De lamme

Great-desert-trail
 

Nachman van Bratslav

Er was eens een wijze man. Voor zijn dood riep hij zijn kinderen en zijn familie bij elkaar. Zijn laatste wil was dat ze bomen water zouden geven.

‘Jullie mogen je brood verdienen hoe jullie willen, maar dit moeten jullie altijd doen: bomen water geven.’

Toen stierf de wijze man. Hij liet kinderen achter, onder wie een zoon die niet kon lopen, wel staan, maar niet lopen. Zijn broers voorzagen in zijn levensonderhoud en gaven hem zoveel dat er nog wat overbleef. Hij spaarde beetje bij beetje tot hij een heleboel geld bij elkaar had. Hij dacht bij zichzelf: “Waarom zou ik hulp aannemen van mijn broers? Ik kan beter een zaak beginnen, ook al kan ik niet lopen.” Hij besloot een wagen te huren en daarbij een administrateur en een koetsier om zo naar Leipzig te gaan en zaken te doen, ook al kon hij niet lopen. Toen de familie dat hoorde vonden ze dat een heel goed idee en ze zeiden:

‘Waarom zouden we hem nog helpen? Hij kan beter in zaken gaan.’

En ze leenden hem nog meer geld, dat hij zaken zou kunnen doen.

Dat deed hij dan ook. Hij huurde een wagen en een administrateur en een koetsier en ging op weg. Toen ze bij een herberg kwamen, zei de administrateur dat ze daar moesten overnachten. Hij wilde dat niet, maar ze drongen aan. Maar hij dreef zijn zin door. Ze reden verder en verdwaalden in een bos, waar ze door rovers werden overvallen. Aan die rovers zat een verhaal vast.

Toen er eens hongersnood heerste, was er een man in de stad gekomen die riep dat iedereen die wilde eten bij hem moest komen. Er kwamen vele mensen bij hem, maar hij zag er veel die hij niet gebruiken kon en die wees hij af. Tegen de een zei hij:

‘Jij kunt een ambachtsman worden.’

En tegen een ander: ‘Jij kunt in een molen werken.’

Hij koos alleen slimme jonge mensen en ging met hen het bos in. Daar vertelde hij hun dat ze rovers moesten worden:

‘Van hier lopen namelijk wegen naar Leipzig, naar Breslau en naar andere plaatsen, waarover zakenlieden reizen. Die beroven we en dan hebben we geld.’

De rovers overvielen de lamme en zijn mannen. De administrateur en de koetsier konden vluchten en dat deden ze ook, maar hij bleef op de wagen. De rovers kwamen op hem af, maakten hem zijn geldkistje afhandig en vroegen:

‘Waarom blijf je zitten?’

Hij antwoordde dat hij niet kon lopen.

Ze stalen zijn geldkistje en de paarden en lieten hem achter op de wagen.

De gevluchte administrateur en koetsier beseften dat ze leningen van landheren gekregen hadden en vroegen zich af of ze wel terug naar huis zouden gaan, want daar konden ze in de boeien geslagen worden. Ze konden beter blijven waar ze waren en als administrateur en koetsier werken.

De lamme, die achtergebleven was op de wagen, had nog altijd de koopwaar die hij van huis meegenomen had. Die at hij op en toen er niets meer over was en hij niets meer te eten had dacht hij: “Wat nu?” Hij liet hij zich van de wagen vallen om gras te eten. Hij sliep in zijn eentje in het veld en was erg bang. Hij verloor al zijn kracht en kon niet eens meer staan, alleen schuiven, en hij at het gras om hem heen zolang hij erbij kon en toen het gras rondom hem op was schoof hij verder en at door. Zo at hij een tijdlang gras, tot hij op een dag bij een kruid kwam dat hij nog nooit gegeten had. Dat kruid zag er aantrekkelijk uit. Hij at al een tijdlang kruiden en kende alle soorten, maar zo’n kruid had hij nog nooit gezien. Hij besloot het met wortel en al uit te trekken.

Onder de wortel zat een diamant. Die was vierkant en iedere kant bezat een bepaalde eigenschap. Aan één kant stond geschreven dat degene die hem daar zou oppakken gedragen zou worden naar een plaats waar dag en nacht, dat wil zeggen zon en maan, elkaar ontmoetten. Toen hij het kruid met wortel en al uittrok, pakte hij het toevallig bij die kant en zo werd hij weggevoerd naar de plaats waar dag en nacht elkaar ontmoetten. Hij keek om zich heen en zag dat hij er al was.

