De lucifer


lucifer

 

Er was eens een lucifer die met zijn broers in een nieuwe, volle doos lag. Ze hadden een rustig leven. Tot op een dag de doos openging. Grove vingers drongen naar binnen, grepen een van zijn broers, namen hem mee naar buiten en schoven het deksel ruw weer dicht. De lucifer hoorde hoe de kop van zijn broer tegen de buitenkant van de doos werd geschraapt. Door de kier tussen deksel en doos schitterde een kort en hevig licht.

De doodsbenauwde broers rondom de lucifer probeerden zich achter elkaar te verschuilen, om niet gegrepen te worden als de doos weer open zou gaan. Zo kwam de lucifer vooraan te liggen. Maar bang was hij niet. Hij slaakte alleen een diepe zucht.

Veel sneller dan de lucifer verwacht had, ging de doos weer open. Er viel iemand boven op hem. Het was de broer die daarnet gevlamd had. Wat zag hij eruit! Hij was een stokoud en kromgegroeid baasje geworden. Nauwelijks herkende de lucifer de broer, die op dezelfde dag geboren was als hijzelf en alle anderen in de doos.

‘Weer terug?’ zei een van de anderen. ‘Ik dacht dat ze je in de asbak zouden gooien.’

De opgebrande broer boog zijn asgrauwe hoofd nog dieper en zweeg.

‘Een sigaret aansteken, mij niet gezien,’ zei een broer die achter in een hoek lag.

‘Wat wou je dan?’ vroeg de lucifer. ‘Een pijp uithalen? Tanden stoken?’

‘O nee,’ zei de broer die de opmerking gemaakt had. ‘Ik probeer verder te denken dan de sigaret, de asbak of het gebit. Ik dacht aan een paleis. Je bent tenslotte geen ordinaire luizenpoot, maar een veiligheidslucifer uit Zweden. Of niet soms? Ik had dus gedacht me te laten lijmen in een mooie maquette. Als jullie mee willen, mag dat natuurlijk.’

Het werd roezemoezig in de doos.

De lucifer kreeg een rode kop van ergernis. Wat moest je in een paleis, als je daar niet vlammen kon? Hij verlangde des te vuriger naar het moment dat de doos weer open zou gaan.

Na lange tijd klonk de vrouwenstem die hij al eerder gehoord had. ‘Heb je nog een vuurtje voor me?’

Ja! Ja! wilde de lucifer roepen, maar de mannenstem was hem voor. Het deksel werd opengeschoven. Hij was aan de beurt. Grote vingers grepen hem beet en haalden hem uit de doos. Alles ging snel. Het licht en de ruimte van de buitenwereld maakten de lucifer duizelig. Maar hij zou laten zien dat hij uit het juiste hout gesneden was! De man die hem vasthield en de vrouw met de nog niet aangestoken sigaret tussen haar lippen keken elkaar aan. Wat lieten ze hem lang wachten! Ongeduldig keek de lucifer om zich heen. Achter hem lag zijn doos, versierd met een zwaluw en linten. Dat zag hij voor het eerst. En in de diepte ontdekte hij een asbak met de stoffelijke overschotten van familieleden.

Eindelijk waren alle ogen weer op hem gericht. Voor hij besefte wat er gebeurde, hoorde de lucifer het schrapende geluid dat hij zo goed kende en hij voelde wat hij nog niet kende: een hevig schroeiende pijn aan zijn kop. Maar hij vlamde niet! Hij zou toch niet onbrandbaar zijn, hij zou toch niet alleen de pijn beleven zonder het geluk? Het was opeens of hij de broer die opgebrand was teruggekomen beter kon begrijpen. Weer schaafde het over zijn hoofd, nog pijnlijker dan de eerste keer. Nu raakte hij in lichterlaaie. De hitte maakte hem doodsbang en tegelijk zo gelukkig als hij in de doos nooit was geweest. Hij werd omhuld door een rookwolk, veel groter dan de wolk die hijzelf uitbraakte en veel verrukkelijker van geur. Hij zag zijn licht weerspiegeld in de ogen van de man en de vrouw. Toen droeg de hand van de man hem naar de lippen van de vrouw. Die tuitten zich en er kwam een windvlaag, die de hartstocht weer in de lucifer liet opvlammen.

‘Au!’ riep de man.

De lucifer werd door elkaar geschud en hij voelde een hevige windvlaag van achteren.

‘Kom hier,’ zei de vrouw, ‘dan geef ik er een kusje op.’

De lucifer voelde dat het uit was en hij zuchtte. Toen viel hij tussen zijn verkoolde broers en brak zijn broos geworden nek. En de rook van zijn diepe zucht steeg op naar het plafond.

 

1996