De dood van een muzikant

klez

 

Jitschok Lejboesj Perets

 

Er ligt een skelet in bed. Een skelet met een gele, dunne, droge huid eromheen: Michl de muzikant is stervende. Naast hem op een kist zit Mirl, zijn vrouw, met dikke ogen van het huilen. In het kleine huisje zitten hun acht zoons, allemaal muzikanten. Het is stil, ze praten niet met elkaar en er is ook niets te zeggen. De patiënt is allang opgegeven door de dokter en ook door de heelmeester. Zelfs door Roevn van het armenhuis, die er echt verstand van heeft, is hij al afgeschreven… Er is geen erfenis, de begrafenisvereniging zal voor een doodshemd en een graf zorgen en de slippendragers schenken brandewijn… Alles is volkomen duidelijk en er is niets te bespreken. Alleen Mirl heeft het nog niet opgegeven. Ze heeft pas nog wanhopig staan bidden voor de ark in sjoel. Nu is ze net terug van het grafmeten. Ze blijft erbij: ‘Hij sterft door de zonden van zijn zoons. Die zijn niet vroom, maar losbandig en daarom neemt God, Zijn naam zij geloofd, hun vader tot zich… Het orkestje is zijn pronkjuweel kwijt; iedere bruiloft verliest zijn glans, geen mens heeft meer echt plezier.’

Toch is Gods erbarmen groot. Als je maar roept, bidt of iets onderneemt. Maar zij, de zoons van de muzikant, ‘hebben geen notie van erbarmen en lopen zonder kleine talles rond…’ Tegenover die grote zonden staat het feit dat ze een oom, een ritueel slachter, in de hemel heeft; die betekent daar iets en zal haar niet in de steek laten. Toen haar oom zaliger nog leefde streelde hij haar altijd… Hij heeft het natuurlijk nog altijd goed met haar voor. Die zal zich wel voor haar inspannen en alles voor haar doen… ‘Alleen die zonden,’ schreeuwt ze, ‘die zonden! Ze spelen op bals van niet-joden, ze eten daar brood met boter en God weet wat nog meer! Zonder kleine talles… Hij kan immers geen ijzer met handen breken… Al doet hij wat hij kan… O, die zonden, die zonden!’

De zoons geven geen antwoord, ze kijken naar de grond, ieder in zijn eigen hoekje.

‘Het is nog niet te laat!’ snikt ze. ‘Jongens, jongens, in ’s hemelsnaam, jongens, tonen jullie toch berouw!’

‘Mirl, Mirl!’ roept de zieke, ‘laat ze toch, Mirl, het heeft geen zin meer, het is toch afgelopen met me, ik ben uitgespeeld, Mirl, houd op, Mirl, ik wil dood!’

Mirl ontploft.

‘Wel heb ik van mijn leven! Dood wil hij, dood! En ik dan? Nee, ik laat je niet doodgaan, je moet leven… Je moet… Ik zal zo schreeuwen dat je ziel er niet uit kan!’ Het ziet ernaar uit dat er in Mirls hart een oude, niet-geheelde wond wordt opengereten.

‘Laat maar zitten, Mirl,’ zegt de zieke, ‘we hebben in ons leven al genoeg op elkaar gescholden… Genoeg… Voor je dood hoor je dat niet te doen… O, Mirl, Mirl, ík heb gezondigd, jíj hebt gezondigd… Nu is het genoeg. Zwijg er liever over. Ik voel de hele tijd hoe de kille dood van mijn vingertoppen en mijn tenen naar mijn hart kruipt, stukje bij beetje ga ik dood… Niet schreeuwen, Mirl… Het is beter zo.’

‘Omdat je van me af wilt,’ onderbreekt Mirl hem. ‘O, je wou altijd al van me af,’ huilt ze bitter, ‘altijd! Je voelde alleen maar wat voor die zwarte Pesje… Je zei altijd dat je dood wou… En ik dan… Hij heeft nog steeds geen berouw… Nog steeds niet… Nog steeds niet…’

‘Het was niet alleen zwarte Pesje,’ zegt de zieke met een bittere glimlach, ‘er waren een heleboel zwarte Pesjes, en blonde, en rode… Alleen jou, Mirl, wou ik nooit kwijt… Een vrouw is een vrouw, zo denken muzikanten erover… Het trekt als een jeukend abces, het is een soort nieuwsgierigheid… Een vrouw is immers een vrouw! Maar je moet onderscheid maken… Je weet nog wel: toen zwarte Pesje iets lelijks over jou zei, heb ik haar midden op straat ervan langs gegeven…

