De Bijbel volgens Itsik: de boeken van Mozes

Itsik Manger

 

Een geschenk aan mijn vader, de glorieuze en voortreffelijke meester-kleermaker Hillel Bar Avrom Manger

De in dit boek bijeengebrachte gedichten zijn een soort spel met de grijze baarden van de aartsvaders en de hoofddoekjes van de aartsmoeders.

Een intermezzo op weg naar het grootse visie van de ballade.

De ervaren lezer zal begrijpen dat het landschap waarin de bijbelse figuren zich bewegen niet dat van Kanaän is, maar Slavisch. Ik dacht aan Oost-Galicië.

Dat landschap met zijn wilgen langs de weg, zijn zurekersenboomgaarden en zijn merkwaardig stille schemeringen beeft al vanaf mijn vroegste kindertijd in mijn herinnering.

In de kaders van dat landschap schreef mijn vader als rondreizende kleermakersgezel zijn Poeriemspelen om die samen met zijn vrienden te spelen.

De narrenkap van het joodse Poeriemspel zweefde mij steeds voor ogen bij het schrijven van dit boek.

Net als de lyrisch-vrome pantomime in de Jiddisje bijbelvertaling van mijn moeder.

Wat het landschap betreft:

Heel soms ging ik in de vakantie van Czernowitz naar mijn gepensioneerde opa.

In de koets van opa, koetsier Avrom Manger. De avond valt, het wordt donker. De wolken zijn geen wolken, maar heel vreemde scheppingen, die op de wilgen langs de weg hangen en de kinderziel schrik aanjagen.

De zoete schrik van een kinderziel! Brengt opa mij niet naar het offer?

Opa had droevige ogen. Zijn zweep had een rood kwastje. En het rechterpaard had een kale plek.

 

Het offer van Isaak

Wieg me, wieg me, o blind lot,
Ik droom met open ogen,
En zie: een grote zilveren vogel
Komt over zee gevlogen.

Een God in de hemel weet alleen
Wat de zilveren vogel doet,
Brengt hij mijn opa’s kiddoesjbeker
Met wijn uit Israël, zoet?

Wie kent er nog mijn opa’s naam?
Mijn opa nadert daar,
In Stoptsjet was hij de koetsier:
‘Isaak, het offer is klaar.’

Zijn beide ogen zijn herfstige sterren,
Die branden en vermanen,
Zijn grijze baard is vol met wind
En zeven dikke tranen.

Mijn opa neemt me bij de hand
Langs steden, dorpen en graven –
De steden klein, de dorpen groot,
Waar wij ons ook begaven.

Zegt opa: ‘Isaak, weet je nog
Wat jij die keer beleefde,
Dat de engel boven ons verscheen
En jij toen overleefde?

Mijn offer wil de oude God,
Omdat Hij het heeft bedorven,
Maar ik heb al zo vaak geleefd
En ben zo vaak gestorven.

Genoeg! Ik treed niet in detail,
Doel niet op Hem, de Ware –
Isaak, je moeder leeft niet meer,
Kan zich de tranen besparen.’

Mijn opa neemt me bij de hand,
Langs steden, dorpen en graven –
De steden klein, de dorpen groot,
Waar wij ons ook begaven.

[Genesis 22]
kiddoesjbeker: beker voor de wijn die gedronken wordt bij de inwijding van de sjabbat.

 

God in de hemel zij geloofd / Hij heeft mij kracht gegeven / waardoor ik met mijn zwakke hand / dit werk toch heb geschreven / het was met moeite en grote vlijt / dat ik de vaderen wekte / uit bladen van een heilig boek / en stof dat hen bedekte / hier staan ze dan, ze zijn gereed / dat ze nu mogen leven / ze willen, lieve lezer, u / een welkomstgroet gaan geven / zwijg nu in alle talen / zij zullen met hun heilige mond / veel wonderen verhalen / wie heeft moeizaam dit boek gemaakt / waarin u zich kunt vermeien? / zijn naam die luidt Itsik Manger / Kleermaker uit Walachije

 

Eva en de appelboom

Eva staat voor de appelboom.
De zon gaat onder, rood,
Wat weet je, moeder Eva, zeg,
Wat weet je van de dood?

De dood, dat is de appelboom,
Die buigt zijn takken, moe.
De avondvogel in de boom
Die zingt de avond toe.

Bij zonsopgang ging Adam weg
Om in het bos te zijn.
Want Adam zegt: ‘Het bos is wild
En wild dat vind ik fijn.’

Maar zij is angstig in het bos.
Zij kiest de appelboom.
En als zíj niet naar hém toe gaat,
Zoekt híj háár in een droom.

Hij ruist en buigt zich over haar
En fluistert: ‘Voorbestemd
Heeft jou, Eva, de grote “Hij”,
Maar voel je niet geremd.’

En Eva plukt een appel af
En voelt zich vreemd en licht,
Verliefd omcirkelt ze de boom:
Een vlinder is het wicht.

En “Hij” die eens de boom verbood,
Zegt nu alleen: ‘Wat mooi,
Ik houd de zon nog even op
Voor Ik de dag voltooi.’

Dat is de droom iedere nacht,
Is dit werkelijk waar?
Als Eva ligt onder de boom,
Valt een traan in haar haar.

‘Huil niet, o mooie appelboom,
Jij ruist en zingt in mij
En je bent sterker dan het woord,
Dat zegt: Een gevaar ben jij.’

En Eva spreidt haar armen uit,
Omhelst de appelboom,
En hoog boven de appelkruin
Beven de sterren vroom…

[Genesis 3]

 

Eva brengt Adam de appel

De eerste mens ligt in het gras
En spuwt omhoog volop.
Totdat de wolk hem smekend vraagt:
‘Adammetje, houd op!’

Maar Adam, die zijn tong uitsteekt,
Is door het dolle heen,
Er vliegt een dunne straal van spuug:
‘Hier heb je er nog een!’

De voorpoot van de wolk veegt af
Het spuug, de wolk roept luid:
‘Dat komt ervan: je loopt maar rond
En nooit voer je iets uit!’

Maar Adam toont zijn wit gebit
En lacht onaangedaan,
En dan komt moeder Eva uit
De groene appellaan.

‘Waar was je toch, Eva, mijn vrouw,
Waar was je toch, mijn kind?’
‘Ik was daar in de pruimenlaan
En babbelde met de wind.’

‘Je was niet in de pruimenlaan,
Je bent een leugenaar,
Naar appel ruikt je hele lijf,
Naar appel ruikt je haar.’

‘Ik was wél in de appellaan,
Mijn geheugen is een zeef;
En wat je zei was raak, Adam,
Wat ben je goed op dreef.’

‘Wat deed je in de appellaan,
Eva, mijn gouden kind?’
‘Ik heb besproken met de slang
Wat deugd aan zonde bindt.’

De appel siddert in haar hand
En glanst scharlakenrood
En schemering vervaagt weldra
De passie en de dood.

En opgewonden wordt Adam,
Snapt niet met zijn verstand
Waarom haar stem hem zoveel doet –
En wat is ze charmant.

Hij steekt zijn hand uit en die beeft.
‘Adam, wat doe je nou?’
Het duister dekt hen beiden toe
En wij vertrekken gauw.

[Genesis 3]

 

Adam is jaloers

Er zingt een geel kanarietje
In een Hof van Edenboom –
Adam opent zijn ogen weer
Tussen lied en droom.

