Cantata profana

RedDeer_ROW583341275_20110406
 

Béla Bartók

 

Eens was er een oude man,
Van wie men verhalen kan
Dat hij leefde in zijn woonst
Met zijn negen grote zoons.
Al die mannen vol van kracht
Waren zijn trots nageslacht.
Nooit had hij hun willen leren
Hoe de ploegen te hanteren,
Hoe te zaaien en te wieden,
Hoe de dieren te gebieden,
Noch werden de negen broeders
Opgevoed als schapenhoeders.
Waar ze werden grootgebracht?
In het bos op hertenjacht.
 
Al die negen grote zonen
Wilden zich niet thuis vertonen,
Trokken steeds de bossen door,
Volgden van het wild het spoor.
Dieper gingen ze zich wagen
In het woud tijdens het jagen,
Tot ze kwamen bij een brug.
Van daar was geen weg terug.
Want wat er gevonden werd,
Was het spoor van ‘t Toverhert.
Door hun zoeken tussen ‘t hout
Raakten ze ver in het woud.
In het bos zo diep gegaan,
Nam elk hertgedaante aan.
 
Erg lang moest de vader wachten.
Toen hij naar zijn zoons ging smachten,
Nam hij radeloos zijn wapen
En zocht naar zijn negen knapen.
Over de brug, op de mossen,
Trok hij eenzaam door de bossen.
Eindlijk wist hij ‘t spoor te vinden
Van de grote Toverhinde.
Hij komt bij een bron zo klaar
En de herten die staan daar.
Haastig richt hij zijn vizier
Op het allergrootste dier.
Ach! De grootste, die hem ziet
(Vroeger steeds zijn favoriet)
Roept: ‘Mijn lieve, goede vader,
Ga niet schieten, kom niet nader!
Als je vuurt, ben je verloren –
Was je dan maar nooit geboren.
Ons gewei, dat eerst doorboort,
Sleept je dan door bossen voort,
Sleurt je over berg, door dal.
Tegen rotsen zonder tal
Plet het dan je vege lijf
Tot het lijk is, koud en stijf.’
Daarop sprak de oude vader:
‘Lieve zonen, kom toch nader,
Volg me naar je moeder zacht,
Die zo bang op jullie wacht.
Glazen vullen we met wijn,
Als we eenmaal samen zijn.
Heerlijk eten staat te dampen,
We ontsteken alle lampen.’
 
Maar het smeken mocht niet baten.
d’ Oudste die hem had verlaten
(En de liefste) sprak tot hem,
Duidelijk, met vaste stem:
‘Ga naar moeder, vaderlief,
Spaar ons toch dat ongerief.
Niemand gaat meer mee naar huis,
Want het woud is nu ons thuis.
Voor geweien, ‘t negental,
Is de deur van ‘t huis te smal.
Onze slanke lichaamsdelen
Kunnen nooit meer kleren velen.
Anders dan een mensenkind
Kleden we ons in zon en wind.
Onze lichte, tere hoeven
Willen niet op vloeren toeven,
Kunnen niet op klompen klossen,
Zijn gewend aan zachte mossen.
Onze mond, die drinken kon
Uit een glas, zoekt nu een bron.’
 
Eens was er een oude man,
Van wie men verhalen kan
Dat hij leefde in zijn woonst
Met zijn negen grote zoons.
Nooit had hij hun willen leren
Hoe de ploegen te hanteren.
Nee, hij had hen grootgebracht
In de bossen, op de jacht.
Eindeloos op jacht gegaan,
Nam elk hertgedaante aan.
Voor geweien, ‘t negental,
Is de deur van ‘t huis te smal,
En hun slanke lichaamsdelen
Kunnen nooit meer kleren velen.
Anders dan een mensenkind
Dragen ze nu zon en wind.
En hun lichte, tere hoeven
Willen niet op vloeren toeven,
Kunnen niet op klompen klossen,
Zijn gewend aan zachte mossen.
En hun mond, die drinken kon
Uit een glas, zoekt nu een bron.

 

De tekst van deze pantheïstische “wereldlijke cantate” is gebaseerd op oude Roemeense colindes, liederen voor de winterzonnewende. Bartók vertaalde de tekst in het Hongaars en voltooide de cantate voor koor, solisten en orkest in 1930. Bence Szabolcsi vertaalde de cantatetekst in het Duits. Net als in de Duitse vertaling is in mijn Nederlandse vertaling het ritme en rijm van de Hongaarse versie aangehouden.