De metamorfose van een melodie

s_nf_75036_46852

 

Jitschok Lejboesj Perets

 

Jullie willen een melodíe van de Talner chassidiem horen?

Dat lijkt op het eerste gezicht een kleinigheid: je neemt een melodie die ze in Talne bij de derde sjabbesmaaltijd zingen en je zingt hem na. Maar zo simpel is het niet.

De Talner melodie moet je met een heleboel mensen zingen, met een gróép.

Jullie willen meedoen? Nee, jongens, met hulp van Poolse chassidiem zing je een melodie uit Talne niet.

Jullie hebben helemaal geen verstand van melodieën.

Ik hoor jullie muzikanten en jullie voorzangers toch! Er wordt gefiedeld in plaats van gespeeld en bij het zingen krijsen jullie als kippen die geslacht worden. Zelfs de Sinai-melodieën komen er bij jullie vreemd wild uit… En jullie marsen en kozakkendansen? Die zijn nog wilder dan jullie gebaren en grimassen. En dat noemen jullie chassidisch… Wij hebben andere chassidiem.

Waar wíj de zangkunst vandaan hebben? Misschien hebben we die geërfd of misschien zit het hem in de streek.

In onze streek rond Kiëv is er geen huis zonder viool.

Een kind uit een goed milieu of, zoals ze daar zeggen, een welopgevoed kind, moet een viool hebben, moet kunnen spelen…

Jullie willen weten hoeveel mannen er in huis wonen? Kijk dan naar de muren. Zoveel violen als er hangen, zoveel mannen zijn er.

Ze spelen allemaal: de grootvader speelt, de vader speelt, de zoon speelt…

Wat alleen jammer is: iedere generatie speelt zijn eigen muziek, speelt anders en speelt apart.

De oude opa speelt Sinai-melodieën of van die dingen uit de synagoge: een Kol Nidre, een Sjoisjanes Jankev, een Gdi Ksjoer-Jodajim, noem maar op! De vader, een echte chassied, gaat zijn eigen gang met een traditionele, goed-joodse melodie. En de zoon speelt al van noten. Die speelt zelfs al dingen uit het theater.

Iedere generatie zijn eigen melodie.

Wat doen chassidiem als er niets te drinken is? Dan praten ze over drinken… Alleen zingen, zonder anderen, zonder enthousiast gezelschap, dat gaat niet; laten we dan maar práten over zingen…

Zingen, moeten jullie weten, is geweldig. Heel Talne deed mee bij de uitgang van sjabbes, en bij de uitgang van sjabbes ging het om de melodie!

Het gaat er alleen om wíe er zingt en wát hij zingt…

Met dezelfde stenen kun je een sjoel bouwen en een kerk, een paleis en een gevangenis en zelfs een armenhuis.

Met dezelfde letters schrijf je de geheimen van de Toire en – excuseer de vergelijking – de grootste ketterijen. En met dezelfde tonen bereik je het hoogste niveau van enthousiasme en extase, maar ook de diepste hel, om daar als wormen in de modder rond te wentelen.

Bij een briefje hangt het ervan af hoe je dat leest; bij een melodie hoe je die zingt.

Neem bijvoorbeeld een frejlechs; het kan een Talner melodie bij de uitgang van sjabbes zijn: het geluk van de mitswes en de goede werken; en het kan het plezier zijn van een liederlijk persoon in een wereld die een zooitje is!

Een melodie brandt en is tocho ratsoef ahava: versierd met tekens van liefde, maar er zijn veel soorten liefde: er is liefde voor God, liefde voor mensen, liefde voor het joodse volk… Maar sommigen houden ook alleen van zichzelf of zelfs, God verhoede, van de vrouw van een ander.

Een melodie jammert, een melodie huilt, de ene huilt over de slang, over het verloren paradijs, een andere over de ballingschap van de goddelijke aanwezigheid, over de verwoesting van de Tempel, over onze armoede en ellende! ‘Zie ons hier staan…’ jammert hij, de melodie… En weer een andere jammert dat iemands mooie vrouw ervandoor is.

Er is een melodie vol verlangen, maar verlangen waarnaar? Een ziel verlangt terug naar haar oorsprong, en een oude tandenloze hond naar zijn jonge jaren met zijn slechte neigingen!

Neem nu het liedje
 

Reb Dovidl woonde in Wasilkov, in Wasilkov

en nu woont hij in Talne;

reb Dovidl, reb Dovidl woonde in Wasilkov,

nu woont hij in Talne…

Dit zingen inwoners van Talne en dit zingen inwoners van Wasilkov! Als de mensen uit Talne het zingen is het echt vrolijk en dan spat het plezier eraf, maar als mensen uit Wasilkow het zingen loopt het over van melancholie en verdriet. En de zíel van de melodie hangt af van wat je erín legt…

 

*****

Een melodie, moeten jullie weten, is een optelsom van stemmen of, zoals anderen zeggen, van tonen.

