De grootvader en zijn kleinzoon

lenin-seated-1-sized

 

Der Nister

 

 Rebbe Arn Monesses

Arn Monesses, de oude rebbe van het kleine Pools-joodse sjtetl Meletz, dat niet ver van de Karpaten ligt, leidde zo’n vroom leven, dat zelfs de allervroomste mensen van mening waren dat hij niet van onze wereld was en eigenlijk in het verre verleden geboren had moeten zijn.

Rebbe Arn vastte al het grootste deel van de week… De mensen uit zijn naaste omgeving, zoals de oude sjoichet en de sjammesj, die hem vaak opzochten en zagen hoe hij leefde, gaven hem dikwijls een standje en zeiden dan dat het niet goed was, dat je zo niet mocht leven en dat het tegen het gebod was dat ve-chai ba-hem eiste, dat wil zeggen dat je je gezondheid in stand moest houden als een goed geschenk van God, maar hij vond altijd wel een manier om zich te verdedigen en hun standje te ontwijken in allerlei uitvluchten, die erop neerkwamen dat hij voor zijn gezondheid zo weinig mogelijk moest eten.

Vis en vlees ontzegde hij zich zelfs op sjabbes en de feestdagen en als hij al at, bestonden zijn feestmalen uit een boterham met zout en een paar walnoten die nog niet weggerot waren of opgevreten door de wormen… En hij leefde eigenlijk alleen maar van zijn boeken, waar hij zijn ogen dag en nacht niet van afhield. Overdag om zoals gewoonlijk te lernen en ’s nachts als hij opstond voor de chtsos, zoals altijd met alles erop en eraan: het gaan zitten op de drempel, het schudden van wat as op zijn hoofd en het zeggen van Ad ane bechije beTsiën (“Hoe lang zal er nog geweend worden in Zion?”), de ene keer luidkeels huilend, de andere keer snikkend als een klein kind, en dan ging hij niet meer terug naar bed, omdat hij toch niet meer in slaap kon komen en ook om de rest van de nacht door te brengen met lernen.

En wat moest iemand als rebbe Arn anders ook doen en waar zou hij zich anders mee bezig moeten houden? Hij had geen familieleven, zoals we nog zullen zien, en zijn eigenlijke werk als rebbe ging hem gemakkelijk af en kostte weinig tijd, want het sjtetl was klein en hij werd met rituele huis-, tuin- en keukenkwesties niet overdreven vaak lastiggevallen, zelfs vroeger niet, toen iedereen nog heel vroom was, goed oppaste en bang was voor de kleinste inbreuk op de wet, en tegenwoordig al helemaal niet, nu de mensen niet zo precies waren en het met de strenge kasjroet niet zo nauw namen… Rituele kwesties waren er dus niet. En verder waren er ook geen rabbinale rechtszittingen en bóreres, dat wil zeggen arbitrages tussen twee partijen bij een conflict of een proces, want daarvoor waren de zaken in het sjtetl te onbetekenend en er was niets om over te ruziën of te procederen. Dus ja, waarmee moest rebbe Arn zich anders bezighouden dan met davvenen, met lernen en, als er nog wat tijd over was, ook nog met een beetje nadenken. Nu, dat deed hij dan ook: hij davvende, hij lernde en dacht ook, als hij tijd had… Wat dan? Dat hij God niet waardig was, die hem op de wereld had gezet en hem geboren had laten worden in een tijd dat het beroep van rebbe overal in de verdrukking kwam en laag in aanzien stond, zeker in zo’n sjtetl als Meletz, waar hij zijn geld wel heel makkelijk leek te verdienen…

Hij was al heel oud, rebbe Arn. De dunne, witte haren van zijn baard, waarin tijdens het lernen en denken altijd een hand aan het woelen was, waren al te tellen en de verweerde huid van zijn wangen en zijn kin was ertussen zichtbaar; de in-vrome, dromerige blik in zijn ogen, die vroeger bruin waren geweest, was nu waterig en nooit gericht op degene met wie hij sprak en die voor hem zat of stond…

Hij was al bevrijd van allerlei hartstochten, rebbe Arn, en onder de oude as gloeide er bij hem nog één vonk en dat was de jaloezie op zijn voorgangers en een zekere minachting en ook medelijden ten opzichte van zichzelf.

Als Rebbe Arn niet zat te lernen en als hij in gedachten was, had hij altijd oude rabbijnen uit allerlei voorbije tijden voor ogen: rabbijnen met eruditie, met een voorname houding en met aanzien, rabbijnen die met vaste hand leiding gaven aan grote kehilles en hele landen, rabbijnen die lifnei melochim itjotsev, dat wil zeggen die kwamen in dienst van koningen. Rabbijnen die hun gemeenschap leidden bij een verbanning, dat wil zeggen wanneer het volk van een bepaalde plaats verdreven werd, met in hun handen een Toire, die ze aan hun borst drukten als een ziek kind dat ze beschermden tegen de kou, zoals bijvoorbeeld Abravanel tijdens de verdrijving uit Spanje. Een andere keer zag hij een rabbijn, gekleed als een rabbijn op een hoogtijdag, ontboden door een keizer of een hoogwaardigheidsbekleder, een rabbijn die het verzoek niet kon weigeren, omdat het anders slecht zou aflopen met degenen die hem afgevaardigd hadden en ook met hemzelf, de afgevaardigde… Hij zag hem met woorden van de widdoej op zijn lippen en met onder zijn feestelijke kleding ook een doodshemd, voor het geval hij op de plaats waar hij naartoe moest om zijn verdedigingsrede te houden aan zijn eind zou komen… Hij zag verder hoe het volk per decreet aan een beproeving onderworpen werd: of hun geloof afzweren en tot een ander overgaan, of binnenkomen als rabbijnen, met voor zich in sjoel de hele gemeente, die met slachtmessen in de hand de zegen al ha-sjchite uitsprak om elkaar daarna meedogenloos af te slachten: jong tegen oud, vaders tegen kinderen, mannen tegen vrouwen, tot uiteindelijk de laatste zichzelf afslachtte.

Dat was toen, met rabbijnen van vroeger, maar wat stelde hij, rebbe Arn, nu voor? Rebbe Arn gaf de moed helemaal op als hij een vergelijking maakte tussen zichzelf en die anderen en tussen nu en vroeger en als hij in gedachten opklom tot de sjalsjèles ha-jiches, dat wil zeggen tot de keten van de generaties van rabbijnen, en zijn eigen nietigheid zag, zijn overbodigheid en niet-geroepen-zijn tot wat dan ook… Hij maakte voor zijn gevoel een diepe val en probeerde zijn verborgen gedachten een keer te uiten tegen anderen, zoals tegen de oude sjoichet en de sjammesj, die hem vaak kwamen opzoeken en wie hij, zomaar opeens, een overwachte vraag stelde:

‘Zeg mensen, als nu, God verhoede, de tijd komt dat er een vonnis geveld wordt en er martelaarschap nodig is, zullen er dan mensen zijn die hun hoofd op het offerblok leggen, zoals bijvoorbeeld in de tijd van Chmielnicki of de tijd van Gonta?’

‘Hoe komt u daarbij, rebbe Arn?’ zeiden de anderen dan, verwonderd over zijn vraag. ‘God verhoede, maar natuurlijk zullen die mensen er zijn… Loi almen Jisroël, dan staan de joden niet alleen, dan zijn ze nog niet zo arm en uitgeput dat ze geen mensen hebben die in tijd van nood nog moedig genoeg zijn om niet door de knieën te gaan voor de vijand en de onderdrukker.’

‘O ja?’ zei Arn dan en zijn oude, afgeleefde gezicht lichtte op en hij keek nu wel de mensen aan met wie hij in gesprek was en die voor hem stonden of zaten, ‘O ja? Wie dan bijvoorbeeld?’

‘Nu ja, iemand als uzelf, rebbe Arn… En nog wel meer.’

‘O ja?’ zei rebbe Arn met een wegwerpend gebaar en keek beschaamd en bescheiden een andere kant uit, omdat hij absoluut niet geloofde dat hij kon wat anderen dachten dat hij kon… Maar in zijn hart was hij toch wel een klein beetje tevreden en zelfs vervuld van een wat overdreven trots dat als God hem inderdaad niets had meegegeven wat hij tentoonspreiden kon, hij volgens de mensen wel degelijk tot iets in staat was als het erop aankwam. En dat was toch een halve troost en een stuk rechtvaardigheid voor rebbe Arn. Maar… Telkens als hij al half getroost dacht te zijn, moest hij terugdenken aan iets wat hem erg deprimeerde en hem weer diep-treurig maakte en bewees dat hij toch niet degene was op wie de mensen konden bouwen en vertrouwen.