Hij hoorde de zon en de maan met elkaar spreken. De zon klaagde tegen de maan:

‘Er is een boom met een heleboel takken, vruchten en bladeren, en iedere tak, iedere vrucht en ieder blad heeft een bepaalde eigenschap. De een zorgt dat je kinderen kunt krijgen, de ander zorgt voor middelen van bestaan. De een geneest de ene ziekte en de ander een andere ziekte. Ieder stukje van de boom is bevorderlijk voor iets anders en die boom moet je water geven en als je hem water geeft is hij bevorderlijk. Maar ik geef hem niet alleen geen water, ik schijn ook nog op hem en daardoor verdroogt hij.’

De maan zei: ‘Je bent bezorgd om anderen. Ik zal je mijn probleem vertellen. Ik heb duizend bergen en rond die duizend bergen liggen nog eens duizend bergen. Daar leven demonen op kippenpoten. Ze hebben geen kracht in die poten en daarom halen ze de kracht uit mijn benen, waardoor ik geen kracht in mijn benen meer overheb. Ik heb stof dat mijn benen beter maakt, maar de wind blaast het telkens weg.’

De zon zei: ‘Maak je niet druk: ik heb een remedie. Er is een weg die zich splitst in een aantal wegen. Er is de weg van de rechtvaardigen. Als daar een rechtvaardige loopt, wordt het stof van die weg bij iedere stap voor hem uitgestrooid, waardoor hij steeds op dat stof loopt. En er is de weg van de goddelozen. Als daar een goddeloze loopt, wordt het stof bij iedere stap voor hem uitgestrooid – zie boven. En er is de weg van de dwazen. Als daar een dwaze loopt, wordt het stof bij iedere stap voor hem uitgestrooid – zie boven. En zo zijn er vele wegen. Er is ook de weg van de rechtvaardigen die leed op zich nemen. Ze lopen daar als kettinggangers, geleid door grote heren. Ze hebben geen kracht in hun benen, maar wordt het stof van die weg voor hen uitgestrooid, dan hebben ze wel kracht in hun benen. Daarom moet je daarnaartoe gaan, want er is veel stof en dat is een remedie voor je benen.’

De lamme hoorde dat allemaal. Ondertussen keek hij naar de andere kant van de diamant en zag dat daar geschreven stond dat wie hem aan die kant zou pakken, gedragen zou worden naar de weg die zich in vele wegen splitste. Hij pakte die kant en werd erheen gedragen. Hij legde zijn benen op die weg waarvan het stof een medicijn was voor zijn benen en onmiddellijk was hij genezen. Hij ging op weg om het stof van alle wegen in zakjes te verzamelen. Het stof van de weg van de rechtvaardigen verzamelde hij apart, net als het stof van de andere wegen. Zo had hij zakjes met alle soorten stof. Hij nam ze mee en besloot naar het bos te gaan waar hij overvallen was. Daar aangekomen koos hij een hoge boom uit langs de kant van de weg die de rovers volgden als ze op rooftocht gingen. Hij hij nam het stof van de rechtvaardigen en het stof van de dwazen, vermengde die en strooide ze op de weg. Daarna klom hij in de boom en ging daar zitten om te zien wat er zou gebeuren.

Hij zag de rovers op weg gaan, nadat de roverhoofdman hen eropuit gestuurd had om te roven. Zodra de rovers op de weg kwamen met het stof werden ze rechtvaardig en begonnen te huilen om de vele jaren die ze tot dan toe geroofd hadden en om de vele mensen die ze vermoord hadden. Maar omdat het stof gemengd was met het stof van de dwazen werden ze dwaze rechtvaardigen en begonnen ruzie te maken met elkaar. De een zei:

‘Het komt door jou dat we gemoord hebben!’

En de ander zei: ‘En die ruzie komt door jou!’

En dat ging zo door tot ze elkaar doodsloegen.

De roverhoofdman stuurde een nieuwe lichting rovers en het ging net als eerst: ze sloegen elkaar dood. En zo ging het iedere keer, tot ze allemaal dood waren.

Toen de genezen lamme begreep dat er geen rover meer over was behalve de roverhoofdman en nog één rover, klom hij uit de boom. Hij veegde het stof van de weg en strooide alleen het stof van de rechtvaardigen uit. Daarna klom hij weer in de boom.