De stemmen of de tonen haal je uit de natuur; niemand bedenkt die, en de natuur heeft geen gebrek aan stemmen. Alles heeft een stem, een eigen klank of zelfs een hele melodie!

De hemellichamen zingen, dat weet ik zeker; dag en nacht – dag aan dagnacht aan nacht… hebben hun muziek… mensen en vogels zingen, al wat leeft zingt Gods lof… Een steen slaat op een steen, metaal klinkt… Water dat stroomt is niet stil, en een bos helemaal niet. Bij een zuchtje wind zingt het immers zijn lied, een echt, zacht, zoet Walachisch lied! En de trein bijvoorbeeld, dat monster met zijn vlammende, rode ogen, als dat rijdt, verdooft het dan niet met zijn gezang? Zelfs de stille vissen, las ik in een oud boek, maken soms muziek. Sommige vissen, zegt dat boek, zwemmen van tijd tot tijd naar de oever, slaan met hun staart op het zand of op een steen en hebben daar plezier in.

Weinig tonen? Je hoeft je oren maar open te houden om de tonen op te vangen als in een net en ze op te zuigen als een spons.

Maar alleen tonen maken nog geen melodie.

Een hoop stenen is nog geen huis.

Dat is alleen nog maar het lichaam van de melodie; het moet nog een ziel hebben!

En de ziel van een melodie is tegelijk het gevoel van een mens: zijn liefde, zijn woede, opgewektheid, wraakzucht, hartsverlangen, berouw, verdriet: alles, maar dan ook alles wat een mens voelt kan hij in een melodie leggen en dan komt die melodie tot leven.

 

*****

En daarom, beste mensen, geloof ik dat hetgeen wat mij zoveel genoegen bezorgt zelf ook leven heeft, dat het zelf ook leeft.

En dat ik van een melodie geniet, dat die me levenskracht geeft en een nieuwe ziel, betekent volgens mij dat een melodie leeft…

En het bewijs: neem een melodie en haal die uit elkaar, zing haar achterstevoren, haal het midden eruit en zing dan het begin en meteen daarna het eind: heb je dan een melodie? Je hebt dan alle tonen, er ontbreekt er niet een, maar de ziel is eruit. Je hebt een levende witte duif geslacht en onder het mes is de ziel eruit verdwenen.

Het is een dode, een lijk van een melodie.

In Talne is het zonneklaar dat een melodie leeft!

 

*****

Een melodie leeft en een melodie sterft, en je vergeet een melodie, zoals je een gestorvene vergeet.

Eens was ze jong en fris, die melodie. Ze sprankelde van levenskracht… Mettertijd werd ze zwakker, ze raakte afgeleefd en verloor haar kracht… Ze werd seniel… Daarna blies ze haar laatste adem uit en stikte zomaar – en weg was ze…

Maar een melodie kan opstaan uit de doden…

Ineens herinner je je een oude melodie, ze komt ineens in je op en vliegt je mond uit… Onwillekeurig leg je er een nieuw gevoel in, een nieuwe ziel, en het is bijna een nieuwe melodie die leeft…

Dat is dan de metamorfose van een melodie…

 

*****

Jullie begrijpen me niet helemaal… Het is met een blinde praten over licht.

Weet je wat? Jullie houden toch van verhalen? Dan zal ik jullie een verhaal vertellen over de metamorfose van een melodie… Luister!

 

*

Drie, vier mijl voor Berditsjev, vlak na het bos, ligt het sjtetl Machnovke, en in Machnovke hadden ze een heel aardig klezmerorkestje. Maar de aanvoerder, reb Chajieml heette hij, was een vakkundige muzikant: een leerling van Pedohtsoer Berditsjever. Reb Chajieml bedacht geen nieuwe melodieën, dat wil zeggen: hij was geen componist, maar melodieën uitvoeren, tot hun recht laten komen, verduidelijken en er echt zijn hart in leggen, dat kon hij, daarin lag zijn kracht.

Hij was een dorre, magere man, maar als hij begon te spelen werd hij ineens een ander mens: zijn altijd hangende oogleden kwamen langzaam omhoog en uit zijn stille, diepliggende ogen straalde barmhartigheid over zijn bleke gezicht. Je kon duidelijk zien dat hij nu ergens anders was: zijn handen speelden vanzelf en zijn ziel zweefde ergens heel hoog in de wereld van de muziek… Soms vergat hij zichzelf en begon ook te zingen en hij had een stem, zo helder en zo zuiver als een klarinet…

Als Chajieml geen vrome, eenvoudige en bijna simpele jood was geweest had hij zichzelf geen geweld aangedaan door met acht kinderen in Machnovke te blijven. Hij had allang ergens in een theater kunnen spelen of zingen of voorzanger kunnen zijn van een moderne synagoge in Berlijn of Parijs… Zó iemand vertrekt wel uit Berditsjev. Maar de simpele Chajieml bleef zitten waar hij zat en kocht bij alle levensmiddelenzaken maandenlang op krediet, omdat er toch een keer een rijke trouwpartij moest komen!

