Beroepstragiek: De brug over de Ennobaai

portret

Max Eyth

De brug over de Ennobaai bewijst dat techniek een even interessant onderwerp voor een roman kan zijn als bijvoorbeeld een liefdesgeschiedenis – die de lezer er in deze roman trouwens bij krijgt. Max Eyth (1836-1906) was een van de eersten en een van de weinigen die romans en verhalen over techniek schreven en deed dat met kennis van zaken, want hij was opgeleid als ingenieur. Na zijn studie in Duitsland beproefde hij zijn geluk in Engeland, dat in zijn tijd een technisch eldorado was. In 1899 publiceerde hij twee bundels Hinter Pflug und Schraubstock (“Achter ploeg en bankschroef”), waarvan Berufstragik (“Beroepstragiek”) deel uitmaakt. Het is een korte roman, alleen in schijn autobiografisch en grotendeels gebaseerd op een historische gebeurtenis. Die gebeurtenis is de bouw van de grootste brug ter wereld, waarvan een aantal foto’s uit die tijd getuigen. De baai van de Enno bij Pebbleton in Schotland is in werkelijkheid die van de Tay bij Dundee en de brug werd voltooid in 1879. De ikfiguur is Max Eyth zelf, die inderdaad in dienst van de firma Fowler werkte aan de perfectionering en verbreiding van de revolutionaire stoomploeg, maar verder niets met de brug te maken had. De figuur van ingenieur Harold Stoß is voortgekomen uit Eyths fantasie, maar de hoofdingenieur van de brug, Sir William Bruce, vertoont sterke overeenkomsten met de wereldberoemde Sir Thomas Bouch. Na een gemoedelijk en studentikoos begin, met al wel vele toespelingen op de ontknoping neemt de spanning toe en de roman eindigt met een technische en menselijke tragedie.
Mijn vertaling is de eerste in het Nederlands. De gebruikte uitgave is Max Eyth, Die Brücke über die Ennobucht (“De brug over de Ennobaai”, Reclam, Stuttgart, 1988). Deze door de uitgever gewijzigde titel, die bekender is dan de oorspronkelijke, heb ik als ondertitel overgenomen. Een uitvoerige en briljante analyse van de roman en de verhouding tussen techniek en literatuur is te vinden in Harro Segeberg, Literarische Technik-Bilder (Max Niemeyer Verlag, Tübingen, 1987). KvH

 
 

fowlers-single-engine-tackle

1

In de Green Hay Street

Heeft een moedige psycholoog ooit de bewegingswet van de herinneringen onderzocht? Zelden gaan die rustig voorbij op hun stille weg terug; meestal dansen ze met wonderlijke sprongen als zigzaggende dwaallichten en belichten hier even een oude huisdeur, daar een drijvend stukje hout, hier een kwispelend hondje en daar het glimlachen van een menselijk gezicht dat allang is opgehouden met glimlachen. Ze worden lichter naarmate ze verder achteruithuppelen en laten lange stukken in het nachtelijk duister om ineens hun licht te werpen op een jeugdig geluk of een kinderlijk verdriet, alsof de zon van vandaag erop scheen, voor alles weer in een blauwige schemer verdwijnt. Er is enige moed voor nodig om de formule te zoeken die de krachten van deze beweging beheerst, glijdend, inhoudend, springend, haperend, bijna altijd achteruit, tot op een kritiek punt de werking van een geheimzinnige veer het hele mechaniek vooruit laat springen naar de dag van gisteren en het spel opnieuw begint. Voor zover ik weet heeft nog niemand het aangedurfd. Daarom kan ik zonder angst om een regel te overtreden het laatste deel van de in dit boekje bijeengebrachte herinneringen bijna daar laten beginnen waar ik met het eerste begon.

Het wordt al bijna veertig jaar steeds minder duidelijk hoe het straatje aan zijn naam “Green Hay Street” gekomen is. Er was in de hele wereld geen straatje dat minder deed denken aan velden, rijp om gemaaid te worden, geurig hooi en zelfs een eenvoudige koeienstal op het platteland. Van al die liefelijke dingen was het gescheiden door mijlen bakstenen en straatstenen, die langzaam bedekt raakten met grimmig roet, dat ze ook al overtrok met een omhulsel als het blauwige waas rond een pruim. Dat zal nu wel helemaal gelukt zijn. Toen was het straatje nog jong en had zijn fantasievolle naam misschien aan zijn jeugd te danken. Zelfs op de nieuwste stadsplattegronden van Manchester werd het alleen maar met voorzichtige stippellijntjes aangegeven en wie niet wist dat hij in het zuidoosten van de geweldige fabrieksstad moest zoeken, kon het nauwelijks vinden. Ook het verkeer van de grote wereld eromheen had het nog niet ontdekt. Het nogal gebrekkige plaveisel en de smalle trottoirs van zandsteenplaten waren schoon als een dansvloer, de twee lage huizenrijen links en rechts achter omheinde tuintjes, die een gesloten front vormden, straalden met het warme rood van nieuwe bakstenen. Naar zesendertig geometrisch gelijke huisdeuren leidden tweemaal zesendertig schoongeschuurde zandstenen treden. Zesendertig ramen op de begane grond, die door een erkerachtige uitbouw erg blootgesteld waren aan nieuwsgierige blikken, tweemaal zoveel ramen op de eerste en enige verdieping keken bewegingloos de stille straat in. In de erkers, die deel van de huiskamer waren, stonden precies op dezelfde plaats zesendertig tafeltjes, waarop zesendertig kunstvoorwerpen van het artistieke gevoel van de bewoners van de Green Hay Street getuigden. Maar er waren verschillen. In de eerste erker knielde een biddend, gipsen engeltje en in de volgende stond een bord met prachtige appels van zeep. Daarna kwam een kathedraal van papier-maché onder een glazen stolp. Die werd niet ontoepasselijk gevolgd door nog zo’n biddende engel als voor het eerste raam, op kleinere schaal, maar op een zwart sokkeltje, enzovoort. De twee zandstenen treden en de messing kloppers op de kleine, bruine voordeuren waren zonder uitzondering voorbeeldig schoon. De kathedraal, de appels van zeep en de engelen vertoonden ook in dit opzicht opmerkelijke karakteristieken. Achter de ruiten stond er hier en daar een stuk wit karton naast waarop in zwarte letters te lezen was: Kamer te huur. Dat was de Green Hay Street.

De bewoners waren in het algemeen fatsoenlijke, arme mensen; voor ruim een derde weduwen of vrouwen die hun man op een andere manier verloren hadden en verder ook kleine gezinnen met zelden minder dan zes kinderen. De gezinshoofden waren verkoper in een groot pakhuis, opzichter in een spinnerij of boekhouder in een kleine handelsonderneming, allemaal mensen die ’s morgens precies op tijd verdwenen en ’s avonds met de regelmaat van de klok weer opdoken. Overdag was de straat een kleuterschool zonder bomen en struiken, die aan de bijbelse “zandkorrels aan zee” herinnerde. Dan was er wat zonlicht, waar toch al gebrek aan was. Dat kwam door de zwarte rookwolken uit de honderden fabrieksschoorstenen in het centrum van de stad, als de wind uit het oosten kwam. Draaide die, dan kwamen de zwarte wolken uit Salford. De weduwen die in de ondergrondse keuken huisden, plachten hun huiskamer inclusief gebruik van kathedraal of appels van zeep en een van de slaapkamers op de eerste verdieping aan een heer te verhuren. Als dat lukte, verdween het stuk wit karton een tijdje, soms ook jaren vanachter het raam. Veel vrouwen verstonden de kunst om het leven van hun huurder in deze woestenij van stenen, eindeloze huizenrijen en kale straten op een eerbare manier verdraaglijk te maken. In dat opzicht zijn ze in Engeland handiger dan op het vasteland. Anders was het ook niet uit te houden.

