De nette jas

vogelverschrikker
 

‘Ja,’ zei de jas, ‘ik kom in de hoogste kringen! Dat krijg je als je een nette jas bent en gedragen wordt door een baron.’

‘Ik word óók gedragen door de baron,’ zei de broek.

De nette jas trok zijn schouders op. ‘Dat kan wel zijn, maar jij bedekt niet de borst met het hart van baron Bretel de Baleine. Jij bungelt daar beneden een beetje om zijn benen en zijn eh…’

De broek had de jas graag een schop gegeven, maar wist dat zijn pijp niet hoog genoeg reikte. ‘Mijn broer, de onderbroek, komt net zo goed in de hoogste kringen,’ zei hij. ‘Het onderhemd, het overhemd en het vest trouwens ook. En dan heb ik het nog niet eens over de schoenen, de sokken, de sokophouders, de breukband, het suspensoir, de bretels, de das, de dasspeld, de manchetknopen, de zakdoek, de pochet…’

‘Dat kan wel zijn,’ herhaalde de jas. ‘Toch dragen die geen van alle een ridderorde in hun knoopsgat. Ze hébben niet eens een knoopsgat. Ik weet niet of je het gezien hebt, maar tijdens de laatste receptie in het paleis legde de koningin haar hand op mijn mouw. Het duurde zo lang, dat ik mijn gouden knopen tien keer had kunnen tellen. Daarvóór was ik al door een lakei afgeborsteld in de koninklijke vestibule. En toen we vertrokken, kreeg ik een belangrijk document te dragen. Als ik me goed herinner, droeg jij alleen maar de zakdoek met snot.’

‘En wat stond er in het document dat jij mocht dragen?’ vroeg de broek.

‘Daar mag ik geen mededelingen over doen. Maar mijn zijden binnenzak werd ervoor dichtgeknoopt. Ja, het was een heel belangrijk document dat ik droeg…’

‘Ik draag ook belangrijke dingen,’ zei de broek.

‘Heb jij van voren het familiewapen van baron Bretel de Baleine en een ridderorde?’ informeerde de jas.

‘Nee,’ zei de broek. ‘Alleen een gulp.’

Weer haalde de nette jas zijn schouders op. ‘Ik kan wel merken dat de koningin nog nooit haar hand op jou heeft gelegd.’

Of het door die handoplegging kwam, wist de broek niet, maar hij zag dat de mouwen van de jas al aardig begonnen te glimmen. Zijn eigen zitvlak ook, want hij droeg nu eenmaal de zwaarste lasten.

Op een dag morste baron Bretel de Baleine tijdens een receptie wijn op de jas. De vlek zat lelijk in het zicht, net onder de ridderorde. ‘Ach,’ zei baron Bretel de Baleine tegen barones Bretel de Baleine. ‘Die jas moet maar eens weg. Hij heeft zijn beste tijd gehad.’

De jas werd zo verontwaardigd, dat zijn wijnvlek dieprood kleurde. Baron Bretel de Baleine moest zich vergissen. Wat wel meer gebeurde als hij wijn op had.

‘Wat ga je met de jas doen, lieve?’ vroeg de barones.

‘Weet ik niet,’ antwoordde baron Bretel de Baleine. ‘Maar wacht: misschien is hij een afleggertje voor de tuinman.’

‘Ajakkes, die vogelverschrikker.’

‘Gerrit-Jan is geen man van mijn formaat,’ gaf baron Bretel de Baleine toe, ‘maar hij heeft wel ongeveer mijn postuur. En hij zal me dankbaar zijn en nog beter voor de pompoenen zorgen!’

‘Vergeet niet de ridderorde eraf te halen en de gouden knopen,’ waarschuwde de barones. ‘Het familiewapen kan blijven zitten, want het is tenslotte onze tuinman.’

En zo ging baron Bretel de Baleine met de broek en de nette jas naar de tuin.

De tuinman bekeek de kleren en zei: ‘Meneer, u bent veel te goed voor me.’

