Bontsje Sjwaig

ben-ami2_0

 
 

Jitschok Lejboesj Perets

 

Hier in deze wereld maakte de dood van Bontsje Sjwaig helemaal geen indruk. Je hoeft echt niemand te vragen wie Bontsje was, hoe hij geleefd had, waaraan hij gestorven was. Of zijn hart het opgegeven had, of hij aan het eind van zijn krachten was geweest, of hij zijn rug had gebroken onder een te zware last… Wie weet? Misschien was hij wel doodgegaan van de honger!

Als een trampaard doodgevallen was had dat meer belangstelling getrokken. De kranten hadden erover geschreven, honderden mensen waren uit alle straten aan komen lopen om het lijk te zien; ze hadden zelfs de plek willen zien waar het ongeluk gebeurd was…

Maar ook het trampaard had niet zoveel aandacht gekregen als er evenveel paar­den waren als mensen: duizend miljoen!

Bontsje leefde stilletjes en stierf stilletjes; als een schaduw ging hij door – door ónze wereld!

Bij Bontsjes besnijdenis werd geen wijn gedronken en er werd niet geklonken. Bij zijn bar mitswe hield hij geen droosje die klonk als een klok… Hij leefde als een grauw korreltje zand op het strand, temidden van miljoenen soortgenoten, en als de wind hem had opgewaaid en naar de overkant van de zee geblazen, had niemand dat gemerkt!

Tijdens zijn leven liet zijn voet geen indruk in de natte modder achter. Na zijn dood blies de wind het kleine bordje op zijn graf omver; de vrouw van de doodgraver vond het een heel eind van het graf en gebruikte het om er een pannetje aardappels op te koken… Je hoefde de doodgraver drie dagen na Bontsjes dood niet te vragen waar hij hem begraven had!

Had Bontsje een grafsteen gehad, dan was die honderd jaar later misschien nog gevon­den door een oudheidkundige en dan had de naam “Bontsje Sjwaig” nog een keer in ónze lucht geklonken.

Hij was een schim. Zijn foto werd in niemands herinnering en in niemands hart bewaard; niets herinnerde meer aan hem.

“Kind noch kraai” had hij; hij stierf zo eenzaam als hij geleefd had.

Als de mensheid niet zo’n herrie zou maken, had iemand misschien Bontsjes rug een keer horen kraken onder de last, en als de wereld meer tijd zou hebben, had iemand mis­schien een keer gemerkt dat Bontsje (ook een mens) al bij zijn leven twee uitge­bluste ogen en vreselijk ingevallen wangen had; dat ook zijn hoofd, zelfs als hij helemaal geen last op zijn schouders droeg, naar de grond was gericht, alsof hij levend op zoek was naar zijn graf! Als mensen zo zeldzaam als trampaarden waren, had iemand misschien wel een keer gevraagd: ‘Hoe is het toch met Bontsje afgelopen?!’

Toen ze Bontsje naar het ziekenhuis brachten, bleef zijn hoek in het souterrain niet leeg: tien lotgenoten hadden erop staan wachten en verkochten de hoek aan de hoogste bieder onder hen; toen hij van het ziekenhuisbed naar het lijkenhuis gedragen werd, wacht­ten er al twintig arme zieken op zijn bed… En toen hij uit het lijkenhuis kwam brachten ze twintig lijken binnen van onder een huis dat ingestort was – wie weet hoe lang hij rustig in zijn graf mag blijven? Wie weet hoevelen er al liggen te wachten op dat stukje grond…

Stil geboren, stil geleefd, stil gestorven en nog stiller begraven.

 

*********

Maar zo ging het niet in de ándere wereld! Dáár maakte Bontsjes dood grote indruk!

De grote sjofar van de Messias verkondigde in alle zeven hemelen: Bontsje Sjwaig is overleden! De voornaamste engelen met de breedste vleugels vlogen op om elkaar te vertellen: ‘Bontsje is gedagvaard door het hemelse gerecht!’ In het paradijs was het een tumult, een blijdschap van jewelste: ‘Bontsje Sjwaig! Ja, echt waar, Bontsje Sjwaig!’

Jonge engeltjes met schitterende oogjes en gouden vleugeltjes van filigraan en zilve­ren pantoffeltjes vlogen Bontsje vreugdevol tegemoet. Het ruisen van de vleu­gels, het klepperen van de pantoffeltjes en het opgewekte lachen van de jonge, frisse, roze engeltjes vervulde alle hemelen en bereikte Gods troon, en God zelf wist ook al dat Bontsje Sjwaig op komst was!

Vader Abraham ging bij de poort staan, stak zijn rechterhand uit voor een royale welkomstgroet en een zoete glimlach verschijnt op zijn oude gezicht.

