De koning en de keizer

200910080144_zoom

 

Nachman van Bratslav

Er was eens een keizer die geen kinderen had. Er was ook een koning die geen kinderen had. De keizer trok de wereld in om te kijken of hij goede raad of medicijn kon vinden om toch kinderen te krijgen. Ook de koning trok de wereld in. In een herberg kwamen ze elkaar tegen. Ze kenden elkaar niet, maar de keizer onderkende in de koning de vorstelijke allure en vroeg hem wie hij was. De koning bekende dat hij koning was en hij onderkende in de keizer ook een vorstelijke allure en vroeg op zijn beurt wie hij was. Ze vertelden elkaar dat ze op reis waren met het oog op kinderen en spraken af: als bij hun thuiskomst zou blijken dat de ene vrouw een een jongen had en de ander een meisje, zouden ze die aan elkaar uithuwelijken.

Toen de keizer thuis kwam had hij een dochter gekregen. En toen de koning thuis kwam had hij een zoon. Maar ze vergaten de huwelijksbelofte. De keizer liet zijn dochter studeren en de koning deed hetzelfde met zijn zoon. De twee kwamen bij dezelfde leraar. Ze werden heel verliefd op elkaar en spraken af dat ze met elkaar zouden trouwen. De zoon van de koning nam een ring en schoof die aan haar vinger en ze trouwden.

Toen stuurde de keizer iemand naar zijn dochter om haar naar huis te brengen. De koning stuurde ook iemand naar zijn zoon om hem naar huis te brengen en er werd gesproken over huwelijkskandidaten voor de dochter van de keizer. Maar die wees alle kandidaten af wegens de verbintenis die ze aangegaan was met de zoon van de koning. De koningszoon verlangde erg naar haar. En de dochter van de keizer was ook de hele tijd treurig. De keizer leidde haar door zijn zalen en paleizen om haar op haar hoge status te wijzen, maar ze bleef treurig. En de zoon van de koning verlangde zo naar haar dat hij ziek werd. Ze vroegen hem:

‘Wat mankeert u?’

Maar dat wilde hij niet zeggen. Ze zeiden tegen zijn lakei: ‘Misschien kun jij erachter komen.’

De lakei antwoordde: ‘Ik weet het wel.’ Omdat hij bij de zoon van de koning was geweest toen die studeerde kon hij alles vertellen.

De koning herinnerde zich dat hij allang een huwelijk overeengekomen was met de keizer. En hij schreef de keizer dat die voorbereidingen voor het huwelijk moest treffen, omdat de afspraak al lang geleden gemaakt was – zie boven. De keizer voelde niets meer voor het huwelijk, maar hij durfde niet te weigeren. Hij schreef terug dat de koning hem zijn zoon moest sturen, dan zou hij kijken of die landen kon regeren en als dat zo was zou hij hem zijn dochter geven. De koning stuurde hem zijn zoon. De keizer zette hem in een kamer en gaf hem staatsdocumenten om te zien of hij zou kunnen regeren. De zoon van de koning wilde de dochter van de keizer heel graag zien, maar hij kreeg haar niet te zien. Toen hij een keer langs een spiegelwand liep, zag hij haar spiegelbeeld en viel flauw. Ze kwam naar hem toe, bracht hem bij en zei tegen hem dat ze niet uitgehuwelijkt wilde worden omdat ze hem al een belofte had gedaan. Hij zei:

‘Wat nu? Jouw vader wil het niet.’

Ze zei: ‘Toch blijf ik bij je.’

Toen besloten ze naar zee te gaan. Ze huurden een schip en voeren de zee op. Na een reis op zee wilden ze aan land gaan. Ze bereikten een kust met een bos en gingen daarheen. De dochter van de keizer deed de ring af, gaf die aan hem en legde zich te slapen. Toen de zoon van de koning zag dat ze wakker zou worden legde hij de ring naast haar. Daarna gingen ze naar het schip. Toen herinnerde de dochter van de keizer zich dat ze de ring daar hadden laten liggen en ze vroeg hem die te gaan halen. Hij ging op weg, maar kon de plek niet vinden. Hij liep maar door zonder de ring te vinden. Overal zocht hij de ring tot hij ten slotte verdwaalde en de weg terug niet meer kon vinden. Ze ging hem zoeken, maar verdwaalde ook. Hij zwierf en zwierf steeds verder, tot hij een pad zag dat naar de bewoonde wereld leidde. Omdat er niets anders opzat, werd hij knecht. Ook zij zwierf rond tot ze verdwaalde. Het leek haar het beste om aan zee te gaan zitten. Ze ging naar de kust. Er stonden fruitbomen en daar ging ze zitten. Overdag liep ze langs de kust in de hoop dat ze iemand zou vinden en ze hield zichzelf in leven met de vruchten. ’s Nachts klom ze in een boom om zich te beschermen tegen wilde dieren.