En dat was zijn kleinzoon Itsikl, die hij eigenlijk zou moeten verwerpen en uit zijn hart zou moeten bannen. Maar dat kon hij niet… Zowel omdat Itsikl altijd nog tot zijn eigen volk behoorde, als om de goede kanten die Itsikl als kind had gehad en die, zelfs al was hij ze later kwijtgeraakt, zijn grootvader bijgebleven waren, of om beide redenen; maar hoe dan ook, hij kon het niet. Wat anderen, zelfs rabbijnen, ook deden, als kinderen opstandig werden en het verkeerde pad opgingen: met hen breken en hen uit de familiekring stoten, dat kon hij niet.

 

2. Itsikl, rebbe Arn Monesses’ kleinzoon

Itsikl was als enige over van de naaste familieleden van de rebbe, die allemaal gestorven waren: eerst zijn vrouw, daarna zijn enige dochter, daarna haar man, zijn schoonzoon, daarna ook de oudere kinderen van zijn dochter, die na haar wegvielen. Itsikl was als kind erg gehecht aan zijn grootvader, die zijn vader en moeder moest vervangen. Hij zag hem naar de ogen en deed alles wat grootvader van hem vroeg; hij leerde goed bij de onderwijzers en ook bij zijn grootvader, die hem meer kon geven dan de onderwijzers. Maar toen hij een jaar of twaalf, dertien was, maakte Itsikl zich ineens los van zijn grootvaders invloed en gezag. Of het nu door vrienden kwam of doordat hijzelf opeens veranderde, Itsikl werd dwars: zo stil, bescheiden en onopvallend hij vroeger te midden van andere kinderen was, zo luidruchtig was hij nu onder andere opgeschoten jongeren en haantje-de-voorste bij alle streken en vechtpartijen, en zijn naam dook altijd op bij gelegenheden waarvan grootvader, als hij ervan hoorde, veel verdriet had en waarbij hij dan een stukje van zijn baard in zijn mond stak om niet diep te zuchten of het uit te schreeuwen van verdriet… Het was goed dat grootvader later Itsikls naam af en toe opving als het ging over lopen met meisjes buiten de stad, met ouderen en jongeren dan hij, dat God weet waartoe kon leiden.

Itsikl veranderde zelfs in zijn uiterlijk: was hij vroeger een gewoon, mager joods jongetje, nu kreeg hij ineens brede schouders en groeide in de lengte en de breedte, waardoor zijn kleren hem vaak te krap werden en zijn groei niet bij konden houden. Ook waren zijn bewegingen ongeremder en onbesuisder dan bij anderen die opgroeiden in hetzelfde milieu als hij. En het enige wat zijn afkomst verraadde waren zijn bruine ogen, dezelfde als die van zijn grootvader; maar terwijl zijn grootvaders blik al uitgeblust was, in-vroom en altijd gericht op vroeger, op gisteren, eergisteren en het verleden, zwierf Itsikls blik rond en keek vol vuur vooruit, naar alles wat er hier en nu voor hem gebeurde en speurde naar het beste en aantrekkelijkste in waar hij eigenlijk nog te jong voor was… En verder was hij in alles het tegendeel van zijn grootvader: als die van misselijkheid geen hap meer door zijn keel kon krijgen, verging hij nog van de honger, zowel naar eten, dat hij vrat, als naar alle andere dingen waarvan zijn grootvader zelfs op dezelfde leeftijd als Itsikl geen notie had gehad.

Het gebeurt zelden, al komt het voor, dat leden van dezelfde familie zo van elkaar verschillen dat niets op een gemeenschappelijke afkomst wijst.

“Ha-Sjem jisborech mogen we dankbaar zijn,” placht de grootvader, rebbe Arn Monesses, later te zeggen als hij aan zijn kleinzoon dacht: dat Itsikl het bloed, dat zo in hem kookte en hem had kunnen verleiden de weg in te slaan van de pure bevrediging van zijn hitsige lichaam, de laatste tijd anders begon te gebruiken, niet helemaal zoals zijn grootvader het graag zag, maar toch beter dan dat hij gewoon een vreetzak en en een zuipschuit werd of iemand voor wie mensen hun dochters in bescherming moesten nemen.

Itsikl was de laatste tijd namelijk een heel onverwachte kant uitgegaan, de kant van de illegale linkse politiek, iets waarmee zich zelfs in grote steden maar weinig mensen bezighielden, en al helemaal niet in een sjtetl als Meletz, waar niemand daar iets mee te maken had, waar niemand dat in zijn hoofd haalde en waarvan ze alleen iets wisten door er soms iets over te lezen in de kranten… Natuurlijk ging ook dat rebbe Arn aan het hart, omdat het hem aanging en zijn familielid, dat zich met zulke dingen bezighield en natuurlijk was dat rebbe Arns bedoeling niet geweest toen hij het kind van zijn kind opvoedde…

Hij moest afstand nemen van Itsikl. Bepaalde gezinshoofden, grote tegenstanders van Itsikls politieke richting, dwongen hem door hem in de klaus waar hij hen altijd ontmoette venijnige, insinuerende vragen te stellen:

‘Zeg rebbe Arn, wil die Itsikl van u echt dat het hier zo wordt als dáár?’ En daarbij maakten ze dan een gebaar in de richting van de oostgrens, omdat ze Rusland bedoelden.

‘Zeg,’ vroegen ze dan een andere keer, ‘wil hij echt de hele wereld gelukkig maken met het rijk van de kozakken? Dat mogen ze daar houden,’ waarbij ze dan weer een gebaar maakten om aan te geven dat ze de bolsjewieken bedoelden.

Dit tot grote ergernis van rebbe Arn, die niet in staat was te verdedigen wat de anderen bekritiseerden, omdat hij afhankelijk was van de gezinshoofden, die geld en invloed hadden en bovendien omdat hij het zelf ook niet eens was met dat waar Itsikl zich mee inliet en mee dweepte.

En zoals ieder die dat wilde te weten kon komen, werkte Itsikl zelf zich uiteindelijk met veel ambitie op tot een soort hoofd en aanvoerder van die kringen, die hij organiseerde en die bepaald niet in het staatsbelang waren… De mensen kwamen ook aan de weet dat hij alle ideeën in zijn illegale werk niet alleen van zichzelf had en dat alles voortkwam uit zijn eigen onrijpe, jeugdige verantwoordelijkheidsgevoel, wat nog half te verontschuldigen was, maar dat hij in verbinding stond met hogere kringen, met een of andere organisatie ergens in een centrum dat hem zowel mondelinge orders gaf als drukwerk in de vorm van pamfletten en brochures om te verspreiden onder degenen aan wie hij leiding gaf.

En al was Itsikl nog heel jong, niet ouder dan een jaar of zestien, zeventien, de leeftijd waarop het strafrecht nog niet zo van toepassing was als op volwassenen, ze behandelden hem toch wel degelijk als een volwassene en in een nacht, toen zijn grootvader de chtsos aan het bidden was, werd er bij het huis van de rebbe aangeklopt en er stond Poolse politie voor de deur. Ze hadden al onderzoek gedaan, zoals gebruikelijk, en vervolgens arresteerden ze Itsikl en namen hem mee.

Het hart van de grootvader brak, zowel door de schande dat hij als rebbe en op zijn leeftijd bij zoiets betrokken raakte, wat verdenking kon laden op zijn eigen kasjroet, als van verdriet dat ze Itsikl van zijn bed gelicht hadden en allesbehalve fatsoenlijk behandeld, nog in huis, en wie weet trouwens wat hem daar nog te wachten stond.

Rebbe Arn moest op zijn beklagenswaardige leeftijd doen wat hij kon en het enige wat hij kon doen was die vijandiggezinde mensen smeken voor zijn Itsikl een goed woordje te doen en zo mogelijk een verzoekschrift met handtekeningen in te dienen bij de betreffende instantie. Die mensen maakten hem harde verwijten en wierpen hem boze blikken toe, maar deden wel toezeggingen. En het is niet bekend of ze woord hielden en een bemiddelingspoging deden en of hun poging iets uithaalde, of dat het kwam doordat Itsikl jong en nog niet meerderjarig was, dat wil zeggen dat ze nog niet de hoogste juridische gestrengheid konden laten gelden; in ieder geval werd hij na enige tijd uit de gevangenis ontslagen. De reden was niet bekend, maar wel dat er geen rekening gehouden was met Itsikls jonge leeftijd en dat hij in de gevangenis niet verwend was, wat je kon zien aan zijn gezicht, dat bleek was toen hij uit de gevangenis kwam, en ook aan de diepere ernst die hij met zijn weinige spullen van daar mee terugbracht.

Maar Itsikl had zijn lesje niet geleerd. Integendeel: toen hij eruitkwam was hij nog verder gestaald en nog sterker overtuigd van zijn zaak. Hij nam nog geen dag rust en zocht direct de kameraden van zijn afdeling op, aan wie hij voor zijn arrestatie leiding had gegeven en van wie hij tijdens zijn gevangenschap gescheiden was geweest. Sterker nog: hij deed nu erg zijn best om ook door te dringen in kringen waar hij vroeger geen toegang toe had gehad: de joodse en niet-joodse handwerkers en gezellen, anders dan vroeger, toen hij alleen te maken had gehad met mensen als hijzelf, met jongeren uit de middenklasse.

