heel redelijk van af kon komen. Maar sindsdien – hij was ook de arts van het klooster – had pater Marianus hem over Sender verteld en dat wekte zijn medeleven. Al liet juffrouw Rosel hem niet meer komen – Sender had haar zo dringend gevraagd dat niet te doen, dat ze het nagelaten had – kwam hij op een dag weer aan.

Hij onderzocht de zieke en schudde zijn hoofd. Daarna verzocht hij de vrouw hem met Sender alleen te laten en zei: ‘Ik denk nu dat ik uw levensverhaal ken; het is echt het verhaal van een martelaar. Maar u hebt de afloop tenminste voor een deel in eigen hand. Zoals u nu voor me ligt, bent u een schoolvoorbeeld van hoe een zieke niet moet zijn: apathisch, zelfs wanhopig. Zo wordt u nooit gezond.’

Sender maakte een afwerend gebaar met zijn hand: ‘Dat word ik toch nooit meer.’

‘Dan weet u meer dan ik,’ antwoordde de dokter. ‘Hoe het met u gesteld is, heb ik een paar weken geleden al gezegd. U zult zich ook in het beste geval uw hele leven iets meer moeten ontzien dan anderen, in het slechtste geval veel meer, maar dat laatste zal zich denk ik niet voordoen. U hebt iets van uw vader geërfd, en in mijn jonge jaren waren zijn kracht en uithoudingsvermogen haast spreekwoordelijk. Iemand die er na een bloedspuwing, zoals u een jaar geleden had, en na de vreselijke inspanning en opwinding van uw laatste zwerftocht met alleen een zware hoest vanaf komt, hoeft niet te wanhopen.’

Sender lag zwaar te ademen en gaf geen antwoord. Ook de dokter zei niets meer, want ieder woord was zinloos. Wel zei hij buiten juffrouw Rosel zijn mening: ‘Deze terugkeer was voor zijn ziekte het ergste wat hem kon overkomen. Daar wilde hij leven en hier wil hij sterven.’

Dat trof haar hard, maar ze geloofde het toch niet echt.

Des te beter begreep pater Marianus de mededeling van de dokter. ‘Kon ik maar bij hem op bezoek!’ riep hij en stuurde Fedko met een brief naar Sender, waarin hij aanbood op bezoek te komen of tenminste boeken te sturen.

De portier kwam bedroefd terug. ‘Met onze arme gek is het gauw afgelopen,’ zei hij. ‘Hij wil geen van beide.’

Ook het bezoek van Malke en haar man, die zich meteen na hun komst via Jütte meldden, wees hij af. Toen ze van de dokter hoorden hoe hij eraan toe was, vroegen ze in een hartelijke brief of ze mochten komen. Hij bleef bij zijn besluit.

Maar Jütte gaf het niet op. ‘Je moet naar hem toegaan!’ riep ze tegen haar vriendin, die haar nu als huishoudster in huis genomen had. ‘Je moet het doen.’ Ze wrong haar handen. ‘Anders gaat hij dood!’ riep ze ontdaan en begon hevig te snikken.

Malke keek haar verbaasd aan: tranen was ze van het dappere meisje niet gewend. ‘Jutta,’ zei ze heel ernstig. ‘Je noemde liefde een keer een “christelijke mode”…’

‘Ik houd niet van hem!’ riep Jütte heftig. ‘Maar ik zou mijn leven ervoor geven als ik dat van hem kon redden.’

Ze dreef haar wil door. Op een dag kwamen doctor Salmenfeld en zijn vrouw bij de zieke langs. Sender was heel opgewonden, en toen ze hem hartelijk toespraken werden zijn ogen vochtig. Maar hij antwoordde alleen maar: ‘Zeg niet dat ik beter moet worden. Waarom? Om bij Dovidl nummers te schrijven?’

‘Om een groot kunstenaar te worden!’ riep Malke.

‘Dat is voorbij. Een doodzieke man! En als dat ook niet – mijn pleegmoeder eist dat offer, zij moet het eisen, en ik moet het brengen.’

‘Beste meneer Glatteis,’ zei de advocaat, ‘alleen het eerste is waar. Volgens u moet uw pleegmoeder zich houden aan de laatste woorden van uw ouders. Maar u? Uw arme vader was op zijn manier een beroemd man; we hebben genoeg over hem gehoord om te weten: als hij nog leefde, zou hij u daarom niet vervloeken, want hij begreep het verschil tussen een sjnorrer en een kunstenaar. En juffrouw Rosel spreekt maar in zekere zin in zijn naam…’

Sender schudde zijn hoofd. ‘Dat kan allemaal wel waar zijn, maar voor haar was dat toch het ergste. En alleen daar gaat het om. Zij heeft haar hele leven op aarde geofferd – moet ik haar dan haar toekomstige zaligheid afnemen?’