Net als de vaste bewoners van de Green Hay Street waren deze huurders meestal fatsoenlijke, arme mensen. Dat durf ik wel te beweren, zonder al te onbescheiden te zijn, hoewel ik zelf sinds twee maanden bij mrs. Matthews op nummer 23 woonde. Mijn hospita was de weduwe van wijlen de huismeester van wijlen de lord van Harewood Castle, had zoals de meeste van die dames betere tijden gekend, klaagde hier anders dan de meeste anderen weinig over en leefde van een pensioentje en haar huurder. Ze was een modelhospita, stil, opmerkzaam en moederlijk. Mijn Engels uit die tijd maakte op haar een ontroerend hulpeloze indruk, zodat ze me vanzelfsprekend ook in andere opzichten als een nog niet helemaal taalvaardig, maar wel veel te groot jongetje beschouwde. Dat misverstand ontroerde mij weer, zodat onze op wederzijdse ontroering gebaseerde relatie voortreffelijk was en ze vooral mijn dagelijkse, nog vergeefse zwerftochten door Manchester en omgeving met bezorgde belangstelling volgde.

Dat ik zo’n nest gevonden had, was niet direct te danken aan mijn geluk, dat toen hardnekkig schuilging achter de rook- en roetwolken van de fabrieksstad. Al op de tweede dag van mijn verblijf, toen ik me met de moed der onwetendheid, de beste diploma’s ter wereld en een warme, zij het heel algemene aanbevelingsbrief uit Londen stamelend voorstelde in een van de beste fabrieken van Manchester: Sharp, Steward & Co, enerzijds om de fabriek te mogen bezichtigen, anderzijds en nog veel meer in de hoop een bescheiden baantje als technisch tekenaar te vinden, kwam ik een halve landgenoot tegen. Ik begreep al gauw dat hij een geringere mate van onwetendheid, nog betere diploma’s en twee aanbevelingsbrieven uit Londen bezat en precies hetzelfde doel had als ik. We behaalden ook in heel korte tijd hetzelfde resultaat: een vriendelijke afwijzing, en zwierven een uur later samen met hangend hoofd verder, maar niet, voor mijn grote wens om technisch tekenaar in een Engelse fabriek te worden door de bezichtiging van de flitsende werkplaatsen tot het ziekelijke opgevoerd was. Misschien had ik mijn nieuwe vriend niet leren kennen, want ik ging nog te veel gebukt onder Zwabische verlegenheid en mensenschuwheid. Gelukkig had Harold Stoß een ander karakter, en voor we de fabriekspoort van Sharp, Steward & Co uit gingen, merkte ik hoe waar de uitspraak van Horatius was: Solamen miseris socios habuisse malorum, “het is voor ongelukkigen een troost om lotgenoten te hebben”, helemaal toen we met zijn drieën waren. Want bij de poort bevond zich een tweede jonge man met een onmiskenbaar Teutoonse kleding- en haarmode, die zojuist angstvallig de inhoud van zijn borstzakje controleerde: een visitekaartje, de beste diploma’s en drie aanbevelingsbrieven, om dat allemaal net als wij en met hetzelfde resultaat aan de voeten van de heren Sharp, Stewart & Co te leggen. De twee knikten naar elkaar: de vertrekkende met een spottende, geamuseerde glimlach en de komende met een zucht die nauwelijks achter een vriendelijke groet te verbergen was. Stoß vroeg me in het dichtstbijzijnde café een glas porter met hem te gaan drinken en op Schindler te wachten, die gegarandeerd over tien minuten zou verschijnen. De arme kerel had fabrieken genoeg bekeken en zou dat niet blijven doen. Allebei woonden ze al een paar weken in de Green Hay Street. Stoß kon me het huis van zijn buren aanbevelen. Zo kwam ik bij mrs. Matthews terecht en in het driemanschap dat zich ten doel gesteld had tot elke prijs ergens in het zwarte eldorado van toen jonge Duitse ingenieurs een paar jaar zijn toevlucht te zoeken. Dat was geen geringe opgave, want er waren in die tijd verschrikkelijk veel van die groepjes en het spreekwoord van de vereende krachten – viribus unitis – wilde gewoon niet opgaan, zodat we ten slotte een geografische indeling van Manchester maakten en per week ieder een eigen gebied toewezen, om elkaar niet telkens weer bij dezelfde fabriekspoort pijnlijk glimlachend te hoeven tegenkomen. De tijden waren slecht, zoals ze meestal zijn, als je er iets van verwacht. We merkten dat na een paar weken zoeken en aankloppen. Maar dat hielp niet. Iedere gang door een van de razende fabrieken, iedere blik op de wirwar van een halfvoltooide reuzenlocomotief, een onbegrijpelijk jacquardweefmachine, een werktuigmachine met ongewone, robuuste vormen versterkte opnieuw het kwijnende besluit om te overwinnen of te verhongeren.

Stoß en Schindler verwerkten deze weken van beproeving, die maanden dreigden te worden, op verschillende manieren. Stoß, een grote, knappe jonge man met een welhaast aristocratisch uiterlijk en uitstekende manieren, had een opgewekt karakter en liet zich niet terneerdrukken door de last van het leven, zolang die niet al te zwaar werd. Hij was Oostenrijker, voor de helft tenminste; de lichtere, montere aard van het Zuiden bleek uit vele kleine trekjes. Zijn vader was als gepensioneerd majoor overleden. Zijn moeder, een Engelse, die de Oostenrijker tijdens de veldtochten van Radetzky in Italië had leren kennen, leefde in Karlsruhe van haar bescheiden pensioen. Op de polytechnische school daar had Stoß de wijsheid en de formules van Redtenbach opgezogen, waar in die tijd de technische jeugd van Duitsland zoveel aandacht en respect voor had. Zoals de uitersten elkaar in een menselijk karakter vaak raken, had hij een uitgesproken aanleg voor wiskunde en een enthousiaste voorliefde voor de droogste speculaties, als die zich in algebraformules lieten persen. Zodra hij zijn schetsboeken, die gevuld waren met eindeloze berekeningen, opzijgooide, was hij daarentegen het vrolijkste gezelschap en de onverwoestbaarste optimist en verstond de kunst om zijn omgeving met iets van zijn eigen levensvreugde aan te steken. Hij wist zeker dat hij in het vaderland van zijn moeder niet alleen zichzelf, maar ook zijn vrienden geluk zou bezorgen, en wij wilden hem wel geloven, al was er nog weinig van te merken. De natuurlijke omstandigheid dat hij zijn noordelijke moedertaal – moedertaal in letterlijke zin – met zuidelijke flair sprak, gaf hem voordelen waarop wij bij een ander stinkend jaloers geweest waren. Stoß hoefde niemand te benijden.

Heel anders was Schindler, die een traag, echt Duits karakter had. Hij kwam uit een domineesgezin in Thüringen en had zich op een Pruisische technische school voorbereid op zijn Engels avontuur. Stil en schijnbaar melancholiek keek hij naar de toekomst en toch maakte hij in ons kringetje de beste grappen, al was het met een zucht en vond hij ze zelf niet leuk. Hij had last van liefdesverdriet en was al sinds de middelbare school verliefd, trouw en geduldig. Daarom wilde hij zo snel mogelijk zijn fortuin maken, maar de vooruitzichten werden steeds slechter. Met een lachwekkend klein bedrag was hij in Manchester aangekomen en had hier een paar weken werk gevonden als technisch tekenaar bij een civiel ingenieur, want God verlaat een Duitser nooit helemaal, en leefde sindsdien op een raadselachtige manier van dat bedrag, dat hij op een raadselachtige manier opzijgelegd had. Daarbij was hij ziekelijk ijverig, tekende en schetste dagen- en nachtenlang en bezat mnemotechnische voorzieningen in zijn hersenen waardoor hij na één vluchtige bezichtiging de meest gecompliceerde machine geestelijk naar huis kon brengen, op kon tekenen en weer kon vergeten, om plaats te maken voor een andere. ‘Want wat je zwart op wit hebt!’ riep hij altijd beknopt en met een stralende ogen, als hij ons de bergen schetspapier liet zien, die zijn enige aardse schatten waren, maar die hij als het fundament van zijn toekomstige huis en haard zag. Verder straalden zijn blauwe, licht bijziende ogen achter de grote stalen bril nooit. Je kon het hem niet kwalijk nemen: het was een aflopende zaak met hem. Stoß en ik vermoedden al een paar dagen dat hij in Manchester bleef, omdat hij niet meer weg kon. Ook in Engeland vervoeren de spoorwegen alleen tegen vooruitbetaling, menselijke waar tenminste, die natuurlijk minder vertrouwen geniet dan een kist Stiltonkaas of een dorsmachine.