Hij hield er geen rekening mee dat hij nu op de zwarte lijst stond van de Poolse politieke politie, die tot taak had alles wat verdacht was in de gaten te houden, zeker degenen die al een keer gestraft waren en wegens bepaalde vergrijpen gezeten hadden, en als hij nog een keer zondigde zou de straf veel langer en zwaarder uitvallen; daar hield Itsikl geen rekening mee, hij spaarde zichzelf niet en direct na zijn bevrijding streed hij des te ijveriger voor de zaak waaraan hij zich met al zijn jeugdig-fanatieke enthousiasme wijdde.

Om nu rekening te houden met de positie van zijn grootvader in de stad, verhuisde hij wel van diens huis naar een woning van een verarmde werkman, in een achterafhuisje aan een zijstraatje. Voor de buitenwereld brak hij met zijn grootvader, net als zijn grootvader met hem. Maar dat nam niet weg dat ze elkaar van tijd tot tijd zagen, en al zat grootvader bij zo’n ontmoeting altijd zacht te zuchten, omdat hij met hem te doen had, en al bespeurde hij de vreemde lucht die Itsikl meebracht uit het donkere achterafstraatje van de werklui en ook de geestelijke vervreemding die er tussen hen ontstaan was, er kwam eerlijk gezegd toch geen einde aan zijn liefdevolle verhouding met Itsikl.

Als Itsikl zijn grootvader opzocht, kwam hij binnen als een wervelwind, met enthousiast zelfvertrouwen en met zijn hoge en brede schouders, waarvoor grootvaders deur te laag en te smal was, en als hij grootvader dan aantrof bij diens gewone bezigheid, het lernen, zei hij altijd opgewekt en familiair:

‘Dag opa, hoe gaat het? Ben je aan het lernen?’ En daarbij wierp hij ook altijd een blik in het boek dat grootvader voor zich had en zei dan: ‘Zo, Zevachim en Menachos? Opa toch, ben je nog altijd bezig met de Tempel die niemand meer nodig heeft?’

‘En wie,’ antwoordde rebbe Arn dan op dezelfde familiaire toon, ‘wie heeft jou verteld dat er geen Tempel meer is en dat er geen priesters en offers meer nodig zijn? Volgens mij ben jij zelf toch ook een beetje priester in een tempel die niemand kan zien en volgens mij offer jij daar, zoals wel te zien is, ook iets: je jonge jaren, die je kwijt bent en niet zo gauw meer terugkrijgt!’

‘Opa, maak je maar geen zorgen om mijn jaren,’ antwoordde Itsikl dan opgewekt en het leek wel of hij zijn grootvader bij die woorden een broederlijk klopje op zijn rug wilde geven om hem ervan te verzekeren dat hij niet bezorgd hoefde te zijn.

‘Geen zorgen, zeg je? Jammer,’ antwoordde rebbe Arn dan en bleef maar zachtjes zuchten, terwijl hij bezorgd naar Itsikl keek, als een vader die ziet dat zijn kind de verkeerde kant uitgaat, en tegelijk met ingehouden liefde, die zorgde dat het vaderhart ondanks alles naar de zoon trok…

Zo praatten ze dan verder en beiden bleven ze natuurlijk op hun standpunt staan: Itsikl bleef bij zijn vreemde bezigheden en zijn verwijdering van zijn grootvader en grootvader zat klem tussen plichtsbesef en liefde, waarvan het eerste eiste dat hij met Itsikl brak en de tweede hem dat niet toestond…

En dat was wat rebbe Arn kwelde. Hij zag dat hij zwak en traag was en niet eens in staat zo’n kleine beproeving met zijn kleinzoon te doorstaan en vroeg zich af hoe het zou gaan als hij werkelijk op de proef gesteld zou worden.

Maar we laten hem alleen laten met zijn zorgen, want aanstonds zullen we zien dat rebbe Arn zich vergiste, zowel in zichzelf, omdat hij zijn eigen kracht onderschatte, als in zijn kleinzoon Itsikl, want hij dacht dat zijn liefde voor hem niet verdiend was en dat hij hier te maken had met een kind dat hij kwijt was geraakt aan de chaos…

Het zal hier gaan over de huidige oorlog, waarin beiden, de grootvader en zijn kleinzoon, op hetzelfde altaar terechtkwamen, zij het van verschillende kanten, om door hetzelfde mes afgeslacht te worden; alleen willen we voor we over hen vertellen een paar woorden zeggen over de beulshand die tegen hen opgeheven werd.

Hier is die hand.

 

3. Gestapohauptmann Heinrich Dreier

Hij was afkomstig uit Altona, een voorstad van Hamburg, hij had een diep litteken van een wond in de baard op zijn kin, een overblijfsel uit de Eerste Imperialistische Oorlog, dat hij overgehouden had aan een scherpe houw van een kozakkensabel tijdens een gevecht van man tegen man in Galicië.

Na de oorlog werkte hij als kantoorbediende bij een Hamburgse firma met de naam Bachmann & Co. Zijn salaris was zo laag, dat hij er zelfs als vrijgezel nauwelijks van rond kon komen. Het was al helemaal niet toereikend voor zijn plannen om een verbintenis aan te gaan met een gezonde jonge vrouw met rode wangen en een volle boezem, die hem erg beviel.

Hij gaf de schuld dan ook altijd aan de oorlog, die niet geëindigd was zoals de Duitse keizer zijn Duitse onderdanen aan het begin van de oorlog beloofd had, en hij had er een diepe haat aan overgehouden tegen de schuldigen aan de Duitse nederlaag, die het Duitse volk in de revolutie van 1918 een dolkstoot in de rug gegeven zouden hebben. Daarmee werden de democraten, sociaal-democraten, communisten en dergelijken bedoeld, die door joden opgehitst en omgekocht waren, zoals bepaalde Duitse “patriotten” het volk probeerden wijs te maken.

Ook hij, Dreier, liet zich dat wijsmaken en hij voelde een bittere haat tegen degenen die als schuldigen werden aangewezen. Hij had echter niet al diegenen op het oog die aangewezen waren; alleen de firma Bachmann & Co was hem een doorn in het vlees: hij kon geen ontslag nemen en ergens anders gaan werken, want een andere baan was na de oorlog niet zo makkelijk te vinden en werken in die tijd betekende werken zoals het hoorde, werken zoals van je gevraagd werd: gehoorzaam, onderdanig en nederig tegenover de baas.

‘Jawohl, Herr Bachmann, het komt in orde’; met een dergelijke belofte aan de baas moest hij altijd in de houding staan om te luisteren en te gehoorzamen als hij van hem een of ander bevel kreeg: ‘Ik doe het meteen, Herr Bachmann…’ Maar zodra hij zijn baas de rug had toegekeerd, gleed de hondse onderdanigheid van zijn gezicht en verdween het zuurzoete glimlachje dat hij tegenover hem geproduceerd had en een boze, doffe duisternis daalde op hem neer, zodra hij alleen was of met collega’s voor wie hij niet bang was dat ze hem aan zouden geven als hij in zijn woede een binnensmondse vloek liet horen of een stroom verwensingen aan zijn baas.

Die Bachmann, de vijand van alle mensen zoals hij, Dreier, leefde op zijn kosten op grote voet in een tienkamerwoning, met een paar auto’s, omdat één niet genoeg was, met een groot bedrijf in de stad, met veel krediet bij Duitse banken en met veel ponden en dollars ook op rekeningen bij buitenlandse banken. Door hem kon hij, Dreier, niets beginnen met de grote, struise vrouw met de rode wangen, die naar zijn smaak was, maar die hij tot het huwelijk niet aanraakte, waardoor hij om zijn behoeften als jonge man te bevredigen iedere zaterdag naar de rosse buurt moest om de avond door te brengen met een vrouw die hij betaalde met klein geld en goedkope hapjes en drankjes… Hij moest wel… Zijn inkomen van honderdtwintig mark per maand was niet toereikend en hij moest verschrikkelijk zuinig zijn om te sparen voor de inrichting van een tweekamerwoning met een breed hemelbed, de nodige meubels en een keukeninrichting naar zijn kleinburgerlijke smaak en opvattingen en zonder die dingen kon je nog lang niet aan trouwen denken, omdat je je maar half mens voelde en schromelijk tekortgedaan.