Een rode zonnestraal siddert
Boven het vochtige gras
En Adam krijgt gezelschap
Van een eekhoorn en een haas.

Adam glimlacht. Want naast hem
Ligt Evaatje, zijn vrouw,
Met gras en blaren toegedekt,
Zo jong en mooi als dauw.

Hij kijkt naar haar en is verheugd,
Hij heeft nu al bedacht:
Goed dat het licht is overdag
En donker in de nacht.

Dan staat hij op en loopt,
Rondom geluid zo zoet,
En elk geluid zo zoet
Weerklinkt in zijn gemoed.

Maar hoor! Daar ruist een water
Beneden in het dal.
Een beek – ineens wordt Adam
Dieptriest, geheel en al.

Hij zag daar in het watertje
Een Adam, net als hij –
Wie is die water-Adam toch?
En wat moet hij erbij?

Misschien is het wel het geval,
Misschien is het wel waar
Dat Adams evenbeeld nu speelt
Met Eva’s borst en haar?

Hij rent terug. Zal hij Eva nu
Aantreffen met die kwant?
Daar staat zijn Eva en ze houdt
Een koekoek in haar hand.

Ze vraagt: ‘Zeg koekoek, vogeltje,
Ben ik mooi bovenal?
En zeg me toch of ik mijn man,
Mijn Adam, wel beval?’

En Adam staat te luisteren,
Weet niet waarom het was,
Dat hij nu graag zou vallen
En snikken in het gras.

[Genesis 3]

 

De oude dwaas snijdt een nieuw afgodsbeeld

Daar zit de oude dwaas, hij snijdt
Een god uit een pijnboom.
‘Van alle goden de grootste god,’
Mompelt hij trots en vroom.

Hij loenst en dat wil zeggen dat
Hij veel ziet overal:
Vrolijke zonden op de berg
En deugden in het dal.

De neus, een aardappel van vorm,
Heeft geuren opgesnoven
Die stijgen van het altaar op
Naar de goden hoog daarboven;

De vrome hand gaat naar de buik –
Wat is het dat hem scheelt?
Het bittere van een oude man
En van een kind dat speelt.

Het lid dat daar te bungelen hangt
Is lang en fit – onthou:
Het helpt een kinderloze meid
En troost een oude vrouw.

De naam van God is besnijdenisgod,
De besnijdenisgod is groot!
Behoed toch ook, besnijdenisgod,
Het huis van de dwaze jood.

Zorg dat Abrasja een goed man wordt,
De weg van zijn vader kiest
En niet zijn jonge leventje
In leeg gedoe verliest.

De oude dwaas valt op de knie
En bidt intens en lang
Tot de verheven besnijdenisgod,
Die brandt in de zonsondergang.

[Genesis 11]

 

Aartsvader Abraham maakt Lot een verwijt

‘Lot, ik ben heel boos op jou!
Je zuipen wordt routineus,
Het was gister in “Het Gouden Hert”
Wel heel erg schandaleus.

Dat past Manger, die rotzooi naait,
Maar jij staat nu te kijk,
Jij hebt twee dochters in de groei
En bent – afkloppen – rijk.

Je hebt je schapen en je vee;
Volg mij en vrees je God,
Van iedere goj die vreet en zuipt
Zegt men al: zat als Lot.

Ik snap dat je een glaasje drinkt
Op vrijdag aan de dis,
De sjabbatkaarsen branden dan
En je eet gevulde vis.

Maar niet als jij, dag in dag uit.
Te groot is jouw rantsoen!
Dat past Havril, de sjabbesgoj,
Een jood mag dat niet doen.

Bedenk wat men eens zeggen zal:
Een neef van Abraham zoop,
Zijn dronkenschap was erger nog
Dan het ergste en de doop.

Je ben toch vader – luister nu –
Er wordt over je geklest,
Maakt jou het niet uit dat de koppelaar
Je huis mijdt als de pest?

Zelfs het minste kleermakertje
Wil niet jouw schoonzoon zijn
En beide dochters worden grijs
– En alles wijkt voor wijn!

Lot, ik ben heel boos op jou!
Je zuipen wordt routineus,
Het was gister in “Het Gouden Hert”
Wel heel erg schandaleus.

Dat past Manger, die rotzooi naait,
Maar jij staat nu te kijk,
Jij hebt twee dochters in de groei
En bent – afkloppen – rijk.’

[Genesis 13]
goj: niet-jood.
sjabbesgoj: niet-jood die op sjabbat praktische handelingen (zoals vuur maken) verricht voor joden, die dat zelf niet mogen doen.

 

De dochters van Lot

In de keuken tussen de dochters van Lot
Een fluistergesprek begon.
De een plukt een geslachte gans,
De ander verstelt een japon.

De ene zegt: ‘Een week geleên
Werd ik al veertig jaar,
Vandaag heb ik in de spiegel gezien
De eerste grijze haar.

De jaren die verstrijken snel.
In de kroeg is pa een beest.
In de kast wachten mijn schoenen vergeefs
Op een mooi bruiloftsfeest.’

De ander valt de naald uit de hand,
Ze zegt – ze heeft nagedacht:
‘Lieve zus, zo beeft onder mij
Het laken iedere nacht.’

En vurig zegt ze: ‘Ik had een droom
– Ik heb hem nog paraat:
Tussen mijn borsten lag heel de nacht
Een jonge, blauwe soldaat.

Maar hij is weg. En in mijn droom
Komt hij hier nooit weer iets doen,
Alsof er geen soldaat meer is
In heel ons garnizoen.’

De eerste zegt: ‘Hoor, lieve zus,
Ik heb een prachtig plan:
Komt er geen bruidegom naar ons,
Dan is pa ook een man.’

Haar wangen gloeien, haar adem broeit
En hevig beeft haar stem:
‘Zusjelief, ik wil vannacht
Al gaan liggen bij hem.’

En morgen jij. Want hij is toch
Altijd zo zat als Lot,
En mama is een zoutpilaar
In Sodom, verdoemd door God.’

Ze zijn verhit. En bij de lamp
Vliegt een vlinder rond de kap –
‘Zus, ben je klaar? Want vader loopt
Met wankelend-zware stap…’

[Genesis 19]

 

Abraham en Sara

Brammetje, krijgen we nog een kind?
We hebben niet meer zoveel levenskracht.
Bij andere vrouwen zo oud als ik
Wordt al het achttiende kind verwacht.’

Aartsvader Abraham glimlacht en zwijgt
En blaast uit zijn pijp een wolk rook:
‘Vertrouwen, vrouw. Als de Hoogste het wil
Lukt het een bezemsteel ook.’

‘Brammetje, luister, iedere nacht
Hoor ik hoe mijn lichaam huilt,
Voor Hagar, je dienstmeisje, heb je toch niet
Je wettige vrouw uitgeruild?

Vaak kijk ik naar de ster in het raam
En die lijkt de ziel van ons kind,
Die aan het zwerven is nacht na nacht
Tussen regen, schaduw en wind.’

Aartsvader Abraham glimlacht en zwijgt
En blaast uit zijn pijp een wolk rook:
‘Vertrouwen, vrouw. Als de Hoogste het wil
Lukt het een bezemsteel ook.’