Maar deze gesprekken wekten toch zijn belangstelling: hij probeerde over het leven en het karakter van zijn vader meer te weten te komen. De marschallik kon hem veel over Mendele vertellen en de betekenis van de aantekeningen in het gebedenboek werd Sender nu duidelijk. Maar juffrouw Rosel vertelde hem over de arme Miriam, hoe zachtmoedig en vroom die geweest was en hoe goed en dankbaar. Ook was er nog een van de mannen in leven die Mendele toen de laatste eer bewezen hadden en zijn lichaam van de eenzame plaats waar hij gestorven was naar de “goede plaats” in Barnow hadden gebracht. Dat was Meyerl Kaiseradler, de dienaar van de joodse gemeente. Maar zijn verhaal schokte Sender diep, want op de vraag waar die eenzame plaats geweest was, antwoordde Meyerl: ‘Dicht bij de kleine kapel, waar het voetpad naar Biala van de weg afbuigt.’ Dat was de plek waar Sender door de orkaan de greppel in geslingerd was, en de kapel waar hij bij zijn redding het boekje had laten liggen. Hij vond het niet toevallig; nu wist hij wiens geest op dat uur boven hem gezweefd had om hem te redden. Maar waarvoor? Voor zo’n einde?

Eind april kwam er een brief van Nadler uit Czernowitz, die nu pas door toeval gehoord had waarom Sender niet gekomen was. De directeur leefde van harte met hem mee en vroeg hem de moed niet op te geven om de ziekte de baas te worden; hij kon blijven vertrouwen op zijn steun. Dat het toeval bestaan had uit een brief van Salmenfeld, wist Sender niet, maar wel wat hij moest antwoorden. Hij bedankte de directeur met roerende woorden en nam afscheid van hem.

Toen zou er in zijn leven weer iets verschrikkelijks gebeuren, wat tegelijk een zegen en een ramp was.

Een van de eerste meidagen had Sender het er met juffrouw Rosel over dat hij binnenkort jarig zou zijn en tegelijk voor het eerst de sterfdag van zijn moeder zou kunnen herdenken, toen de marschallik binnenkwam. Sender zag meteen dat hij slecht nieuws had, maar kreeg niet te horen waar het over ging; de oude man vertelde het juffrouw Rosel in de gang. Het moest iets heel ergs zijn, want toen ze terugkwam, keek ze bleek en ernstig, al antwoordde ze op Senders vraag: ‘Het is niets belangrijks.’

Toch moest het wel degelijk belangrijk zijn, want een uur later hoorde Sender op de gang behalve de stem van Türkischgelb ook die van Dovidl. Maar van zijn haastige praten kon hij maar een paar woorden verstaan. ‘En dat heeft die schurk, die stumper van een Luiser allemaal op zijn geweten.’ En ten slotte: ‘Maak u niet druk, want ik ken de wet. Volgens de wet kan hij u niets maken.’

Die verzekering leek haar niet gerustgesteld te hebben: toen ze in de huiskamer terugkwam, was ze nog opgewondener. Tevergeefs vroeg Sender nog een keer waardoor dat kwam. Ze bleef bijna aan één stuk door voor het raam staan om uit te kijken over de weg. Toen – het schemerde al – schreeuwde ze plotseling ontzet: ‘Daar is hij!’ en stoof de gang in. Meteen daarop hoorde hij een ruwe stem die hij niet kende, klaarblijkelijk de stem van een dronken man, die brulde: ‘En jij moet me vertellen dat je me niet opneemt? Waarom heb je me dan laten zoeken?’

En daarna haar gillende geroep: ‘Ga weg, Froim, of ik roep om hulp!’

Tot zover had Sender stijf van schrik zitten luisteren. Nu raapte hij al zijn kracht bijeen en rende de gang op. Hij kwam nog net op tijd. Voor Rosel stond een oude, vreselijk verwaarloosde bedelaar, die juist de zware ijzeren haak gegrepen had waarmee de tolboom ’s nachts vergrendeld werd en die nu boven het hoofd van de oude vrouw zwaaide.

‘Schreeuw maar!’ brulde hij. ‘Maar eerst sla ik je dood!’

Bliksemsnel wierp Sender zich tussen Froim en haar. Het zware ijzer trof zijn hoofd in plaats van het hare. Hij sloeg tegen de grond, het dreunde in zijn oren en het laatste wat hij wist was dat er een warme stroom over zijn hoofd vloeide. Daarna raakte hij bewusteloos.

Drie weken lag hij verdoofd tussen leven en dood en de dokter was iedere dag bang dat hij het niet zou halen; zo’n zware verwonding en zo’n hevige wondkoorts kon het verzwakte lichaam nauwelijks verwerken. Hij deed wat in zijn macht was en ook verder ontbrak het de zieke niet aan liefdevolle verzorging en medeleven. Jütte woonde nu in het tolhuis om dag en nacht beschikbaar te zijn en de marschallik kwam iedere dag, net als Salmenfeld en zijn vrouw; meer nog: op een dag kwam pater Marianus binnen en boog zich pijnlijk getroffen over zijn arme leerling, die hem niet herkende. Het bezoek bleef in het getto niet onopgemerkt en baarde als bijna ongehoorde gebeurtenis groot opzien, maar het kon de plotselinge omslag in de stemming niet beïnvloeden. Nu dweepten de joden van Barnow weer met de man die ze kort tevoren overladen hadden met de zwaarste vervloekingen. Hij had zijn leven gewaagd om dat van zijn moeder te redden: nu was hij ondanks zijn Duitse kleren niet eens een mens meer, maar een engel. Iedere dag kwamen drommen mensen vragen hoe het met hem ging; wie iets bijzonder lekkers had, stuurde het naar de zieke. Dat een gewelddaad als die van Froim in het Podolische getto uiterst zeldzaam was, vergrootte het enthousiasme; de dikke Simche, die toevallig voorbijgekomen was en de misdadiger ontwapend had, werd als een held gevierd. De mensen hadden Froim het liefste gelyncht en het was goed dat de voorzitter van de gemeente hem achter slot en grendel had gezet.