 

***

Er was een schatrijke zakenman, die zaken deed in de hele wereld. Hij had een enige zoon en was al oud. Op een keer zei de zoon tegen zijn vader:

‘Jij bent al oud en ik ben nog heel jong. Jouw agenten bekommeren zich niet om mij. Hoe moet dat als jij doodgaat en ik alleen overblijf? Dan weet ik niet wat ik moet doen. Geef me dus maar een schip met handelswaar, dan ga ik naar zee om ervaring op te doen in zaken.’

Zijn vader gaf hem een schip met handelswaar. En de zoon ging van land tot land. Hij verkocht de handelswaar, kocht nieuwe handelswaar en het ging hem voor de wind.

Toen hij op zee was zag hij de bomen waar de dochter van de keizer zat. Ze dachten dat daar mensen woonden en wilden erheen. Toen ze dichterbij kwamen zagen ze dat er alleen maar bomen stonden en wilden weer weg. Ondertussen keek de zoon van de zakenman naar het wateroppervlak en zag daar een boom weerspiegeld met bovenin iets als een mens. Hij dacht dat hij zich vergiste. Hij vroeg de andere mannen die er waren om ook eens te kijken en zij zagen ook iemand in een boom. Ze besloten op onderzoek uit te gaan en stuurden iemand in een klein bootje. Ondertussen tuurden ze in zee om de verkenner de weg naar de boom te kunnen wijzen. De verkenner ging op weg, zag dat er een mens zat en gaf dat aan hen door. Toen de zoon van de zakenman er zelf heen ging, zag hij haar zitten. Hij zei dat ze naar beneden moest komen. Ze zei dat ze alleen mee naar het schip zou gaan als hij beloofde haar niet aan te raken voor hij thuis was en daarna met haar volgens de wet zou trouwen. Dat beloofde hij en ze ging met hem mee naar het schip. Hij merkte dat ze muziekinstrumenten kon bespelen en heel wat talen sprak en was blij dat hij haar ontmoet had. Toen ze zijn huis naderden zei ze dat hij eerst naar huis hoorde te gaan om zijn vader, zijn familie en zijn goede vrienden te vertellen dat hij zo’n voorname vrouw meebracht. Dan zouden ze haar allemaal tegemoetkomen en dan zou hij aan de weet komen wie ze was. Daar ging hij mee akkoord. Daarna zei ze:

‘Eigenlijk moet je alle matrozen op het schip genoeg te drinken geven, dat ze weten dat hun zakenman gaat trouwen met zo’n vrouw.’

Hij volgde haar goede raad, nam de uitstekende wijn die hij aan boord had en schonk de matrozen in. Ze werden stomdronken. Hij ging naar huis om het nieuws aan zijn vader en zijn vrienden te vertellen. De matrozen bezatten zich, gingen van boord en vielen dronken neer. Terwijl de hele familie zich gereedmaakte om haar tegemoet te gaan, maakte zij de trossen los, hees de zeilen en voer weg met het schip. Toen de hele familie kwam was er niets meer te bekennen. De zakenman was woedend op zijn zoon. De zoon riep:

‘Echt waar! Ik ben gekomen met een volgeladen schip!’ Enzovoort, zie boven.

Maar zij zagen helemaal niets.

Hij zei: ‘Vraag maar aan de matrozen!’

Zijn vader ging het vragen, maar ze lagen dronken op de grond. Toen ze wakker werden vroeg hij het, maar ze hadden geen idee wat er gebeurd was. Ze wisten wel dat ze gekomen waren met een volgeladen schip, maar niet waar dat schip was.

De zakenman werd woedend op zijn zoon, joeg hem het huis uit en wilde hem nooit meer zien. De zoon ging weg en werd een zwerver.

Ondertussen was zij op zee.