En toen kwam er inderdaad een groot huwelijksfeest. En wel in de hogere kringen van Machnovke, bij de weduwe van Berl Katsner.

Berl Katsner zelf – hij mag me komen wurgen – was een grote woekeraar en een nog grotere vrek. Hij spaarde het brood uit zijn mond… Hij raapte de kruimels op die de kinderen na het eten lieten liggen… Die man had een hart van steen.

Voor zijn dood, bijna midden in zijn doodsstrijd, roept hij zijn oudste zoon bij zich, laat zich de boeken geven en wijst met een bont en blauwe vinger wat nog niet is afbetaald! En hij zegt: ‘In Godsnaam niet prolongeren, hoor je? Dat verbied ik je als vader!’

Daarna riep hij zijn vrouw bij zich en beval haar het koper dat aan de muur hing weg te stoppen: ‘Als ik mijn ogen sluit,’ zegt hij, ‘dan hangt het voor het grijpen!’ En na deze woorden blaast hij zijn laatste adem uit.

Hij liet een half miljoen na!

Zoals gezegd huwelijkt zijn weduwe haar dochter uit en zet er vaart achter, want ze heeft al een kandidaat… Het is een pak van haar hart! Ze is nu rijk…

En omdat Chajieml de muzikant ook een dochter wil uithuwelijken, wacht hij dus op die bruiloft als op de Messias…

Maar de weduwe komt op het idee om Pedohtsoer uit Berditsjev uit te nodigen.

En zo komen zijn familieleden uit Kiëv, deskundigen uit Kiëv en ze wil voor de huwelijksceremonie een nieuw Ejl mole rachmim, God vol erbarmen, en geen oud, afgezaagd gezang, zegt ze! Het kost toch geld en dan mag het wel wat meer zijn en de mensen uit Kiëv zullen wat beleven!

Chajieml is haast ten einde raad.

In de stad heerst ook commotie: ze zijn erg op Chajieml gesteld en er is veel medelijden met een arme jood. Ze proberen dus tot een compromis te komen en het resultaat is dat Chajieml mag spelen met zijn orkestje, maar dat hij vóór de bruiloft op kosten van de rijke weduwe snel naar Berditsjev moet om bij Pedohtsoer een nieuwe Ejl mole rachmim te halen.

Chajieml krijgt een paar roebel, waarvan hij meer dan de helft aan zijn vrouw en kinderen geeft, huurt een wagen en gaat naar Berditsjev.

En hier begint het verhaal van de metamorfose.

 

*****

Het spreekwoord luidt: een arme man heeft geluk! Terwijl Chajieml aan de ene kant Berditsjev ín rijdt, rijdt Pedohtsoer aan de andere kant Berditsjev úit! Juist op dat moment hadden ze hem in Talne uitgenodigd voor de uitgang van sjabbes! De tsaddik van Talne, moet je weten, had een hoge dunk van Pedohtsoer. ‘De geheimen van de Toire,’ zei hij altijd, ‘zitten in zijn melodieën. Alleen jammer dat hij ze zelf niet kent!’

Om kort te gaan: Chajieml dwaalt koortsachtig door de straten.

Wat moet hij doen? Naar huis gaan zonder Ejl mole rachmim mag hij niet: dan zijn de poppen aan het dansen! Pedohtsoer achternagaan naar Talne of wachten tot hij terugkomt, kan hij niet: hij heeft net genoeg voor de reis. De rijke weduwe heeft hem weinig geld gegeven en hij heeft veel achtergelaten bij zijn vrouw. Hij was wanhopig!

Dan ziet hij op straat ineens een eigenaardig tafereel.

Op een mooie, zonnige doordeweekse dag loopt er een jonge vrouw op straat, gekleed als op sjabbes of een feestdag of, zoals ze in die streek zeggen, met alles erop en eraan… Op haar hoofd draagt ze een excentrieke hoed met ellenlange banden en linten in allerlei schreeuwende kleuren!

In haar hand heeft ze een grote, glanzende zilveren schaal.

Achter de jonge vrouw lopen muzikanten te spelen, terwijl de vrouw zelf danst. Af en toe blijft ze met de muzikanten voor een huis of een winkel staan om daar een dansje te maken… De muziek trekt van alle kanten mensen, voor alle ramen en deuren zitten en staan de mensen schouder aan schouder…

De muziek speelt, de jonge vrouw danst, de gekleurde linten wapperen door de lucht, de schaal glanst en schittert… De mensen roepen: ‘Veel geluk!’ en gooien munten; de jonge vrouw danst rustig door en vangt ze op in de schaal – de munten glinsteren en rammelen in de maat…

Wat betekent dit? Niets bijzonders: Berditsjev is een joodse stad met joodse gebruiken; zo halen ze daar geld op voor de bruiloft van arme meisjes!

