De noodklok

Klokkestoel

 

In de klokkenstoel even buiten een boerendorp hing een oude noodklok. In zijn eentje. Hij kende wel andere klokken, maar alleen van horen luiden, want ze hingen ver weg, in de kerk van het dorp, of nog verder weg, in andere dorpen. Onder de noodklok lag een begraafplaats, die helemaal bezet was. De noodklok had al jaren niet meer hoeven luiden voor nieuwe doden en de oude doden raakten zo vergeten, dat er mos en schimmel op hun stenen groeiden. Alleen bij volle maan schuifelde er over de begraafplaats een kromgegroeid oud vrouwtje, dat bleef staan bij een van de graven om te bidden en te waken. Een enkele keer landde op de klokkenstoel een vogel die even uitrustte van zijn grote trek en dan weer verder vloog. Zo kwam het dat de klok zich vreselijk verveelde. Al was hij oud, hij had geen zin om doelloos rond te hangen. Eigenlijk zou hij dus blij moeten zijn dat hij een paar keer per jaar in beweging mocht komen. Maar dan was het weer te veel van het goede: dan kwam er, meestal in het holst van de nacht, een boer aanhollen die als een bezetene aan het klokkentouw begon te trekken. Nee, daar werd de noodklok niet gelukkig van. Hij mocht dan geboren zijn in het vuur, hij was er zo bang voor dat zijn klepel sidderde als hij moest luiden. En nooit kreeg hij de tijd om van zijn eentonige lied iets moois te maken. Bovendien liepen de mensen altijd hard weg en kwamen als de brand eenmaal geblust was niet terug om hem voor zijn waarschuwingen te bedanken.

Op een nacht hoorde de noodklok iets wat hij nog nooit gehoord had. Een afschuwelijk geluid, dat begon in de diepte en naar een angstwekkende hoogte steeg. Toen daalde het en vervolgens steeg het weer. En zo maar door. Het leek op het gillen van een hele rij varkens die geslacht werden. Maar omdat hij een kenner was, begreep de noodklok uit de rode gloed dat het ergens brandde.

Toen de rust was weergekeerd kreeg de noodklok een gevoel of hij levend begraven was. Ze hadden hem niet meer nodig. Goed, zijn galmen was eentonig, maar het klonk oneindig veel mooier dan dat gillen, en al werd hij niet graag wild door elkaar geschud, alles was beter dan dit stilhangen. Voor zwijgend bidden en waken als het oude vrouwtje deed was hij niet gemaakt. Nee, als dit nog langer duurde zou hij groen uitslaan van ellende.

Niet lang na de nacht met het wilde gillen zag de noodklok twee mannen de begraafplaats op komen, zomaar midden op de dag. De ene kende hij, dat was een boer die vaak aan zijn touw had getrokken. De tweede man zag er anders uit: slanke handen had hij en een nek die niet door de zon verbrand was. Hij droeg een zwart pak zonder één vlekje. De twee mannen bleven onder de noodklok staan en bekeken hem van alle kanten.

Uit hun gesprekken begreep de klok wie er zo gegild had. Het was een nieuwe collega die Sirene heette. De boer en de onbekende gingen op de rand van een grafsteen zitten. Wat ze zeiden, kon de klok niet verstaan, maar hij zag ze op hun vingers tellen en knikken en schudden met hun hoofd. Toen stonden ze op van het graf en gaven elkaar een stevige handdruk. Ze zeiden dat hun kelen zo brandden, dat die nodig geblust moesten worden. Wat lachten ze opeens!

De volgende dag kwam er een grote wagen, getrokken door een koppel sterke boerenpaarden. De klok was niet blij met de afwisseling. Waarom hesen ze hem uit zijn klokkenstoel? Had zijn laatste uur geslagen? Maar er was toch nog nood onder de mensen? Ze takelden hem op de wagen. Nu was hij afgezakt tot de laagste rang onder de klokken. Eigenlijk leefde hij niet meer, want voor een klok die niet meer slaan kon was het leven uitgeluid.

De noodklok werd over akkers en door bossen gereden, over zandpaden en geplaveide wegen. Onderweg hoorde hij klokken slaan, maar het waren er zoveel en de reis duurde zoveel uren dat hij de tel kwijtraakte. Eindelijk kwam hij in de stad, voor het eerst van zijn leven. Uit de menigte die zich op een grote markt verzameld had kwam een man naar voren. De noodklok herkende de man die met de boer was meegekomen. De onbekende droeg nu een vreemde, kleurige jurk, haast in de vorm van een klok. Hij doopte een kwast in water en spatte dat op de noodklok, alsof die in brand stond. Maar het watersproeien ging anders dan bij de brandweer, veel voorzichtiger. Weer werd de noodklok in een takel gehangen. En toen begon een machtige machine te hijgen en te puffen. Wankelend verhief de klok zich van de grond.

Hij ging omhoog.

Hij liet de mensen onder zich.

Hij was al hoger dan vroeger in de klokkenstoel.

Hij kwam langs hoge ramen en daarin zag hij glazen mensen met kransen boven hun hoofd.

Hij passeerde een dakgoot met stenen monsters die water spuwden.

Hij steeg uit boven een dakrand met nieuwsgierig kwetterende zwaluwen.