De roverhoofdman was heel verbaasd dat er van alle rovers die hij eropuit gestuurd had niemand teruggekomen was. Hij besloot er zelf op uit te gaan met de enige rover die hij nog overhad. En zodra hij op de weg kwam werd hij rechtvaardig en huilend bekende hij de ander hoeveel mensen hij al die jaren vermoord had en hoeveel hij geroofd had. Hij wierp zich op een graf en ging daar liggen snikken. Hij kwam tot inkeer en had heel veel berouw.

Toen de genezen lamme zag dat de roverhoofdman berouw had en tot inkeer kwam, klom hij uit de boom.

Toen de rover een mens zag, riep hij uit: ‘Ach! Ach! Wat heb ik gedaan? Vergeef me toch!’

De genezen lamme antwoordde: ‘Geef me het geldkistje terug dat je van me gestolen hebt!’

De rovers hielden namelijk bij wat ze roofden, van wie en wanneer.

De roverhoofdman zei: ‘Ik geef het u onmiddellijk terug. U krijgt zelfs alle kostbaarheden die ik geroofd heb, als u me maar vergeeft!’

De genezen lamme zei: ‘Er is maar één manier om je berouw te tonen: je gaat naar de stad en je bekent luidkeels: ‘Ik ben degene die toen en toen dat en dat verkondigd heeft en die van veel mensen rovers gemaakt heeft. Ik heb veel mensen vermoord en beroofd!’ Dat is je boetedoening.’

De rover gaf hem alle kostbaarheden, ging met hem naar de stad en deed wat hem gezegd was. In de stad werd hij veroordeeld omdat hij zoveel mensen had vermoord en hij werd opgehangen om een voorbeeld te stellen aan anderen.

Daarna besloot de genezen lamme naar de tweeduizend bergen te gaan om te zien wat daar gebeurde. Hij ging op een afstand van de tweeduizend bergen staan en zag dat er duizenden en nog eens duizenden families van demonen waren. Ze waren zo talrijk doordat ze zich vermenigvuldigden als mensen. Hij zag hun koning op een troon zitten waarop geen mensenkind ooit gezeten had. En hij zag ze grappen maken. De een vertelde dat hij een kind gepijnigd had, de ander hoe hij iemands hand gepijnigd had en weer een andere hoe hij een voet gepijnigd had en nog meer van die grappen.

Ondertussen zag hij een vader en moeder lopen huilen. Ze vroegen:

‘Waarom huilen jullie?’

Ze antwoordden dat ze een zoon hadden die gewoonlijk op tijd terugkwam nadat hij weggegaan was, maar die nu al een hele tijd weg was en nog steeds niet terug. Ze brachten hen naar de koning. De koning gaf opdracht om boodschappers de hele wereld in te sturen om hem te zoeken. Toen de vader en de moeder terugkwamen van de koning ontmoetten ze iemand die hun zoon vergezeld had. Hij vroeg:

‘Waarom huilen jullie?’

Ze vertelden hem waarom.

Hij antwoordde: ‘Ik zal jullie vertellen: we hadden een eiland in zee als verblijfplaats. Toen kwam de koning van wie het eiland was en die wilde daar paleizen bouwen, waarvoor hij de fundering al gelegd had. Jullie zoon zei tegen mij dat we de koning moesten pijnigen. We namen de kracht van de koning weg. Hij raadpleegde dokters, maar die konden hem niet helpen. Hij raadpleegde tovenaars. Een van de tovenaars kende de familie van jullie zoon. Mijn familie kende hij niet en daardoor kon hij mij niets doen. Maar de familie van jullie zoon kende hij wel. Hij greep hem en martelde hem vreselijk.’

De vader en moeder brachten de vriend van hun zoon naar de koning en hij vertelde het ook aan de koning. De koning zei:

‘Geef de koning van het eiland zijn kracht terug.’

De vriend antwoordde: ‘Er was bij ons een demon die geen kracht had. Die hebben we de kracht van de koning van het eiland gegeven.’

De koning zei: ‘Neem hem die kracht af en geef hem terug aan de koning.’

De vriend antwoordde dat de demon een wolk geworden was.

De koning zei dat ze de wolk moesten roepen en hem hier moesten brengen. Er werd een boodschapper naar hem gestuurd.