‘Zo zijn ze,’ zei de dokter tegen de advocaat, ‘even mateloos in hun leven als in hun haat. Maar al die zegen helpt de arme jongen niet.’

Niet die zegen en misschien niet eens de offervaardige verzorging, maar zijn taaie natuur leek de zieke te zullen redden. De wond begon te helen en de verdoofdheid verdween. Toch bleef de dokter bezorgd.

‘Zijn genezing is zoiets als een klein wonder,’ zei hij tegen de pater, ‘maar grote wonderen bestaan in de natuur niet. Zonder dat ongeluk was hij wel weer redelijk gezond geworden, voor zover hij dat echt wilde. Nu ben ik bang dat hij nog maar een paar maanden te leven heeft. Kon ik die maar wat opwekkender voor hem maken! Maar met het bewustzijn komt ook de apathie terug, waar in werkelijkheid een diepe wanhoop achter zit.’

‘Gaat u toch met zijn moeder praten,’ smeekte Marianus, ‘dat die haar verzet tenminste opgeeft. Toneelspeler wordt hij toch niet meer.’

De dokter nam de marschallik in vertrouwen. De oude man was buiten zichzelf van verdriet.

‘Dat mag God niet toestaan!’ riep hij. ‘Misschien vergist u zich toch. Maar de vrouw – die breng ik wel op andere gedachten.’

Hij had te veel beloofd, misschien doordat hij de oude vrouw niet alles zeggen mocht. Maar hij bereikte wel dat ze hem bezwoer met geen woord meer te protesteren, behalve als Sender er ernst mee zou maken. Dan zou ze wel weten wat ze de de doden verschuldigd was.

Het kwam echter minder op haar aan dan de vrienden dachten. Met verbazing zag de dokter hoe opgewekt het gezicht van de zieke stond, toen hij voor het eerst weer bij zijn volle bewustzijn was. Vóór hem was Jossef Grün langsgeweest om de groeten en beste wensen van de gemeente over te brengen – maar kon dat op Sender zo’n diepe indruk gemaakt hebben? Hij was zo zwak, dat zijn bleke gezicht nauwelijks kon glimlachen, maar zijn ogen schitterden, en toen de dokter zich over hem heen boog, fluisterde hij: ‘Dokter, ik word toch weer gezond?’

De dokter bevestigde dat direct.

‘Ik wist het wel,’ fluisterde hij met een verzaligde glimlach. ‘Ik voelde het in mijn hart. Zo gezond dat ik toneelspeler kan worden?’

De dokter knikte.

‘Maar dan moet u meehelpen,’ voegde hij er bijna bars aan toe om zijn ontroering de baas te worden. ‘Nu geen droevige gedachten meer.’

‘Daar is geen reden meer voor,’ fluisterde Sender. ‘Iedereen zegt het en ik voel het ook: de schuld is afgelost. Nu weet ik waarom ik die nacht in de kapel niet gestorven ben…’

 

Laatste hoofdstuk

De schuld was afgelost en hij kon toneelspeler worden – alleen de ziekte versperde nog de weg naar zijn doel. Zelden had de dokter zo’n dappere, opgewekte en gemakkelijke patiënt gehad als Sender nu was, maar ook zelden een die de goedhartige man zo vaak tot een barse toon gedwongen had. Die tegenstelling tussen het roerende geloof van de zieke en de harde werkelijkheid maakte telkens weer een diepe indruk op hem.

De anderen verheugden zich echter over de verandering en kregen nieuwe hoop, ook de pater en de marschallik. Moesten ze de dokter eerder geloven dan hun eigen ogen? Sender werd immers zienderogen sterker, zijn gezicht had een blos, zijn ogen glansden en ook de hoest was bijna helemaal verdwenen; hij werd wel kortademiger, maar ook dat kwam wel in orde. Vooral door zijn moed en zijn zelfvertrouwen zagen ze niet hoe zijn toestand werkelijk was.

Nu was alles anders dan vroeger; hij was blij met elk bezoek en praatte met de vrienden ook over zijn plannen; kort weliswaar, omdat de dokter veel praten verboden had, maar uit ieder woord sprak een rotsvast vertrouwen. Juffrouw Rosel ervoer dat elke keer als een regelrechte steek in haar hart, maar ze zweeg om haar belofte na te komen. Ook las hij nu weer ijverig, en toen hij voor het eerst uit bed mocht, schreef hij een lange brief aan Nadler, waarin hij vertelde hoe het met hem ging, dat hij nu op weg was naar genezing en hoopte niet afgewezen te worden als hij zich – hopelijk gauw – meldde voor zijn engagement. De directeur antwoordde per kerende post uit Lemberg: Sender bleef altijd welkom, en nu kon hij hem ook betere voorbeelden laten zien dan in Czernowitz, want hij was benoemd als directeur van het theater in Lemberg en nam in de herfst de leiding over.

Sender was dolgelukkig; alle vrienden moesten de brief lezen. ‘In de herfst ben ik allang weer beter,’ zei hij. ‘De dokter heeft het me beloofd.’