Stil nu maar, Mirl. Een vrouw is een vrouw! Behalve – bij een scheiding… Ik voel ook pijn in mijn hart… Heus, Mirl, ik zal nog naar je terugverlangen… En naar jullie, jongens. Jullie hebben me ook genoeg sores gegeven, maar zand erover… De muziek gaat door, zoals muzikanten zeggen… Ik weet het, jullie hadden geen respect voor me, al hielden jullie van me, als ik een keer te diep in het glaasje keek, bromden jullie: “Bezopen”… Zo praat je niet over je vader… Maar goed… Ik had ook een vader en ik heb hem niet beter behandeld… Maar genoeg daarover! Ik vergeef jullie…’

Het praten heeft hem vermoeid.

‘Ik vergeef jullie,’ herneemt hij na een paar seconden. Hij komt een eindje overeind in zijn bed en kijkt naar de hele familie…

‘Moet je ze zien,’ zegt hij plotseling, ‘die stomme runderen! Ze zitten maar naar de grond te staren, alsof ze niet tot twee kunnen tellen!

Pech dat pa de pijp uitgaat, hè? Ook al is hij een zuiplap, hè?’

De jongste zoon kijkt op. Op dat moment beginnen zijn oogleden te trillen en hij barst in snikken uit. Zijn broers beginnen ook al. En een minuut later is het in huis één en al gejammer…

De zieke kijkt er met genoegen naar.

‘Kom,’ zegt hij plotseling met hernieuwde kracht, ‘nu is het genoeg. Straks krijg ik nog spijt. Houd op, jongens! Luister naar je vader!’

‘Moordenaar!’ schreeuwt Mirl, ‘moordenaar, laat ze toch huilen, hun tranen kunnen helpen, Heer der wereld…’

De zieke kapt haar af: ‘Stil, Mirl, ik zei toch dat ik uitgespeeld ben… Genoeg! Schei uit! Chajiem, Berl… Joine… Allemaal! Luister! Pak gauw je instrumenten!’

Allemaal staren ze hem aan.

‘Dit is een bevel,’ zegt de zieke, ‘dit is een verzoek! Doe het voor mij: pak je instrumenten en kom bij mijn bed!’

De zoons gehoorzaamden en gingen bij zijn bed staan; drie violen, een klarinet, een bas, een trompet…

‘Laat maar eens horen hoe het orkestje zonder mij speelt…’ zegt de zieke.

‘Mirl, schat, wil jij ondertussen onze buurman roepen?’

De buurman is sjammes bij de slippendragers. Mirl wil eerst niet gaan, maar Michl kijkt haar zo smekend aan, dat ze wel gehoorzamen moet. Later vertelt ze dat het “Mirl, schat” en de blik voor zijn dood – excuseer de vergelijking – hetzelfde waren als vlak na de bruiloft… ‘Jongens, jullie herinneren je,’ zegt ze, ‘zijn lieve stem en zijn ogen!’

De sjammes van de slippendragers kwam binnen, werpt een blik op de zieke en zegt:

‘Neem me niet kwalijk, Mirl, maar roep een minjen bij elkaar.’

‘Hoeft niet!’ roept de zieke, ‘wat heb ik aan een minjen? Ik heb mijn eigen minjen, mijn orkestje! Niet gaan, Mirl, ik hoef geen minjen…’

En hij richt zich tot zijn zoons en zegt:

‘Hoor eens, jongens… Speel zonder mij, maar net alsof ik meespeel; mooi spelen… Niet als een slappe hap op een armoedige bruiloft… Houd je moeder in ere, en nu – spelen jullie de vidoej voor me… Buurman zal de woorden uitspreken…’

En het overvolle huis wordt gevuld met muziek.

 

ark: de kast met de Tora-rollen in de synagoge.

sjoel: synagoge.

grafmeten: het meten van het graf van een heilig man met een draad die vervolgens diende als pit van kaarsen, die dan weer aangestoken werden voor ernstig zieken.

kleine talles: een kleine gebedsmantel, die onder de kleding gedragen wordt.

sjammes: functionaris van een religieuze organisatie.

minjen: groep van tien man, vereist voor een gebed.

vidoej: gebed met een schuldbekentenis van een stervende.

 

A Klezmer toit. 1892. Uit: Jitschok Lejboesj Perets, Ale Werk, deel 15, pp. 209-213, uitgeverij B. Kletskin, Wilna, 1925.