De genezen lamme dacht: “Laat ik hem achternagaan, dan zie ik hoe een mens een wolk wordt.” Hij ging de boodschapper achterna en kwam bij de stad met de wolk. Hij vroeg de mensen in de stad:

‘Wat doet die wolk hier in de stad?’

Ze antwoordden: ‘Er is hier helemaal geen wolk en er is ook nooit een wolk geweest, alleen hangt er al een tijdje een wolk boven de stad.’

En de boodschapper kwam, riep de wolk en die verdween daar.

De genezen lamme besloot hen achterna te gaan, dan kon hij horen wat ze zeiden. Hij hoorde hoe de boodschapper aan de wolk vragen:

‘Hoe komt het dat je hier een wolk geworden bent?’

De wolk antwoordde: ‘Dat zal ik je vertellen.’

Er was eens een wijze. De keizer van zijn land was een grote goddeloze en maakte het hele land goddeloos. De wijze riep zijn hele familie bij elkaar en zei:

‘Jullie zien wel dat de keizer een grote goddeloze is en het hele land goddeloos maakt. Een deel van onze familie heeft hij al goddeloos gemaakt. Laten we daarom naar de woestijn gaan, dan kunnen we blijven geloven in God, gezegend zij Zijn naam.’ Dat spraken ze af. De wijze sprak een Naam uit en leidde hen naar een woestijn. Die woestijn beviel hem niet. Hij sprak weer een Naam uit en leidde hen naar een andere woestijn. Die woestijn beviel hem ook niet. Hij sprak weer een Naam uit en leidde hen weer naar een andere woestijn. Die woestijn beviel hem wel. Ze lag dicht bij de tweeduizend bergen. De wijze trok een cirkel rond hen, dat niemand bij hen zou kunnen komen.’

‘Er is een boom en als die water krijgt zal niemand van ons demonen in leven blijven. Daarom staan wij dag en nacht te graven om te zorgen dat de boom geen water krijgt.’

De boodschapper vroeg: ‘Waarom moeten jullie dag en nacht graven? Eén keer een geul graven is genoeg, dan kan het water niet bij de boom komen.’

De wolk antwoordde: ‘Er zijn bij ons ompraters en die maken ruzie tussen de ene koning en de andere en daar komen oorlogen van en door die oorlogen komt er een aardbeving. De aarde rond de geul stort in en er komt water bij de boom. Daarom moeten we de hele tijd blijven graven.

En als iemand van ons koning wordt maken we allerlei grappen en we zijn vrolijk. Iemand vertelt voor de grap hoe hij een pasgeborene pijnigde en hoe zijn moeder om hem treurde. En anderen vertellen weer over hun streken. En als de koning naar het feest komt wandelt hij rond met de ministers. Dan probeert hij de boom te ontwortelen, want het zou voor ons beter zijn als die boom er niet was. En de koning verzamelt moed om de hele boom te ontwortelen. Maar dan geeft de boom een luide schreeuw. De koning wordt bang en keert om.

Op een keer kregen we een nieuwe koning. Ze maakten grappen voor hem – zie boven. De feestvreugde was groot toen hij kwam en hij verzamelde moed, ging naar buiten om met zijn ministers rond te wandelen, verzamelde weer moed en ging naar de boom om die te ontwortelen. Toen hij bij de boom kwam gaf die een luide schreeuw. De koning werd bang, keerde om en was woedend. Terwijl hij terugkwam zag hij de wijze oude man en zijn mensen zitten. De koning stuurde een paar mannen om hun kwaad te doen. Toen de familieleden van de wijze de demonen zagen, werden ze overvallen door een grote angst. De oude man riep:

‘Wees maar niet bang!’

De demonen gingen op hen af, maar konden niet bij hen komen door de cirkel die om hen heen getrokken was. De koning stuurde andere boodschappers, maar die konden ook niet dichterbij komen. Woedend ging de koning er zelf op af, maar ook hij kon niet bij hen komen. Hij vroeg de oude man om hem bij hen te laten.

De oude man zei: ‘Omdat u het me vraagt zal ik u doorlaten, maar het is niet de gewoonte dat een koning alleen gaat. Daarom zal ik u doorlaten met iemand erbij.’ Hij maakte een opening waar ze door konden en de cirkel sloot zich weer.

De koning zei tegen de oude man: ‘Wat moet je hier in mijn domein?’

Hij zei: ‘Hoezo uw domein? Dit is mijn domein.’

De koning zei: ‘Je bent niet bang voor mij.’

De oude man zei: ‘Nee.’