Als deze Heinrich Dreier niet op zijn werk was en niet in de buurt van zijn baas, tegenover wie hij een opgewekt gezicht moest trekken, was hij altijd kwaad en op zoek naar iemand om wraak op te nemen voor zijn moeilijke situatie en zijn pech. Daarom was hij in stilte, omdat ze dat op het kantoor van het joodse bedrijf waarvan hij afhankelijk was niet mochten weten, toegetreden tot een rechtse partij die verbetering beloofde te brengen in de toestand van mensen als Dreier. In het geheim bezocht hij hun vergaderingen, liep op vrije zondagen mee in hun demonstraties en op een moeilijk moment, toen de linksen op de proppen kwamen met provocerende leuzen en met wapens en zich verzamelden, net als in ’23 in de bekende wijk Barmbek in Hamburg, en toen de politie onder de burgerbevolking vrijwilligers zocht om te helpen, toen hielp ook hij, Dreier, nog steeds in stilte, een handje in de strijd en de gewapende gevechten tegen de anderen…

De haat tegen zijn tegenstanders zat bij hem zo diep, dat hij voor de toen nog half-democratische staat geen andere woorden kende dan “joden” en “jodenkliek”, zoals zijn geestverwanten, de “patriotten”, de toenmalige staatsvorm betitelden.

De woede brandde in hem nog heviger, toen hij eindelijk, na lang uitstel, zonder hemelbed, zonder keukeninrichting en andere spulletjes moest trouwen met zijn uitverkoren vrouw met de rode wangen, die hij al die tijd als een kostbaar kleinood niet had aangeraakt… Maar toevallig ontdekte hij dat ze wel degelijk aangeraakt was… Hij sloeg haar flink in haar gezicht voor die fraaie prestaties achter zijn rug om… Maar al gauw legde hij het bij, want hij kreeg van haar een geldbedrag, dat ze in stilte als zijn verloofde bewaard had; dat bleek het geld te zijn dat ze gespaard had door zichzelf te verkopen en daar had hij genoeg aan om het huis in te richten met de dingen waarvoor zijn loon niet toereikend was… Hij draaide bij, maar kon toch niet alles vergeten en iedere keer als hij dronken was of kwaad om wat dan ook, herinnerde hij zich dat hij te schande gemaakt was en bedrogen, en ook daarin zag hij de hand van de schuldigen aan het hele Duitse eerverlies na de oorlog en in het bijzonder zijn eigen beroerde situatie, omdat hij nog altijd onderdanig, met gebogen hoofd voor zijn joodse baas moest staan, die eiste wat alle werkgevers van hun werknemers eisten: veel werk voor weinig loon en ook nog grote gehoorzaamheid.

Hij hield zijn woede in tot de half-democratische naoorlogse orde in het land instortte en de macht werd overgenomen door zijn geestverwanten, die zich al eerder, nog voor de machtsovername, zo zeker van hun zaak voelden en zo vast in het zadel zaten, dat ze steeds vaker de straat opgingen om te vechten, te eisen wat hun zogenaamd toekwam, te laten zien waartoe ze in staat waren en met welke middelen ze aan de macht dachten te komen en ook wie ze graag in hun gelederen wilden opnemen… Wie dan? Degenen die zich door niets lieten weerhouden en voor wie bloedvergieten net zoiets was als watergieten.

Toen kregen ze toeloop van veel mensen als Dreier, die zich tot dan toe afzijdig hadden gehouden en die nu overmoedig werden, waarbij de bruutheid van hun gezichten af te lezen was, omdat ze voelden dat weldra de grote dag voor hen zou aanbreken. Toen trad ook onze Heinrich Dreier in de openbaarheid, zonder angst voor zijn baas, die hij jarenlang gediend had en wiens brood hij gegeten had, door ervoor uit te komen dat hij aanhanger was van degenen die heel spoedig hun rechten wilden laten gelden en afrekenen met degenen die altijd ten onrechte luxebrood hadden gegeten. Dit sloeg op degenen die zelf in rijkdom leefden en hem, Heinrich Dreier, in zijn zwarte hemd onderdrukten en vernederden.

En nu veroverden zijn medestanders het centrum van de macht en ze gebruikten Heinrich Dreiers jarenlange ingehouden woede om die te botvieren op hun vijanden, die zich er lang tegen verzet hadden dat zij zich meester maakten van de macht.

Heinrich Dreier werd een gerespecteerde partijman: eerst werd hij zoiets als leider van een afdeling in Altona en daarna ging hij naar de bruisende handelsstad Hamburg, waar hij al het speciale uniform van zijn organisatie droeg. En nadat hij zich in bepaalde straatgevechten voor de partij onderscheiden had als ervaren kracht op wie je vertrouwen kon, werd hij beroeps. Hij werd betaald door de partij en omdat hij al zoveel aanzien genoot en goede beoordelingen kreeg werd hij vaak naar andere plaatsen geroepen, waar een lastig karwei volbracht moest worden, wat een vaste hand vereiste.

Hij klom uiteindelijk zover op in rang, dat hij doordrong tot de hoofdstad, Berlijn, waar hij kort na de machtsovername door zijn partijgenoten waarschijnlijk zelfs mocht deelnemen aan een zo geheime missie als het in brand steken van de Rijksdag, en daarna aan andere dergelijke misdrijven. Tot hij ten slotte bekend werd als een uitblinker op een gebied waarop hij zich al verdienstelijk had gemaakt en wel de grofste wreedheden tegen de grootste vijanden van de zijnen: de joden. Eerst in een openlijk en opzienbarend pogrom in 1938 in Berlijn; daarna, terwijl zijn geestverwanten begerig nieuwe landen en volkeren inpikten en veroverden die zich tegen hen verzet hadden, toonde hij opnieuw wat hij waard was tegenover joden die in landen als Oostenrijk en Tsjechoslowakije aangetroffen werden. En ten slotte ondervond hij veel waardering bij zijn meerderen na het uitbreken van de oorlog, toen hij werd bevorderd tot Gestapohauptmann met als taak overal de “Nieuwe Orde” in te voeren waar eerst de Duitse Wehrmacht binnengevallen was, waarna hij hun karwei moest afmaken: zij moesten onderwerpen en hij moest de onderworpen in de greep houden. En hier bewees hij weer wat hij kon, vooral tegenover joden.

 

4. De executie

Toen het Duitse leger zich in beweging zette en opmarcheerde van de Poolse grens, het verslagen Poolse leger voor zich uit drijvend, verspreidde zich bliksemsnel een bericht van stad tot stad en van dorp tot dorp waar joden woonden, dat deze Duitse troepen net als alle Duitse troepen bepaald geen heiligen waren en geen geringe moordenaars, maar dat ze kwamen en gingen en zich met hun militaire zaken bezighielden, zoals het opdrijven van de vijand; ze werden echter gevolgd door Gestapo-eenheden, die het beruchte regime introduceerden met behulp van hun zeer treife politie en de plaatsen die met hen hadden kennisgemaakt, al was het maar een dag of een uur, waren nog niet gelukkig geweest.

Ze kwamen vooral om de bevolking te terroriseren en te laten zien met wie die te maken had als die de dagelijkse bevelen van de nieuwe machthebbers niet opvolgde en daarom bouwden ze, zodra ze een bepaalde plaats binnengetrokken waren, meteen galgen in openbare ruimten als stadspleinen en daarna waren er altijd slachtoffers en bungelende lichamen te zien.

Toen dat bekend werd in alle steden en sjtetls waar de Duitse troepen naderden, maakte iedereen die maar kon dat hij wegkwam met een wagen of een rijtuig; wie dat niet kon, omdat hij het geld niet had, ging er lopend vandoor; en zo verschenen op alle Poolse wegen die van het westen naar het oosten liepen hele menigten vluchtelingen in de richting van de Russische grens: jong en oud, mannen, vrouwen en kinderen, de een met bagage en de ander zonder, maar allemaal of ze door het zwaard werden opgedreven, met angst en verontrusting in hun ogen, steeds achteromkijkend uit angst dat de vijand hun op de hielen zat.

Toen het bericht ook het kleine sjtetl Meletz bereikte, deden de mensen daar wat ze in alle sjtetls deden en pakten haastig hun spullen. Ieder die maar kon pakte het nodigste; de welgestelden vertrokken met een wagen en de anderen te voet. Maar iedereen kwam in beweging, beginnend met de oude rebbe van het sjtetl, Arn Monesses, die al niet meer de kracht had om te lopen en die ze samen met zijn behulpzame oude sjammes op een hoek van een wagen zetten, met talles en tfieln en met een zakje gedroogde walnoten, dat de sjammes als mondvoorraad had meegenomen; de uittocht begon met de rebbe en eindigde met laatste huisvaders van het sjtetl, want werkelijk iedereen vertrok die maar adem kon halen en zich kon en wilde redden.

Ze gingen op weg naar Lemberg, naar Stanislav en andere plaatsen, om wat dichter bij de grens te zijn van het land waar hun leven volgens de berichten zeker veilig zou zijn. Daarheen gingen zelfs de vroegere tegenstanders van dat land, die alles wat daar gebeurde beschouwden als het onprettige en ongewenste tegendeel van hun opvattingen als huisvaders en eigenaars, en zelfs degenen die vroeger klaar hadden gestaan om iemand als Itsikl wegens zijn staatsvijandige houding uit te leveren aan hun Poolse staat.