Wat rolt daar door de hemel?

Daar rollen twee engelen voor Bontsje een gouden leunstoel op wieltjes het paradijs in!

Wat flikkerde daar zo?

Daar kwam een gouden kroon langs, bezet met de kostbaarste edelstenen! Allemaal voor Bontsje!

‘Nog vóór de uitspraak van het hemelse gerecht?’ vragen de rechtvaardigen verwon­derd en niet helemaal zonder jaloezie.

‘O,’ antwoorden de engelen, ‘dat is maar een formaliteit! Tegen Bontsje Sjwaig zal zelfs de aanklager niets in kunnen brengen! Dat zaakje duurt hooguit vijf minuten!’

‘Jullie nemen Bontsje Sjwaig toch zeker wel serieus?’

 

***

Toen de engeltjes Bontsje onderschepten in de lucht en een hymne voor hem zongen, toen Vader Abraham hem als een oude kameraad de hand schudde, toen Bontsje hoorde dat zijn stoel in het paradijs al klaarstond, dat er een kroon was bestemd voor zijn hoofd, dat er in het hemelse gerecht niets tegen hem ingebracht zou worden, toen deed hij hetzelfde als in de andere wereld: hij zwéég van schrik! Het hart zonk hem in de schoenen! Hij wist dat het een droom moest zijn of een doodgewone vergissing.

Beide is hij gewend! Meer dan eens droomde hij in die andere wereld dat hij geld op straat vond, dat er hele schatten lagen… En als hij dan wakker werd was hij nog berooider dan de vorige dag… Meer dan eens gebeurde het dat iemand hem per ongeluk toelachte of een vriendelijk woord zei om zich vervolgens van hem af te keren en op de grond te spuwen…

“Dat is mijn lot nu eenmaal,” denkt hij.

En hij is bang om zijn ogen op te slaan, want dan vervliegt de droom, dan belandt hij ergens in een grot tussen de slangen en schorpioenen! Hij is bang om zijn stem te laten horen of een vin te verroeren, want dan wordt hij herkend en de hel in geslingerd…

Hij beeft, hoort de complimenten van de engelen niet en ziet ze niet dansen om hem heen en beantwoordt Vader Abrahams hartelijke welkomstgroet niet en als ze hem naar het hemelse gerecht brengen zegt hij geen goedemorgen…

Hij is buiten zichzelf van schrik!

En hij schrikt nog meer als hij per ongeluk de vloer van het hemelse gerecht ziet. Alle­maal albast met diamanten! “Op zo’n vloer sta ik met mijn voeten!” Hij verstijft hele­maal. “Wie weet met welke rijkaard, welke rabbi of welke tsaddik ze mij verwarren? En als die komt loopt het slecht met me af!”

Van schrik hoort hij niet eens de duidelijke aankondiging door de rechter: ‘De zaak-Bontsje Sjwaig!’ en diens opmerking tegen de raadsman bij het overhandigen van het dossier: ‘Blader even door!’

De hele rechtszaal tolt om Bontsje heen. Zijn oren tuiten. In dat tuiten onder­scheidt hij dan steeds scherper de stem van de engel-raadsman met de lieflijke klank van een viool:

‘Zijn naam,’ zo hoort hij, ‘paste hem als het maatkostuum van een meester-kleermaker een slanke gestalte.’

‘Waar heeft hij het over?’ vraagt Bontsje zich af en hij hoort hoe een ongeduldige stem interrumpeert:

‘Geen stijlbloempjes!’

‘Niet één keer,’ vervolgt de raadsman, ‘klaagde hij ergens over, tegen God of tegen de mensen; in zijn ogen gloeide niet één keer een vonkje haat en niet één keer maakte hij de hemel een verwijt.’

Bontsje begrijpt er geen woord meer van, en de barse stem interrumpeert opnieuw:

‘Geen retoriek!’

‘Job hield het niet uit. Maar Bontsje was ongelukkiger –‘

‘Feiten, harde feiten!’ roept de rechter nog ongeduldiger.

‘Toen hij acht dagen was werd hij besneden –‘

‘Géén realisme!’

‘Die prutser van een mohel kon het bloed niet stelpen –‘

‘Verder!’

‘Hij zweeg,’ vervolgt de raadsman, ‘zelfs toen zijn moeder stierf en hij op zijn der­tiende een stiefmoeder kreeg… Een serpent van een stiefmoeder, een secreet…’

‘Hebben ze het misschien toch over mij?’ denkt Bontsje.

‘Geen insinuaties ten aanzien van derden!’ zegt de rechter verwijtend.