Chajieml kende dit gebruik. Hij wist dat de vrouwen dansen bedenken en dat Pedohtsoer daar telkens een nieuwe melodie bij verzint; dat was dan zijn goede daad. Ze komen naar hem toe, vertellen over de bruid, over haar familie, over de bruidegom, over de armoe… Hij luistert zwijgend, met zijn ogen dicht en houdt soms zijn handen voor zijn gezicht, en als ze klaar zijn en er valt een stilte, dan begint Pedohtsoer een melodie te neuriën…

Dat wist Chajieml allemaal, maar waarom staat hij dan met open mond te luisteren?

Zo’n melodie heeft hij nog nooit gehoord. Ze lacht en huilt tegelijk, ze voelt zich droevig en opgewekt. Hartepijn en geluk, alles door elkaar en in elkaar… Echt de bruiloft van een weesmeisje.

Plotseling springt hij op: dit is wat hij nodig heeft!

 

*

Op de terugreis van Berditsjev nam de koetsier nog meer reizigers mee. Chajieml hield hem niet tegen. En de reizigers die er toevallig verstand van hadden vertelden dat Chajieml bij hun aankomst in het bos was gaan zingen.

Hij zong de melodie van Pedohtsoer, maar al heel anders: het Veel geluk van de inzameling voor de arme bruid was veranderd in een echt Ejl mole rachmim.

En te midden van het zachte ruisen van de bomen klonk een zachte, zoete melodie op…

En de melodie leek begeleid te worden door een groot, maar zacht koor. Dat was het ruisen van de bomen in het bos…

De melodie jammerde zacht en recht uit het hart, ze smeekte om erbarmen, zoals een zieke smeekt om in leven te blijven…

Daarna begint de melodie te zuchten en te smeken met hevige uitbarstingen; het is of iemand op zijn borst slaat in een al chet – is het Grote Verzoendag of bidt een stervende een schuldbekentenis?

Steeds hoger klinkt de melodie en tegelijk steeds meer gebroken; nu eens onderbroken, als in tranen gesmoord, als door leed overweldigd, en dan weer enkele diepe zuchten, een felle kreet! Eén… En nog een en ineens breekt ze helemaal af, stil: er is iemand gestorven…

De melodie komt weer tot leven en gaat over in gloeiende, brandende kreten. En de kreten vliegen, jagen en stokken; het wordt een jammerklacht tot de hemel, als bij een begrafenis!

En midden in de begrafenis klinkt een lichte, heldere, kinderlijke stem; die klinkt betraand, bevend en geschrokken.

Een kind zegt Kaddisj.

En het wordt een liturgische melodie: dromerijen, fantasieën, duizenden gedachten, die langzaam overgaan in zoete, barmhartige melodieën… Ze troost, ze overtuigt… En met zoveel goedheid, met zoveel zelfopoffering, met zo’n onwrikbaar geloof, dat alles weer goed wordt en weer zoet, de wil om te leven is terug. Er is leven, er is hoop!

De mensen zijn er kapot van.

‘Wat is dit?’ vragen ze.

‘Een Ejl mole rachmim,’ antwoordt reb Chajiem. ‘Een Ejl mole rachmim voor het weesmeisje van de Katsners!’

‘Die verdienen het niet,’ antwoorden ze, ‘dat is zonde van de melodie, maar de mensen zullen geboeid zijn, reb Chajieml, de gasten uit Kiëv zullen onder de indruk zijn…’

 

*

De gasten uit Kiëv zijn niet onder de indruk!

Bij de familie Katsner zijn geen joodse bruiloften meer… En het Ejl mole rachmim valt bij het gezelschap niet in de smaak.

De mensen uit Kiëv willen liever dansen met de dames. Wat moeten ze met religieuze gezangen? En met moralistische zaken?

En voor wie is trouwens dat Ejl mole rachmim, God vol erbarmen? Voor die oude vrek?

Als die oude vrek nog leefde, had de bruid nog niet de helft van haar bruidsschat gekregen en al helemaal geen uitzet, dan had de bruiloft er heel anders uitgezien! Als hij nu opstond, zou hij de jurk van wit satijn met kant en de sluier zien; dan zou hij de wijnen, de taarten, de vis en het vlees zien waaronder de tafels bezwijken – dan zou hij nog een keer sterven en nu niet zo makkelijk als de eerste keer!

En waarvoor die hele ceremonie, dat bedekken van de bruid? Een rare oude gewoonte!