 

***

Er was een koning die paleizen aan zee bouwde, want hij hield van de zeelucht en de voorbijvarende schepen. De dochter van de keizer voer op zee en kwam dicht bij het paleis van de koning. De koning zag een schip voorbijvaren zonder roeiriemen en zonder iemand aan boord. Hij dacht dat hij het zich verbeeldde. Hij liet zijn mensen kijken en die zagen het ook. Terwijl de dochter van de keizer langs het paleis voer dacht ze: “Wat heb ik met dat paleis te maken?” en gooide het roer om. De koning stuurde mannen om haar terug te halen en liet haar bij zich brengen in het paleis. De koning had geen vrouw, omdat hij niet kon kiezen, want degenen die hij wilde hebben wilden hem niet hebben en omgekeerd.

Toen de dochter van de keizer bij hem kwam, zei ze dat hij moest zweren dat hij haar niet aan zou raken voor hij volgens de wet met haar zou trouwen. Dat beloofde hij. Ze zei dat hij haar schip niet mocht openen of zelfs maar aanraken, want het moest zo blijven liggen tot het huwelijk, dat iedereen kon zien wat ze allemaal meebracht en dat niemand zou zeggen dat hij een vrouw van de straat had opgeraapt. Dat beloofde hij. En de koning schreef aan alle landen dat ze allemaal op de bruiloft moesten komen. Hij bouwde paleizen voor haar. Zij vroeg elf hofdames om haar gezelschap te houden en dat vond de koning goed. Ze stuurden haar elf hofdames, elf dochters van hoge adel, en bouwden voor ieder een eigen paleis. Zijzelf kreeg ook een eigen paleis. En ze kwamen bij haar aan het hof, maakten muziek en speelden samen spelletjes.

Op een dag zei ze dat ze met hen naar zee wilde. Ze gingen met haar mee en deden daar spelletjes. Ze zei dat ze zou trakteren op de goede wijn die ze in voorraad had. Ze schonk de wijn die nog in het schip lag. Ze werden dronken, vielen neer en bleven liggen. Zij maakte de trossen los, hees de zeilen en voer weg met het schip.

De koning en zijn mensen zagen dat het schip er niet meer lag en schrokken erg. De koning zei:

‘Vertel het haar maar niet, want dan wordt ze heel verdrietig en dan denkt ze dat de koning het schip aan iemand weggegeven heeft. Stuur dus maar een van de hofdames om het haar tactvol te vertellen.’

Ze gingen naar een kamer, maar er was niemand. In de volgende kamer was ook niemand en in alle elf de kamers was niemand. Ze besloten haar ’s nachts een oude adellijke dame te sturen om het te vertellen. Maar toen ze in haar kamer kwamen was daar ook niemand en ze schrokken erg. Ondertussen merkten de vaders van de hofdames dat ze van hun dochters helemaal geen brieven meer kregen. Ze stuurden brieven, maar die werden niet beantwoord. Ze besloten naar hen toe te gaan, maar konden hun dochters niet vinden. Ze werden erg boos en wilden de koning verbannen en ter dood veroordelen, want daarvoor waren ze ministers. Maar ze vroegen zich af of de koning wel zo schuldig was dat hij verbannen moest worden. Hij kon er immers niets aan doen. In plaats daarvan besloten ze hem af te zetten en uit het koninkrijk te verbannen. En zo zetten ze hem af en verbanden hem. En hij vertrok.

En de dochter van de keizer, die gevlucht was, zeilde weg met het schip. Toen werden de hofdames wakker en deden net als eerst weer spelletjes met haar, want ze wisten niet dat het schip de kust al verlaten had. Toen zeiden ze:

‘Laten we terug naar huis gaan.’

Zij antwoordde: ‘Laten we nog even blijven.’

Toen stak er een stormwind op. Ze zeiden: ‘Laten we terug naar huis gaan.’

Zij vertelde hun dat het schip allang weggevaren was.

Ze vroegen: ‘Waarom hebt u dat gedaan?’

Zij zei dat ze bang was geweest dat het schip door de storm verwoest werd, daarom had ze dat gedaan. Zo zeilden de dochter van de keizer en de elf hofdames verder op zee, deden spelletjes en speelden op muziekinstrumenten. Tot ze een paleis naderden. De hofdames zeiden tegen haar:

‘Laten we naar dat paleis toe gaan.’