Soms gloorde er licht aan de horizon. Een paar weken tevoren had ik een uitstapje naar Leeds gemaakt en voor het eerst een tentoonstelling van de Royal Agricultural Society van Engeland gezien. Ik ging zonder hoop en met weinig plezier op weg, vanwege een aanbevelingsbrief die ik van iemand in Londen gekregen had en die aan John Fowler gericht was. Een landbouwtentoonstelling! Vee, varkens, ganzen, eenden en landbouwmachines! Voor die laatste had ik, net als iedere jonge ingenieur die in de hogere regionen van een technische hogeschool verkeerd heeft, een uitgesproken minachting en voor de landbouw van jongs af aan een moeilijk verklaarbare onverschilligheid. Maar ik keek toch wel een beetje verbaasd op, alleen al omdat ik in die geweldige fabrieksstad, waarvan ik de naam nauwelijks kende, te midden van duizenden gezapige plattelandsmensen maar met de grootste moeite een onderkomen kon vinden. En dan het machinepark van de tentoonstelling! Dat leven, dat vrolijke geklepper en geratel, geblaas en gefluit, gebrom en geraas! Die honderden mij volkomen onbekende vormen en dingen. Met oprechte verbazing stond ik tegenover een grote industrie, die haar voelhorens zichtbaar over de hele aarde uitstrekte en waar ik geen idee van had gehad. Je zag aan de talloze machines dat ze in de praktijk hun natuurlijke elegantie en vastomlijnde vormen gekregen hadden, dat honderd knappe koppen en duizend ijverige handen verderwerkten aan hun ontwikkeling. We schreven 1862. Wie die tijd heeft meegemaakt, zal me mijn naïeve verbazing vergeven.

De aanbevelingsbrief leidde net als alle andere tot niets. Maar ik maakte op het tentoonstellingsterrein kennis met John Fowler, die naast zijn stoomploeg in een kring vrolijke, enthousiaste boeren stond, die maar bleven handenschudden en hem met de zojuist toegekende prijs van de Agricultural Society feliciteerden. Een prachtige man van een jaar of vierendertig, groot en fors, met zwart haar, vriendelijk en met een lach die de mensen nog op honderd pas afstand plezier deed. Hij las mijn brief, gaf me een hand en kon me niet gebruiken – nu niet. Misschien later. Dat zeiden de meesten, maar Fowler dacht het ook en dat kon je aan hem zien. Mijn brief was afkomstig van een quaker en Fowler was ook quaker. In de brief stond “dat ik op de goede weg was”, wat ik niet zelf bedacht had. Maar mijn vriend in Londen meende het goed met me en zulke dingen zijn in Engeland niet zonder betekenis. Toch moest ik om redenen van fatsoen na tien minuten afscheid nemen, hoe graag ik ook gebleven was. Voor ploegen stond mijn minachting nog in volle bloei. Maar Fowler was een van de weinige mensen die je sympathiek gaat vinden, wanneer ze met hun zakdoek hun zweet afvegen. Twee dagen sloop ik af en toe naar de stand van Fowler om de geheimen van de “clipdrum” te bestuderen, zonder te vermoeden dat ik met de eigenlijke uitvinder, een bescheiden mannetje dat voor kort nog als pianofabrikant werkzaam was geweest, verschillende keren aan de praat geraakt was, maar ook zonder meneer Fowler terug te zien. Maar mijn aversie tegen landbouwmachines had een zware knauw gekregen, voor ik weer terugging naar Manchester. Maar wat hielp dat? Ik had niet serieus verwacht op een landbouwtentoonstelling dichter bij mijn doel te raken. Daarmee troostte ik me op de terugweg, terwijl ik een lijstje maakte van de mij nu bekende fabrieken in Liverpool, die ik van Manchester uit kon bezoeken, voor ik mijn hoofdkwartier naar Glasgow zou verplaatsen.

Een week later maakten Stoß en ik een uitstapje naar Anglesea, dat eigenlijk ging om de zee-engte die het eiland scheidde van Wales: de Menai Street. Het was ons eerste plezierreisje, een noodzakelijke onderbreking van de ontmoedigende zwerftochten van fabriek naar fabriek die we achter en voor ons hadden. Schindler ging niet verder mee dan het station. De eb in zijn kas veroorloofde dergelijke wilde uitspattingen niet meer. De lieflijke oevers rond Bangor, de geweldige bergen van Noord-Wales, de glorieuze oceaan en de frisse zeewind, die de zoute zeelucht tot over de toppen van de Snowdon en de Kadr Idris droeg, gaven ons in drie dagen alle levensmoed terug die we de afgelopen drie dagen in de rook en smook van Manchester verloren hadden. We waren ook niet helemaal zonder een technisch excuus op reis gegaan. Stephensons wereldberoemde Menaibrug, de eerste in haar soort die een zeearm overspande, had vooral Stoß al lang aangetrokken. Wel stelden we ter plaatse elkaars geduld op de proef en ergerden elkaar een beetje. Nadat we een hele ochtend rondgeklommen hadden op de steile hellingen bij Bangor met de doosvormige reuzenbuis hoog boven onze hoofden, stond hij erop mijn schetsboek te vullen met berekeningen waarmee hij probeerde te bewijzen dat de brug met de helft van het ijzer gebouwd had kunnen worden. ‘Konden ze maar rekenen, Eyth! Hadden ze hun Redtenbacher maar bestudeerd, die Engelsen!’ riep hij met het enthousiasme van een echte Karlsruhenaar uit die dagen en begon het vierde vel van het beste whatmanpapier dat ik ooit bezeten had met een nieuwe uitwerking van zijn principes te verpesten. En dat allemaal midden in een streek die ons toelachte als een paradijs, die met haar zonnige zeehorizon achter iedere struik en rots je hart deed smachten. Ik liet hem ten slotte doen wat hij niet laten kon en troostte mezelf: zo’n vent wordt nog eens beroemd. Dan heb ik op deze vellen een aandenken aan hem en kan die misschien duur verkopen.

Weer gingen er twee weken voorbij met hun eentonige opvolging van hoop en teleurstelling, maar daarna liep het anders. Stoß had ons ’s avonds op de thee genodigd om zijn afscheid te vieren. Hij woonde bij de vrouw van een kleine scheepskapitein, van wie de man maar eens in de vijf jaar een paar weken naar huis kwam, een heel aardige en prettige vrouw, die geleerd had met buitengewoon bescheiden middelen een groot feest te organiseren, en voor wie wij drieën dan ook groot respect hadden. De Duitse kroeg bestond voor ons nauwelijks meer: we schonken thee voor elkaar en daarna whisky of brandy. Op zijn Duits bevonden we ons al vrolijk op het hellende vlak van de verengelsing. Stoß was daar vooral schuldig aan. Hij had het natuurlijk van moederskant. Je trok voor zulke gelegenheden zelfs uit wederzijds respect je beste kostuum aan. Tot het daar gebruikelijke jasje hadden we het in die voorbereidende klas van het leven waarin we zaten nog niet gebracht.