‘Sneller!’ roepen de mensen uit Kiëv.

Die arme Chajieml! Hij heeft het orkestje afgeslagen, met kloppend hart, de snaren aangestreken met zijn strijkstok… Het eenvoudige gezelschap begon al te knipperen met zijn ogen, sommigen waren al in tranen – en nu roept iemand uit Kiëv:

‘Wat is dit? Een bruiloft of een begrafenis?’

En als Chajieml doet alsof hij niets gehoord heeft en doorspeelt, begint hij, die man uit Kiëv, te fluiten…

En fluiten kan hij fantastisch… Hij heeft de melodie al te pakken en fluit die foutloos. En hij fluit steeds vlugger, wilder, uitgelatener! En steeds diezelfde melodie!

Het orkestje zwijgt. En het klinkt als een oorlog tussen de moralistische viool en het schaamteloze fluitje…

En het fluitje wint. Het krijgt de strijkstok eronder. De viool huilt niet meer, maar kreunde eerst en begon daarna ook nog te lachen!

Ineens houdt Chajiem op. Met opeengeperste lippen en en een vurig-woeste blik springt hij naar een andere snaar en begint nog sneller te spelen om het fluitje in te halen!

Nee, dit is geen spelen meer! De viool stoot kreten uit, vreselijke geluiden… En ze gaan tekeer en draaien om elkaar heen als in een wervelwind; steeds lijkt alles rond te dansen: de zaal, het orkestje, de gasten, de bruid op haar stoel, Chajieml zelf met zijn viool…

Dit is geen dans, geen Ejl mole rachmim, dit is geen spelen! Een dansende gekte is het, een wild-bizarre epileptische aanval, God sta ons bij…

En het ging door tot de snaar sprong.

‘Bravo, Chajieml, bravo!’ riepen de mensen uit Kiëv…

Hadden ze de oude vrek daarmee een dienst bewezen? God verhoede!

 

*

Een paar jaar later kwam de melodie, waarschijnlijk door een van de mensen uit Kiëv, in het theater terecht.

Wat is een theater? Oude maskilim dachten meestal dat het theater beter was dan een boek over de moraal en krachtiger dan Rejsjes Chochme, excuseer de vergelijking! Jullie zeggen natuurlijk dat theater zo trejfe is als varkensvlees…

Bij ons zeggen ze dat het ervan afhangt wat er in het theater gespeeld wordt.

Het gebeurde in Warschau…

Het theater is afgeladen vol en de muziek begint.

Wat voor muziek?

Herrie, tumult – – een Babylonische spraakverwarring! Chajiemls Ejl mole rachmim, maar op de plaats van het Walachische lied een wilde jacht: de instrumenten zitten elkaar achterna, drijven elkaar op en kraken!

Het klopt, het veegt, het fluit… Geen donder, geen instortende huizen, maar gewoon oorverdovend lawaai! Zijn het duivels die over de IJszee glijden of duizenden wilde dieren die losgebroken zijn in de hel? Er gaat een siddering door het theater.

Plotseling valt de bas in. Alsof hij kwaad is. Hij begint te schelden. Wat is dat? Maar nee: je voelt dat hij niet echt kwaad is. En een vreemd fluitje valt in, het schiet door het orkest, zigzaggend als een bliksemschicht en lachend als een echte clown van ha ha ha en hi hi hi! De klarinet rent erachteraan. En van alles haalt ze uit, die klarinet! Pesterij is het, je voelt duidelijk dat het pesterij is.

En nu vallen er pas drie, vier violen in… En vreemd lieflijk spelen ze, de violen, vreemd lieflijk, als de zonde zelf, als de passie, wanneer de honing uit zijn muil druipt! En het nestelt zich bedrieglijk in de harten, het spel, het vloeit erin als olie en bedwelmt als oude wijn!

Het theater staat in vuur en vlam: de monden vallen open en de ogen schitteren!

Nu pas gaat het doek op en daar verschijnen “hij” en “zij”: een prins en een prinses, en die zingen!

Ze zingen op woorden, op vlammende woorden, als vurige slangen vliegen die de monden uit. En de hel brandt op hun gezichten en als duivels bespringen ze elkaar. Er wordt omhelsd, er wordt gekust, er wordt gezongen en gesprongen, het gaat steeds sneller en sneller en wordt van moment tot moment vuriger en hartstochtelijker!

En het hele theater staat al in brand. Het hele balkon met mannen en vrouwen, met verhitte, bezwete gezichten en wild vlammende ogen… Een vloedgolf gaat eroverheen!

En het hele theater zingt!

Een zee van brandende passie overstroomt alles: een brandende hel! Duivels dansen, demonen draaien een vurig wiel…

Dát is er geworden van Pedohtsoers inzameling voor de arme bruid, via Chajiemls Ejl mole rachmim, met hulp uit Kiëv!

