De oude reb Sjimen

79-17-7_1

 

 

Jitschok Lejboesj Perets

 

‘U houdt daar zeker iets kostbaars onder uw arm, reb Sjimen? Met een bevende hand drukt u het aan uw hart en uw oude ogen stralen van genoegen.’

‘O,’ glimlacht reb Sjimen een beetje verlegen, ‘dat is mijn sjoifer, mijn sjoifer voor de feestdagen!’

‘Voor de feestdagen?’

‘Ja, kijk eens, ik heb een vaste gewoonte: op een doordeweekse dag in Ellel blaas ik op een gewone sjoifer, maar dit is een kostbare, mooi bewerkte sjoifer voor de feestdagen!’

En hij haalt hem onder zijn arm vandaan en kijkt er liefdevol naar. Een klein ramshoorntje, asgrijs, dun, maar sierlijk, gebogen, net als alle sjoifres, maar met een sierlijke boog als een kinderlijk gebaar…

En hij streelt hem met bevende vingers, brengt hem omhoog naar zijn baard en streelt hem met zijn lange, fijne, zilveren haren. En de twee ‘heiligheden’ harmoniëren – de heilige, asgrijze sjoifer en de heilige, zilveren baard, en zijn oude ogen stralen van kinderlijk genoegen en zo jong…

‘U houdt van de sjoifer?’

‘Hij is mijn lust en mijn leven! Want ik houd van sjoiferblazen! Mijn vader, hij ruste in vrede, was een pachtboer, wij woonden in een dorp, en als kind was ik jaloers op de herder met zijn fluit… Hij fluit en op het geluid van zijn fluit komen de schapen naar hem toe, ze gaan om hem heen liggen en kijken hem in zijn ogen…

Maar een sjoifer is iets hogers: die brengt zíelen bij elkaar, Joodse Sinaï-zielen… En díe luisteren!

Ik houd van sjoiferblazen…

Maar niet altijd,’ verbetert reb Sjimen zichzelf, ‘niet van de tkië gedoele op Jomkipper… Ik zet de sjoifer aan mijn mond en de halve gemeente ligt al onder de banken; ik kijk om me heen en het lijkt wel een veld na een storm: driekwart van het graan ligt geknakt op de grond en dan moet de tkië gedoele nog komen. Zo hoort het niet…

In de hele maand Ellel kun je ook niet echt sjoiferblazen.

Waarom niet? Je hebt een doordeweekse gemeente, klein en onsamenhangend, het is een komen en gaan… Door de open ramen dringt de markt naar binnen… Geschreeuw van oude vrouwen, met permissie, en van boeren… Op de binnenplaats staat een bende te blazen… Ik blaas en zij blazen… Om gek van te worden!

Zo hoort het niet!

Op Rosjesjone gaat het anders!

Iedereen staat daar in talles met glinsterend zilverstiksel – koningszonen zijn het… En ze sjokkelen als de jonge, groene halmen op het gezegende veld, en het ruist als in een bos, als een rivier.’

‘U bent het dorp nog niet helemaal vergeten, reb Sjimen!’

‘Een goede tijd was dat… Mijn jeugdherinneringen: bos en rivier, en een oude molen aan die rivier…

En als de wind opstak en het bos en de rivier begonnen te ruisen dacht ik als jongen altijd – je wist niet beter – dat ze lamnatsejech riepen om een lofpsalm aan te heffen en dat de hemel sjoifer zou gaan blazen… Tja… Die tijden zijn voorbij…’

‘En nu, reb Sjimen?’

‘Als ik nu wel eens voor Pejsech naar het dorp ga om de molen te kasjeren, en het bos ruist en de rivier ruist, dan lijkt het wel of ze kwaad zijn! Ze zijn kwaad op me… Ze grommen: ‘Wat doe je hier? Je was weggejaagd!’ Maar in sjoel, als de gemeente staat te sjokkelen, zie ik dat goede, oude bos voor me en ik hoor die goede, oude rivier… En hij ruist steeds sterker en sterker, tot hij opschiet als een vlam! Als op vleugels verheft zich die vlam, een zee van vuur, hij schiet door de muren, verheft zich en breekt door het dak, de wereld in, omhoog naar de hemel, die vlam, die brandende, kokende lamnatsejech!

En plotseling houdt alles op – alles is weg – het is stil, heel stil – de gemeente houdt zijn adem in… Je hoort de kaarsen op de omed en de tafel branden en sissen in de heilige hitte…

De gemeente wacht op mijn gebed, op mijn zegen!

Daarna zet ik de sjoifer aan mijn mond… De dajen zegt me voor en ik blaas tkiës, sjworiem, troeës… Tonen klaar als water, kristallen klanken, zilveren signalen, pure – – –’

En zijn ogen schitteren weer van kinderlijk plezier.

‘Niet gek voor uw leeftijd, reb Sjimen!’

‘Ach,’ antwoordt hij met een grijns, ‘zo ben ik een vlieg: één keer blazen en ik vlieg weg…’

‘En met de sjoifer erbij een leeuw?’

‘Ja, wat je noemt een echte leeuw!’

‘En het gaat altijd goed?’

‘Altijd? Er zijn obstakels.’

‘Bijvoorbeeld? Zit Satan u dwars?’