‘Als ik soms zie hoe Hagars kind
Speelt met de zon in het zand,
En geef eens over zijn hoofdje een aai,
Dan wordt vreemd treurig mijn hand.

En als ik het kind neem op mijn schoot
En het glimlacht verstandig en goed,
Worden mijn ogen vochtig en groot
En wordt vreemd treurig mijn bloed.

Brammetje, krijgen we nog een kind?
We hebben niet meer zoveel levenskracht.
Bij andere vrouwen zo oud als ik
Wordt al het achttiende kind verwacht.’

Aartsvader Abraham glimlacht en zwijgt
En blaast uit zijn pijp een wolk rook:
‘Vertrouwen, vrouw. Als de Hoogste het wil
Lukt het een bezemsteel ook.’

[Genesis 17]

 

De drie engelen komen bij aartsvader Abraham

Aartsvader Abraham zit in de deur
En snijdt een aanwijzer van been,
Daar klinkt uit de donkere alkoof
Moeder Sara’s geween.

‘Wees stil, stom mens, houd toch eens op!
Ze huilt aan één stuk door,
Ze leest waarschijnlijk weer een keer
De Tsennerenne door.’

Hij veegt met een doekje zijn oude bril
En ziet hoe de dag verglijdt –
Hoe als een schaduw of een wolk rook
Voorbijglijdt onze tijd.

En uit de duisternis duiken op
Drie Turken met rode baard –
Ze lopen stil, zonder stof aan hun schoen
En door niemand ontwaard.

‘Goedenavond, gasten, kom erin!
Mijn Sara heeft iets wat smaakt:
Rijst met melk en kummelbrood,
U hebt een reis gemaakt.’

De gasten gaan zitten aan de dis
En praten over wat telt,
Over kinderen die je grootbrengen moet,
Over graan, over wijn en geld.

Moeder Sara die hoort het aan
En beweent opeens haar lot:
‘Je hoort het, Bram, zonder kaddisjgebed
Rot ons stoffelijk overschot.’

De gasten zeggen: ‘Ja, reb Abraham,
Voor het jaar zijn einde vindt
Zult u al vieren het ware verbond
En vader zijn van uw kind.’

De Turken verdwijnen. Door het raam
Fladdert de vreugde voorbij,
En het schijnsel valt van de gouden broche
Op haar kleed van blauwe zij.

[Genesis 18]
aanwijzer: vingervormig stokje waarmee tekst in Torarollen wordt aangewezen.
Tsennerenne: zeventiende-eeuwse navertelling van de Bijbel.
kaddisj: gebed voor een overledene.
reb: meneer.

 

Aartsvader Abraham viert de geboorte van zijn zoon

De geboorteamuletten
Hangen er aan de wand,
Tien mannen met bonthoeden
Die klappen in hun hand.

‘Ai bimbam, bimbam, vader,’
Ai dai-dam,’ in die trant.
Het is de heilige wijze
Van de rebbe van Turkenland.

Ze eten gezouten erwten
En dippen in bier hun baard:
‘Reb Abraham, het is een wonder,
een wonder, onverklaard.’

Aartsvader Abraham glimlacht
In zijn grijze baard.
Hij hoort Isaakje piepen
Achter het laken daar.

Hij sluit een moment zijn ogen
En ziet de drie Turken gezwind,
Ze zijn nog steeds verbonden
Met het gehuil van het kind.

Ze kloppen het stof van hun kleren
En hun schoenen nauwgezet,
Ze kussen de mezoeza
En zeggen snel een gebed:

‘Mazzel tov, reb Abraham,
U herinnert zich allicht
De nacht dat uw vrouw Sara
Ons uitlachte in ons gezicht.’

En nog voordat Abraham zich
Van zijn verplichtingen kweet:
‘Welkom, gasten, ga zitten
En drink en zing en eet’

Drukken de Turken hun snorren,
Niet te begrijpen hoe –
Abraham kijkt verbaasd op:
‘Waar zijn die lui naartoe?’

‘God is met u, reb Abraham!
Ai dai-dam, dai-dam,’ in die trant,
‘Zing liever met ons de wijze
Van de rebbe van Turkenland.’

Tien mannen met bonthoeden
Die klappen in hun hand,
De geboorteamuletten
Hangen er aan de wand.

[Genesis 21]
geboorteamuletten: papieren met religieuze teksten ter bescherming tegen boze geesten.
bonthoed: hoed van bont, gedragen door orthodoxe joden bij feestelijke gelegenheden.
rebbe: chassidisch religieus leider.
mezoeza: doosje met bijbeltekst naast een huisdeur.

 

Sara zingt een slaapliedje voor Isaak

Moeder Sara schommelt de wieg:
Slaap, Isaakje, slaap!
De herder hoedt de kudde
En zorgt voor ieder schaap.

‘’t Is dag,’ zegt dan een schaapje,
‘Nee, nacht,’ zegt nummer twee.
‘Het winkeltje van garen en band
Sluit namelijk de entree.

Bewijs: bij Dovid-Ber de smid
Hoor je nu geen lor,
Bewijs: Lejzer de molenaar
Draait alleen nog zijn snor.’

De eerste zegt: ‘Nee, het is dag.
Bewijs: in het studiehuis
Lernt het gevlekte katertje
De sidra met de muis.

Bewijs: op het dak van chazzens huis
Graast kleermaker zijn geit,
En kleine Isaak is nog niet
In zijn wieg gevlijd.’

Het herdertje zegt: ‘Kom, we gaan,
Iemand is hier abuis.
We vragen: Is het dag of nacht?
Bij kleine Isaak thuis.’

Suja, suja, Isaakje,
Suja, suja, slaap,
Hier staan nu al voor onze deur
De herder en het schaap.

Stil toch, stil toch, herdertje,
Je ziet: de nacht brak aan.
Bewijs: aartsvader Isaak heeft
Zijn oogjes dichtgedaan.

Bewijs is: zeven druppels dauw
Blinken op de maan
En in het hok zijn nu op stok
De kippen en de haan.

Het herdertje zegt: ‘Kom, we gaan,’
En keert om vol eerbied
En neemt in het kleine fluitje mee
Moeder Sara’s lied.

[Genesis 21]
studiehuis: huis waar de Talmoed en de Tora worden bestudeerd.
lernen: religieuze teksten studeren.
sidra: Bijbelfragment dat op een bepaalde sjabbat gelezen wordt.
chazzen: voorzanger in de synagoge.

 

Hagars laatste nacht bij Abraham

Daar zit de keukenslavin Hagar,
Een walmend lampje brandt
En werpt het beeld van kat en muis
Als schaduw op de wand.

Ze huilt om wat de baas haar zei.
Wat is er dan geschied?
Hij zei: ‘Je bent een boze geest,
Ga je weg of niet?’

Saartje de schijnheilige
Die zei weer eens botweg:
‘Of je gooit je slavin eruit,
Of ik ga bij je weg.’

En Hagar pakt nu uit haar kist
De kralen rood als bloed,
En ook een schort van groene zij
En een strooien zomerhoed.

Met al die dingen heeft hij haar
Lang geleden verblijd
Tijdens een weidewandeling,
Daar waar de stoomtrein rijdt.

‘Ach, als de rook van een schoorsteen,
Zoals een trein roken kan,
Zo is, o trouwe mama,
De liefde van een man.

Waar moet ik mijn toevlucht zoeken
Met die kleine bastaard erbij?
Tenzij ik het kind op mijn arm neem
En dien in een verre contrei.’