‘Ze beknibbelde op zijn eten… Beschimmeld brood van twee dagen oud… Zenen in plaats van vlees… Terwijl zij koffie met room dronk –‘

‘Terzake!’ roept de rechter.

‘Ze was niet zuinig met haar nagels en je zag zijn bont-en-blauwe lijf door alle gaten in zijn beschimmelde en gescheurde kleren… In de winter, als het vroor dat het kraakte, moest hij van haar op blote voeten naar de binnenplaats om hout te hakken, en zijn handjes waren te jong en te zwak, de blokken hout waren te dik en de bijl was te bot… Meer dan eens verzwikte hij zijn pols en meer dan eens bevroren zijn voeten, maar hij zwéég, zelfs tegenover zijn vader –‘

‘Die dronkelap!’ lacht de aanklager, en het loopt Bontsje koud over zijn rug.

‘Maar hij klaagde niet,’ zegt de raadsman, zijn zin afmakend. ‘En niets dan el­lende,’ vervolgt hij, ‘geen vrienden, geen godsdienstles, geen school… Geen hele draad aan zijn lijf… Geen mi­nuut vrije tijd –‘

‘Feiten!’ roept de rechter weer.

‘Later zweeg hij zelfs toen zijn vader hem in een dronken bui een keer bij zijn ha­ren pakte en hem in een winternacht, toen het sneeuwde, het huis uitgooide! Hij stond gauw op uit de sneeuw om een goed heenkomen te zoeken…

Altijd en eeuwig zweeg hij… Als hij heel erge honger had, bedelde hij alleen met zijn ogen!

Pas in een duizelingwekkende, natte voorjaarsnacht kwam hij aan in een grote stad, als een druppel in de zee, en diezelfde nacht belandde hij al in de cel… Hij zweeg en vroeg niet waarom of waartoe. Hij ging op zoek naar het zwaarste werk. En hij zweeg!

Nog moeilijker dan werken was werk vinden, maar hij zweeg!

Badend in het koude zweet, zuchtend onder de zwaarste last, rammelend van de honger zweeg hij!

Bespat door andermans modder, bespuwd door andermans mond, van het trottoir naar de rijbaan gejaagd om zijn zware last te dragen tussen rijtuigen, karren en trams, met elke minuut de dood voor ogen, zweeg hij!

Nooit rekende hij uit hoeveel poed hij dragen moest per groschen, hoe vaak hij viel on­der een vracht waarvoor hij een dreier kreeg, hoe vaak hij haast flauwviel als hij om zijn loon moest vragen; hij dacht niet aan zijn eigen belang en niet aan andermans belang, maar hij zweeg!

Nooit vroeg hij met stemverheffing om zijn loon. Als een bedelaar bleef hij bij de deur staan om met zijn ogen te bedelen als een hond. ‘Kom een andere keer maar terug!’ En dan sloop hij weg als een schim, om de volgende keer nog stiller om zijn loon te bedelen.

Hij zweeg zelfs als ze op zijn loon bezuinigden of er vals geld doorheen gooi­den.

Hij zweeg altijd…’

‘Misschien gaat het toch over mij!’ troost Bontsje zichzelf.

 

***

‘Op een keer,’ vervolgt de raadsman na een slokje water, ‘kwam er verandering in zijn leven… Een koets op rubber banden raasde door de straat met op hol geslagen paar­den… De koetsier lag allang met een verbrijzelde schedel op de keien… Van de monden van de geschrokken paarden spat het schuim, van de hoefijzers springen de vonken, hun ogen schitteren als brandende toortsen in een duistere nacht, en in de koets zit, meer dood dan levend, een mens!

En Bontsje bracht de paarden tot staan!

En de geredde was een joodse filantroop, die niet vergat wat Bontsje gedaan had!

Hij gaf hem de zweep van de dode en Bontsje werd koetsier! Meer nog: hij vond een vrouw voor hem om mee te trouwen, en nog meer: hij zorgde zelfs voor een kind –

En Bontsje zweeg nog steeds!’

‘Ze hebben het echt over mij!’ stelt Bontsje vast, maar heeft toch niet de moed om een blik te werpen op het hemelse gerecht…

Hij luistert verder naar de raadsman:

‘Hij zweeg zelfs toen zijn weldoener kort gezegd failliet ging en hem zijn loon niet uitbetaalde…

Hij zweeg zelfs toen zijn vrouw bij hem wegliep en de baby bij hem achterliet…

Hij zweeg zelfs vijftien jaar later, toen het kind groot en sterk genoeg was om Bontsje het huis uit te gooien…’

‘Ze hebben het echt over mij!’ denkt Bontsje blij.