Inderdaad had de dokter dat in ieder geval niet tegengesproken, toen Sender aandrong op een antwoord en dat vervolgens zelf gegeven had. ‘In de herfst gaan we dan wel door met liegen,’ dacht hij vol medelijden, ‘als het nodig mocht zijn –‘ Maar hardop zei hij: ‘Natuurlijk moet u eerst nog naar Delatyn voor de melkweikuur.’ Die kon Sender niet meer genezen, maar wel zijn ademnood verlichten.

De zieke had er vrede mee; half juni zou hij vertrekken. Maar nu was de vraag wie met hem mee moest, want de dokter stond erop dat hij niet alleen zou gaan. Juffrouw Rosel kon haar werk niet in de steek laten en bovendien had ze de doodsangst tijdens Senders vlucht nog niet goed overwonnen en was de laatste maanden veel verzwakt. Jütte? Die had het graag gedaan, maar het fatsoen stond het niet toe. Ook Sender zag dat zuchtend in, want hij had zich geen beter gezelschap kunnen wensen. Het meisje was hem door haar onzelfzuchtige goedheid heel dierbaar geworden en hij hield van haar als van een zuster.

‘Nüssele,’ zei hij op een keer, ‘wat heb je toch een hart van goud! Daarom versta en begrijp je alles – alleen door je hart. Ik denk altijd: waar halen we een man vandaan die je waard is?’

Het deed haar veel pijn, als hij dat zei, maar ze beheerste zich.

‘Zo iemand is nog niet geboren,’ antwoordde ze, ‘en daarom moet ik ongetrouwd blijven.’

‘Nee hoor,’ antwoordde hij glimlachend. ‘Hij is al onderweg. Als hij komt en ik ben hier niet meer, dan wil ik toch op de bruiloft zijn, al moet ik ervoor uit Berlijn of Hamburg komen. Dan kom ik met een grote kist vol cadeaus, Nüssele, en kijk naar de gelukkige die de beste vrouw ter wereld krijgt.’

Ze keerde zich om en ging snel de kamer uit, want dat kon ze niet aan. Behalve de dokter wist zij het beste hoe het met Sender gesteld was; ook dat voelde ze in haar hart, het hart dat van hem hield.

Er was al besloten dat er een gehuurde verzorger met Sender mee zou gaan, toen het lot voor een betere verpleger zorgde.

Toen Sender op een middag met de marschallik op het bankje voor het huis zat, onder de lindenboom, stond de oude man plotseling op en riep, wijzend naar de weg: ‘Daar is die kleine joodse speler uit Borszczow!’

Sender keek op en ook hij herkende Können direct. Met langzame passen en gebogen hoofd kwam de kleine man aanlopen met een rugzakje op zijn rug. Toen hij Sender zag, bleef hij stijf van blije verbazing staan en rende toen op hem af.

‘U leeft dus nog!’ riep hij en pakte zijn hand. ‘U leeft!’

‘Natuurlijk,’ antwoordde Sender. ‘Niet mijn geest. Voel maar: vlees en bloed, als is het nog een beetje weinig. Zeiden ze dat ik dood ben?’

‘Goddank!’ riep de kleine man, zonder de vraag te beantwoorden, en begroette vervolgens ook de marschallik, die hem vriendelijk de hand drukte. Zonder Könnens hulp had hij Sender in Borszczow maar moeilijk van Stickler los kunnen weken; de directeur had vijftig gulden schadevergoeding geëist en pas na protest van Können ten slotte met vijftien genoegen genomen.

‘Komt u als kwartiermaker?’ vroeg Sender. ‘Ik ben bang dat dat in Barnow moeilijk wordt.’

De kleine man schudde zijn hoofd. ‘Ik ben geen toneelspeler meer,’ zei hij somber. En nu zag Sender pas dat er een woud van zwarte stoppels op zijn gezicht woekerde.

‘En het gezelschap?’

‘Opgeheven,’ antwoordde Können met een pijnlijke trek om zijn mond. Daarop begon hij te praten, keek naar de marschallik en zweeg weer.

De oude man begreep de blik en liet de twee alleen.

‘Ik ben blij dat u eindelijk weg bent,’ zei Sender. ‘Het was hoog tijd…’

‘Dat was het,’ antwoordde Können, ‘maar ik ben niet weggegaan…’ Hij keek naar de grond en zijn lippen trilden. ‘Dat had ik nooit gekund… Ze is…’

‘Dood?’ riep Sender geschokt. Hoe ze ook geweest was, ze had medelijden met hem gehad. ‘Wat jammer! Zo’n talent! Maar ze was nog zo jong en zo’n fleurig mens.’ Toen herinnerde hij zich haar gillende lach en haar wanhopig gepraat. ‘Heeft ze misschien zelf…?’