Ze zei dat ze nog steeds spijt had dat ze naar dat paleis van de koning gegaan was. Toen zagen ze iets als een eiland in zee en voeren erheen. Daar waren twaalf rovers die hen wilden vermoorden. Ze vroeg:

‘Wie is de grootste van jullie?’

Ze wezen de grootste aan.

Zij vroeg: ‘Wat doen jullie hier?’

Hij vertelde dat ze rovers waren.

Zij antwoordde: ‘Wij zijn ook zeerovers, alleen doen jullie het met kracht en wij met slimheid, want wij hebben talen geleerd en kunnen muziekinstrumenten spelen. Dus wat hebben jullie eraan om ons te vermoorden? Jullie kunnen beter met ons trouwen, dan zijn jullie in één klap rijk.’ En ze liet hun zien wat er in het schip lag. Wat ze vertelde beviel de rovers wel en zij lieten ook hun rijkdommen zien en gaven een rondleiding langs al hun bergplaatsen. En ze spraken af dat ze niet allemaal tegelijk zouden trouwen, maar een voor een, en dat ieder een vrouw uit zou kiezen, volgens hun rangorde. Daarna zei ze dat ze hun de voortreffelijke wijn wilden aanbieden die ze in het schip had. Want zijzelf dronk die wijn niet, maar bewaarde hem tot God een echtgenoot voor haar zou vinden. Ze schonk de wijn in twaalf bekers en vroeg ieder om op alle twaalf te drinken. De rovers toostten en werden zo dronken dat ze neervielen. De dochter van de keizer zei tegen de hofdames:

‘Maken jullie nu allemaal jullie eigen man dood.’

Dat deden ze en alle mannen werden gedood. En ze vonden daar grote schatten zoals geen koning ze ooit bij elkaar had gezien. Ze besloten geen koper en geen zilver mee te nemen, maar alleen goud en edelstenen. Ze gooiden alles van weinig waarde overboord en laadden het schip met kostbaarheden, met het goud en de edelstenen die ze vonden. En ze besloten niet meer als vrouwen gekleed te gaan. Ze naaiden mannenkleren naar de Duitse mode en voeren weg met het schip.

 

***

Er was een koning die één zoon had. Hij huwelijkte hem uit en gaf hem zijn koninkrijk. Op een keer zei de zoon van de koning tegen zijn vader dat hij met zijn vrouw een zeereis wilde maken om haar aan de zeelucht te laten wennen voor het geval ze ooit over zee zouden moeten vluchten. De zoon van de koning ging met zijn vrouw en de ministers aan boord van een schip. Ze waren uitgelaten en hadden veel plezier. Toen spraken ze af dat ze allemaal hun kleren uit zouden trekken. Dat deden ze en ze hadden alleen nog hun hemd aan. Ze probeerden allemaal of ze in de mast konden klimmen. De zoon van de koning lukte dat.

Ondertussen was de bovengenoemde dochter van de keizer aangekomen met haar schip en zag het andere schip. Eerst durfde ze het niet te naderen, maar toen ze een beetje dichterbij kwam zag ze dat de bemanning veel plezier had en ze begreep dat het geen zeerovers waren. Terwijl ze naderbij kwamen, zei de dochter van de keizer tegen haar mensen:

‘Ik kan die kale kop in zee gooien!’

De zoon van de koning had namelijk een kaal hoofd.

Ze zeiden: ‘Hoe kan dat dan? We zijn zo ver van ze af.’

Ze antwoordde dat ze een brandglas had en hem daarmee naar beneden zou gooien, maar niet voor hij helemaal naar de top van de mast geklommen was. Omdat hij nog maar halverwege was, zou hij op het dek vallen, terwijl hij van boven in zee zou vallen. Ze wachtte tot hij in de top van de mast was, pakte het brandglas en hield het op zijn hoofd gericht tot zijn hersenen verbrandden. Hij viel in zee.

Zijn val veroorzaakte grote paniek. Ze wisten niet wat ze moesten doen, hoe ze terug naar huis moesten, omdat de koning zou sterven van verdriet. Ze besloten naar het schip te gaan dat ze zagen liggen, want daar was misschien een dokter die zou kunnen helpen. Ze gingen ernaartoe, zeiden dat ze niet bang hoefden te zijn, omdat zei echt niets zouden doen en vroegen:

‘Is er een dokter aan boord? Misschien kan die ons helpen.’ En ze vertelden het hele verhaal, hoe de zoon van de koning in zee gevallen was.