 

***

‘Hij zweeg zelfs,’ vervolgt de raadsman zachter en treuriger, ‘toen diezelfde weldoe­ner met iedereen een regeling trof, maar hem geen groschen loon be­taalde, en zelfs toen die man (weer in zijn koets op rubber banden en met paarden als leeuwen) hem overreed…

Hij zweeg de hele tijd. Hij vertelde de politie niet eens wie hem dat geflikt had…

 

***

Hij zweeg zelfs in het ziekenhuis, waar je toch mag schrééuwen!

Hij zweeg zelfs toen de dokter alleen voor vijftig kopeke aan zijn bed wilde komen en de ziekenbroeder hem alleen voor vijf kopeke wilde verschonen.

Hij zweeg toen hij op sterven lag en hij zweeg toen hij doodging…

Geen woord van protest tegen God en geen woord van protest tegen de mensen!

Ik heb gezegd!’

 

***

Bontsje begint weer over heel zijn lijf te beven. Hij weet dat na de raadsman de aankla­ger aan het woord komt! Wie weet wat díe zal zeggen! Bontsje zelf kan zich van zijn leven niets herinneren. Toen hij nog in de andere wereld was, vergat hij iedere mi­nuut de vorige minuut… De engel-raadsman heeft zijn geheugen opgefrist… Wie weet hoe de aan­klager zijn geheugen op zal frissen!

‘Mijne heren!’ begint een scherpe, irritant doordringende stem.

Maar hij hapert.

‘Mijne heren,’ begint hij weer, nu zachter, en dan hapert hij opnieuw.

Ten slotte klinkt uit dezelfde mond een welhaast milde stem:

‘Mijne heren! Hij zweeg! En daarom wil ik ook zwijgen.’

Er valt een stilte, en dan klinkt er een nieuwe, milde, bevende stem:

‘Bontsje, mijn jongen,’ klinkt het als een harp… ‘Bontsje, mijn hartedief!’

Bontsje schiet vol… Nu zou hij zijn ogen wel open willen doen, maar die staan vol tranen… Hij heeft nog nooit zo’n zoete droefenis gevoeld… ‘Mijn jongen’, ‘mijn Bontsje’ – Sinds zijn moeder gestorven is, heeft hij zo’n stem en zulke woorden niet meer gehoord –

‘Mijn jongen,’ vervolgt de rechter, ‘je hebt altijd maar geleden en gezwegen. Er is in je lichaam geen plekje en geen botje zonder wond en zonder bloed en er is niet één verbor­gen hoekje in je ziel waar het niet bloedt… En jij maar zwijgen…

Daar werd dat niet begrepen. Jij wist zelf misschien niet dat je schreeuwen kon en dat door jouw geschreeuw de muren van Jericho konden wankelen en vallen? Jij­zelf wist niet wat voor krachten er in je sluimerden…

In die wereld werd jouw zwijgen niet beloond, maar dat is de Wereld van de Leugen; hier, in de Wereld van de Waarheid, zul je je loon ontvangen!

Over jou zal het hemelse gerecht niet oordelen, over jou zal het geen uitspraak doen.

Voor jou wordt je deel niet afgemeten: neem maar wat je wilt! Álles is voor jou!’

Voor het eerst kijkt Bontsje op. Hij wordt verblind door het licht van alle kanten! Alles glanst, alles blinkt, alles staat te schitteren: de muren, de dingen, de enge­len, de rechters! Allemaal engelen!

Hij slaat zijn moede ogen neer.

‘Echt waar?’ vraagt hij aarzelend en beschaamd.

‘Jazeker!’ antwoordt de rechter gedecideerd. ‘Jazeker! Ik zeg je: alles is voor jou. Alles in de he­mel hoort jou toe! Kies maar, neem maar wat je wilt, want het is van jóu!’

‘Echt waar?’ vraagt Bontsje nog een keer, met al meer zekerheid in zijn stem.

‘Echt waar! Echt waar! Echt waar!’ verzekeren ze hem van alle kanten.

‘Nou,’ glundert Bontsje, ‘dan wil ik wel iedere morgen een warm broodje met verse boter!’

Rechters en engelen laten beschaamd het hoofd hangen; de aanklager barst in lachen uit.

1894

 

droosje: preek.

Jitschok Lejboesj Perets, Bontsje Sjwaig. Uit Ale Werk, Zekster Band “Far kleejn oen grois”, pp. 98-106. Farlag Jidisj, Buenos Aires, 1944. De vertaling is eerder verschenen in het Jiddisj-Nederlandse literaire tijdschrift Grine Medine nr. 59/60 (2015). Een analyse van dit verhaal is te vinden in hoofdstuk 4.1 van A Tool of Remembrance, elders in deze website.

foto: de acteur Jacob Ben-Ami in een enscenering van dit verhaal. foto Arnold Chekow.