Können knikte, want spreken kon hij niet. ‘Ze heeft zichzelf vergiftigd,’ bracht hij er ten slotte uit. Maar het duurde lang voor hij vertellen kon: ‘U weet nog wel dat Birk ooit veel voor haar gedaan heeft en er weinig voor teruggekregen heeft. Ze heeft hem eerst bedrogen en hem vervolgens aan de kant gezet. Hij heeft daar nooit een woord over gezegd en misschien was ik de enige die wist dat dat de pijnlijkste ervaring was uit de laatste jaren van die ongelukkige man; sinds de breuk met Schönau ging hij steeds sneller achteruit. En hij was ertoe veroordeeld om haar iedere dag te zien, en verdroeg dat ook, alleen zei hij behalve op het toneel nooit een woord tegen haar. Rond half mei – we waren net in Kolomea – zei hij voor een voorstelling van De rovers tegen me: ‘Ik ben bang dat ik het eind vandaag niet haal.’ En inderdaad: meteen in de eerste scène – hij speelt de oude Moor en Hoheneichen vertelt juist over Karls verdorvenheid, begint hij bij de woorden Mijn schuld is het! te kreunen, hij grijpt naar zijn hoofd en zakt zacht rochelend in elkaar. En dat was zo griezelig, dat het publiek aangedaan was en iedereen zei: “Geweldig!” En Hoheneichen merkt ook niets en spreekt verder, maar bij de volgende claus viel Birk niet meer in. Het was een zenuwinzinking…’

‘Ontzettend,’ mompelde Sender.

‘Voor hem was het een verlossing,’ vervolgde Können, ‘alleen was hij niet meteen dood. Hij heeft drie dagen liggen rochelen en woorden liggen lallen die ik niet verstaan kon. Want ik verpleegde hem en ik was heel bedroefd, want hij had me nooit uitgescholden. Maar dat was in die tijd niet mijn grootste verdriet, maar’ – hij haperde – ‘maar waarom zou ik het niet vertellen als het goddank niet waar was? – De souffleur van Nadlers gezelschap, met wie ik bevriend ben, schreef me dat u op sterven lag… Nou, terwijl ik de derde dag bij hem zit en zie dat het niet lang meer kan duren, wordt er op de deur geklopt; ik ga kijken: Schönau. Ze zag er verschrikkelijk uit. “Mijn geweten laat me niet met rust,” zegt ze, “misschien vergeeft hij me voor zijn dood nog!” En al raad ik dat af, ze gaat naar binnen. Er gaat een stuiptrekking over zijn gezicht en hij probeert zijn hand op te steken. “Weg!” roept hij. “Ferdinand!” snikt ze en valt neer voor zijn bed. Toen komt hij plotseling overeind en lalt: “Weg! Hoer! Moordenares!” En hij zakt achterover en sterft, en nog in de dood was op zijn gezicht de afschuw en de woede te zien…’

Hij haalde diep adem en vervolgde: ‘Drie dagen liep ze rond zonder een woord te zeggen, maar met een gezicht – wij voelden dat er iets ergs ging gebeuren. Toen wordt Stickler bang en smeekt een paar edelen om haar uit te nodigen voor een souper. En ze zegt ja. “Genoeg gejammerd,” lacht ze, “de duivel haalt ons toch allemaal!” Maar het souper begint en ze is er niet. En toen iemand naar haar kamer ging om haar te halen – – –‘

‘Ze was meteen dood?’ vroeg Sender.

Können knikte. ‘Blauwzuur: ze kan niet geleden hebben.’ Weer haalde hij diep adem. ‘Over mezelf wil ik het niet hebben… Na de begrafenis zei ik tegen Stickler: “Nu ga ik ook weg.” En al tutoyeerde hij me opeens weer, de schoft, bleef ik bij mijn besluit. Met de drie anderen kon hij niet verder – en zonder die affiches! – en daarom is het gezelschap opgeheven. Ze zoeken nu ieder apart een ander engagement, alleen Linden niet, die wordt werkster in Czernowitz.’

‘En wat bent u van plan?’ vroeg Sender.

‘Ik hoop dat doctor Bernhard Salmenfeld me hier op zijn kantoor aanneemt. En is er bij hem geen plaats vrij, dan probeer ik het ergens anders. Voor mezelf ben ik niet bang.’

‘Ik ook niet,’ zei Sender. ‘En ik feliciteer u, dat – neem me niet kwalijk, u noemde het zelf zo – dat de waanzin afgelopen is.’

‘Können schudde zijn hoofd.

‘De toneelspelerswaanzin, daarin hebt u gelijk. Maar die andere…’

Hij keerde zich om, pakte zijn stok en zijn rugzak en ging na een zwijgende groet op weg naar de stad.

Salmenfeld wilde de man, van wie hij wist dat die betrouwbaar was, graag in dienst houden, maar moest eerst zijn medewerker ontslaan. Daardoor was Können de komende tijd vrij en graag bereid met Sender mee te gaan naar Delatyn. Juffrouw Rosel was wel een beetje bezorgd: een vreemde en ook nog een voormalige “speler”! Maar haar wantrouwen was ongegrond, want zelfs Moskal was niet trouwer aan zijn baas.

Voor ze op reis gingen bezocht Sender voor het eerst de graven van zijn ouders. Rabbi Manasse had de vreemdelingen ooit de rustplaats aan de muur van de begraafplaats toegewezen die bestemd was voor de armsten, maar Sender zag dat de graven goed onderhouden waren en juffrouw Rosel had ook voor twee statige grafstenen gezorgd. Hij bleef lang op de grafheuvel van zijn vader zitten, die van die van zijn moeder gescheiden was door een smalle ruimte, die nog net toereikend was voor een graf. ‘Tijdens mijn leven was ik niet bij hen,’ dacht hij, ‘maar in mijn dood wil ik wel bij hen zijn, waarheen mijn weg me ook brengt. Hier is het na een lang en hopelijk zegenrijk werk het beste rusten.’ En hij vroeg de marschallik nog dezelfde avond bij de joodse gemeente het graf te reserveren. ‘Ik voel,’ zei hij, ‘dat ik lang zal leven. Wie weet hoe overvol de begraafplaats dan is. Er mag niets vreemds tussen ons komen.’ De oude man kon hem al de volgende dag de bevestiging van de gemeente overbrengen.

