De opstanding van de doden

Man-walking-through-destroyed-city
 

Avrom Soetskever

 

Ik zocht de sjofar van Messias
in plukken gras, in afgebrande steden,
om vrienden op te wekken. Maar toen sprak
mijn ziel van botten:
Zie, ik gloei hier
in jouzelf,
dus waarom zoek je mij daarbuiten?
 
En in mijn grote
ingesmede woede
rukte ik mijn geest toen uit mijn lijf,
zoals een scherpe hoorn
van een nog levend dier
en ik begon te blazen:
tekië,
sjworiem.
Kom toch tot leven, want de wereld is nu vrij.
Laat nu je niet-zijn achter in de graven,
spring eruit en zeg een zegen.
Zie hoe zuiver
sterren stralen, dienend jullie allen!
 
Weggegleden is de aarde
met het gras en met de stenen
en ik hoorde mensenwoorden klinken:
Nee, ga weg, jouw aarde is onrein!
En van de straf, te zijn geboren, werden wij bevrijd!
Die blinde, lamme tijd van jou
hebben wij niet meer nodig!
Ook de sterren niet,
ons onlicht schemert meer dan zij!
De werk’lijkheid zijn wíj,
en jij, vervloekte droom, verdwijn!
Jouw oorlog is verspeeld en uitgespeeld.
 
Maar één riep met een stem die ik nooit hoorde,
als van een bloeiend bos: Bepaal mijn lot,
verkorene, verlos mij uit deez’ oorden – –
 
Wie ben jij, dat ik hoor naar jouw gebod?
 
Daarop gaf grastaal mij ten antwoord: God.
Ik heb vroeger geleefd in al jouw woorden.

Moskou, 1945

 

Tchiës mejsim. Uit Poëtisje Werk, Band I, pp. 541-542. Tel Aviv: Joivl-Komitet. Een analyse van dit gedicht is te vinden in A Tool of Remembrance, hoofdstuk 4.25, elders op deze website.