Het kleine sjtetl Meletz had nog een speciale reden voor een haastige evacuatie, want ze hadden gehoord dat hun rayon in handen gevallen was van een bijzondere Gestapoman, een Homen en een moordenaar van de ergste soort, dat de rillingen over je lijf liepen… Ze vertelden dat degenen die levend bij hem vandaan kwamen verdwaasd over straat liepen, dat hij buiten de slachtingen die hij aanrichtte veel schanddaden beging aan alle mensen van aanzien die hij te pakken kon krijgen. Zo had hij in een stad een rebbe gedwongen een dag over straat te gaan met een pispot op zijn hoofd. In een andere stad had hij een rebbe laten toekijken hoe een schunnige soldaat van hem bij diens vrouw in bed ging liggen om haar te verkrachten, en dat was nog niet alles.

Het was dan ook geen wonder dat het sjtetl Meletz haast had om zo snel mogelijk weg te komen.

 

***

Toevallig verliet de joodse bevolking van Meletz het sjtetl een dag voor Jom Kipper, toen de Duitse aanval ophanden was, en keerde terug in het sjtetl de volgende dag, ver na het middaguur. Waarom keerden ze terug? Omdat het Duitse leger het sjtetl vanuit de flanken binnentrok en zodoende stuitte op de hele menigte vluchtelingen, die daar haastig reed en liep, met vrouwen, kinderen en ouderen en wat bijeengeraapte spullen; zo kwam hun een Duitse motorrijder tegemoet, die ‘Terug!’ schreeuwde. Om te zorgen dat zij, dat wil zeggen de vluchtelingen, de Duitse troepen niet voor de voeten liepen en de opmars niet stoorden op de wegen naar de dorpen die zij aanstonds zouden innemen en onderwerpen.

Het sjtetl keerde terug, omdat ze met geen mogelijkheid meer het nabijgelegen grotere dorp konden bereiken waar ze naartoe hadden willen gaan om uit te rusten, te overnachten en krachten op te doen om verder te trekken.

Ze kwamen al tegen de avond thuis, een klein uur voor Kol Nidre. De sjammes ging meteen naar sjoel om gas in de lampen te laten stromen en een kaars te zoeken voor het ontsteken. De mensen hadden nog geen laatste maaltijd gehad voor het vasten. En toen ze naar rebbe Arn Monesses gingen voor toestemming om bij wijze van uitzondering de maaltijd even uit te stellen tot het Kol Nidre, zei die streng en autoritair:

‘Nee! Het is Jom Kipper… En vandaag is het juist een dubbele dag des oordeels…’

En inderdaad: terwijl de joden, gebroken na een lange zwerftocht van twee dagen, eerst weg uit het sjtetl en daarna weer terug, in de sjoel bijeenkwamen om te gaan bidden, zoals het hoorde, ging al gauw het gerucht dat aan de andere kant van het sjtetl, tegenover die waar de sjtetlbewoners zoëven waren teruggekeerd, uit het westen al de Gestapo-eenheden binnenkwamen waarop ze zo angstig hadden gewacht.

De joden bleven in sjoel. Niemand ging naar buiten. Doodsbleek werden de gezichten van allen die davvenden, gehuld in hun talles, en een groot gevoel van verlorenheid vervulde de aanwezigen verward als ze waren hoorden ze niet wat de chazzen zong en wat zijzelf zeiden. Plotseling klonk er een luid gehuil uit de vrouwensjoel, dat weldra uitmondde in een klaagzang en dat al gauw van de vrouwensjoel naar de mannensjoel overging.

Dat was niet ongegrond, want zodra het Kol Nidre afgelopen was en het Sjmoine Esre doorstaan, waarna de chazzen moest beginnen aan de “jaile”, ging er weer een gerucht van mond tot mond: ‘Heb je het gehoord? Ze bouwen al een galg op de markt…’ Toen ze met dat nieuws naar rebbe Arn gingen en voorstelden de gebeden te onderbreken en een oplossing te bedenken, maakte die een wegwerpend gebaar en besliste: ‘O nee, we gaan door, gebed is gebed en daarna vinden we wel een oplossing, als we klaar zijn.’ De chazzen, die het nieuws ook hoorde, kreeg met moeite het gebed uit zijn keel: ‘Jaäle tachanoenenoe meërev…’ (‘Uit de avond moge ons smeken tot U opstijgen.’) Hij moest erg huilen en de gemeente huilde mee.

En inderdaad klonken er op de markt, die niet ver van de sjoel lag, al spoedig luide slagen van een bijl in balken en planken, en wetend wat daar gebeurde kon iedereen zich afvragen waar hij deze keer op Rosjesjone was ingeschreven en hoe zijn lot nu, op Jom Kipper, bezegeld werd.

Na het beëindigen van de gebeden wisten ze ook wie de stad binnengekomen was, en híj was het inderdaad, die ene…

Die avond gebeurde er echter helemaal niets. Hij moest eerst meer te weten komen over diegenen over wie hij zijn eerste toorn zou uitgieten en op wie hij zijn beulshand zou laten neerdalen. En voor het vallen van de nacht wist hij dat er al “informanten” en praatgrage monden gevonden waren die mee wilden werken om hun eigen huid te redden en de nodige informatie te verschaffen.

Ze hadden zich geïnformeerd. Eerst over de rebbe van de stad, de bijzonder vrome en gerespecteerde man van de kehille, en ook over zijn kleinzoon Itsikl, die volgens de informanten zoiets als een vertegenwoordiger en leider van alle linkse jongeren was en die ondanks zijn jeugdige leeftijd door de Poolse overheid al een keer gevangen was gezet wegens staatsgevaarlijke activiteiten. En dat was wat híj nodig had: zowel vertegenwoordigers van joden als “marxisten”, door wie hij, de Gestapohauptmann, de bevolking van het sjtetl de eerste, beste en aanschouwelijkste les zou kunnen en mogen geven.

Die hauptmann had ’s avonds al meteen aan de slag gemoeten met een arrestatiebevel voor al degenen die op zijn zwarte lijst stonden. Een kleine belemmering bij het uitvaardigen van het bevel was alleen dat ’s avonds in de buurt van het sjtetl een schotenwisseling te horen was geweest, van een hele Poolse eenheid die geïsoleerd was geraakt van het op de vlucht geslagen Poolse leger, of alleen maar van een klein groepje Poolse patriotten, die op eigen verantwoordelijkheid en zonder verbinding met wie dan ook geschoten hadden. Dat had voor storing en oponthoud gezorgd, die de Gestapomannen dwongen af te zien van de aanval en angstige nachtelijke uren door te komen door wachtposten naar alle hoeken van de stad te sturen, tot ze ten slotte gerustgesteld waren en ervan overtuigd dat er geen enkel gevaar meer dreigde en dat ze alleen maar te maken hadden gehad met individuen en niet met een heel legeronderdeel.

Toen begonnen ze aan hun eigenlijke taak en werkten direct hun lijst af, waarop ook Itsikl stond, de kleinzoon van de rebbe, van wie ze niet wisten of hij met het rondzwervende sjtetl meegegaan was en samen met de andere inwoners teruggekeerd, of dat hij niet meegegaan was om in het sjtetl te blijven voor ondergronds werk tijdens de nieuwe Duitse bezetting, zoals vroeger tijdens het oude, Poolse regime… Dat wisten ze niet, maar kregen hem wel te pakken. En waarschijnlijk was hij de eerste die verhoord werd door die man, door de hauptmann zelf en hij, Itsikl, had als eerste het onomstotelijke bewijs moeten leveren, toen ze uit hem probeerden te krijgen wie de sympathisanten en de leden waren, wie de meerderen met wie hij in verbinding stond en van wie hij zijn orders kreeg.

Geen woord, geen enkel woord hadden ze uit hem gekregen, terwijl hij tijdens het verhoor toch al heel zwaar geleden had… Hij kwam naar buiten na een pak slaag met een harde gummiknuppel, die meer pijn deed dan een stuk ijzer, en overal waar hij geslagen was ontstonden rode en blauwe bloeddoorlopen builen, vooral in zijn gezicht, dat ze heel wat keren onder handen hadden genomen.