Het gehucht Delatyn ligt in de Karpaten, ongeveer twaalf mijl van Barnow; het wordt om zijn kruidige dennenlucht en zijn krachtige melkwei veel door longpatiënten bezocht. Daar bracht Sender met zijn trouwe Können zes mooie, stille weken door. Ze begaven zich niet onder de mensen; Sender had genoeg aan het gezelschap van de kleine man, want met hem kon hij over het theater praten. Daarbij de boeken, de mooie natuur en de hoop al over twee maanden naar Lemberg te gaan: hij voelde zich gelukkig en had zich bijna niets meer te wensen.

Ook met zijn gezondheid ging het steeds beter. De zwakte wilde weliswaar niet verdwijnen, maar in de spiegel zag hij een voller gezicht en het ademen ging lichter. Zelfs de dokter was even blij verrast, toen Sender na zijn terugkeer op zijn spreekuur kwam. Maar de blijdschap vervloog, toen hij zijn stethoscoop op de borst van de zieke zette. Toch sprak hij hem niet tegen, toen die vroeg: ‘In september kan ik toch zeker naar Lemberg?’ Wel overlegde hij met Salmenfeld. ‘Nu moeten we weer profiteren van het feit dat u een kennis bent van Nadler,’ zei hij. ‘Die moet hem met de een of andere toespeling op een engagement in de lente troosten. De arme jongen is op zijn laatst in november uit zijn lijden verlost.’

De directeur haastte zich om de wens van Salmenfeld te vervullen, alleen pakte hij de zaak deze keer, ondanks de beste bedoelingen, niet zo handig aan. Hij vroeg Sender om tot april geduld te hebben, omdat er in de eerste weken van het winterseizoen een hele serie gastvoorstellingen zouden zijn: eerst kwam Dawison en daarna kwamen Rettich, La Roche en Fichtner. Nu moest een beginner voortdurend begeleid worden en juist de eerste weken waren beslissend voor een hele artistieke carrière, en hij zou door de gastvoorstellingen geen tijd voor hem hebben.

Deze reden begreep Sender niet helemaal, maar omdat hij gewend was iedere aanwijzing van Nadler als een orakelspreuk op te vatten, ging hij akkoord en dacht er verder niet over na. ‘Het is dus voorbestemd,’ dacht hij, ‘dat mijn engagement in de lente begint, al is het een jaar later. Maar Nadler heeft vast wel bedacht dat de vertraging het minste nadeel oplevert.’ De naam Dawison wekte echter hevige beroering in zijn hart. De beroemdste Duitse toneelspeler van zijn tijd, afkomstig uit hetzelfde volk als hij, die ooit begaan was geweest met zijn lot, in Lemberg – en hij zou hem niet zien! Dawison had in december vorig jaar, wist hij, zijn engagement aan het Burgtheater beëindigd en trad nu op als gast; ze zeiden dat hij naar Amerika wilde – wat als die gelegenheid zich nooit meer voor zou doen? En toen hij in de Weense krant die Salmenfeld hem te lezen gaf het bericht vond dat de artiest behalve Mephisto en Richard III ook Shylock zou spelen, vertelde hij zijn pleegmoeder dat hij besloten had naar Lemberg te gaan. Ze protesteerde hevig, want ze besefte nog steeds niet hoe zijn toestand was en kon niet tolereren dat hij nu serieus naar het toneel wilde. Het verzet was zinloos, des te meer omdat de dokter er

ook geen bezwaar tegen had. ‘Waarom zou ik die doodarme jongen dat plezier niet gunnen?’ zei hij tegen Salmenfeld. ‘Maar Können moet wel mee.’ En zo gebeurde het.

Het gastoptreden zou plaatsvinden in de laatste dagen van september en de twee vertrokken al een week eerder om de reis van vier dagen op hun gemak te kunnen maken. Sender was dolgelukkig: wat een genot stond hem te wachten! En het weer was warm en zonnig, het wagentje comfortabel, Nadler was op de hoogte en had gezegd dat hij blij zou zijn om hem terug te zien – de vrienden hadden inderdaad voor alles gezorgd; in het koffertje lag zelfs een mooi zwart pak, opdat hij zich waardig aan de artiest voor zou kunnen stellen. Als Können die eerste uren naar hem keek, kon hij zich nauwelijks voorstellen dat er een doodzieke naast hem zat. Maar al gauw werden de gevolgen van de inspanning merkbaar: de arme jongen snakte naar lucht en de schokkende bewegingen zorgden voor zoveel pijn, dat hij ondanks al zijn zelfbeheersing zacht moest kreunen. Geschrokken liet Können al in het eerste plaatsje stilhouden; in plaats van dezelfde dag waren ze pas de volgende dag in Buczacz, de stad van zijn jongensstreken, die hij ooit zo overhaast had moeten verlaten, en hier moesten ze een volle dag rusten. Daarna ging het net zo en zelfs nog slechter. De eerste twee gastoptredens moesten ze nu missen, want ze kwamen pas de dag voor de laatste voorstelling in Lemberg aan.