De koning herhaalde: ‘Je bent niet bang’ en hij strekte zich uit tot in de hemel en dreigde hem te verslinden.

De oude man zei: ‘Ik ben nog steeds helemaal niet bang voor u, maar ik kan zorgen dat u bang wordt voor mij.’ En hij sprak een kort gebed. Er kwamen grote wolken, er klonken luide donderslagen en de donder doodde alle ministers die bij de koning waren, zodat hij alleen overbleef met de ander die bij hem was in de kring.

De koning vroeg de wijze om de donder te laten ophouden. Dat gebeurde. Hij zei tegen de wijze:

‘Omdat u zo’n bijzonder mens bent wil ik u een boek geven met alle demonenfamilies. Er zijn namelijk wonderdoeners die maar één familie kennen en zelfs die niet helemaal, maar ik geef u een boek waarin alle families staan, want ze staan allemaal vermeld in de koninklijke archieven. Zelfs de pasgeborenen worden daar vermeld.’ De koning stuurde iemand om het boek te halen. Het boek werd gebracht.

De wijze sloeg het boek open en zag dat er duizenden en nog eens duizenden families vermeld stonden.

De koning beloofde hem dat zijn hele familie nooit gepijnigd zou worden en gaf de wijze oude man opdracht alle portretten van diens hele familie te brengen. En als er bij hen een kind geboren werd moest er meteen een portret van hem gebracht worden, om te zorgen dat de demonen niet iemand van de familie van de oude man zouden pijnigen.

Toen kwam de tijd dat de oude man afscheid van de wereld moest nemen. Hij riep zijn kinderen en maakte zijn testament op. Hij zei:

‘Ik laat jullie het boek na. Jullie hebben gezien dat ik de kracht heb om van het boek een heilig gebruik te maken en toch doe ik dat niet, want ik geloof in G-d. Jullie moeten dat ook niet doen en zelfs als iemand van jullie er een heilig gebruik van kan maken moet hij dat niet doen, maar hij geloven in G-d.’ Daarna stierf de wijze en het boek werd een erfstuk en kwam terecht bij zijn kleinzoon. Die had de kracht er een heilig gebruik van te maken, maar hij geloofde in G-d en hij gebruikte het niet, zoals de oude man in zijn testament had bepaald. En de ompraters onder de demonen

spraken de kleinzoon van de oude man aan:

‘Omdat je grote dochters hebt, die je niet kunt onderhouden en uithuwelijken, moet je dit boek gebruiken.’

En hij wist niet dat zij hem aanspraken, maar dacht dat het zijn eigen hart was dat opspeelde. Hij ging naar het graf van zijn grootvader en vroeg:

‘U hebt in uw testament bepaald dat we het boek niet moeten gebruiken, maar in G-d moeten. Nu zegt mijn hart dat ik het moet gebruiken.’

Zijn grootvader antwoordde: ‘Al kun je er een heilig gebruik van maken, het is beter als je in G-d gelooft en het niet gebruikt. Dan zal G-d je helpen.’

Dat deed de kleinzoon.

Op een dag werd de koning van het land waar de kleinzoon van de oude man woonde ziek. Hij raadpleegde dokters, maar die konden hem niet beter maken, want er heerste grote hitte in het land en daardoor hielpen de medicijnen niet. De koning van het land verordende dat joden voor hem moesten bidden.

Onze demonenkoning zei: ‘Deze kleinzoon heeft de kracht om een heilig gebruik van het boek te maken, maar hij doet het niet. Daarom moeten we hem een gunst bewijzen. En hij gaf mij opdracht in een wolk te veranderen, opdat de koning baat zou hebben bij de medicijnen die hij al genomen had en de medicijnen die hij nog moest nemen. De kleinzoon wist hier niets van. En daarom was ik hier een wolk.’

Dit alles vertelde de wolk aan de boodschapper en de man die eerst geen kracht had in zijn benen volgde hen en hoorde alles.

Ze brachten de wolk naar de koning van de demonen. Die gaf opdracht de kracht bij de wolk weg te nemen en haar terug te geven aan de koning. Dat gebeurde. De zoon van de demonen kwam terug, beschadigd en krachteloos, omdat hij daar erg gepijnigd was. Hij was heel kwaad op de tovenaar die dat gedaan had. Hij waarschuwde zijn kinderen en zijn familie, dat ze altijd op de loer moesten liggen voor de tovenaar. Maar er waren onder de demonen ook ompraters. Die waarschuwden de tovenaar dat de anderen op de loer lagen en dat hij moest oppassen. De tovenaar bedacht een remedie en riep de hulp in van andere tovenaars die families kenden.