 

*

Maar vallen kent geen grenzen.

Het “joodse” theater is verwoest. De prinsen zijn weer schoenmakers en kleermakers; de prinsessen staan weer achter het aanrecht. En veel theatermelodieën zijn in draaiorgels terechtgekomen…

Onze melodie is nauwelijks meer te herkennen.

Op een binnenplaats staat een versleten divan… Twee mannen in een vleeskleurig kostuum vertonen kunsten, samen met een mager, bleek meisje, dat ze ergens ontvoerd hebben…

De een neemt een ladder tussen zijn tanden. Pijlsnel klimt het meisje naar de hoogste trede, springt vandaar naar beneden en landt op de schouders van de andere man! De eerste man vangt haar op met zijn rug, zij maakt een paar duikelingen in de lucht en komt neer voor het publiek op de binnenplaats met haar hand uitgestoken voor een fooi.

Dat is ook theater, alleen theater voor gewone mensen. Voor kantoormensen en dienstmeisjes.

Er wordt in de openlucht gespeeld, want dat is goedkoper en er worden geen kaartjes gekocht, maar muntjes gegooid. En wat doet ze het knap, dat magere meisje!

Dikke zweetdruppels lopen over haar rood geschminkte gezicht; in haar ingevallen ogen brandt verdriet, maar dat ziet het publiek niet; ze ademt zwaar, dat horen de mensen niet. Die zien alleen de mooie kunsten, die horen alleen de mooie muziek van het orgeltje.

En de ziel in het magere lijf van het arme ontvoerde kind en de arme melodie in het hese, blikkerige orgeltje, allebei kreunen, huilen en kronkelen ze, allebei smeken ze om gered te worden…

Maar het is zo beschikt dat Pedohtsoers inzameling voor de arme bruid hersteld wordt! Lopend van huis tot huis, zwervend van stad naar stad hebben de acrobaten het arme kind zo lang meegesleept dat het, God sta jullie bij, ziek geworden is…

Het gebeurde in Radziwill, bij de grens. Daar lieten ze het zieke kind achter bij een hek en gingen de grens over. Snel als de wind gingen ze ervandoor. Halfnaakt en met overal blauwe plekken van de klappen lag het daar met hoge koorts.

Mensen raapten haar uit medelijden op en brachten haar naar het armenhospitaal… Het kind overleefde de tyfus, en kwam blind aan beide ogen het hospitaal uit.

En nu bedelt het arme kind. Ze gaat langs de huizen, langs de deuren om te bedelen…

En ze zegt haast geen woord… Ze kan niet met woorden bedelen… Ze gaat ergens staan wachten; als niemand haar ziet, begint ze een melodie te zingen, dat de mensen haar horen… En het is de melodie van het orgeltje!

En wat zegt de melodie nu?

Die vraagt om meelij! Meelij met een ongelukkig kind…

‘Slechte mensen hebben me weggehaald bij een goede vader, bij een hartelijke moeder, uit een warm, welvoorzien huis!’

‘Ze hebben me beroofd van al het goede, uitgebuit en weggegooid als de dop van een leeggegeten noot!’

‘Heb meelij met een straatarm kind!’

En de melodie smeekt nog meer:

‘Het is koud, ik loop naakt en ik heb honger… Ik kan me nergens te ruste leggen… En ik ben ook nog blind!’

Zo smeekte de melodie. En dat was de eerste stap omhoog: ze diende om om liefdadigheid te vragen!

 

*

In Radziwill woonde een lamden… Hij was niet tegen het chassidisme en stond er absoluut niet vijandig tegenover, maar had gewoon nooit tijd gehad om naar een tsaddik te gaan… Hij sloeg zijn Gemore nooit dicht.

Hij was bang om zijn Toire-studie over te slaan.

Omdat hij niet in een leerhuis van zijn studie afgeleid wilde worden, zat hij altijd thuis te lernen; zijn vrouw zat de hele dag in de winkel en de kinderen zaten – in het chejder.

Soms schoot er een gedachte door zijn hoofd: moet ik toch niet eens ergens heen? Dat werd hem waarschijnlijk ingefluisterd door zijn geneigdheid tot het goede. Wat doet de geneigdheid tot het kwaad? Die doet zich voor als de geneigdheid tot het goede en antwoordt: ‘Waarom niet? Natuurlijk ga je wel een keer. Maar er is nog tijd genoeg: eerst moet je het Talmoedtraktaat uitlezen, dít Talmoedtraktaat. En zo gingen maanden en jaren voorbij.

In de hemel wilden ze blijkbaar dat hij naar reb Dovidl ging.

En dat ging zo.

Op een keer zat de lamden te lernen, toen hij voor de deur hoorde zingen; hij werd kwaad op zichzelf:

Als je zit te lernen moet je niet luisteren naar wat er op straat en voor de deur gebeurt. Je moet helemaal opgaan in de Toire!