‘O, nog erger! Tegen Satan hebben we remedies… Beproefde remedies… En anders doen we net als de Berditsjever… Dan laten we Iwan sjoiferblazen…’

‘Natuurlijk! En verder?’

‘Dat is nog het minste obstakel! Soms is het alsof de duivel ermee speelt, dan krijg ik het te pakken en ik moet hoesten… Een oud kwaaltje… Dat is begonnen met Tasjlech, veertig jaar geleden al… Ja, veertig jaar geleden… Hoe verzin je het? Een politiecommissaris komt met een verordening dat je in de stad geen joodse kruimels in de rivier mag gooien! Doe dat maar in Jeruzalem, zegt hij…

Jammer dan, als het van hem niet mag verzinnen we wel een list… Ieder gaat voor zich en dan komen we allemaal bij elkaar. Ze zien ons, we beginnen te rennen, we gaan ervandoor, we raken bezweet en zoeken verkoeling in het mikwe…

Met mijn zwakke gestel loop ik een longontsteking op! God zij geloofd ben ik weer beter geworden, maar ik heb er iets aan overgehouden: die hoest… Als die me te pakken krijgt, hoest ik mijn longen stuk!

Het gebeurt na de zegen, dan neemt hij me te pakken!

Wat doe ik eraan? De sjoifer beeft in mijn handen als een vis in het water en ik krijg hem niet aan mijn mond… Als het dan toch lukt, slaat hij tegen mijn tanden… Die had ik vroeger nog!’

‘We hadden het over obstakels!’

‘Ja, daar zit ik mee!

Recht tegenover de sjoel woont een goj en die heeft een hond; die haalt het in zijn kop, die hond, om te gaan blaffen… Dan moet je wachten tot die hond ophoudt… Soms lijkt hij wel bezeten door een dibbek en dan duurt het een uur of twee…

Rosjesjone valt precies na de oefeningen. Het leger trekt zich terug, marcheert de straat door met muziek, met een fanfare en dat is een oorverdovend getoeter… De aarde beeft onder hun voeten. De huizen schudden, ruiten trillen – probeer dan maar eens sjoifer te blazen!

Een paar jaar geleden brak er in de straat vlak achter de sjoel een brand uit! Ik stond op het punt om een troeë te blazen! En daar komt een brandweercommando aangeraasd met hoorngeschal en hoefgetrappel – ho! Denk je dat de gemeente niet van het gebed naar de brand rende? Ik bleef alleen achter met de dajan, hij met zijn machzer, ik met mijn sjoifer…

En een paar jaar eerder gebeurde er nog iets ergers…

Ik moest sjworiem blazen, en ik zal u vertellen: dat was een gebroken sjworiem, een echte godvrezende sjworiem; plotseling klinkt er op straat snerpend gefluit, klokgelui – de bende komt bijeen op de markt! Begrijpt u? Heer der wereld, wat een schrik, wat een angst… De mensen willen naar buiten, ze rennen naar de deur, ze springen naar de ramen!

Maar toen leefde de oude rebbe, zichroine livrooche, nog… Een klein, mager mannetje, maar wat een rabbijn! Hij sprong op de bank en riep: ‘Hier blijven!’ En de gemeente bleef staan. ‘Doe de deur en de ramen dicht!’ En dat deden ze! En het werd donker, aardedonker… De paar kaarsen op de omed en de tafel maakten verschrikkelijke schaduwen – iedereen verstijfde van angst. Alleen de tsaddek niet!

‘Blazen!’ commandeerde hij.

En blázen dat ik deed! Ik legde mijn hele ziel in de tkië!

Satan,’ voegt hij er met een treurige glimlach aan toe, ‘heb ik misschien wel overwonnen, maar de bende niet! Die legde het sjtetl in puin!

Wie is er sterker dan zij? Behalve – de sjoifer van de Messias?’

1902

 

de Berditsjever: beroemde chassidische rabbijn uit de 18e eeuw.

dajan: deskundige op het gebied van joods religieus recht.

dibbek: geest van een gestorvene die bezit neemt van het lichaam van een levende.

Ellel: de maand voorafgaand aan de Hoge Feestdagen.

goj: niet-jood.

Iwan: de niet-joodse Rus.

Jomkipper: Grote Verzoendag.

lamnatsejech: “voor de dirigent”, een formule boven een aantal psalmen.

machzer: gebedenboek voor de Hoge Feestdagen.

omed: lessenaar.

Rosjesjone: Joods Nieuwjaar.

sjoel: synagoge.

sjoifer: ramshoorn.

sjokkelen: een wiegende beweging maken bij het bidden.

Tasjlech: een feest waarbij kruimels als symbool voor zonden in het water worden gegooid.

tkië, sjworiem, troeë, tkië gedoele: sjofarsignalen.

zichroine livrooche: zaliger nagedachtenis.

 

Jitschok Lejboesj Perets, Der alter reb Sjimen. Uit: Ale Werk, Band 2, pp. 58-62. Farlag “Jidisj”, Buenos Aires, 1944. De vertaling is eerder verschenen in het Jiddisj-Nederlandse literaire tijdschrift Grine Medine, nr. 56 (2014). Een analyse van het verhaal is te vinden in hoofdstuk 4.4 van A Tool of Remembrance, elders in deze website.