De zoon en zijn familie waren heel kwaad op de ompraters, omdat die het geheim aan de tovenaar onthuld hadden. Op een dag troffen de familie van de zoon en de ompraters elkaar toen ze tegelijk dienst moesten doen bij de koning. De familie van de zoon kwam met een valse beschuldiging tegen de ompraters, waarop de koning de ompraters ter dood liet brengen. De andere ompraters waren woedend en veroorzaakten een ruzie tussen alle koningen. De demonen kregen te maken met honger, verzwakking, het zwaard en de pest en tussen alle koningen braken oorlogen uit, waardoor aardbevingen ontstonden. De hele aarde stortte in en de boom kreeg meer dan genoeg water. Van de demonen bleef helemaal niets over. Niets niemendal.

Amen.

 

1816

Nachman van Bratslav, Sippoerei Maises. Jeruzalem–New York, z.j.: Keren Hadfasah D’Chasidei Breslov, pp. 43-69.

 

Nachman van Bratslav (1772-1810) was een chassidische leider, die zijn volgelingen verhalen vertelde. Na zijn vroege dood werden deze verhalen in het Hebreeuws en Jiddisj op schrift gesteld door Nosn Sjternharts en in de jaren 1815-1816 uitgegeven. Alle vertellingen kunnen gelezen worden als sprookjes zonder meer. Ze hebben echter een diepe religieuze betekenis, zoals de hieronder afgedrukte inleiding duidelijk maakt. De symboliek is zo gecompliceerd, dat het hier ondoenlijk is daar dieper op in te gaan. Goede toelichtingen zijn te vinden in de volgende vertalingen: Aryeh Kaplan, Rabbi Nachman’s Stories (Breslov Research Institute, Jeruzalem, 1983), Arnold J. Band, Nachman of Bratslav, The Tales (Paulist Press, New York, 1978) en Michael Brocke, Die Erzählungen des Rabbi Nachman von Bratzlaw (Hanser, München, 1985). De bekende uitgave door Martin Buber is een vrije bewerking, die Nachmans eenvoudige stijl geen recht doet.

Kees van Hage

 

De verhalen in dit boek bevatten de grote geheimen van de Tora. Ze handelen over belangrijke dingen en er staat geen alledaags woord in. Ook gewone mensen kunnen een hoge moraal ontlenen aan de verhalen, want die bezitten de kracht om alle mensen uit hun slaap te wekken en te voorkomen dat ze, God verhoede, hun jaren versuffen. Wie ze met een oplettend oog wil lezen, kan iets zien en begrijpen van Gods grootheid. Ze kunnen zelfs gewone mensen een sprankje moreel inzicht verschaffen en ervoor zorgen dat ze zien hoe de toestand in de wereld is en zich geen rad voor ogen laten draaien. De lezer moet dag en nacht bidden om verlost te worden van de dwaasheid van de wereld en te leven naar de wil van God, moge Hij gezegend zijn. De verhalen bevatten verborgen dingen die niet beschreven of verteld kunnen worden, maar wel tot inzicht kunnen leiden. Omdat wij de rabbi soms hebben horen zeggen dat hij de verhalen gedrukt wilde zien in de heilige taal het Hebreeuws en daaronder in het Jiddisj, hebben wij zijn heilige wil ten uitvoer gebracht en de verhalen zo gedrukt. Ook gewone mensen moeten kennis kunnen nemen van de verhalen, al zullen zij heel weinig begrijpen van de bedoeling en de strekking ervan. Zij zullen veel profijt hebben van het aandachtig lezen, want de verhalen hebben het vermogen de lezer nader tot de Allerhoogste te brengen. Het zijn, God verhoede, geen lege teksten. De rabbi, hij ruste in vrede, besloot veel verhalen met een paar verzen of opmerkingen om zijn toehoorders duidelijk te maken dat hij, God verhoede, geen onzin vertelde. Daarmee gaf hij een aanwijzing van de strekking van de verhalen, want ze bevatten alle de geheimen van de Tora.

 

Nachman van Bratslav, Sippoerei Maises. Jeruzalem–New York, z.j.: Keren Hadfasah D’Chasidei Breslov, p. 28.