Toch blijft hij luisteren. Hij stopt zijn vingers in zijn oren. Maar de melodie blijft binnendringen en gaat om zijn vingers heen. Hij ergert zich nog meer, kwaad steekt hij zijn lange baard in zijn mond om erop te bijten en lernt verder. Hij lernt uit alle macht.

De melodie houdt niet op. Hij hoort haar steeds duidelijker. Opeens beseft hij dat er een vrouwenstem zingt – een meisje zingt! En hij schreeuwt het uit: ‘Schaamteloos wijf! Maak dat je wegkomt!’ De melodie gaat weg… Maar het is een vreselijk verhaal: er wordt niet meer gezongen, maar hij hoort het nog steeds! De melodie zingt door in zijn oor, in zijn ziel! Hij dwingt zichzelf om in het boek te kijken, om de kwestie in de Talmoed door te nemen, maar het lukt niet. De ziel van de lamden wordt steeds meer in beslag genomen door de melodie…

Hij slaat de Gemore dicht en maakt aanstalten om het middaggebed te bidden. –

Maar hij kan niet lernen en niet bidden, niets lukt. Als een zilveren klokje klinkt in hem de melodie. De man houdt het niet meer uit. Hij is werkelijk buiten zichzelf van woede! Er gaat een dag voorbij en nog een dag en nog een dag – hij wordt er bijna depressief van… Hij begint te vasten – het helpt niet. Hij krijgt de melodie niet uit zijn hoofd. Die houdt hem ’s nachts uit zijn slaap!

En dat was een man die zijn hele leven nog nooit voorbidder in sjoel was geweest, die praktisch geen zangstem had. Op sjabbes sprák hij de tafelliederen in plaats van ze te zingen, en lernde een blad Gemore.

Toch begrijpt hij dat dit niet gewoon is.

“Dit is het werk van Satan!” denkt hij en zit diep in de put.

Nu lijkt het erop dat ik toch moet gaan!

Zijn geneigdheid tot het kwaad vraagt: ‘Ja, gaan, maar waarheen? Er zijn veel tsaddikim – wie van hen is de wáre tsaddik, bij wie schiet je echt iets op?’ De lamden begint te piekeren.

Hij krijgt nog een teken van boven.

Toevallig komt het zo uit dat reb Dovidl moet vluchten en door Radziwill komt…

Dat verhaal van het verraad kennen jullie natuurlijk. En ik zal jullie vertellen dat het een straf was! Het was niet nodig om reb Dovidl uit Wasilkov weg te halen en naar Talne te brengen, het was niet nodig om een stad te beledigen. En met Wasilkov is het helaas slecht afgelopen.

De hotels zijn gesloten, de herbergen zijn overal verdwenen. Niets, God behoede jullie, is ervan over…

Nu wordt er verraad gepleegd en ook Talne gaat te gronde.

Reb Dovidl had een gouden stoel, met een inscriptie: Koning David leeft en bestaat. Daarvan maakten verklikkers een politieke uitspraak en die kwam Petersburg ter ore.

Om kort te gaan: reb Dovidl moet vluchten en op doorreis verblijft hij gedurende sjabbes in Radziwill, en onze lamden in Radziwill begint op een gelukkig moment aan zijn derde sjabbesmaal.

De geneigdheid tot het kwaad geeft zich echter nog niet gewonnen. De lamden komt binnen en ziet een klein mannetje, zo’n klein kereltje aan het hoofd van de tafel, en het enige wat je ziet is een enorme bonthoed met grijs haar dat in zijn gezicht valt! Iedereen zwijgt, er wordt geen woord uit de Toire gezegd… Hij, de lamden, is diep teleurgesteld…

“Is dat alles?” denkt de lamden.

Maar reb Dovidl heeft hem al gezien en zegt: ‘Ga zitten, lamden.’

En op dat moment komt hij tot zichzelf. Hij heeft al een blik van reb Dovidl opgevangen en die heeft hem al in zijn ziel geraakt.

Jullie hebben natuurlijk al horen vertellen over de ogen van de rebbe uit Talne. In zijn blik lagen zowel adeldom als heiligheid en kracht; wat je maar wilde lag in die blik.

En als reb Dovidl zegt: ‘Ga zitten,’ maken ze voor de lamden plaats aan tafel. Die gaat zitten en wacht af.

En dan zegt reb Dovidl:

‘Het is mij een eer de lamden uit te nodigen om een melodie te zingen!’ De lamden schrikt zich wezenloos: hij, en een melodie…

Maar iemand klopt hem al op zijn rug: als reb Dovidl het zegt, wordt er gezongen. Dus hij zingt!

