De kus

kus

 

Er waren eens een man en een vrouw die veel van elkaar hielden. Op een dag moest de vrouw op reis en omdat de man zo lang mogelijk bij haar wilde zijn, ging hij mee naar het vliegveld. Bij het afscheid gaven ze elkaar een lange kus.

‘Een kus om nooit te vergeten…’ fluisterde de man, toen hij het vliegtuig met de vrouw zag opstijgen. ‘Engel van me!’

Midden in het rumoer van het vliegveld hoorde de man een ruisen dat hem deed denken aan de wiekslag van een grote vogel en hij zag een verblindend licht. Voor hem stond een engel.

‘U hebt mij aangeroepen,’ sprak de engel.

De man kon geen woord uitbrengen. Knipperend keek hij naar het witte gewaad en de vleugels.

‘Uw wens is een eeuwige herinnering aan deze kus.’

‘Ja…’ zei de man.

‘Uw wens zal in vervulling gaan,’ sprak de engel. Hij zweefde naderbij, spreidde zijn vleugels uit boven de man en kuste hem op het voorhoofd.

Toen de man tot zichzelf kwam, was de engel verdwenen. De man keek om zich heen. Alle mensen waren op weg naar hun bestemming en geen van hen leek iets bijzonders gezien te hebben. Maar de man was duizelig van geluk.

Tijdens de afwezigheid van de vrouw moest de man voortdurend denken aan de kus van de vrouw. Wanneer hij opstond, proefde hij de kus op zijn lippen totdat hij ging liggen, en als hij in slaap viel, droomde hij van de kus. De kus was bij hem waar hij ook ging. Hij voelde zich jong en liep niet maar zweefde, alsof hij vleugels had. Hij hoefde geen foto van de vrouw meer bij zich te dragen, want hij droeg de kus op zijn lippen. Als de man een tegenslag had, dacht hij nog intenser aan de kus en voelde zich dan meteen weer gelukkig. Zijn geluk was zo groot dat hij het nauwelijks bevatten kon.

Toen ze terugkwam, merkte de vrouw dat de man veranderd was. Hij kuste haar vaker en wilde alle kussen beantwoord hebben. Omdat ze met de verandering gelukkig was, stelde ze geen vragen en de man zweeg over zijn ontmoeting met de engel. De vrouw wilde niets liever dan bij de man blijven en daarom ging ze met tegenzin weer naar het vliegveld. Ze moest voor de tweede keer weg en die reis verdroeg geen uitstel.

Bij het afscheid op het vliegveld gaf de man haar een lange kus. De kus van de vorige keer was hem bijgebleven als de dag van gisteren, maar hij besefte dat hij andere kussen vergeten zou, net als veel omhelzingen en lieve woorden van de vrouw. Kon hij maar alles onthouden! Zou zijn geluk niet pas volmaakt zijn als hij nooit meer iets vergat?

‘Engel van me…’ zei de man, zodra de vrouw was opgestegen.

Weer hoorde hij midden in het rumoer van het vliegveld het ruisen. En opnieuw daalde in een verblindend licht de engel neer.

‘U hebt mij aangeroepen,’ sprak de engel.

‘Ja,’ zei de man. ‘Ik ben gelukkig met die eerste kus, die ik nog steeds niet vergeten ben. Nu heb ik nog maar één wens: nooit meer iets vergeten.’

‘Uw wens is nooit meer iets vergeten,’ herhaalde de engel.

‘Ja,’ zei de man.

‘Uw wens zal in vervulling gaan,’ sprak de engel. Hij trad naderbij, spreidde zijn vleugels uit boven de man en kuste hem op het voorhoofd.

De man werd overweldigd door een duizeling. Toen hij tot zichzelf kwam, keek hij om zich heen. De engel was verdwenen en het leek of zijn neerdaling en hemelvaart door geen reiziger waren opgemerkt.

Terwijl de vrouw op reis was, las de man al haar oude liefdesbrieven over. Toen hij ze weer opborg, kende hij iedere brief uit zijn hoofd, van het begin met “Liefste” tot het eind met “Kusjes”.

Toen de vrouw terugkwam, wachtte de man haar op in de hal van het vliegveld. Bij de kus herkende hij het nieuwe parfum dat de vrouw gekocht had. Het was de geur van lang geleden, van hun eerste ontmoeting en de geur van haar oude brieven. De vrouw stond verbaasd dat hij de naam van het oude parfum onthouden had. Ook deze keer zei de man niets over zijn ontmoeting met de engel. Hij onthield alle kussen die de vrouw hem gaf. Hij onthield hoe ze eruitzag op haar mooist en hoe haar ogen glansden bij kaarslicht. Hij onthield hoe ze insliep. Hij onthield hoe ze was als ze ‘s morgens wakker werd met haar haren in de war en haar huid zonder parfum. Hij onthield de lieve en verstandige dingen die ze zei. Hij onthield de domme dingen die ze deed. Hij onthield haar vergissingen. Hij onthield de hatelijke opmerkingen uit haar ruzies met hem. Het viel de vrouw op dat de man geen ruzie meer vergeten kon, dat hij haar herinnerde aan de verwijten die ze hem op ongelukkige momenten naar zijn hoofd geslingerd had. Hij herhaalde de liefste woorden uit de oudste brieven, maar die maakten niet alles goed. De vrouw begon hem onuitstaanbaar te vinden en kuste hem niet meer. De man zweefde niet langer, maar liep met vermoeide stap, alsof hij gebukt ging onder een drukkende last. Was hij maar kort van memorie, dan zouden ook de lelijke kanten van de vrouw en de vreselijke ruzies uit zijn hoofd verdwijnen. Dan zou ze weer als vroeger van hem houden. Ja, kon hij maar alles vergeten!

Voor de derde keer moest de vrouw op reis. Ze voelde zich minder ongelukkig dat ze weg moest dan de vorige keren. De man ging met haar mee naar het vliegveld en kuste haar bij het afscheid. Hij kon nauwelijks wachten tot het vliegtuig opgestegen was. Zodra de vrouw uit het gezicht verdwenen was, riep hij dringend: ‘Engel van me!’

Er klonk een groot ruisen. De man hield bijtijds zijn handen voor zijn gezicht om niet verblind te worden door het licht.

‘U hebt mij aangeroepen,’ sprak de engel.

‘Ja,’ zei de man. Hij haalde zijn handen van zijn gezicht en keek op de klok in de vertrekhal. ‘Waarom liet je me wachten?’

De engel glimlachte. ‘Wat is de ademtocht van een mensenleven op de eeuwigheid?’

‘Ik wil zo gauw mogelijk alles vergeten,’ zei de man. ‘Alles, hoor je?’

‘Uw wens zal in vervulling gaan,’ sprak de engel. Hij zweefde naderbij, spreidde zijn vleugels uit boven de man en kuste hem op het voorhoofd.

De man huiverde. De kus was koud als ijs.

‘Vaarwel,’ sprak de engel en steeg op ten hemel.

De man gaf geen antwoord, want hij herinnerde zich het wezen met de vleugels en het witte gewaad niet meer. En de mond die eens had gekust brabbelde lege woorden voor zich heen.

 

1996