Sender was bedroefd, maar niet wanhopig. ‘Ze zeggen dat Shylock zijn belangrijkste rol is,’ zei hij, ‘dus het beste hoef ik niet te missen.’ Sterker nog: hij ontdekte aan zijn tegenspoed zelfs nog een goede kant. ‘Ik ben toch nog niet zo hersteld als ik dacht; misschien heeft het spelen me nu nog te veel aangegrepen; in april, na een rustige winter, zal het veel beter gaan.’

De volgende dag bezochten ze Nadler in zijn directiekantoor. De weekhartige man had moeite om zijn diepe ontsteltenis over Senders uiterlijk te verbergen. Maar hij beheerste zich snel, heette hem hartelijk welkom en presteerde het zelfs om met Sender over rollen te praten die hij hem het volgende voorjaar wilde geven. Voor de avondvoorstelling nodigde hij de twee uit in zijn loge en beloofde Sender de volgende middag aan Dawison voor te stellen. Moeizaam ademend, maar met trotse, stralende ogen keerde Sender aan Könnens arm terug naar zijn hotel.

’s Middags bracht de directeur hen beiden een tegenbezoek. Sender lag te rusten en alleen Können ontving hem. Nadler liet zich door hem uitvoerig informeren, ook over die repetitie in Zaleszczyki. Toen hij over Birks oordeel vertelde, riep Nadler bedroefd: “En Birk had een feilloos instinct, zoals ieder groot talent! Ik zal het mezelf altijd kwalijk blijven nemen dat ik hem toen niet direct meegenomen heb!’

Können wilde hem in de rede vallen.

‘Ik weet wat voor excuses ervoor aan te voeren zijn,’ zei Nadler, ‘maar het zit me toch dwars. Het is al treurig genoeg, als een talent door zijn eigen schuld te gronde gaat zoals Birk. En dan die Sender! Waarom moet hij sterven? Zijn misdaad is dat hij nergens anders Duitse boeken kon vinden dan in de onverwarmde bibliotheek van het klooster in Barnow.’

Al lang voor het begin van de voorstelling zaten de twee in de loge. Met kloppend hart bekeek Sender het indrukwekkende huis, dat juist volstroomde. De plaats waar hij zou gaan werken! Daarna dacht hij aan niets anders dan de vreugde die hem vandaag te wachten stond. Zelden zal iemand zo naar een voorstelling gekeken hebben dan de arme, bleke jongen, die de mensen in zijn omgeving af en toe stoorde met zijn hoest. Toen het doek opging voor de eerste scène met Shylock, pakte hij onwillekeurig Könnens hand, want het duizelde hem en hij kon de spanning nauwelijks aan.

Toen – een stormachtig applaus, dat de zaal ervan dreunde – daar was Dawison.

Voorovergebogen en zwaar ademend zat Sender daar en verwonderde zich over de grime: hij had nooit gedacht dat Shylock er zo oud en lelijk uit moest zien, maar de manier van spreken en het spel maakten hem direct duidelijk dat de interpretatie een duidelijke eenheid vormde. Wat een bewegingen, wat een stem: de nerveuze, omfloerste klank, waarin de onderdrukte haat sidderde, ging hem door merg en been. Bij de claus Signor Antonio, u hebt al heel wat keren enzovoort werden zijn ogen vochtig. ‘En ik was trots op mijn declamatie!’ dacht hij. De erkenning van zijn eigen ontoereikendheid en de vreugde van het horen van zo’n kunstenaar grepen hem in gelijke mate aan. Het verging hem net zo bij de volgende scènes, maar hij voelde de diepste emotie bij de eerste scène van de derde akte. Als je ons steekt, bloeden we dan niet? Als je ons kietelt, lachen we dan niet? Dat was geen toneelspeler meer, maar een arme, ongelukkige man, die de ellende van hem en zijn broeders lang onuitgesproken met zich mee gedragen had, die alles zonder klagen ondergaan had en nu opeens woorden vond voor zijn vreselijke verdriet. De tranen stroomden over Senders gezicht; toen aan het einde van de scène het donderende applaus losbarstte, bleef hij bewegingloos zitten, maar zijn lippen mompelden: ‘Mijn Heer en mijn God, ik dank u!’

Zo sterk kon niets meer op hem inwerken, en in de rechtbankscène, waar Dawison de bloeddorstigheid met de schrilste middelen aanschouwelijk maakte – hij wette zelfs het mes aan zijn zool – betrapte Sender zich zelfs op de gedachte: ‘Is dat wel nodig?’ Toch was hij ook hier vol warme bewondering, en toen het doek na de vierde akte gevallen was, stond hij op.

‘Kom mee,’ fluisterde hij tegen Können.

‘Voelt u zich niet goed?’ vroeg die bezorgd.

Sender schudde zijn hoofd. ‘Nee,’ antwoordde hij. ‘Maar van die kunstenaar kwam Gods adem aangewaaid, en de anderen zijn maar mensen.’

Die nacht deed Sender geen oog dicht. Naast het geluk dat hij zoiets had mogen zien voelde hij ook kleinmoedige twijfel aan zijn eigen talent. Maar daarna kwam de troost: ‘In talent mag hij me dan honderdmaal overtreffen, in enthousiasme niet. Als ik geen groot kunstenaar word, dan toch in ieder geval een eerlijk kunstenaar.’ En die gedachte stelde hem zo gerust, dat hij in de ochtendschemering eindelijk in slaap viel.