Ze neemt ter hand de bezem,
Veegt het huis de laatste keer
En voelt onder haar bloesje
De liefde van weleer.

Ze wast nog een keer de borden
En schuurt de koperen pan –
Zoals de rook uit een schoorsteen
Is de liefde van een man.

[Genesis 21]

 

Hagar verlaat Abrahams huis

Daar daagt de blauwe morgen,
En driemaal kraait de haan,
En buiten hinnikt het paardje,
Klaar om op reis te gaan.

Hagar staat in tranen
Met op haar arm het kind,
Haar ogen gaan over de muren
Voor de grote reis begint.

De koetsier onderhandelt buiten
Met Abraham over het loon:
‘Reb Abraham, nog zes groschen,
Het is meer dan één persoon.’

Het paard schraapt met zijn hoeven,
Alsof het wil zeggen: ‘Genoeg!
Ik zal jullie leren, mensen:
Een reis betekent gezwoeg.’

‘Niet huilen, Ismaël, jongen,
Ons blijft nu niets bespaard,
Zo gedragen zich de aartsvaders
Met de lange, vrome baard.’

Ze ziet zich al als verlatene
In een ver station helemaal
En ze droogt de bittere tranen
Die ze huilt in haar Turkse sjaal.

‘Hagar, ik wil dat je luistert,
Houd op met dat gedoe!’
En Hagar pakt haar bagage
En gaat naar de wagen toe.

Daar staat met zijn zijden keppel
Abraham, de vrome jood.
‘Ach, mama, zou hij wel voelen
Mijn bittere wanhoop en nood?’

Dan knalt de zweep: we rijden!
En voor haar betraande blik
Glijdt ieder huis van het sjtetl
Voorbij tot de laatste snik.

En Hagar neemt als getuige
De hemel en de aard:
Zo gedragen zich de aartsvaders
Met de lange, vrome baard.

[Genesis 21]
groschen: munt in het voormalige Oostenrijk-Hongarije.
keppel: hoofddekseltje gedragen door vrome joden.

 

Hagar midden op de weg

Hagar is in tranen,
Ze zit maar op een steen
En vraagt aan alle winden:
‘Waar moet ik nu toch heen?’

Eén zegt: ‘Ga naar het oosten,’
De tweede: ‘Het westen is daar,’
De derde maakt veel grappen
En woelt maar door haar haar.

Ze vraagt het aan de vogels,
Die vliegen af en aan.
Ze zeggen: ‘Naar het noorden,’
Of juist: ‘Naar het zuiden gaan.’

Ze huilt: ‘Hemelse vader,
Ik heb jaren trouw gediend
En word nu uitgefloten
Door de vogels en de wind.’

En als Hagar dan opkijkt
Ziet ze een karavaan,
Voorop de Turkse sultan
Met een groene mantel aan.

Dan komt hij in haar richting
En houdt vlak voor haar in:
‘Zeg, ben jij soms die Hagar,
Ibrahims slavin?

En dat kleine ventje
Is Ismaël gewis,
De profeet kwam ons melden
Dat hij onze stamvader is.’

En hij knielt voor haar neder
En buigt voor haar zijn hoofd:
‘Wij hebben de stamboom gevonden,
Allah zij nu geloofd!’

En Hagar is in tranen
En denkt: is dit wel waar?
Een zilveren half maantje
Schittert in haar haar.

[Genesis 21]
Ibrahim: Abrahams naam in de Koran.
de profeet: Mohammed.
half maantje: symbool van de Islam.

 

Moeder Sara is zwaarmoedig

In de schemering van sjabbat
Het daglicht moede dooft;
Het enige wat oplicht is
De muts op Sara’s hoofd.

Bevreesd en teder en ook vroom,
Zo fluisteren ze saam:
‘O God, die in de hemel zijt,
O God van Abraham,

Van Isaak en van Jakob,
Behoed toch in uw lof
Dit lieve, kleine wurmpje,
Dat rondkruipt in het stof,

Behoed ook in zijn muizenhol
Het muizenbeestje klein;
Dat dit voor heel Israël
Een goede week mag zijn!’

In Sara’s oude ogen blinkt
Een traan, zij hoort terstond
Wat deze traan gaat vragen aan
De schaduw op de grond:

De schaduw: ‘Sara luistert mee!
Dus fluister als je kunt!
Zij weten wel: niet ieder mens
Is dat geluk vergund.’

En moeder Sara wordt heel boos:
‘Mijn vijand krijgt een straf!’
En gooit de schaduw en de traan
Van alle trappen af.

En als ze zich met zachte tred
Dan naar het wiegje spoedt:
‘O vader in de hemel, zorg
Dat u mijn kind behoedt!’

[Genesis 21]

 

Aartsvader Abraham slijpt zijn mes

Sara zit peinzend voor het huis
In witte muts en jak
En haar genoegen fladdert nu
Als een zwaluw boven het dak.

Haar lievelingetje Isaak
Speelt in het gele zand,
Daar daalt van de nabije berg
Een blauwe nacht in het land.

Ze lacht: het is een maand geleên
Dat Hagar het huis verliet
Met die bastaard Ismaël
Naar onbekend gebied.

Ze kijkt naar Isaak en is blij:
Droom ik of is het waar –
Hij is zijn vaders evenbeeld:
Die neus en ook dat haar.

Hij komt – afkloppen – tot mijn knie,
Hij is in het groeiseizoen
En o zo schattig zegt hij al:
‘Mama, plasje doen.’

Maar wat is er met Bram vandaag?
Hij zit daar maar alleen
En sinds we klaar met eten zijn
Slijpt hij het mes op steen.

Zijn grijze baard die trilt en beeft,
Zijn woorden klinken raar:
‘Legt u me in de luren, God?
Vooruit maar: ik ben klaar.’

En door de appelboomgaard daar
Bloeiend naar hartelust,
Wordt met suja poppedein
Het kind in slaap gesust.

En Abraham staat met zijn mes
Te luisteren en ontwaart
Hoe het zachte, lieve wiegelied
Omhelst de hele aard.

[Genesis 21]

 

Aartsvader Abraham gaat met Isaak naar het offer

Een grijze ochtendschemering
Is van de dag het begin,
De trouwe Eliëzer spant
Twee zwarte paarden in.

Abraham draagt op zijn arm
De jongen van zijn droom,
En hoog boven het oude huis
Blinkt een ster, blauw en vroom.

Van zilver lijkt de landweg al,
De zweep knalt: Aan de slag!
(De dichter zegt: treurig en mooi
Zijn de wegen van de Tenach.)

De grijze wilgen langs de weg
Gaan achteruit gezwind,
Eens kijken of de moeder huilt
Bij het wiegje zonder kind.

‘Zeg lieve pap, waar gaan we heen?’
‘Naar Laksjev, naar de markt.’
‘Zeg lieve pap, wat koop je voor mij,
In Laksjev, op de markt?’

‘Een trommeltje en een trompet,
Een soldaat van porselein,
En mama thuis die krijgt van ons
Een mooie lap satijn.’

Een tranend oog krijgt Abraham,
Het mes brandt heel de rit
Op zijn lijf onder zijn jas:
Wat een markt wordt dit…

‘Eliëzer, bij de molen ginds,
Daar moet je blijven staan!
Vandaar zal ik met Isaakje
Lopend verdergaan.’