Precies om zeven uur ’s avonds beroerde ik de blinkend gepoetste deurklopper van mrs. Stevens en werd door Stoß met zijn gebruikelijke, nogal stormachtige vreugde ontvangen. Hij had inderdaad redenen om vrolijk te zijn: het zag ernaar uit dat voor hem de moeilijke tijd van zoeken en wachten voorbij was. En ook Schindler leek eindelijk serieuze kansen te maken om voor zijn vasthoudendheid beloond te worden. ‘We zien hem waarschijnlijk pas over een uur,’ zei Stoß. Hij had gisteravond in zijn opwinding over het aanstaande afscheid van onze vriend nog gauw besloten naar Derby te gaan, waar het vurig verlangde doel weer eens lokte. ‘Wel een vreemde bestemming!’ lachte Stoß half verlegen en half geamuseerd, maar hij wilde verder niets zeggen. Schindler zou het zelf wel vertellen wanneer hij kwam. Zijn trein kon niet voor achten hier zijn. Maar dat was voor ons geen reden om geen thee te drinken, want mevrouw Stevens kon later wel verse thee voor hem zetten.

We gingen aan de schone, welvoorziene theetafel zitten, die door een bos enorme dahlia’s het vereiste feestelijke aanzien kreeg. Overeenkomstig de omstandigheden bestond het feestmaal uit twee bergen heerlijke, goudgele toast en twee gebraden haringen; de derde werd bewaard. Daarna zagen we de gebruikelijke koude schapenbout met pepermuntsaus en pickles tegemoet en tot slot wenkten twee potten marmelade, ingemaakte rode bessen en de rest van een stiltonkaas, alles netjes, aardig en vriendelijk. Alleen mevrouw Stevens zelf wierp een bekommerde afscheidsblik op de tafel en was niet op te vrolijken door mijn lof voor de beste gastvrouw van de Green Hay Street. Het verlies van haar huurder bedrukte haar en omdat haar man pas drie jaar geleden hier geweest was en haar nog geen vier maanden geschreven had – zijn schoener verkeerde tussen Hongkong en Singapore – zag ze een vreugdeloze toekomst tegemoet.

Stoß, dat zieltje zonder zorg, was des te vrolijker en vertelde me tussen de haring en de marmelade hoe alles zo plotseling en onverwachts veranderd was.

‘Ik ben tot de conclusie gekomen, Eyth, dat je niets ter wereld te min mag vinden, niets!’ zei hij, terwijl hij met zijn typische aristocratische verfijning de graten van zijn haring omkeerde om te zien of er aan de onderkant niet nog wat vlees aan zat. ‘Mijn moeder heeft nog een paar oude jeugdvriendinnen in Londen, waar ik natuurlijk niets van verwachtte. Een daarvan – een zekere miss Plunder – heeft voor zover wij wisten een klein pensionaat bij Richmond. De villa daarnaast is eigendom van een zekere mr. William Bruce, civiel ingenieur van beroep en adviserend lid van de directie van de North Flintshire Railway, die zijn hoofdkantoor in Londen heeft en al twintig jaar overal ter wereld bruggen bouwt. Aan die vriendin schreef mijn moeder in haar diepe bezorgdheid om haar zoontje en Bruce had het geluk over de gemeenschappelijke tuinmuur heen van mijn bestaan te horen, dat hem tot dan toe helemaal ontgaan was. Ook ik had over het bestaan van de beroemde meneer Bruce pas via Karlsruhe een paar vage berichten gekregen, maar vereerde hem desondanks een week geleden met een brief waarin ik hem mijn onschatbare diensten aanbood. Vreemd genoeg nam hij dit tamelijk koel op. Wel kreeg ik, niet direct per kerende post, een antwoord met de uitnodiging om hem, als ik een keer in Londen was, op te zoeken op zijn kantoor in Westminster Street 18. Dat was afgelopen vrijdag. De gelegenheid bood zich onverwacht snel, want op zaterdagochtend zat ik al in de trein naar Londen en reed van het station met het beste paard van een goede cab naar de Westminster Street, waar zoals bekend alle beroemde civiele ingenieurs van de wereld, dat wil zeggen van de Engelse wereld, als in een bijenkorf bij elkaar zitten. Niet geheel zonder ontzag betrad ik de heilige grond en bij de paleisachtige gevels met hun wereldberoemde naam op glimmende messingplaten huiverde het over mijn rug als een opwelling van ongepaste bescheidenheid. Het was bijna één uur, toen ik bij nummer 18 was, maar op zaterdagmiddag sluiten de koningen van ons beroep de tent. Zo gebeurde het dat ik met meneer Bruce kennismaakte, terwijl hij net zijn strogele handschoenen aantrok, en zijn zes technische tekenaars, die in een grote, lichte zaal zitten en zes bruggen voor vijf werelddelen zaten te ontwerpen, al dronken van vrijheid met hun tekenhaken klepperden. Een forse, knappe man met een wit vest, een geweldige goudblonde baard, die hij liefdevol streelt, zodra hij met zijn gedachten ergens bij stilstaat. Je kunt in zijn bijzijn niet anders dan onredelijk respect voor hem hebben. Hij las mijn kaartje, keek me vragend aan en streek een beetje ongeduldig over zijn baard, wat blijkbaar niet hielp. Ik begon de zaak uit te leggen en was al gauw in rustig en bekend vaarwater. We hebben de afgelopen twee maanden wel wat oefening in de aanpak van dergelijke gevallen gekregen. Hij keek somber. Ik voelde hoe midden in mijn mooiste zin de hopeloosheid haar ijskoude hand op mijn schouder legde. Ook dat kennen we wel. Plotseling zag ik aan een klein vergenoegd trekje in het gezicht van de grote man dat hem een licht opging. “Ah – ah – de oude miss Plunder – over de tuinmuur,” mompelde hij, “ik snap het, ik snap het. Maar ik heb nu geen tijd, meneer Stoß. Je hoort niet op zaterdagmiddag te komen. – Weet u wat? Morgen is het zondag. U bent familie van miss Plunder, toch? – Komt u morgenmiddag bij mij in Richmond, Princess Road, de Irawaddyvilla. Komt u om vier uur; we eten om vijf uur. Dan kan ik in alle rust naar u luisteren. Tot ziens!” Hij was de deur uit en de marmeren trap af, voor ik goed wist wat me overkwam. De zes tekenaars keken me een ogenblik wantrouwig aan, klepperden vervolgens nog heftiger met hun tekenhaken en winkelhaken op hun tekenborden en wierpen met de behendigheid van transformatieartiesten hun werkkleding af. Toen ik de deur uit ging, hoorde ik er een zeggen: “Dat verdomde geluk van die buitenlanders! De duivel hale ze!” Wij hebben al drie maanden niet veel van hem gemerkt, hè Eyth?’

‘Van de duivel?’ vroeg ik, klaar om mijn vriend heftig tegen te spreken.

‘Van het geluk!’ zei hij sussend, zodat ik hem verder kon laten praten. ‘Nu was het een en al glorie, tenminste op een zomermiddag. Het was een prachtige dag en het Theemsdal rond Richmond is een paradijs, wanneer de zon schijnt. Die bloemen en struiken, die tuinen en parken, die voorname stilte, die vreugdevolle glans, dat waas over alles, dat van de eerste groene heuvel een bebost gebergte maakt en de kleine rivier in de verte laat glinsteren als de trotste stroom van het continent. Het kostte wat moeite om de Irawaddyvilla te vinden. Een prachtig verzorgde kleine tuin, beplant met bananen en palmetten, rode beuken en witte seringen, leidde omhoog naar het huis en aan de andere kant omlaag naar de Theems. Het huis was niet groot en niet al te voornaam, maar gezellig en rijk voorzien van alles wat het leven de moeite waard maakt. Wat een tegenstelling, Eyth, als ik naar deze opgegeten haring kijk!’