Hij werd opgehangen in een stenen toren die veel hoger was dan de houten klokkenstoel. De enige die nog boven hem uitstak was geen kraai, maar een gouden haan die zijn snavel sierlijk draaide naar de wind. De noodklok werd duizelig. Zou er op de wereld wel een hogere klok zijn dan hij?

Toen hij om zich heen keek, zag de noodklok dat hij tussen heel veel andere klokken hing, kleinere en grotere. Nooit had hij zoveel soortgenoten bij elkaar gezien. Zelfs als je alle klokken uit de boerendorpen van vroeger bij elkaar hing had je er nog niet zoveel.

‘Hoe heet u?’ vroeg er een.

‘Zeg maar jij,’ antwoordde de Noodklok en noemde zijn naam.

‘Nootklok, wat een muzikale naam!’ klingelde het allerkleinste klokje.

‘Volgens mij heet u geen Nootklok,’ zei een klein klokje. ’Op uw buik staat Ik Bid En Waak… Wat een mooie, lange naam.’

‘Ja,’ zei de noodklok, ‘Noodklok is natuurlijk maar mijn roepnaam.’ Hij was vergeten dat hij Ik Bid En Waak heette. En al hing hij nu in de hoogste toren van de stad, hij steeg nog in zijn eigen achting. ‘Hoe heten jullie?’ vroeg hij vriendelijk.

‘Hoge Cé,’ zei het klokje dat de naam ontdekt had.

‘Ik ben haar grote zus!’ riep een klok. ‘Mijn naam is Middel Cé.’

‘En ik heet lage Dé,’ riep een ander.

Hun achternamen bleken Dé, Ee, Ef, Gé, Aa en Bé te zijn en hun voornamen Hoge, Lage of Middel. De noodklok vond ze kort en vreemd, maar hij liet niet merken dat hij van het platteland kwam en nog weinig van de wereld had gezien.

‘Ik Bid en Waak, ben je blij met je nieuwe taak?’ vroegen de andere klokken.

De noodklok begreep niet waar ze het over hadden, maar gaf dat niet toe, uit angst een flater te slaan.

Nog diezelfde dag klom er een man op de toren, tot vlak onder hen. Hij ging op een bank zitten, wreef zijn handen warm en liet zijn vingers knakken. Vervolgens begon hij de houten stokken vóór hem in te drukken. De noodklok wist niet wat hem overkwam. In de wirwar van kabels om hem heen kwam beweging. Telkens trok er een kabel aan de klepel van een van de klokken. Er klonk een donker bonzen en gonzen met daardoorheen een tintelend getinkel. Het was het mooiste wat hij ooit gehoord had en het deed hem meer dan zijn eigen eentonige alarm. De klokken zongen met gevoel en ieder wachtte op zijn beurt om iets in te brengen. De noodklok vond het jammer dat hij niet mee mocht doen, maar hij kon begrijpen dat ze iemand die van het platteland kwam niet meteen mee lieten slaan.

‘Morgenochtend ben jij aan de beurt, Ik Bid En Waak,’ zeiden de andere klokken toen ze uitgeluid waren.

De noodklok vroeg zich af hoe ze nu al konden weten dat er morgenochtend een dode zou vallen of brand zou uitbreken.

Hij schrok toen er de volgende morgen een rode gloed aan de horizon verscheen. Maar toen besefte hij dat het de zon was die hij op zag komen, dezelfde zon als op het platteland. Plotseling en zonder dat de man van de vorige avond eraan te pas kwam, begonnen zeven van de klokken muziek te maken. De noodklok vond het zo mooi dat hij doodstil bleef hangen. Maar nauwelijks was het afgelopen of de stalen kabel trok aan zijn klepel.

‘Nu is het jouw beurt, Ik Bid En Waak,’ fluisterde Lage Cé. ‘Wij zijn klaar met de voorslag. Je weet toch wel wat dat is?’

‘Natuurlijk,’ zei de noodklok haastig. ‘Hoe gaat dat hier?’

‘Hoe gaat dat hier? Net als overal in de stad! Je slaat de uren! Anders worden de mensen beneden niet wakker of ze komen te laat!’

‘Hoeveel keer?’ vroeg de noodklok, zenuwachtig door het toenemende getrek aan zijn klepel.

‘Dat merk je vanzelf,’ zei Lage Cé. ‘Je moet het laten bungelen. Je moet je laten gaan. Jij bent de nieuwe urenklok.’

En zo was het. Nauwelijks had de noodklok zich ontspannen of er klonken gonzende klanken uit zijn lichaam. Was hij vroeger wild door elkaar geschud, nu kon hij vast en rustig slaan. Het voelde of hij de zon, die zich boven de stad verhief, een bronzen stem gaf. De klokken van alle andere kerken in de stad antwoordden hem. Tot zijn verbazing zag de noodklok de mensen beneden niet op de vlucht slaan. Integendeel: ze bleven staan en keken naar hem op. Sommmigen zetten hun horloges gelijk, anderen deden hun winkels open. Er was geen gloeiende, loeiende vuurstorm, maar alleen de zon die de daken een rode gloed gaf. En hij, de nieuwe urenklok, keek niet meer neer op doden, maar op levenden.

 

1996