De dochter van de keizer zei dat ze hem uit het water moesten halen. Ze vonden hem en haalden hem eruit. De dochter van de keizer pakte zijn pols en zei:

‘Zijn hersenen zijn verbrand.’

Ze maakten zijn schedel open en zagen dat het waar was wat ze zei. Ze schrokken erg. En ze vroegen haar om mee naar huis te gaan om lijfarts van de koning te worden en een belangrijke functie te krijgen. Dat wilde ze niet en ze zei dat ze helemaal geen dokter was, maar toevallig het een en ander wist. De mensen van het schip van de bovengenoemde zoon van de koning wilden niet meer terug naar huis en de beide schepen voeren samen op. De ministers zouden graag zien dat hun koningin, de weduwe van de zoon van de koning, met de dokter zou trouwen, omdat ze zagen hoe bijzonder wijs hij was. Daarom wilden ze dat de koningin met de dokter zou trouwen en dat hij koning werd. En hun oude koning zouden ze vermoorden. Alleen schaamden ze zich om er bij de koningin over te beginnen dat ze met een dokter trouwen moest. Maar de koningin vond het ook een goed idee om met de dokter te trouwen, alleen was ze bang dat de mensen in het land hem niet als koning zouden willen. Ze besloten feesten te organiseren waarop de zaak dan bij de toost op het hoogtepunt van de feestvreugde besproken kon worden. Ieder organiseerde een feest op een afzonderlijke dag. Toen het feest van de dokter aanbrak, schonk hij hun van zijn wijn – zie boven – en op het hoogtepunt van de feestvreugde werden ze dronken. De ministers zeiden:

‘Wat zou het prachtig zijn als de koningin met de dokter trouwde.’

De dokter zei dat dat natuurlijk prachtig was, maar dat je zoiets beter nuchter kon bespreken.

De koningin zei ook dat het prachtig zou zijn als ze met de dokter trouwde, maar dan moesten de mensen in het land er wel achter staan.

De dokter herhaalde dat het natuurlijk prachtig zou zijn, maar dat je zoiets beter nuchter kon bespreken.

Toen ze nuchter waren herinnerden de ministers zich wat ze gezegd hadden en ze schaamden zich tegenover de koningin dat ze zoiets gezegd hadden. Maar ze beseften dat de koningin het zelf ook gezegd had. En de koningin schaamde zich op haar beurt tegenover hen, maar besefte dat zij het zelf ook gezegd hadden. Ondertussen bespraken ze de zaak en werden het eens. De koningin zou trouwen met de dokter. En ze gingen terug naar hun land.

Toen de mensen in het land hen zagen komen waren ze uitgelaten, want het was al zo lang geleden dat de zoon van de koning met het schip vertrokken was en ze wisten niet waar hij was, en de oude koning was al voor hun komst gestorven. De mensen zagen dat de zoon van de koning, die hun koning was geweest, er niet bij was en ze vroegen:

‘Waar is onze koning?’

Ze vertelden het hele verhaal, dat de zoon van de koning allang gestorven was en dat ze ook al een nieuwe koning gevonden hadden, die nu met hen meegekomen was.

De mensen in het land waren heel blij dat ze al een nieuwe koning hadden. De koning liet in alle landen aankondigen dat alle vreemdelingen, vluchtelingen en ballingen op de bruiloft moesten komen en dat niemand van hen weg mocht blijven. Ze zouden grote cadeaus krijgen. De koning gaf ook opdracht om rond de hele stad bronnen te slaan, dat iedereen zou kunnen drinken en niet weg hoefde om te drinken, maar naast zich een bron zou vinden. Verder gaf de koning opdracht bij iedere bron zijn portret te plaatsen met daarnaast een wachter die moest opletten of mensen die naar het portret staarden een vervelend gezicht trokken. Zo iemand moest dan gegrepen worden en in de gevangenis gegooid.

En zo gebeurde het.

Ze kwamen alle drie toen zij koning werd. De eerste zoon van de koning, die de echte bruidegom van de dochter van de keizer was. En de zoon van de zakenman, die door zijn vader weggejaagd was nadat de dochter van de keizer hem ontsnapt was – zie boven. En de koning die verbannen was, evenees nadat de dochter van de keizer hem ontsnapt was met de elf hofdames – zie boven. En alle drie herkenden ze haar portret. Ze staarden ernaar en er kwamen treurige herinneringen in hen op. Ze werden gegrepen en in de gevangenis gegooid.