Hij greep het schelkoord bij de haard.

‘Mevrouw Stevens, u kunt de haringen van tafel halen. Laat u het derde bord maar staan: meneer Schindler moet over twintig minuten hier zijn.’

‘Waar zit hij dan eigenlijk? Derby is een belangrijke fabrieksstad, voor zover ik weet,’ merkte ik op, terwijl naar Engelse gewoonte de koude schapenbout van mijn vriend, die voor me stond, in stukken begon te snijden.

‘Je mag in het leven nooit iets te min vinden!’ riep Stoß voor de tweede keer. Hij liep over van levenswijsheid, vermoedelijk doordat hij nu op het hennepzaad zat, terwijl wij arme mussen nog zonder nest op de heg rondhipten. Dat gaf hem het recht ons te beleren. Hij vervolgde: ‘Mijn al genoemde miss Plunder, die ik vandaag overigens nog niet gezien heb, schreef in dezelfde brief waarin ze mijn moeder dat over de Irawaddyvilla vertelde, dat haar broer met groot succes kleine jongens in Derby met machines om leert gaan en dat dat uitstekende instituut een leraar Frans zoekt. – Je weet toch dat Schindler in Parijs geboren is?’

‘Je meent het!’ riep ik bijna ontzet. Ik kende niemand die er zo oer-Duits uitzag als de goede Schindler.

‘Echt waar!’ verzekerde Stoß. ‘Zijn vader was in zijn jonge jaren predikant aan een Evangelisch-Duitse kerk of kapel in Parijs. Hoe hij daartoe kwam, weten de goden die toen de Evangelisch-Duitse kerk in het moderne Babylon bestierden. Daarop verderbouwend liet de betoverde man het domineesdochtertje uit Westfalen komen dat hij al vijftien jaar trouw beminde, en trouwde met haar, waarschijnlijk langs de weg van de zelfbestuiving. Je ziet dat onze Schindler zijn roerende trouw niet toevallig heeft: hij is erfelijk belast. In ieder geval waren zijn ouders als echtpaar een rariteit in Parijs. Het duurde ook niet lang. Nauwelijks zag onze vriend het levenslicht of hij riep onophoudelijk om zijn ware vaderland. De in het nauw gebrachte vader kreeg eindelijk zijn reguliere baan als predikant in Thüringen; de kleine Schindler verliet Parijs in zijn zevende maand en was vanaf dat moment de tevredenste mens op Gods aarde. Ik heb dat allemaal van hemzelf, dus moet het waar zijn.’

‘Zo is het eventueel te verklaren,’ zei ik gerustgesteld.

‘Maar zijn tevredenheid verhindert niet,’ vervolgde Stoß, ‘dat hij momenteel in een noodsituatie is. Hij heeft namelijk al een tijd niet genoeg geld meer om naar huis te gaan, ook door die waanzinnige behoefte om overhaast een gezin te stichten. Zoveel kunnen wij hem misschien voorschieten. Als íemand zijn schulden betaalt, is het Schindler wel. Een veiliger investering is er niet te vinden, als we eenmaal onder de kapitalisten komen, waar jij een bijzonder talent voor hebt, Eyth. Dus geneer je niet. Intussen heb ik hem verraden wat de schoolmeester in Derby zoekt. Mijn Londense successen hebben hem zo opgewonden, dat hij er vandaag al vroeg naartoe gegaan is.’

‘Kent hij Frans?’ vroeg ik verontrust. De luchtige toon die Stoß aansloeg beviel me niet. De zaak was toch te serieus voor onze goede Schindler.

‘Is hij niet in Parijs geboren? Heeft hij geen verloofde in Thüringen? Liefde kan tenslotte alles,’ antwoordde Stoß met de glimlach van een overwinnaar. ‘Maar je moet me niet steeds in de rede vallen. Ik kom nu aan het interessantste deel van mijn reisverslag.

Onder de reuzenbladeren van een bananenboom werd ik in de paradijstuin, die ik verder niet schilderen wil, ontvangen door een kleine Eva, die ik niet schilderen kan. Blauwe ogen, gouden haar, een figuur als een den in jouw Schwarzwald, een mond – een neus – een paar oren – kortom, om de kriebels van te krijgen en haar om de hals te vallen. Je snapt het wel. Daarbij niets gevaarlijks: twaalf of dertien jaar, de leeftijd waarop ze bij ons totaal onmogelijk zijn. Ik moest me flink beheersen, toen ze me naar het schaduwrijkste deel van de tuin bracht, waar haar papa in zijn volle lengte in het gras lag. Hij lag in hemdsmouwen, in zijn baard zat wat hooi en hij was een volkomen ander mens dan in de Westminster Street. Toen hij zijn kleine engel hoorde zeggen: “Papa, hier is die vreemde meneer!” draaide hij zijn hoofd een beetje, zonder op te staan. “Hallo, meneer Plunder,” zei hij toen heel rustig, “goed dat u er bent. Komt u hier maar liggen. Zo kunnen we het beste praten.” Ik gehoorzaamde, niet zonder enige verlegenheid, en bleef de rest van de middag “meneer Plunder”. De ontvangst had iets ongewoons, vooral doordat meneer Bruce lange tijd geen woord meer zei en volgens mij bijna in slaap viel. Diepe stilte heerste overal. Bijen zoemden. Hier en daar klonk een licht geritsel in de bomen. Alleen van de kant van de Theems, die zonnig door de struiken blonk, hoorde je van tijd tot tijd een verre, vrolijke roep.

“Bevalt dit u wel?” begon hij na een pauze van tien minuten. “Ziet u, dit is het enige echte genot in het leven. In het gras liggen kijken naar de blauwe lucht en een blad of twee dat ervoor hangt. Ik ken niets hemelsers tussen de Theems en de Irawaddy.”

Daarop zweeg hij, wel vijf minuten.

Maar geleidelijk kwam er een gesprek op gang. Hij wou weten waar ik vandaan kwam, wat ik gedaan had en hoe ik Engels geleerd had. Ik vertelde hem eerlijk wat ik wist, sprak over de polytechnische scholen in Duitsland en begon mooie verhalen over mijn diploma’s te vertellen. Ik had ze natuurlijk in mijn zak en lag erop.

“Laat die diploma’s maar zitten!” riep hij plotseling levendig, haalde een gouden potlood uit zijn vestzak, pakte een van de kranten die om hem heen in het gras lagen, schreef peinzend iets op de rand en gaf me het blad aan. Lost u dit maar eens voor me op!”

Het waren twee vrij onschuldige tweedegraadsvergelijkingen met twee onbekenden, waarvan de oplossing er zonder problemen nog bij kon op de rand van de krant. Nu kwam meneer Bruce pas overeind, keek me wat beter aan en leek plotseling energiek in actie te komen. “Het is tijd om ons te kleden voor het middageten, meneer Plunder, of liever: meneer Stoß,” zei hij allervriendelijkst. Hebt u een rok bij u?”

“Ik had geen idee dat ik de eer zou hebben –“ stamelde ik, terwijl ik ook opstond.

“Mij best,” zei Bruce. “Mevrouw Bruce zal het u niet kwalijk nemen. Komt u mee?”

We haalden zonder verdere plichtplegingen mrs. Bruce, die verderop in het struikgewas tussen twee bomen hing, uit haar hangmat. Na een kwartier zaten we op de schaduwrijke veranda aan het kleine, eenvoudige, maar voortreffelijke middagmaal. Bruce, een bijzonder attente gastheer, behandelde me of ik tien bruggen voor Indië te vergeven had; mrs. Bruce was vriendelijk, hoewel ook een beetje terughoudend en moe van de hangmat; de twee kleine misses Bruce waren daarentegen des te levendiger. Ze vonden mij als Duitser heel interessant, omdat er sprake van geweest was dat ze een jaar naar Bonn zouden gaan. Ze wilden weten waarom niet iedereen Engels sprak, omdat ik het toch ook kende en omdat het de enige taal was waarin je elkaar kon verstaan.