Eliëzer zit op de bok
Waar hij wat neuriën mag.
(De dichter zegt: treurig en mooi
Zijn de wegen van de Tenach.)

[Genesis 22]
Tenach: de Hebreeuwse Bijbel.

 

Abraham stuurt Eliëzer op zoek naar een vrouw voor Isaak

‘Eliëzer, mijn oude trouwe knecht,
Neem je wandelstok ter hand,
Span je oude trouwe voeten in
En ga op weg door het land!

Zoek voor mijn Isaakje een vrouw,
Een unieke vrouw, dat vooropgesteld,
Mooi moet ze zijn als de zon bij dag
En ze moet hebben een pot met geld!

Want Isaakje is mijn hartedief,
Die met tranen gekomen is.
Je weet dat wel, mijn trouwe knecht,
Want je las het in Genesis.’

De oude Eliëzer zegt: ‘Ja, ja, ja,’
En glimlacht wat in zijn baard
En heeft in zijn rugzak voor onderweg
Twee flessen wijn bewaard,

Wat boekweitkoekjes met maanzaad erop,
Dat hij die onderweg eet,
Tien eieren en een gebraden kip:
De weg is lang en breed.

‘Reb Abraham, tot kijk!’ Hij is weg,
En de schemering buiten is fris.
De weg die schemert blauw en koel,
Je leest het in Genesis.

Aartsvader Abraham kijkt hem na
En ziet hoe hij zijn weg vindt
Tussen de kerselaars in het dal
Op de vleugels van de wind.

Moeder Sara dribbelt voorbij
En de doek om haar hoofd is licht:
‘Het beste, Bram!’ En dan is ze weg,
Mistroostig staat zijn gezicht.

Daar wappert zijn oude, grijze baard
Als een snotlap – excuus! – in de wind:
‘Het beste, Sara! Dan zul je niet zien
Het bruiloftsfeest van je kind.’

Hij neemt uit zijn jaszak het bijbeltje
En leest de sidra terstond:
“Het leven van Sara” – een ster die valt
En raakt in het dal gewond.

Aartsvader Abraham zwijgt en peinst,
De nacht is fluwelig fris.
Hij houdt zijn ogen gericht op de weg,
Je leest het in Genesis.

[Genesis 24]
sidra: Bijbelfragment dat op een bepaalde sjabbat gelezen wordt.

 

Eliëzer praat met reb Betuel

Eliëzer strijkt over zijn witte baard
En zacht en welwillend vraagt hij:
‘Zijn ze uw eigendom, reb Betuel,
Die molen en die boerderij?’

Hij roert met zijn lepel en neemt een slok,
Maar au! Wat heet is die thee!
En reb Betuel denkt bij zichzelf:
Wat een rare entree!

En telkens komt dezelfde vraag,
Alsof iemand hem houdt voor de gek.
‘Natuurlijk, van mij,’ lacht Betuel,
Als was het geen ernstig gesprek.

‘Nu, Abraham, dat is mijn baas,
Die is ook welgesteld,
En ook al heeft hij een leuke zoon,
Een bruid geeft hij veel geld.’

Hij roert met zijn lepel en neemt een slok,
Maar au! Wat heet is die thee!
En reb Betuel wordt bijna boos:
Wat een rare entree!

Telkens komt hetzelfde betoog,
Het verhaal is steeds gelijk,
Alsof hij, Godbetert, niet gelooft
Dat reb Abraham is rijk.

Eliëzer ziet de Wilner gaon
Aan de oostelijke kamermuur,
Die wenkt hem met zijn rechteroog:
Jouw huwelijksaanbod is secuur.

Dus dat betekent: we maken het af,
Ze krijgen een telegram thuis:
“Akkoord met reb Betuel… Bruid heeft
Uitzet en alles in huis.”

Rebekka luistert achter de deur
En beeft van vrees en vreugd,
Ze ziet zich al als bruidje staan
In een witte jurk, verheugd.

En hij schuift aan haar vinger de ring,
Zij drinkt uit zijn beker wijn:
‘O, lieve maan aan de hemel, zeg,
Zal ik dan gelukkig zijn?’

Ze zwijgt een ogenblik en ziet
Hoe een gouden ster stil straalt
Daar boven het nabije woud,
Een ogenblik… en hij valt.

[Genesis 24]
reb: meneer.
Wilner gaon: beroemd joods geleerde in Wilna, Litouwen.

 

Aartsvader Abraham krijgt een brief

Aartsvader Isaak in het veld
Wandelt daar vroom, bedaard,
En ziet hoe er een vlindertje
Met een korenbloem paart.

Een ogenblik… Meer is het niet,
Hij is al heel ver weg –
‘Geeft die charlatan geen scheidingsbrief,
Dan heeft het bloempje pech!’

In Isaaks ogen welt een traan:
Altijd zonden zonder end!
Dan gaat hij met rustige pas
Naar zijn vaders tent.

En Abraham staat voor zijn tent
En praat met de postiljon,
Die heeft bezorgd een verzegelde brief
Voor Abraham Terechzon.

Eliëzer schrijft, die trouwe knecht,
Dat alles is allright,
De bruid is mooi en heeft een schat,
En dat in korte tijd.

Hij zal haar brengen hiernaartoe
Met kamelen, opschik en geld,
Rebekka heet ze, haar visrecept
Is haar vooruitgesneld.

Aartsvader Abraham glimlacht en geeft
Een fooi aan de postiljon –
Toen Sara nog in leven was
Wist hij hoe vis smaken kon.

Hij hoort hoe Isaak Gemara zingt,
Doet zijn ogen dicht van genot:
‘Die groeit op als een vrome jood,
Geloofd zij onze God.’

‘Zo sprak Abai’ Wat is dat mooi.
Een straal van de zonsondergang
Speelt wat in zijn grijze baard
En beeft een ogenblik lang…

[Genesis 24]
scheidingsbrief: brief waarmee een man zijn echtgenote toestemming geeft om te scheiden.
Gemara: deel van de Talmoed, commentaar op religieuze teksten.
‘Zo sprak Abai’: formulering uit de Talmoed.

 

Aartsvader Isaak overhoort zijn zoons op sjabbat na de maaltijd

Aartsvader Isaak loopt door het huis
In zijn makkelijke kamerjas
Hij neuriet een liedje ernstig en vroom
En is erg in zijn sas.

Dit lied zong vader Abraham nog
In Isaaks kindertijd,
Als moeder Sara in de stal
Ging melken de witte geit.

‘Tsjiri bim bam, tsjiri bim bam,
Ai, hemelse vader, hoor aan
Dit lied, waarin van vroomheid beeft
De heilige vader zijn traan.’

De ramen staan wijd open nu,
Het is sjabbat na de dis,
De dikke kat die knaagt nog aan
De graten van de vis.

‘Geloofd zij God, er is gebensjt.
Rebekka, wees niet kwaad,
Zorg dat het kroost nu binnenkomt:
Genoeg gestoeid op straat.’

‘Kom, Esau, zeg voor vader eens
De sidra van de week!’
Esau echter zegt geen woord,
Alsof vader hem niet bekeek.

Hij houdt in zijn kleine rechterhand
Een rode dekenknop,
Rebekka ziet het duidelijk:
Hij heeft een domme kop.