‘Ja, Gerrit-Jan,’ zei baron Bretel de Baleine, ‘ik heb heel wat voor anderen over.’ Hij gaf een welwillend knikje en verliet de tuin met zijn neus in de lucht.

‘Haha!’ lachte de tuinman. ‘Nu ben ik geen tuinman meer, maar een tuinheer van stand.’ Hij trok de jas en de broek aan en ging goedgekleed door met zijn werk. Af en toe hield hij even op met schoffelen om zichzelf te bekijken in een ruit van de kas. Als hij zijn ogen bijna dichtkneep, was hij net baron Bretel de Baleine, alleen met goedkope knopen, een gewone kop en een normale vrouw.

De jas was niet blij met zijn nieuwe eigenaar. De broek wel, die hing heel prettig om het zitvlak en de benen van de tuinman. Bovendien werkte de tuinman vaak zonder jas en zo zag de broek meer dingen dan vroeger en ook andere dingen: kassen met bloemen in plaats van landhuizen met parketvloeren. En regelmatig deed de tuinman achter een boom een plas, zodat de broek even frisse lucht kreeg. Baron Bretel de Baleine had altijd alles opgehouden.

Op een dag waren baron en barones Bretel de Baleine op een receptie in het koele koninklijk paleis. In de tuin was het zo warm, dat de tuinman meer zin had in zwemmen dan in werken. Hij trok de jas en de broek en de rest uit. Terwijl hij daar naakt in zijn tuin stond, besefte hij dat de nette jas en broek van de baron toch niet zo lekker zaten als zijn eigen oude plunje.

Nauwelijks had de tuinman een paar slagen gezwommen of hij zag een zwerm vogels neerstrijken op de kersenbomen. ‘Maak dat je wegkomt!’ riep hij en maakte veel kabaal in het water. Het hielp niet. ‘Dan zit er maar één ding op,’ zei de tuinman. ‘Een vogelverschrikker maken!’ Haastig ging hij het water uit om zich af te drogen en zijn oude werkkleren aan te trekken.

Hij pakte de zaag en de hamer en maakte een hoog kruis van latten, dat hij stevig in de moestuin plantte. Een pompoen werd het hoofd. Daarna pakte de tuinman de heggenschaar. Hij knipte het familiewapen van de jas en trok er de zijden voering uit om zakdoeken te maken waarin hij zacht zijn neus kon snuiten. Vervolgens haalde hij de jas en de broek door de modder en hing ze om het kruis van latten.

De nette jas wapperde wild in de wind met zijn panden en mouwen. Tevergeefs. Hij werd aan het kruis gebonden.

De tuinman deed een paar passen achteruit en keek op naar de vogelverschrikker. Hij zag de gelijkenis met zijn baas en knikte tevreden.

‘Heb je het in de gaten?’ zei de broek tegen de nette jas, die boven hem met zijn panden wapperde. ‘Weer komen we samen in de hoogste kringen.’

De jas gaf geen antwoord.

‘Waar zijn je familiewapen en je ridderorde?’ vroeg de broek.

Op het moment dat de nette jas antwoord wilde geven, ging er een vogel op zijn schouder zitten en liet iets vallen op de plaats waar vroeger de orde gezeten had.

Toen baron Bretel de Baleine terugkwam van de receptie bij de koningin ging hij niet meteen het huis in, maar maakte een ommetje door de tuin. ‘Zo, Gerrit-Jan, bevallen de nieuwe kleren?’

‘Jawel, meneer. Ze bevallen zo goed dat ik ze bewaar voor speciale gelegenheden.’

‘Wat voor speciale gelegenheden?’ informeerde baron Bretel de Baleine.

‘Dat is niet uit te leggen, meneer,’ zei de tuinman. ‘Je moet daar een neus voor hebben.’ Hij pakte zijn nieuwe zijden zakdoek en snoot er zijn neus in.

Baron Bretel de Baleine knikte goedkeurend. ‘De kersenbomen staan er ook uitermate keurig bij, Gerrit-Jan.’

‘Zeker, meneer,’ knikte de tuinman terug. ‘Als je de vogels maar op afstand weet te houden.’

 

1996