“Dat komt nog wel, Ellen,” zei Bruce met de overtuigdheid van een Engelsman uit de tijd van Palmerston.

“Nou dan!” riep miss Ellen. “Waarom moet ik dan naar Bonn? Als hier af en toe een Duitse meneer bij ons komt, spreekt hij heel behoorlijk Engels. Voor mij is dat echt genoeg, papa. Maud, dat wordt niets met Bonn. Mama heeft gelijk: we blijven waar het het mooiste is. Kom, laten we gaan spelen!”

De meisjes – ik moet je zeggen, Eyth, het waren twee engeltjes – liepen weer de tuin in en hun mama volgde ze. Bruce en ik bleven zitten met een sherry, tot het begon te schemeren en ik aan mijn trein naar de stad moest gaan denken. Hij had me een tweede probleem voorgelegd: de berekening van een eigenaardige vakwerkbalk onder een belasting op drie punten. Het leek iets uit zijn praktijk, want hij zat lang en zwijgend naar het resultaat te kijken: de dikte van het te gebruiken platte ijzer, schudde zijn hoofd, knikte weer en zei toen kortaf: “Dat gaat naar Canada” en stak het papier in zijn zak. Toen begon hij volkomen op zijn gemak over zijn werk te vertellen, over viaducten in Nieuw-Zeeland, bruggen in Bengalen en een reusachtige markthal in Calcutta. De wereld verschrompelde tot een kogeltje, waarop wij rondhuppelden, nu eens met ons hoofd en dan weer met onze voeten naar boven, als vliegen op een appel. Daarbij bleef hij zo rustig en koel alsof alles vanzelf sprak, alsof hij niet van zijn stoel hoefde op te staan om alle werelddelen te overzien. Een andere horizon dan in Karlsruhe, Eyth! Ik verbaasde me ten slotte meer over mezelf dan over hem, dat hij me dat allemaal vertelde en daarbij niet vergat mijn sherryglas te vullen. Maar ik hoefde me geen zorgen te maken. Hij sprak meer tegen zichzelf dan tegen mij. Het was zijn midzomerdagdroom. Ten slotte bracht hij me naar de tuinpoort, waar hij plotseling bleef staan. Opeens was hij veranderd. Het dromerige gezicht verdween en het zakelijke gezicht kwam tevoorschijn, vastberaden, scherp en met een vleugje ironie om zijn half verborgen mond. Toen zei hij:

“Ik heb een rekenaar nodig. Wanneer kunt u beginnen?”

“Woensdag, meneer Bruce,” zei ik. Je kunt wel nagaan hoe ik me voelde.

“Goed. Tot woensdag dan. Het beste!”

En niet te vergeten –’ Stoß deed een volkomen mislukte poging om onverschillig te lijken – ‘aan het einde van de tuinmuur langs de weg naar het station staat een helemaal met klimop begroeid tuinhuisje, een kleine ijzeren pagode, als je het van dichterbij bekijkt. Toen ik, nog half verdoofd door de plotselinge keer van de dingen, daarlangs liep, werd er door onzichtbare handen een mand vol bloemen over me uitgeschud, zo kunstig en energiek, dat mijn hoed in een bloemenregen wegrolde en het zilveren lachen van twee kinderstemmen – dat wil zeggen tamelijk grote kinderstemmen – me er niet aan liet twijfelen wie op deze lieflijke manier afscheid van me nam. Dat noemen ze hier een practical joke. Ze zijn nu eenmaal door en door praktisch, die Engelsen.’

Ik vond Stoß’ enthousiasme voor zijn Engelsen steeds begrijpelijker, naarmate hij vaker op die bloemenregen terugkwam, waar hij duidelijk een overdreven betekenis aan hechtte. Maar dat verhinderde hem niet om de komende ernst van het leven vrolijk tegemoet te zien. Onze thee was op. Zoals in Engeland gebruikelijk gingen we rond de open haard zitten, die niet met vuur, maar sierlijk met papiersnippers gevuld was, en begonnen voorbereidingen voor het gebruikelijke glas brandy of whisky te treffen, toen Schindler, gevolgd door zijn eigen, nieuwsgierige weduwe, in de gang te horen was. We ontvingen hem met de gepaste vreugdebetuigingen, des te meer, omdat hij behoefte aan een bemoedigend woord leek te hebben. Snel volgde de tweede ronde thee en de derde haring. Omdat hij ons verzekerde dat hij een honger als een paard had, lieten we hem even met rust, tot ook hij bij de haard aanschoof en weemoedig de suiker in zijn dampende glas omroerde.

‘Nou, ouwe jongen!’ riep Stoß, terwijl hij hem stevig op zijn schouder klopte en een sigaar in zijn mond stak. Blij als hij was, kon hij Schindlers bekommerde gezicht niet langer werkeloos aanzien. ‘Flink zijn! Is het mislukt?’

‘Nee,’ antwoordde Schindler, zonder aanstalten te maken om verder te praten.

‘Maar waarom trek je verdomme dan een gezicht alsof je zwaar de pest in hebt?’

‘Omdat het gelukt is, Stoß, boven verwachting gelukt!’ riep Schindler met plotselinge heftigheid. ‘Ik denk dat ik verloren ben!’ Hij keek in stil verdriet weer in zijn glas brandy.

‘Je hebt op de terugweg toch niet te veel gedronken?’ vroeg ik medelevend.

‘Ik had het gekund en bij God, ik had redenen om het te doen,’ antwoordde hij en dronk zijn glas leeg met een grappig wanhopige beweging, die hij misschien voor het eerst in zijn leven probeerde. Schindler had geen theatraal karakter. Maar de brandy deed hem goed. Hij werd rustiger en voelde zich genoeg gesterkt om een onsamenhangend verslag van zijn avontuur te doen.

Om tien uur was hij in Derby aangekomen en had zonder grote problemen dr. Plunders beroemde jongensschool gevonden. De jongens leken, in Derby tenminste, beroemd genoeg. Een oud, enigszins vervallen gebouw stond in een vrij grote ommuurde tuin, die veel sporen van jeugdige activiteiten vertoonde. De ene helft was veranderd in een speelveld, waarop ruim twintig gezonde, sterke en – volgens Schindler – kwaadaardig uitziende jongens bloedserieus en soms wild schreeuwend aan het cricketen waren. Toen hij over het speelveld naar de voordeur liep, raakte de cricketbal hem pijnlijk op zijn achterhoofd. De jongens schrokken erg, al probeerde hij zich half verdoofd te verontschuldigen. Maar het incident had ook een goede kant. De doctor verscheen bij de voordeur, ontfermde zich niet al te onvriendelijk over hem en nam hem mee naar zijn studeerkamer.

‘Dat doet me echt denken aan mijn bloemenregen, Schindler,’ zei Stoß dromerig. ‘We zijn geloof ik allebei geluksvogels, ieder op zijn manier. Is jouw hoed ook van je hoofd geslagen?’

‘Heb jij ook een grote buil op je achterhoofd?’ vroeg Schindler een beetje geprikkeld, voor hij verderging. De doctor, een enorme dikzak, soepel, waardig en welwillend, leek geen onaardige man. Hij hielp de nieuwe kandidaat vriendelijk door het haperende begin van de voorstelling. Deze vertelde hoe hij van zijn vriend Stoß, wiens moeder een goede vriendin van de geachte zuster van meneer de doctor was, gehoord had dat het beroemde instituut een nieuwe leraar Frans zocht. Hij kwam naar die functie solliciteren.