‘Nu, Jakob, toon eens wat je kunt!’
En Jakob als geen een
Draaft als een bloedjong veulentje
Door de sidra heen.

Rebekka staat bij het fornuis,
Ze hoort het aan, verblijd,
Want de beloning ligt al klaar,
Daar in de eeuwigheid.

Naar Jakobs geniale hoofd
Kijkt nu moeder de vrouw
En door de sjabbatstilte zoemt
Een bromvlieg, groot en blauw.

[Genesis 25]
bensjen: zegenen.
sidra: Bijbelfragment dat op een bepaalde sjabbat gelezen wordt.

 

Jakob koopt het eerstgeboorterecht van Esau

‘Zeg beste Esau, wees zo goed
En kom even bij me langs,
Ik heb uit de kelder opgehaald
Een emmer wijn, eersterangs.’

Esau krabt eens op zijn hoofd,
Zijn fiducie is niet groot.
Houdt Jakob hem nu voor de gek,
Die kleine, sluwe jood?

Maar Jakob schenkt de beker vol
En houdt hem tegen de zon,
En Esau denkt: de wijn is rood,
Nog roder dan de zon.

‘Gezondheid, Jakob!’ Esau drinkt;
Gezondheid, gulzigaard,
Denkt Jakob en lacht sluw en vroom
In zijn zwarte baard.

En Esau die drinkt glas na glas,
Hij drinkt en drinkt maar door,
‘Jakob, geef me nu maar gauw
Een lekker hamansoor!’

Jakob lacht: ‘Een hamansoor?
Is het Poeriem, gojse gek?
Nu goed, het gaat niet om de wijn,
Maar om de bonensnack

Die ik als souper heb klaargemaakt:
Ik wil eerstgeboorterecht!
En je had bij iedere andere jood
Er meer op toegelegd.’

Neemt Esau uit zijn binnenzak
Het document, ja of nee?
Maar als hij denkt: het bonengerecht
Wordt geschrapt uit het souper,

Zegt hij: ‘Hier!’ En Jakob bergt het op,
En Esau is het kwijt;
Terwijl die nu zijn bonen vreet
Voelt hij een diepe spijt.

Hij voelt hoe haat en vijandschap
Nu in hem groeien ras,
Hij smijt het lege bord in een hoek
En breekt het lege glas…

[Genesis 25]
hamansoor: lekkernij genoemd naar Haman en gegeten tijdens Poeriem.
Poeriem: feest ter herdenking van de verlossing van de joden van de vernietiging door Haman.
goj: niet-jood.

 

Jakob bedriegt Isaak met het eerstgeboorterecht

‘Rebekka, liefje, waar is nu
Esau, mijn lieve zoon?’
‘Ach, blinde gek, hij staat naast jou,
Esau, je lieve zoon!’

Rebekka geeft Jakob een duw:
‘Wat sta je daar nu, held?
Zeg papa dat je geschoten hebt
Een haas, daar in het veld.

Een haas, een haasje, een geitenbok,
Ga het vertellen, knul,
Je weet het toch: papaatje is
Stapelgek op dat spul.

Als je hem bevallen wilt
En naar zijn zegen smacht,
Snel dan, want straks komt Esau terug,
Die stinker, van de jacht.’

Aartsvader Jakob luistert goed
En denkt: genoeg zo, stop!
De ladder die tot de hemel reikt
Stelt hij in zijn droom al op.

En op de put in het verre land
Ligt al de zware steen
En beide zusters twisten al
Wie water haalt meteen.

Aartsvader Isaak glimlacht lief:
‘Esau, mijn gouden kind,
Jij bent leniger dan een hert
En sneller dan de wind;

Wat heb je nu voor vaderlief
Van het jagen meegebracht?
Je weet toch, als je vader slaapt,
Vast hij de hele nacht.’

Aartsvader Jakob stamelt: ‘Ik…’
Alsof hij zich bedacht,
Geheimen fluisteren naar elkaar
De krekel en de nacht…

[Genesis 27]

 

Rachel gaat naar de put om water te halen

Rachel staat voor het spiegeltje
En vlecht haar zwarte haar,
Dan hoort ze hoe haar vader kucht
En hijgt: trap op is zwaar.

Gauw loopt ze naar de alkoof toe:
‘Kom, Lea! Papa! Snel!’
Lea verstopt haar flutroman
En zegt het boek vaarwel.

Ze ziet heel bleek en uitgeteerd,
Haar ogen behuild en rood.
‘Lea, bederf je niet je oog,
Steeds met een boek op schoot?’

En Rachel pakt de kruik om snel
Daar bij de put te zijn –
De schemering is blauw en mild,
Ook na een glaasje wijn.

Ze gaat en haar passeert in het veld
Een haas met snelle pas.
En ‘Tsjirp!’ Een lamed-vovnik klinkt
Daar in het hoge gras.

En boven aan de hemelboog
Een gouden oorring trilt:
‘En als er twee van zouden zijn,
Dan had ik die gewild.’

Een fluit klinkt ergens in de buurt:
Trili, trili, en hoe!
Het ruikt naar schemering en hooi,
Het hooi van schaap en koe.

Ze holt, want in de Bijbel staat:
Bij de put, daar wacht een gast,
De kat, die waste zich vandaag
En heeft vandaag gevast.

Ze haast zich nu en boven haar
De gouden oorring trilt:
En als er twee van zouden zijn,
Dan had ze die gewild.

[Genesis 29]
lamed-vovnik: een van de 36 wijzen, zonder wie de wereld verloren zou gaan.

 

Aartsvader Jakob ontmoet Rachel

Aartsvader Jakob komt doodmoe
Laat in de avond aan;
Hij denkt dat hij gevonden heeft
De put, links achteraan.

Hij pakt zijn zakbijbel erbij:
‘Ja, zie je, het is daar,
Maar waarom is ze er nog niet
En staat ze nog niet klaar?’

Ze loopt, ze rent, ai, vadertje!
Met haar kruikje in de hand,
Mooier dan in de Bijbel staat:
Een echte diamant.

‘Goedenavond, mooie mademoisel,
Ik heb een beetje pech,
Een vreemdeling ben ik en dus
Ken ik hier niet de weg.

Maar hier heb ik, weet u, juffrouw,
Een oom, een goede vent,
Die oom is u, weet u wel, juffrouw,
Natuurlijk goed bekend.

Laban heet hij, weet u, juffrouw,
Hij is heel populair,
Bij ons in het sjtetl zeggen ze:
Hij is zelfs miljonair.’

‘Laban de Arameeër, maar
Dat is toch mijn papa!’
‘Als ik me niet vergis, weet u,
Dan bent u juffrouw Ra-’

‘En u bent Jakob dus, mijn neef?’
Ze bloost nu om dat feit
En Jakob denkt nu bij zichzelf:
O, wat een goede meid!

Dan geven ze elkaar een hand
En kijken naar elkaar,
Een koele wind omhelst die twee,
Een ogenblikje maar.

[Genesis 29]
sjtetl: kleine Oost-Europese stad met een grote joodse bevolking.

 

Aartsvader Jakob zingt een serenade onder Rachels raam

Waarschijnlijk lig je nu in bed
Te dromen, lieveling,
Terwijl ik onder bij het raam
Een serenade zing.

Een hond met tanden is mijn oom,
Hij laat me telkens wachten.
En wat hij niet begrijpen kan:
Jij bent in mijn gedachten.