Itsikl had geen krimp gegeven en was niet doorgeslagen. Maar anderen, zwakkeren, schreeuwden hard… Het sjtetl kon die nacht niet in slaap komen. Hoewel ze de avond met een “God-zij-dank” heelhuids doorstonden, ondanks de wetenschap dat er op de markt galgen waren opgericht, sloeg hun allen de schrik om het hart, vooral toen ze tegen het einde van de nacht het geschreeuw en de noodkreten hoorden uit het gebouw midden in de stad dat de pas gearriveerde Gestapomannen in beslag genomen hadden en waar de eerste arrestanten heen gebracht waren voor het eerste verhoor. Bij het horen daarvan deed natuurlijk niemand in het sjtetl een oog dicht, al helemaal niet de rebbe van het sjtetl, rebbe Arn Monesses, die net als ieder jaar waakte in de nacht van Jom Kipper, omdat hij veel te doen had, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor de hele gemeente, voor wie hij beslist een goed woordje wilde doen bij de hemel. Zeker nu, deze keer… Hij bleef de hele nacht in sjoel, bijna zonder slaap, om te wachten op het aanbreken van de dag, als met de eerste zonnestralen de gemeente in sjoel zou verschijnen om de dienst te beginnen met de gebeden van de dag…

En dat gebeurde ook: zodra de eerste zonnestralen aan de horizon verschenen kwam de hele gemeente naar de sjoel, omdat ze de dag des oordeels vreesden en ook omdat ze huiverig waren om thuis te blijven; ze kwamen daar haastig bijeen in de overtuiging dat ze als kehille en gemeenschap minder gevaar liepen en dat de God van hen allen sterker en barmhartiger was dan die van ieder afzonderlijk.

Ze gingen direct naar rebbe Arn en die riep hen meteen bijeen rond de omed… Rebbe Arn wilde niet in discussie gaan en hield geen rekening met zijn ongewone zwakte van de afgelopen dagen door de tocht van en naar het sjtetl en evenmin met het leed dat van alle gezichten af te lezen was, zowel wanneer de mensen met elkaar de toestand bespraken als wanneer ze zwegen, omdat ze elkaar niets te zeggen hadden; daar hield rebbe Arn allemaal geen rekening mee en hij maakte een wegwerpend gebaar, alsof het hem niet aanging en alsof dat alles plaats moest maken voor iets groters en belangrijkers, dat weldra, vandaag, later, hier kon gebeuren…

Rebbe Arn zag er zelfs opgewekter en levendiger uit dan gewoonlijk; ze dachten zelfs een beetje kleur op zijn gezicht te zien, net als bij een sudes-mitswe, wanneer hij een beetje alcohol nam, wijn of brandewijn, om daar de zegen over uit te spreken.

Het wonderlijke was dat rebbe Arn deze keer zelfs flinker leek dan als de afwezige en afzijdige man die ze de laatste jaren meegemaakt hadden… Hij liet de gemeente niet aan het woord om te vertellen wat ieder afzonderlijk in de slapeloze nacht had doorstaan bij het horen van het geschreeuw uit dat bepaalde gebouw, en hij wilde zelfs niet horen wat ze hem persoonlijk vertelden: ‘Niets daarvan,’ zei hij, ‘dat doen we niet…’ En met ‘Chazzen!’ richtte hij zich tot de voorzanger. ‘Het is tijd… Sjachres!’

En zodra het eerste, nog wat zwakke schijnsel van de zon moeizaam door de donkere vensters van de sjoel naar binnen drong, begon de chazzen, die achter de omed ging staan, aan zijn taak. De gemeente was bij het haastig binnenkomen en bidden een beetje warm geworden en ongeconcentreerd… Zo duurde het een paar uur tot ze klaar waren met de Sjachres en opgewarmd door de ochtend die met een heldere nazomerzon bij de sjoel naar binnen keek, en door de gebeden, die begonnen waren met het plechtige “Adoin oilem” en die de gemeente gaandeweg steeds meer moed gaven.

En zo waren ze al aan de Toirelezing toe. Rebbe Arn, die de hele tijd op zijn vaste plaats naast de ornkoidesj stond, had de poroiches al opzijgeschoven en de deurtjes van de orn geopend om de Toire eruit te halen voor de lezing. Deze keer was het een heel oude, kleine sejfer, die ze wegens zijn grote belang en ouderdom zelfs niet op sjabbes of een feestdag gebruikten, behalve één keer per jaar, op Jom Kipper. Rebbe Arn haalde hem tevoorschijn om hem te overhandigen aan de chazzen, die hem naar de bime dragen moest…

Maar plotseling klonk er bij de deur van de sjoel een zacht geluid en een onderdrukt rumoer. En ineens zagen ze op de drempel van de sjoel een paar Duitse soldaten met geweren verschijnen. De soldaten kwamen binnen en gingen direct naar de ornkoidesj en hoewel rebbe Arn klaarstond om de Toire aan de chazzen te geven, hielden ze hem tegen en bevalen hem mee te gaan naar de uitgang. Rebbe Arn volgde de soldaten natuurlijk en toen hij bij de drempel kwam, klonk er uit de mond van de oudste van de groep soldaten een tweede bevel: ‘Naar buiten! Allemaal hier komen!’ En zoals ze er allemaal bij stonden in hun talles moesten ze de sjoel uit.

En hier was al het ware beeld te zien: hoe rebbe Arn, de oude rebbe van het sjtetl, bij het verlaten van de sjoel voor zijn hele gemeente werd gezet met de kleine, oude sejfer Toire in zijn handen, gehuld in zijn kittel, met de talles om zijn schouders en op zijn hoofd alleen het keppeltje, zoals je dat draagt in sjoel… Iedereen, zowel de mannen van de mannensjoel als de vrouwen van de vrouwensjoel, die ook naar buiten gejaagd waren, stonden sprakeloos en zeiden geen woord… Bij rebbe Arn was de talles een eindje van zijn schouders gegleden, doordat ze hem geen tijd hadden gegeven daarop te letten en dat in orde te brengen. De oude sjammes, die juist bij rebbe Arn stond, kwam hem te hulp. Rebbe Arn hield met zijn linkerhand één kant van zijn talles vast en met de andere hand, zijn rechter, rolde hij de sejfer Toire op, die hij vasthield als een ingebakerd kind dat je tegen je borst houdt om het te beschermen tegen de kou.

En weer klonk er een bevel: ‘Voorwaarts, mars!’ Rebbe Arn voorop en de hele gemeente achter hem aan… Maar nu was er een klein oponthoud: van een andere kant van de sjoel kwam een tweede groep soldaten met een arrestant. En zodra de gemeenteleden uit de sjoel de arrestant zagen, herkenden ze hem allemaal en die herkenning ging gepaard met iets als een wilde, onderdrukte kreun: dat was Itsikl, de kleinzoon van rebbe Arn, die door de andere groep soldaten werd meegevoerd. En niemand wist of dat afgesproken werk was of een toevallige ontmoeting (eerder het eerste dan het tweede), maar toen de tweede groep soldaten de gemeente als een kudde dicht bijeengedreven schapen bij de sjoel zag staan, gingen ze met de arrestant naar de gemeenteleden toe, naar het hoofd van de stoet, waar rebbe Arn stond.

En hier ontmoetten de grootvader en zijn kleinzoon elkaar opnieuw. Itsikl, die zeker wist of een sterk vermoeden had waar hij die ochtend na de nachtelijke martelingen naartoe werd gebracht, kon bij het zien van zijn grootvader met de Toire in zijn armen, die misschien nog meer te schande gemaakt werd dan hijzelf, uit diep medelijden met de oude man niet meer over zijn lippen krijgen dan het éne woordje ‘Opa!’ En rebbe Arn van zijn kant herkende Itsikl eerst niet, zowel door zijn eigen verwarring als door het feit dat Itsikl nauwelijks te herkennen was, doordat enkele plekken op zijn gezicht erg te lijden hadden gehad en bont en blauw opgezwollen waren; maar toen hij uit diens mond het woord “Opa” hoorde, keek hij beter en na enige inspanning kon ook hij niet meer uitbrengen dan het ene woordje ‘Itsikl!’ Al meteen zag hij op Itsikls borst een soort portret aan een koordje om zijn nek hangen van de een of andere hem onbekende persoon met een verstandig en open gezicht, in een gewoon pak en een wat gekreukte pet… Dat was overigens een portret van Lenin, dat Itsikl nog voor de Poolse autoriteiten verborgen had gehouden met nog andere dingen die in Polen verboden waren en die gisteren tijdens de huiszoeking en arrestatie bij hem gevonden waren. En nu hadden ze om hem volgens het plan van de Gestapohauptmann demonstratief te schande te maken zijn borst gedecoreerd… De omstanders zagen het nog eerder dan Arn zelf.

En op dat moment gaf een aanvoerder van de verenigde groepen soldaten bevel om Itsikl naast de rebbe te zetten; ze moesten hand in hand lopen met alle anderen erachteraan.

Ze moesten naar het marktplein gaan, aan weerszijden begeleid door soldaten, die hun bajonetten op de groep gericht hielden, klaar om ieder die uit de rij durfde te komen in zijn rug of zijn zij te steken.

De hele menigte liep erbij of ze naar het slachthuis gevoerd werd, met aan het hoofd rebbe Arn in zijn kittel en talles en met de sejfer Toire in zijn armen, en met zijn kleinzoon Itsikl naast zich, erg toegetakeld en met het portret op zijn borst.