“Prachtig, prachtig!” zei de directeur, die met de blik van een ervaren mensenkenner direct zag dat hij moeilijk een goedkopere Franse professor zou kunnen krijgen. “U hebt natuurlijk diploma’s, papieren en referenties?” vroeg hij desondanks met waardige terughoudendheid.

“Diploma’s – zeker – dat wil zeggen –“ stotterde Schindler en greep naar zijn welgevulde borstzak. Zijn diploma’s waren uitstekend, maar hadden, zoals hij plotseling met spijt besefte, absoluut niets met zijn prestaties in het Frans te maken. De weinige papieren met betrekking tot zijn talenkennis uit zijn gymnasiumtijd waren de enige middelmatige die hij had, en toch had hij ze als eerlijk man meegenomen.

“U ziet, meneer de directeur,” zei hij met de moed der wanhoop, voor hij ze openvouwde, “ik ben een geboren Parijzenaar, zoals mijn paspoort hier bevestigt. En daarom is het ook wel te verklaren dat ik diploma’s met betrekking tot mijn Frans niet zo belangrijk vind.”

Dat was een handig leugentje, als je bedenkt dat het een van zijn eerste was. De gedachte aan zijn verre verloofde had hem dat ingegeven. De leugen had het effect van een lichte, aangename elektrische schok.

“Een Parijzenaar! Uitstekend! Prima!” riep de directeur. “Dat zal een voortreffelijke indruk maken. Het is me jammer genoeg nog maar zelden gelukt om een geboren Fransman aan mijn instituut te verbinden. Een geboren Parijzenaar zou ik een ster van de eerste grootte kunnen noemen. Laat u uw diploma’s maar in uw zak: ik ben helemaal tevreden, mesjeu Skindl!”

“Ik moet u er wel op wijzen,” stamelde mesjeu Skindl, wiens Duitse, in een rechtschapen domineeshuis gescherpte geweten wakker werd, “dat ik al tamelijk jong uit Parijs vertrokken ben.”

“Papperlapap!” – Waar de doctor het woord vandaan haalde, weten we niet, hij dacht dat het Frans was – “U bent nog steeds een jonge man, mesjeu Skindl. Dat gaat ons niets aan. Uw paspoort is niet vervalst, dat zie je meteen.”

“Maar ik was nog jong, heel jong, toen ik naar Duitsland ging!” Schindler wilde de zaak per se uitleggen.

“Naar Duitsland!” riep de doctor, terwijl hij een vlieggebaar maakte, alsof hij dat met jeugdige lichtzinnigheid allemaal achter zich liet. “Des te beter! Daar kom ik nog op terug. Dat is echt een heel gelukkige samenloop van omstandigheden. – Wat zijn uw wensen?”

Schindler was de bescheidenste man ter wereld. Desondanks betrok het gezicht van de doctor enigszins.

“Hm – hm,” zei hij en wreef heftig over zijn dikke, gladde kin. “Uw voorganger betaalde ik overigens een derde, ruim een derde minder salaris. Kost en inwoning zijn vrij. Ook de bewassing, bedenkt u dat wel, ook de bewassing. Dan lijkt me het door u genoemde bedrag toch aan de hoge kant.”

“Was mijn voorganger ook een geboren Parijzenaar?” vroeg Schindler, die geen gebrak aan galgenhumor had, als het water hem tot de lippen stond.

“Nee, dat niet,” gaf de directeur toe, “we konden hem in onze advertenties alleen als voortreffelijke Fransman opvoeren, als we strikt bij de waarheid wilden blijven, en we blijven in principe bij de waarheid, mesjeu Skindl, alleen al vanwege de jonge mensen die ons toevertrouwd zijn. Hij kwam uit Schaffhus.”

“Maar Schaffhausen ligt niet in Frankrijk,” merkte de onverstoorbare Schindler op.

“O nee? U meent het!” riep de doctor verbaasd. “Nou ja, hoe het ook zij: in een ander opzicht was hij des te meer een Fransman. Veel te veel! Ik moest afscheid van hem nemen, omdat na korte tijd bleek dat twee liefhebbende verloofdes uit Derby aanspraak op hem maakten. Daarvoor is Derby te klein. Ik hoop, meneer Skindler, dat u principes hebt. Ik hecht aan strikt fatsoen, zelfs bij mijn professor in de Franse taal.”

Schindler stelde hem gerust met de opmerking dat hij zijn innig geliefde verloofde in Duitsland achtergelaten had.

“Des te beter, laat u haar daar maar,” zei de doctor. “En weet u wat: geeft u een korte proefles. Dat volstaat en is meer waard dan alle diploma’s. Ik ben zo vrij om hem bij te wonen en daarna het salaris vast te stellen dat ik u mag toekennen.”

Hij opende zonder omhaal het raam en brulde met de stem als een oordeeel over het speelveld: “De jonge gentlemen van de eerste klas direct hier komen! Franse les!” Schindler veegde de zweetdruppels van zijn voorhoofd, terwijl het wilde leger de trappen op stormde en met donderend slaande deuren aangaf dat de jonge gentlemen, diep beledigd door de onderbreking van hun spel, bijeengekomen waren. Toen het wat rustiger geworden was, ging de doctor, gevolgd door Schindler, het lokaal binnen. De laatste liet zijn hoofd hangen als een offerlam dat naar de slachtbank wordt geleid. Hij was nog liever tien keer schietschijf voor de veelbelovende jeugd op het cricketveld.

De klas bestond uit tien grote, sterke jongens van vijftien à zestien met rode, blozende gezichten en ze hijgden allemaal nog van de inspanningen van het spel. De doctor overhandigde Schindler een boek en zei plechtig: “De jongeheren lezen de moeilijkste hoofdstukken uit Fénelons Telemachus. Begint u maar.”

Schindler vatte moed. “Lees alsjeblieft,” stamelde hij, terwijl hij het boek op goed geluk opensloeg, “op bladzij 27 de eerste alinea.”

Een lange jongen begon met doordringende stem en zelfverzekerd: “Gwand onk è djoe kurratsj, onk weeint ubbout djoe taut.”

De doctor knikte voldaan. Schindler voelde dat hij gered was: hier had hij nog iets te doen. Hij wees erop dat ze in Parijs de laatste tijd niet “gwand” maar “quand” en niet “kurratsj” maar “courage” plachten te zeggen, wat de jongens met een sceptische glimlach aannamen, maar wat de doctor een tweede knikje van goedkeuring ontlokte. “Ook de uitspraak van “on” als “onk” is niet helemaal juist,” vervolgde de nieuwe professor, “al weet ik dat Engelsen die vaak in Frankrijk komen liever “Diedonk, garsonk!” zeggen in plaats van “Dites donc, garçon”. Je zegt “on”, “donc” en “garçon”. Frans wordt toch al meer door de neus gesproken. Probeert u zich deze eigenaardigheid eigen te maken, mijne heren.” Deze opmerking kreeg veel instemming. In de tweede en derde bank waren meteen eigenaardige, nauwelijks nog menselijke geluiden te horen en er werden ontzettende grimassen getrokken om de wens van meneer de professor tenminste enigszins tegemoet te komen. De les duurde een kwartier, in het verloop waarvan de bemoedigende zin van alle kanten belicht werd en ten slotte door de leerlingen zo uitgesproken, dat hij bijna te verstaan was. Voldaan sloeg de directeur zijn boek dicht. Zelfs hij had veel geleerd.

“Een mooie waarheid, een grote waarheid, meneer Skindler!” riep hij. “Quand on a du courage, on vient à bout du tout! Met moed bereik je alles! Heel waar, heel waar! Jullie kunnen verder spelen, jongens!” De wilde bende stormde naar buiten. Het was een verheffend gevoel, door het open raam van het speelveld tussen de slagen van het cricketbat de luide roep “Quand on a du courage!” te horen.