O, wachten zal ik, Rachellief,
Al is het zeven jaar,
Ik doe het voor je oogopslag
En voor je zwarte haar.

Ik werk overdag in het veld,
’s Nachts wil ik me uitstrekken,
Maar dan is het of een magneet
Me naar jou toe wil trekken.

De maan aan de hemel, die alleen
Weet wat ik voel van binnen,
Hoe zwaar, hoe zwaar, hoe zwaar het is
Een liefdeslot te winnen.

Ik heb vandaag wel zevenmaal
Jouw naam in het zand geschreven,
Ik zag een kreupele waarzegster
Met een hand opgeheven.

En weldra waren in die hand
Spelkaarten opgedoken,
En voor ik er bedacht op was
Had ze tot mij gesproken:

‘Twee jonge vrouwen hebben er
Om u liefdesverdriet,
Uw favoriet wordt ooit uw vrouw,
De jongste is het niet.’

En voor ik er bedacht op was
Was ze alweer gevlogen –
Het was Lea die ze had bedoeld,
Die met de trachoom-ogen.

De waarzegster heeft zich vergist,
Mijn oom heeft zich vergist:
De mijne word je vroeg of laat,
Dat heb ik al beslist.

O, dienen wil ik, Rachellief,
Voor jou nog zeven jaar,
Ik doe het voor je oogopslag
En voor je zwarte haar…

[Genesis 29]
trachoom: besmettelijke oogziekte.

 

Rachel en Lea

Rachel staat blootsvoets voor het huis
En zingt een zachte wijs,
De fladderende zwaluwen
Die geuren naar iets blijs.

Jakob, die edele persoon,
Kwam in haar droom vannacht,
Hij had haar na zijn zware werk
Drie mooie cadeaus gebracht.

Een bensjboekje en lakschoentjes
Een ringetje van goud –
O, als een zwaluw weten zou
Hoeveel ze van hem houdt!

Ze knippert in de zon en lacht
Met blijdschap in haar stem,
Want verderop, daar in het veld
Schijnt de zon ook op hem.

Een windje streelt over haar been
En speelt wat in haar haar
En fluistert zachtjes in haar oor:
‘Het is nog maar vijf jaar.’

‘Rachel!’ (haar zuster Lea roept)
‘Je koffie die wordt koud.’
Rachel huivert stil en roept:
‘Momentje, schattebout!’

Ze wordt heel treurig plotseling:
Ze weet dat Lea huilt,
Wel hele nachten in haar bed,
En wat daarachter schuilt…

Ze voelt haar hartepijn en gaat
Naar de alkoof aldus:
‘Het bensjboek en de lakschoentjes,
Hier, neem ze, lieve zus!

En neem ook, Lea, zusjelief,
Het ringetje van goud,
Maar laat dan mij, en mij alleen,
De man van wie ik houd.’

Ze speurt haar zusters liefdesleed
Door alle tranen heen,
En wie er dan om Lea lacht
Is dwaas en ook gemeen…

[Genesis 29]
bensjboekje: boekje met dankgebeden.

 

Lea brengt liefdesappels mee van het veld

Wat liefdesappels op haar arm
Neemt Lea mee voor thuis,
De avondzon die fonkelt goud
Op een pover lemen huis.

Een slanke wind komt haar tegemoet
En hijgt dan tegen haar:
‘Lea, de kinderen huilen om jou
Bij de groene notelaar.’

‘Wat naar voor moeder!’ Lea holt,
Haar jurk waait in de wind,
De molen op de heuvel strekt
De wieken uit gezwind,

Alsof die eigen kinderen had
En met Jakob was getrouwd,
En wilde ze naar de notenboom
Naar die kinderen van goud…

Ze holt. In Davids kroeg aan de weg
Gaat het licht al aan,
Daar is het groene kerkje al
En ze ziet de rechtbank staan.

En buiten adem houdt ze in,
Ze ziet haar zuster daar,
Een zijden hemdje in haar hand,
Dat heeft ze al lang klaar…

En Lea zegt: ‘Racheltjelief,
Ik plukte voor je net
Wat liefdesappels, leg die dan
Vannacht maar naast je bed…

Als God wil, over negen maand
Dan weet je al of niet…’
Ze fluisteren en de poeet
Verstaat het verder niet.

Hij keert zich nu bescheiden om
En al is het ongewis,
Hij weet dat fluisteren met elkaar
Van alle tijden is…

[Genesis 30]

 

Jakobs dochter Dina heeft een afspraakje

Dina doet met haar lippenstift
Haar lippen nog een keer,
Rood als papavers zijn ze nu:
Genoeg, het hoeft niet meer.

Ze pakt haar strooien zomerhoed,
Die bij haar zomerjurk staat;
Ze werpt een blik in de spiegel, schuins,
Pakt haar parasol en gaat.

De klok van het raadhuis wijst acht uur,
Dat betekent, denkt ze verheugd,
Dat ze haastig naar de afspraak moet
Met de Sichemse uitgaansjeugd.

‘O Sichem, jij vrolijke stad van muziek
En licht, jij kunt niet meer stuk,
Hier heeft de liefde steeds een geheim,
En ieder geheim is geluk.’

Haar vaders huis is naar en gehaat,
Ze bidden daar dag en nacht
En sinds de dood van tante Rachel
Is alle gelach verdacht.

Misère hangt boven het oude huis
Als een grote, giftige spin
En om niet krankzinnig te worden thuis
Doet ze in Sichem haar zin.

‘O Sichem, jij vrolijke stad van muziek
En licht, jij kunt niet meer stuk,
Hier heeft de liefde steeds een geheim,
En ieder geheim is… geluk.’

Ze is gesteld op ieder geheim,
Al heeft ze geen sleutel gereed;
De mensen van Sichem maken plezier,
Is het enige wat ze weet – –

Daar licht in Sichem de eerste lantaarn,
Daar weent in de kroeg een viool
Een nieuwe wals van Johann Strauss:
‘Verlangen is het parool!’

[Genesis 34]

 

Aartsvader Jakob heeft verdriet om zijn kinderen

Op de grasbank, als de avond valt,
Zit Jakob, oud en moe,
Zijn benen doen hem weer eens pijn,
Hij gunt niemand dit gedoe.

Zijn zoons zijn sinds de dageraad
Met de schapen naar het veld:
‘Mijn God, waarom word ik door hen
Toch altijd zo gekweld?

Ik heb nu al geen greep meer op
Mijn eerstgeboren zoon.
Hij dook met Bilha in het bed,
Was dat zijn vaders loon?

En wat betreft die andere twee,
Wat maken die een troep:
Door hen is nu geruïneerd
De joodse bevolkingsgroep.

De sterke Juda had daar bij
Die hoer geen eergevoel.
Het scheelde toen ook maar een haar
Of ze waren naar Istanboel.

Gelukkig is er eentje bij
Die mij tevreden stemt,
Daarom krijgt hij met Poeriem straks
Van mij een zijden hemd.’

En Jakob slaat zijn ogen op:
Lijdt hij nu aan een waan?
Hij ziet toch overduidelijk
Daar moeder Rachel gaan.

Ze loopt met stille, zijden tred
En steeds dichter bij hem.
Haar mond beweegt. Hij luistert goed,
Maar hoort toch niet haar stem.