Op de bruiloft gaf de koning opdracht de gevangenen voor te geleiden. Ze verschenen alle drie. Ze herkende hen maar zij herkenden haar niet, doordat ze mannenkleren droeg. De dochter van de keizer zei:

‘Jij koning, jij bent verbannen om de elf hofdames die verdwenen zijn. Hier zijn je hofdames. Ga terug naar je land en naar je koninkrijk.’

‘Jij zakenman, jij bent door je vader verjaagd om het volgeladen schip dat gekaapt was. Hier is je volgeladen schip. En omdat je geld zo lang vastgezeten heeft heb je nu veel meer schatten in het schip dan eerst.’

‘En jij zoon van de koning, kom hier, dan gaan we naar huis.’

En ze gingen terug naar huis.

Amen en amen.

 

1816

 

Nachman van Bratslav, Sippoerei Maises. Jeruzalem–New York, z.j.: Keren Hadfasah D’Chasidei Breslov, pp. 16-42.

 

Nachman van Bratslav (1772-1810) was een chassidische leider, die zijn volgelingen verhalen vertelde. Na zijn vroege dood werden deze verhalen in het Hebreeuws en Jiddisj op schrift gesteld door Nosn Sjternharts en in de jaren 1815-1816 uitgegeven. Alle vertellingen kunnen gelezen worden als sprookjes zonder meer. Ze hebben echter een diepe religieuze betekenis, zoals de hieronder afgedrukte inleiding duidelijk maakt. De symboliek is zo gecompliceerd, dat het hier ondoenlijk is daar dieper op in te gaan. Goede toelichtingen zijn te vinden in de volgende vertalingen: Aryeh Kaplan, Rabbi Nachman’s Stories (Breslov Research Institute, Jeruzalem, 1983), Arnold J. Band, Nachman of Bratslav, The Tales (Paulist Press, New York, 1978) en Michael Brocke, Die Erzählungen des Rabbi Nachman von Bratzlaw (Hanser, München, 1985). De bekende uitgave door Martin Buber is een vrije bewerking, die Nachmans eenvoudige stijl geen recht doet.

Kees van Hage

 

De verhalen in dit boek bevatten de grote geheimen van de Tora. Ze handelen over belangrijke dingen en er staat geen alledaags woord in. Ook gewone mensen kunnen een hoge moraal ontlenen aan de verhalen, want die bezitten de kracht om alle mensen uit hun slaap te wekken en te voorkomen dat ze, God verhoede, hun jaren versuffen. Wie ze met een oplettend oog wil lezen, kan iets zien en begrijpen van Gods grootheid. Ze kunnen zelfs gewone mensen een sprankje moreel inzicht verschaffen en ervoor zorgen dat ze zien hoe de toestand in de wereld is en zich geen rad voor ogen laten draaien. De lezer moet dag en nacht bidden om verlost te worden van de dwaasheid van de wereld en te leven naar de wil van God, moge Hij gezegend zijn. De verhalen bevatten verborgen dingen die niet beschreven of verteld kunnen worden, maar wel tot inzicht kunnen leiden. Omdat wij de rabbi soms hebben horen zeggen dat hij de verhalen gedrukt wilde zien in de heilige taal het Hebreeuws en daaronder in het Jiddisj, hebben wij zijn heilige wil ten uitvoer gebracht en de verhalen zo gedrukt. Ook gewone mensen moeten kennis kunnen nemen van de verhalen, al zullen zij heel weinig begrijpen van de bedoeling en de strekking ervan. Zij zullen veel profijt hebben van het aandachtig lezen, want de verhalen hebben het vermogen de lezer nader tot de Allerhoogste te brengen. Het zijn, God verhoede, geen lege teksten. De rabbi, hij ruste in vrede, besloot veel verhalen met een paar verzen of opmerkingen om zijn toehoorders duidelijk te maken dat hij, God verhoede, geen onzin vertelde. Daarmee gaf hij een aanwijzing van de strekking van de verhalen, want ze bevatten alle de geheimen van de Tora.

 

Nachman van Bratslav, Sippoerei Maises. Jeruzalem–New York, z.j.: Keren Hadfasah D’Chasidei Breslov, p. 28.