Bij zijn eerste passen in de mars had rebbe Arn zijn ogen gesloten om niet te hoeven zien en te merken wie er naast hem liep: Itsikl, en niet de hele gemeente achter hem, die hem volgde… Zijn ogen waren gesloten en zijn lippen openden zich werktuiglijk bij het mompelen van een mengeling van verzen en psalmen, stukjes uit de gebeden van vandaag, Jom Kipper, en ook bepaalde plechtige gedeelten uit de Misjne “Joime”, die van toepassing waren op deze dag. Wie zijn oor bij rebbe Arn te luisteren had gelegd had uit zijn mond het volgende gehoord:

 

Verschaf mij recht, o God, vecht voor mijn zaak.

Bescherm mij tegen een liefdeloos volk…

Vergeef het heilige volk op de heilige dag, hoog en verheven…

Rebbe Akive zei: U bent gelukkig, Jisroël… Voor wie wordt u rein? En wie maakt u rein?

Uw vader die in de hemel is.

Terwijl rebbe Arn zo liep in zijn kittel en talles en met de sejfer Toire aan zijn borst gedrukt, vergat hij waar hij was, waar hij zich bevond en dat zijn voeten aan het lopen waren, tot ze na de vrij lange tocht bij de markt kwamen, waar hij plotseling zijn ogen opende en voor zich zag wat je moeilijk over het hoofd kon zien, dat wat ze vannacht midden op het plein hadden opgericht… Hij zag hoe aan één kant van de stellage een menigte stond die hij niet zo goed kende en dat was de niet-joodse bevolking van het sjtetl, die door de Gestapohauptmann, het tegenwoordige hoofd en de alleenheerser over het sjtetl, voor de voorstelling bijeengedreven was om te zien dat wat vandaag een aantal vijanden van de bezetter zou overkomen morgen, later anderen zou overkomen.

En inderdaad: op de markt, aan de andere kant van de galg, bevond zich de hauptmann zelf, de ons al bekende Heinrich Dreier, omringd door een groepje soortgenoten: Gestapomannen, officieren, commandanten en dergelijken. Heinrich Dreier had vandaag een erg opgezwollen gezicht door de slapeloze nacht die hij met zijn mannen had doorgebracht bij het afslaan van de aanval ergens buiten het sjtetl en ook door zijn aanwezigheid bij de martelingen tijdens het verhoor van de arrestanten, waaraan hij als hauptmann leiding had gegeven. De boosheid was af te lezen van zijn gezicht en ook van het litteken dat hij overgehouden had aan de houw die hij ooit gekregen had met de sabel van een kozak en dat altijd rood werd als hij kwaad en opgewonden, al poederde hij het regelmatig… Hij hield nu een papier klaar om voor te lezen aan de verzamelde menigte, speciaal de Poolse bevolking, voor ze zouden beginnen aan hun werk: de executie.

En op dat moment werd het joodse deel van de bevolking met de rebbe en zijn kleinzoon aan het hoofd naar de plaats van bestemming gebracht. Alle joden, behalve de twee die vooropliepen, de rebbe en zijn kleinzoon, kregen bevel zich op te stellen tegenover de kant waar de Poolse bevolking met de priester aan het hoofd stond.

Meteen stelden zich twee soldaten op naast de twee apart gezette mensen, rebbe Arn en zijn kleinzoon: een soldaat om de een onderhanden te nemen en een soldaat voor de ander. En al gauw kwam er op bevel van hogerhand, de hauptmann, iemand van de galgen naar Itsikl toe, bracht hem naar zijn grootvader en beval hem te spuwen op wat rebbe Arn in zijn armen hield, de “sejfer”, waarbij hij iets moest zeggen; deed hij dat niet, dan zou hem nog iets ergers overkomen… Toen Itsikl met zijn bont en blauw geslagen gezicht hoorde wat er van hem gevraagd werd, deed hij of hij gehoorzaamde en terwijl hij meeging naar zijn grootvader bedacht hij snel of hij zou doen wat ze zeiden… Natuurlijk niet. Oog in oog met zijn grootvader zei hij alleen maar zacht: ‘Opa, kijk: ík doe niet wat ze van me vragen, doe jíj dan ook niet wat ze van jóu vragen.’ En meteen stapte Itsikl achteruit, zonder aan het bevel gehoor te geven. Toen stapte de tweede beul naar rebbe Arn om van hem hetzelfde te vragen als wat de eerste van Itsikl gevraagd had: met het portret dat Itsikl om zijn nek had hangen hetzelfde te doen als wat Itsikl met de “sejfer” had moeten doen, want ze gingen ervan uit dat de oude man, die zwakker, volgzamer en doodsbang zou zijn, wel zou doen wat ze vroegen.

‘Vooruit,’ drong de beul bij rebbe Arn aan, ‘ga je gang…’

‘Schande,’ zei rebbe Arn, die de opdracht van de beul vol weerzin in de wind sloeg; hij hoorde niet tot degenen die zomaar op mensen spuwden, en zeker niet op de hem onbekende persoon met het open, verstandige gezicht, in dat doodgewone pak en met die wat gekreukte pet; nee, zoiets deed hij, rebbe Arn, niet…

Toen ging de hauptmann met het uitgevouwen papier in zijn hand voor de menigte staan om luid en duidelijk de verklaring voor te lezen, opdat de meer welwillende Poolse bevolking kon zien wat hier gebeuren zou met die oude, breekbare vertegenwoordiger van de joden, die nog een tweede vertegenwoordiger had voortgebracht van de bende slangen, schurken en wereldmisdadigers die zich “marxisten” noemden, en die Duitsland tot de laatste man uit zou roeien, tot ze spoorloos uit de wereld verdwenen waren, zij en alle joden, de oorzaak van al het ongeluk.

‘Beul!’ schreeuwde hij tegen de twee klaarstaande scherprechters, en dat woord bracht bij de hele menigte, zowel bij de Poolse bevolking aan de ene kant van de galg als bij de joodse aan de andere kant, een siddering teweeg.

De Poolse priester, ook al een oude man, met een gladgeschoren gezicht en gekleed in een lange, zwarte soutane en met een kalotje, die goed bekend was met de joodse bevolking van het sjtetl en vooral met de rebbe, over wiens bijzonder vrome gedrag hij zeker veel gehoord had, begon zich te bekruisen toen hij zag hoe de beul achter rebbe Arns rug stond en hem aanstootte om de treden naar het schavot op te gaan, en de hele angstige Poolse gemeente volgde het voorbeeld van de priester. En in de joodse menigte waren al enkelen flauwgevallen, vooral vrouwen en verzwakte mannen.

En hetzelfde als wat rebbe Arns beul met rebbe Arn gedaan had deed die van Itsikl: hij duwde hem naar voren, al wat ruwer en ongeduldiger… En terwijl ze hen naar het schavot leidden, namen ze rebbe Arn allereerst de sejfer Toire af die hij onder zijn talles droeg, wat ze bepaald niet deden met het respect dat een oude sejfer verdiende, en smeten hem op de grond; en hetzelfde als met rebbe Arn deden ze met Itsikl, wie ze het portret ontrukten dat op zijn borst hing om dat ook op de grond te gooien.

Het duurde nog even voor de beulen klaar waren met het knopen van een goede strop.

En pas toen hij al op het schavot stond zag rebbe Arn hoe hij eraan toe was… Hij keek naar de joodse menigte die daar stond als een dicht opeengedreven kudde schapen en terwijl hij zag hoe mannen in talles huilden en hoe de vrouwen elkaar moed inspraken begon hij zich voor te bereiden op de weg waarop al degenen die hij vroeger soms in stilte had benijd hem waren voorgegaan en gegeven hadden wat ze moesten geven in hun martelaarschap. “Want op die dag wordt voor jullie de verzoeningsrite voltrokken opdat jullie van al je zonden gereinigd worden”, een vers uit de gebeden van vandaag, schoot hem te binnen en hij nam de slachtofferrol op zich in plaats van hen allen.

De talles gleed gleed van zijn schouders en viel op de grond en om hem op te rapen keerde hij zich haastig om, maar de beul hield hem tegen: geen probleem, hij kon wel zonder… En rebbe Arn bleef alleen in zijn kittel met de gordel staan en met het keppeltje, waar hij nu zijn steeds hand naartoe bracht om te voelen of het nog op zijn hoofd zat, omdat hij het gevoel had dat zijn hoofd niet bedekt was.

Zo verging het rebbe Arn en tegelijkertijd bereidde zijn kleinzoon Itsikl, met wie de tweede beul zich bezighield, zich voor op wat gebeuren ging, door te zorgen dat hij bleef staan en zich te gedragen als zijn lotgenoten, over wie hij veel gelezen en gehoord had.