’s Middags haalde Nadler hem af voor het bezoek aan Dawison; die verbleef in een hotel dicht bij dat van Sender. De directeur had Dawison goed voorbereid: de kunstenaar wist dat hij de ten dode opgeschreven jongen het laatste grote plezier van zijn leven kon bezorgen en ontving hem dan ook heel hartelijk.

‘Onze lotgevallen lijken zo op elkaar,’ zei hij. ‘Strijd tegen de armoede en de vooroordelen! Ik heb wel Pools op school kunnen leren, maar de chef sekwestratie voor wie ik de stukken in het net moest schrijven, zal niet heel anders geweest zijn dan uw juridisch adviseur. En Duits heb ik als klerk op de redactie van de Gazeta op eigen kracht moeten leren. En het is toch gelukt! Ik hoop dat dat een troost is, beste collega.’

Sender kon geen antwoord geven; hij keek de hele tijd naar het beweeglijke, scherpgesneden gezicht. Hij, Sender, de paljas, was bij Bogumil Dawison en die noemde hem zijn collega. Het leek een droom.

Daarna sprak Dawison over zijn tijd in Lemberg, hoe hij op voorspraak van Laube bij het Burgtheater gekomen was en ten slotte ook door hem werd verdrongen. ‘Maar dat mag u niet van de wijs brengen,’ vervolgde hij haastig. ‘Natuurlijk heeft het leven van een artiest ook zijn schaduwkanten. Maar toch: wie ervoor in de wieg gelegd is, die moet met geen koning willen ruilen!’

Sender knikte, zijn ogen glansden, hij was sprakeloos en kon aan het eind nauwelijks een woord van dank uitbrengen. Ook van Nadler nam hij op hetzelfde moment afscheid.

‘Ik weet het,’ zei hij. ‘Ik zou van u nog een paar voorstellingen mogen zien, maar ik voel me alsof ik in de zon gekeken heb; daarna kun je een tijdlang niets anders zien. Ook moet ik mezelf nu echt ontzien om volgend voorjaar hier te kunnen beginnen. Kan ik misschien – maar u mag niet boos worden – pas eind april komen, omdat het weer dan betrouwbaarder is?’

Nadler knikte alleen maar, want spreken kon hij niet. Pas twee dagen later vertrokken de twee ’s ochtends. Können had na alle opwinding die extra rust geëist. Toch bekroop hem op de terugreis vaak de angst dat de man die aan hem toevertrouwd was onderweg zou sterven. Maar toch ging het, sterker nog: even argeloos als hij vertrokken was, kwam Sender terug. ‘Ik ben wel zwak,’ zei hij tegen de dokter, ‘maar dat is na zo’n reis normaal.’

Daarom bleef hij ook de volgende morgen geduldig in bed. Hij had minder pijn dan de afgelopen tijd en pakte de boeken die hij van Salmenfeld te leen gekregen had. En daar stuitte hij op het citaat: Wie de goden liefhebben, die sterft jong.

Kort daarop kwam pater Marianus bij hem. Sender vertelde over de vreugde die de reis naar Lemberg hem gebracht had en zei toen: ‘U hebt me zo vaak iets geleerd, doet u dat dan ook vandaag. Deze zin begrijp ik niet.’ Hij wees hem aan.

‘Die is positief bedoeld,’ zei de pater met bevende stem. En hij sprak over de teleurstellingen en gebreken van de ouderdom. ‘Wie jong sterft, heeft het mooiste wat het leven te bieden heeft al genoten, het streven naar een hoger doel.’

Sender knikte. ‘Ja, dat is waar. Als ze tegen mij zouden zeggen: “Haal het streven uit je leven en je wordt honderd jaar”, zou ik antwoorden: “Dan sterf ik liever vandaag nog.” Mijn leven is tot nu toe zo mooi geweest, zo mooi! Zelfs mijn liefde heb ik aan mijn streven te danken. De liefde heeft me veel verdriet bezorgd, denkt u misschien. O, die nacht dat ik dacht dat ze van me hield, maakt alles goed… En mijn kunst – nu begint mijn leven eigenlijk pas. God maakt me beter, ik krijg vandaag meer lucht dan in lange, lange tijd.’

Pater Marianus voelde al wat dat betekende en de dokter, die binnenkwam, bevestigde zijn vermoeden. Een uur later waren alle mensen die van hem hielden in de kamer bij elkaar. Ze deden hun best om niet in snikken uit te barsten, maar hij hoorde hen niet meer. Zijn bewustzijn was verminderd en hij ijlde.

Uit de zachte woorden die af en toe over zijn lippen kwamen maakten ze op dat hem gelukkige droombeelden voorzweefden.

‘O, hij is een groot kunstenaar… dank u wel, meneer Dawison… dank u… dank u…’ Daarop speelde hij Shylock. Als je ons steekt, bloeden we dan niet? Als je... Hij probeerde met zijn hoofd uit het kussen overeind te komen en er speelde een verzaligde glimlach om zijn mond. Nu boog hij waarschijnlijk voor het publiek…

Nog één keer opende hij zijn ogen, en deze keer had Jütte, die het dichtste bij zijn bed stond, het idee alsof er een sprankje bewustzijn in gloeide. Maar daarom week de glimlach niet van zijn lippen.

‘Mijn leven,’ fluisterde hij. ‘Zo mooi… zo mooi…’

Dat waren zijn laatste woorden.