Daar zwaait ze met een doek naar hem:
‘Tot ziens!’ Dan gaat ze heen,
Als was ze maar een ademtocht,
Een windvlaag die verdween.

Aartsvader Jakob zucht eens diep:
‘Een droom was het, meer niet;
Ach, stierven met de dode maar
Verlangen en verdriet!’

Hij staat op in de avondlucht
En gaat naar bed in huis;
Zijn zonen komen ook vandaag
Vermoedelijk laat thuis.

[Genesis 35]
Poeriem: feest ter herdenking van de verlossing van de joden van de vernietiging door Haman.

 

Jozef de tsaddik wandelt op de boulevard

Jozef loopt met zijn zijden hemd
In de schemerige sterrenlaan
Vrouwen met blauwe parasols
Glimlachen af en aan – –

En één die fluistert: ‘Zelda, je ziet,
Hij is zo mooi als goud,
Had ik genoeg bruidsschat gehad,
Dan had ik hem getrouwd.’

De ander fluistert: ‘In mijn droom
Kwam hij bij mij vannacht,
De deur die zat niet op het slot,
Want ik had hem verwacht.’

Jozef glimlacht. Hij weet het zelf:
Hij is een mooie man,
Hij heeft zichzelf heel vaak gezien
In de houten waterkan.

Jammer alleen: zijn stoute broers
Pesten hem altijd nog
Met “sterrenwichelaar”, “gekke Jos”
En “dromen zijn geen bedrog”.

Een week geleden was hij daar
Waar moeder Rachel rust:
‘Trouwe mama, zeg me waarom
Pesten ze doelbewust?’

Maar ach, toen zweeg de koude steen
En de grond die hem omgaf.
Misschien had mama het niet gehoord,
Maar toch: ze zweeg als het graf.

Daarom houdt hij van de sterrenlaan,
Waar vrouwen glimlachen voorbij,
Met kleine blauwe parasols
En de lentegeuren van mei.

Misschien is dat ook maar een droom,
Die zich voor hem ontplooit,
En al die nare broertjes thuis
Begrijpen dat toch nooit.

Al is het maar een droom, hij is mooi;
En hij wandelt met stille tred,
Hij wist niet uit het avondgoud,
De vrouw en het bloemenbed.

[Genesis 37]

 

Jozef de tsaddik en Zelika

‘Kom, katertje, kom dichterbij!
Kom maar, ik ben gereed!
Kijk, mijn borsten willen jou,
Wat zijn ze bruin en heet.’

Jozef de tsaddik zegt: ‘O wee,”
En doet zijn ogen dicht:
‘Wat wil die boze geest van mij?
Ga weg, uit mijn gezicht!’

‘Kom, katertje, kom dichterbij!
Want met mijn zwarte haar
Wil ik je binden aan mezelf,
Een dag, een maand, een jaar.’

Jozef de tsaddik zegt: ‘O God,
Help mij dit niet te doen!
U die zich voor mij heeft onthuld
Tussen wolf en schorpioen.’

‘Kom, katertje, kom dichterbij!
Kom hier en doe het gauw,
Kom gauw en wees een man voor mij
En dan ben ik je vrouw!’

Jozef de tsaddik is erg bang
Dat hem zijn meester hoort.
Maar nee, het is zijn vader die
Hem geselt met zijn woord:

‘Wat ziet mijn oog, zie ik het goed?
Wil deze jongeheer
Een gojse, een getrouwde vrouw?
Jozef, waar is je eer?’

Jozef de tsaddik kijkt nu op
En beeft al als een riet:
Zij knielt nu voor haar Jozef neer,
Gekleed is ze nog niet.

Ze streelt hem met een warme hand,
Haar stem wekt kippenvel,
Met moeite perst hij er dan uit
Een “Sjema Israël”.

[Genesis 39]
tsaddik: wijze en vrome man.
gojse: niet-joodse vrouw.
Sjema Israël: “Hoor Israël”, het belangrijkste joodse gebed.

 

Jozef de tsaddik zoekt de beker bij zijn broers

Daar komt de koerier: ‘Luister, heer,
Wij brachten de bende tot staan;
Het was daar op de gruttenweg,
Zeven mijl hiervandaan.’

Jozef de tsaddik zegt streng en boos:
‘Breng de bende weerom!
Ik heb geen zin in een kletsverhaal,
De beker, daar gaat het mij om!’

De broers die zeggen: ‘Luister, heer,
Wij zijn niet op diefstal uit,
Wij weten allen, God zij geloofd,
Wat “Gij zult niet stelen” beduidt.

Want onze vader Jakob is
Een zeer godvrezend man
En hij is zelfs opperrabbijn
In het heilige land Kanaän.’

Jozef de tsaddik zegt streng en boos:
‘Dat interesseert me geen fluit!
Of jullie eerlijke mensen zijn
Dat maak ik zelf wel uit.’

De broers die zeggen: ‘Luister, heer,
Wij gehoorzamen u geheel’ –
Ze openen onmiddellijk
De zakken tarwemeel.

‘En wie is toch die kleine man?
Hij staat daar aan de kant
En heeft een zakje met tefilien
In zijn rechterhand.’

De broers die zeggen: ‘Luister, heer,
Dat is onze Benjamin,
Hij is zijn vaders schat en troost,
De jongste van ons gezin.’

‘Kom bij me, jij klein bendelid
En open je zakje geheel!
En laat me zien of daarin zit
Alleen maar matsemeel!’

En Jozef neemt de tefilien
In het zakje uit Benjamins hand –
En in het donker groeit hij aan
Tot een strenge gigant.

[Genesis 44]
tsaddik: wijze en vrome man.
tefilien: gebedsriemen.
matse: ongedesemd brood.

 

Aartsvader Jakob repeteert met zijn zoons “De verkoop van Jozef”

‘Ruben, mijn alleroudste zoon,
Je bent stil, wat is er? Vertel!’
‘Vader Jakob, wij staan klaar
Om te spelen het Poeriemspel.’

‘Jozef, mijn allerliefste zoon,
Trek maar aan je hemd van zij!
Je broers willen je nog een keer
Verkopen in die kledij.

Ze gooien je dus in een put,
Jij huilt: dat weet je wel!
Je speelt toch niet de eerste keer,
Mijn kind, het Poeriemspel?

Maar als je wandelt op de weg
Waar je moeders graf op je wacht,
Huil dan op haar steen een echte traan
En zeg tot haar heel zacht:

‘De oude Jakob zou nóg een keer
Dienen die zeven jaar,
Hij zal een ogenblik voor zijn dood
Strelen over haar haar.’

En verder weet je het zelf wel,
Je kent het allemaal:
Er passen dan in farao’s droom
Vette koeien, zeven totaal.

Verklaar de droom, zoals altijd,
Wees foutloos, tekstueel,
Vergeet ook niet, in Godesnaam,
Voor vader een zakje meel!

Vergeet ook niet, in Godesnaam,
Tsaddik Jozef, mijn zoon:
Pas op voor mevrouw Potifar,
Al is ze jong en schoon!’

***

‘Toe maar, jongens, wat sta je daar?
Waarom zo stil? Vertel!’
‘Vader, je hebt een rommel gemaakt
Van dat hele Poeriemspel.’

[Genesis 37-41]
Poeriemspel: toneelstuk waarin het boek Ester wordt verbeeld.

 

De Bijbel volgens Itsik: Samuel

Inhoud