Hij keek ook telkens naar zijn grootvader, die een troost voor hem was en helemaal niet de indruk gaf dat hij zou smeken voor zijn leven en vooral niet dat hij bij beulen medelijden wilde wekken. Itsikl zag hoe grootvader de widdoei uitsprak en hoe de beulen al klaarstonden om hun karwei af te maken.

En inderdaad: toen ze klaar waren met de strop gaven de beulen de hauptmann, die terzijde onder de galg stond, een teken dat ze klaar waren en konden beginnen.

Daarop ging de hauptmann in de houding staan, stram als bij een militaire parade, en schreeuwde luid, dat ieder op het plein het horen kon: ‘Deutschland zur Ehre!’ En hij hief zijn arm, het symbool van de verkrachting van de wereld, en brulde daarbij:

‘Heil Hitler!’

‘Heil!’ antwoordden de beulen direct. En een van hen stapte op rebbe Arn af om de strop om zijn nek te leggen, rustig en kalm, omdat rebbe Arn het toeliet en niet het minste verzet bood. En de tweede deed hetzelfde met Itsikl, maar veel ruwer dan met rebbe Arn, omdat Itsikl van schrik of om een andere reden even wankelde, alsof hij zijn nek niet in de strop van de beul wilde steken.

‘Sjma Jisroël, Luister Israël, de Eeuwige is onze God, de Eeuwige is Één!’ riep rebbe Arn met alle kracht van zijn oude rebbenstem, toen zijn nek al in de strop stak, en van de kant van het joodse deel van de bevolking klonken een paar enkelingen, de gesmoorde stemmen van de oude sjoichet en de oude sjammes, rebbe Arns trouwe bezoekers, die hem antwoordden:

‘Borech sjem, Geprezen de Naam van Zijn koninklijke Majesteit, voor alle eeuwigheid…’

Ook Itsikl riep op zijn manier iets, met zijn hoofd al in de strop, en dat klonk ongeveer als:

‘Leve de verlossing van de wereld!’

Hij kon echter niet roepen, doordat het bankje opeens onder zijn voeten vandaan werd gestoten, waardoor hij begon te rochelen en met zijn hele lichaam te spartelen, draaien en bungelen, wat bij rebbe Arn veel rustiger verliep, doordat hij al bij de eerste ruk van de strop stikte en verstomde en nog een beetje rustig als een blad in de wind wiegelde…

En dat was het. Na even als versteend te hebben gestaan sloeg het Poolse deel van de menigte weer een kruis en vervolgens keerden ze zich om en gingen weg, omdat ze het niet aan konden zien. En in het joodse deel waren ze hun hoofd kwijt en wisten later niet hoe ze zich naar huis gesleept hadden.

Beide gehangenen bleven nog heel lang hangen, wel twee dagen, tot de derde dag toestemming werd gegeven hen los te maken en te begraven. Wie die dagen naar de galg kon kijken zag hoe de een zijn hoofd wat naar rechts gebogen hield en de ander naar links, alsof ze elkaar, net als vroeger in een gesprek, zelfs bij het hangen niet uit het oog wilden verliezen…

En dat was het. Ze werden in hetzelfde graf begraven. En door de nieuwe ellende die het sjtetl daarna moest doorstaan raakte de oude vergeten, en ze kregen niet eens een grafsteen… Het bergje aarde boven hen bleef leeg, maar wie zich iets herinneren moet, herinnert het zich en later, als betere tijden aan zullen breken, zien we daar al een grafsteen staan met een bekend opschrift naar oud joods gebruik, dat luidt:

 

po nitman

hakedosjiem … bechajeihem oebemotam lo nifradoe … h”h harav r. aäron nolad basjanat … venitla bagezirat hitler bajomkippoerim, bejachad im nechedo r. jitschak-itsikl, nolad basjanat … venitla bo bajom veba basjaä basjanat …

tantsba”h

Dat betekent:

“Hier liggen begraven, omgekomen voor de heilige zaak… rebbe Arn, geboren in het jaar … en op Hitlers bevel opgehangen op Jom Kipper, samen met zijn kleinzoon Jitschok-Itsikl, geboren in het jaar … en opgehangen bij hem in het jaar … Mogen hun zielen gebundeld worden in de bundel van het eeuwige leven.”

Tasjkent, oktober-december 1942

Der zejde mitn ejnikl: wegn a zwejtn fal inem itsikn okoepirtn Poiln (“De grootvader en zijn kleinzoon: Over een tweede affaire in het huidige bezette Polen”). Uit: Dertseiloengen oen esejen (“Verhalen en essays”), Jidisjer Koeltoer Farband, New York, 1957, pp. 48-79.

Der Nister, “de verborgene”, was het pseudoniem van de Jiddisje schrijver Pinches Kahanowitsj (1884–1950). Hij werd geboren in Berditsjev in Oekraïne, verbleef lang in het buitenland en keerde in 1926 terug naar de Sovjet-Unie. Toen politieke druk het hem onmogelijk maakte om nog langer verhalen te schrijven in zijn fantastisch-symbolistische stijl, begon hij in de jaren 1930 aan een roman die tot op zekere hoogte beantwoordde aan de normen van het socialistisch-realisme. Van deze roman, Di misjpoche Masjber (“De familie Masjber”), verscheen deel I in Moskou (1939), maar deel II kon alleen in New York gepubliceerd worden (1948) en er is vermoedelijk een deel III geschreven, dat echter spoorloos is. De familie Masjber speelt in de jaren 1870 in een stad gemodelleerd naar Der Nisters geboorteplaats en behandelt de ondergang van een familie. In deze website zijn al zijn verhalen uit de jaren 1940 opgenomen, die voor het eerst in het Nederlands zijn vertaald. Ze schilderen op een subtiele manier vele aspecten van de jodenvervolging in het door Duitsland bezette Polen en Rusland, waarbij ze volgens getuigen gebaseerd zijn op historische gebeurtenissen. De meeste verhalen verschenen in de Verenigde Staten en pas lang na Der Nisters dood in de Sovjet-Unie, echter in een sterk gecensureerde versie, waaruit veel joods-religieuze elementen verwijderd waren. In het kader van de officiële liquidatie van de Jiddisje cultuur – in de nacht van 12 augustus 1952 zouden twaalf belangrijke Jiddisje auteurs vermoord worden – werd Der Nister in 1949 gearresteerd en naar een concentratiekamp gedeporteerd, waar hij in 1950 overleed.

 

Woordenlijst

 

Adoin oilem, Heer der Wereld.

al hasjchite, voor het slachten.

Borech sjem, Geprezen de Naam (van Zijn koninklijke Majesteit, voor alle eeuwigheid).

bóreres, arbitrages.

chazzen, voorzanger in een synagoge.

Chmielnicki, Bogdan (ca. 1595-1657), kozakkenleider, aanstichter van antisemitische pogroms in Polen en Oekraïne.

chtsos, gebed om middernacht.

dávvenen, bidden.

Gonta, Ivan (?-1768), kozakkenleider en aanstichter van pogroms tegen joden in Litouwen en Polen.

Ha-Sjem jisborech, God zij geprezen.

Itsikl, vertrouwelijke vorm van Jitschok (Izaak).

Jaile, Jaäle tachanoenenoe meërev, Uit de avond moge ons smeken tot U opstijgen.

Jom Kipper, Grote Verzoendag.

kasjroet, het geheel van spijswetten.

kehille, joodse gemeente.

keppeltje, kalotje, gedragen door joodse mannen.

kittel, gewaad, gedragen bij bepaalde gelegenheden in de synagoge; doodshemd.

Kol Nidre, gebed op de avond van Jom Kipper.

lernen, Toire en Talmoed bestuderen.

Loi almen Jisroël, Jisroël (de joden) zijn nog niet verloren.

Misjne, de omvattende verzameling joodse religieuze wetten, geredigeerd in de 2e eeuw.

Misjne Joime, tractaat over Jom Kipper uit de Misjne.

omed, lessenaar in de synagoge.

ornkoidesj, kast voor de Toirerollen in de synagoge.

rebbe, leraar, rabbijn.

sejfer (Toire), boekrol met de Toire.

sjachres, ochtendgebed.

sjalsjèles ha-jiches, de keten van de generaties van rabbijnen.

sjammes, huisbewaarder van een synagoge.

Sjma Jisroël, Luister Israël, (de Eeuwige is onze God, de Eeuwige is Één!)

Sjmoine esre, Achttiengebed.

sjoel, synagoge.

sjoichet, ritueel slachter.

sjtetl, stadje in Oost-Europa met aanzienlijk aantal joodse inwoners.

talles, gebedsmantel.

tfieln, gebedsriemen.

Toire, de Hebreeuwse Bijbel.

treife, niet-koosjer, onrein.

vrouwensjoel, voor vrouwen bestemd deel van een synagoge.

widdoej, schuldbelijdenis, gebed gezegd in stervensnood.

Zevachim en Menachos, traktaten uit de Misjna.