En hij begint, de arme man, met bevende stem, en hakkelend komt het begin van een melodie eruit. Maar wat moet hij zingen, de lamden? Natuurlijk de melodie van het weesmeisje: iets anders kent hij niet. En hij bibbert, en stottert, en zingt. En de melodie verandert. Ze ademt al de geest van de Toire, de inspiratie door de heiligheid van sjabbes en iets van de inkeer van een lamden… En al zingend vervult hij, de lamden, de melodie en begint steeds beter en vrijer te zingen…

Halverwege begint reb Dovidl naar zijn gewoonte zachtjes mee te neuriën; de anderen horen het en doen mee. Door het gezelschap zingt de lamden met meer vuur, hij krijgt het te pakken. Hij komt helemaal los: hij zingt echt!

En plotseling begint de melodie te vloeien als een vloed van vuur… En de golfslag wordt steeds breder en hoger, steeds vuriger en heter!

Het vertrek wordt voor de melodie te klein en ze dringt door de ramen naar buiten, de straat op! En de straat wordt vervuld van heiligheid, vurige heiligheid, en de mensen op straat zijn helemaal ondersteboven en roepen:

‘De melodie van het weesmeisje! De melodie van het weesmeisje!’

 

*

De melodie is gelouterd, net als de lamden.

Voor zijn vertrek neemt reb Dovidl hem apart om een paar woorden te zeggen.

‘Lamden,’ zegt hij, ‘je hebt een joods meisje vernederd! Je wist niet waar haar melodie vandaan kwam! Je hebt haar “schaamteloos wijf” genoemd!’

‘Rebbe, hoe kan ik dit goedmaken?’ vraagt de lamden.

‘Inkeer is niet nodig,’ zegt de rebbe, gezegend zij zijn nagedachtenis, ‘doe liever een mitswe!’

‘Wat voor een mitswe, rebbe?’

‘Zorg dat het meisje uitgehuwelijkt wordt; inzameling voor een arme bruid is een grote mitswe!’

 

*****

En luisteren jullie nu hoe het verhaal verder gaat.

Een paar jaar later, toen het meisje allang getrouwd was met een weduwnaar, een soifer, kwamen ze er pas achter waar ze vandaan kwam.

Het meisje bleek een kleindochter van de oude Katsner te zijn. Het zat namelijk zo.

Zijn schoonzoon uit Kiëv ging een keer met zijn vrouw een avond naar het theater. En op die avond werd hun enig kind ontvoerd…

Maar ze kregen hun dochter niet meer terug…

De moeder leefde allang niet meer en de vader zat al jaren in Amerika…

 

A Gilgl foen a nign. Uit Chsidisj, pp. 114-133. Wilner Farlag foen B. Kletskin. Wilna, 1920.

 
 

Woordenlijst

 

al chet, bepaald gebed dat een schuldbekentenis is.

Chajieml, verkleinvorm van Chajiem.

chassidisme, religieuze beweging in het jodendom die de nadruk legt op persoonlijke vroomheid en spontaniteit.

Dovidl, roepnaam van Dovid Twerski (1808-1882), de Talner rebbe, wijze rabbijn en leider van een chassidische beweging in het Oekraïense sjtetl Talne.

Ejl mole rachmim, “God vol erbarmen”, gebed.

frejlechs, soort volksdans.

Gemore, verzameling commentaren in de Talmoed.

Grote Verzoendag, belangrijkste joodse feestdag, waarin de mens in het reine moet komen met God en zijn medemensen.
Kaddisj, rouwgebed.
klezmer, joodse volksmuziek in Oost-Europa.
Kol Nidre, gebed op Grote Verzoendag.
lamden, Talmoedgeleerde.
lernen, joodse religieuze teksten bestuderen.
mitswe, joods religieus gebod.
reb, “meneer”, de gebruikelijke aanspreekvorm voor een man.
rebbe, charismatisch religieus leider van een chassidische beweging.
Rejsjes Chochme, “het begin van wijsheid”.
Sinai-melodieën, bepaalde oude gezangen in de dienst van Grote Verzoendag.
sjabbes, de wekelijkse rustdag in het jodendom.
sjoel, synagoge.
Sjoisjanes Jankev, “de roos van Jakob”.
sjtetl, kleine Oost-Europese stad met een belangrijk joods bevolkingsdeel.
Talmoed, grote verzameling religieuze commentaren uit de joodse traditie.
Talner chassidiem, de chassidiem die het Oekraïense sjtetl Talne als centrum hadden.
tocho ratsoef ahava, “versierd met tekens van liefde” (Hooglied 3:10).
Toire, de eerste vijf boeken van de Bijbel. Ook: de hele verzameling klassieke religieuze teksten van het jodendom.
tsaddik, in de chassidische beweging een wijs man, die veel respect geniet.
Walachisch, van Walachije, een deel van het huidige Roemenië.