“Ik ben tevreden, ik ben heel tevreden,” zei de doctor, terwijl hij stond te luisteren. “U lijkt me een geboren leraar , meneer Skindler. Alleen zou ik u op één ding willen wijzen. Alle Fransen die het taalonderwijs in mijn instituut leidden – goede hemel, ik heb er al meer dan een dozijn gehad! – ook die uit Schaffhus, maakten als ze in het lokaal heen en weer liepen heel kleine, sierlijke passen. Heel kleine, sierlijke passen, meneer Skindler! Ziet u, zo –“

De dikzak gaf een voorstelling.

“Daaraan herkennen we de echte Fransman direct – u, meneer Skindler – het spijt me het te moeten zeggen – maakt heel lange, lompe passen. U hebt u die waarschijnlijk in Duitsland aangewend. Dat zorgt voor twijfel. Je kunt niet iedereen altijd je paspoort laten zien. Wilt u zo goed zijn in het belang van het instituut een minder doorstappende, sierlijkere manier van lopen aan te houden. Misschien zijn slobkousen een idee. Probeert u het toch. Ziet u, zo! – Heel kleine, sierlijke passen! – Bravo, bravo! – Nog kleiner, alstublieft!”

De doctor marcheerde met Schindler in het lokaal heen en weer, tot de laatste de “Franse pas” tot tevredenheid van de eerste onder de knie had. Diep in Schindlers ziel sluimerde de pijnstillende Duitse humor. Die werd gelukkig wakker. Anders had hij deze scène misschien niet overleefd.

“En nog iets,” zei de doctor, wie Schindler zijn levensloop nu in alle uitvoerigheid meegedeeld had, met gefluisterde vertrouwelijkheid: “U bent dus eigenlijk Duitser. Goed dat u dat eerlijk bekend hebt. Dat is respectabel. Ik maak u erop attent dat niemand behalve wij dat hoeft te weten. Als Duitser bent u muzikaal.”

Schindler wilde heftig protesteren. Sinds Parijs had hij geen muziek meer gemaakt.

“Spreekt u het maar niet tegen! Ik ken uw bescheidenheid. U bent muzikaal. Ik betaal u het salaris dat u vraagt. Maar daarvoor verzorgt u drie keer per week het zangonderwijs in mijn instituut. Hebt u toevallig geen twee namen?”

Schindler keek zijn nieuwe baas ontzet aan.

“Verschillende voorgangers van u hadden twee namen,” vervolgde de doctor peinzend. “Het zou prachtig zijn als we u voor het zangonderwijs als Herr Schindler en voor het taalonderwijs als mesjeu petisjoos konden aankondigen. We zouden twee namen moeten hebben, om misverstanden te vermijden. Daar zal ik nog serieus over nadenken. De rest is afgesproken, beste mesjeu Skindel. Wanneer kunt u beginnen?”

Hij schudde mijn hand zo krachtig, dat ik niets meer kon zeggen,’ besloot onze vriend en opnieuw verduisterde een wolk zijn anders zo tevreden, hoewel niet stralende gelaatstrekken. ‘Van nu af aan ben ik professor zang en Frans in Derby. Ik laat het me welgevallen. Ik ben voorlopig uit de problemen en wie weet waar het verder goed voor is. Als ik nu maar God save the Queen en een koraal uit elkaar kon houden!’

‘Je ziet hoe je gelukkige instinct je helpt,’ merkte ik bemoedigend op. ‘God save the Queen was oorspronkelijk een koraal. Pas kortgeleden, sinds ongeveer een eeuw, is het wat ontaard. Dat kun je in je eerste muziekles gebruiken.’

‘Quand on a du courage!’ riep Stoß, terwijl hij de glazen weer vulde en hij wilde in zijn chronisch geworden blijdschap een toost op de nieuwe Franse muziekleraar uitbrengen. Daarop verscheen door een voorzichtige kier van de deur het hoofd van mrs. Matthews, mijn hospita. Ze bracht een brief die met de avondpost gekomen was, en omdat ik misschien laat thuis zou komen, dacht ze – en haar hoofd verdween weer.

‘Wat kan dat zijn?’ mompelde ik. ‘De dames houden ons langzamerhand wel erg in de gaten. Die brief had best tot morgen kunnen wachten.’ Onverschillig scheurde ik de envelop open en daarna pakte ik ook mijn glas.

‘Hiep, hiep, hoera!’ was aanvankelijk alles wat ik mijn vrienden meedeelde.

De brief kwam van John Fowler in Leeds en was kort en bondig, zoals alle brieven van Fowler, waarvan ik de vorm en waarde overigens pas later beter leerde kennen. Hij luidde:

Geachte heer Eyth,

Mijn vriend Taylor in London herinnerde mij eraan, dat ik u zou schrijven. Als u zin hebt om in mijn zojuist geopende machinefabriek te komen werken, staat er voor u een bankschroef klaar. Zodra er gelegenheid voor is, moet u leren werken met de stoomploeg, waar ik voor zal zorgen. De rest komt vanzelf. Ik geloof in de toekomst van de zaak. Om te beginnen bied ik u dertig shilling per week. Daar kunt u van leven, en daar zou u voorlopig tevreden mee kunnen zijn.

Met vriendelijke groet

Uw toegewijde

Fowler

‘Hiep hiep hoera!’ riepen de twee anderen. Bij nadere beschouwing moest ik toegeven dat het niet allemaal goud was wat er blonk. Een bankschroef op de voorgrond en een ploeg aan de horizon, brr! Maar het was een begin op deze krijtrotsen, waarvan we de onverwachte hardheid de afgelopen maanden hadden leren kennen, een eind aan het bange, moeizame, uitputtende zwerven van fabriek naar fabriek, met in ons hart de hoop die op sterven lag, maar niet dood wilde. Het was een verlossing.

De beweging deelde zich op verschillende manieren aan het hele kleine huis mee. We maakten het laatste glas punch tamelijk sterk. Alle redenen om de fles brandy en de suikerpot te ontzien waren verdwenen. We klonken met de glazen, wat in de Green Hay Street heel onwennig klonk en onze hospita’s aan het schrikken maakte. We begonnen Duitse liederen te zingen: Muß i denn, muß i denn zum Städtele ‘naus. Manchester een stadje! Morgen muß ich fort von hier en Wohlauf, noch getrunken. De nieuwe muziekleraar zorgde zonder het in de gaten te hebben voor een aangrijpende potpourri van alle drie de prachtige afscheidsliederen. Jammer genoeg was ik de luidste. Ik wilde de Green Hay Street nooit vergeten, alleen al omdat ik hier bijna drie maanden lang veel geleden had, wat nu pas tot me doordrong, maar ik wou weg, zo snel mogelijk, nog voor de anderen! Wohlauf, noch getrunken!

In de keuken stonden onze drie hospita’s samen te luisteren. Ze voelden wat dit lawaai te betekenen had. Onder normale omstandigheden mochten ze elkaar niet. Mrs. Matthews haalde haar neus op voor miss Stevens, en miss Stevens minachtte miss Wilson, Schindlers hospita, die uit het schoenmakersvak kwam, maar miss Wilson klaagde over de hoogmoed en het onverbeterlijk mondaine van de twee anderen. Alleen het gemeenschappelijke ongeluk, dat hen op dezelfde dag getroffen had, verminderde de ongevoeligheid van hun drie harten. Miss Stevens ging ingrediënten halen voor een kleine, speciale punch en toen miss Wilson bij de gedachte dat ze de stille, vriendelijke Schindler zou verliezen de eerste tranen vergoot, waren ook de anderen niet meer te houden. Stoß, die op een tamelijk laat uur naar de keuken ging om zo mogelijk nog wat warm water te halen, want Schindler wilde tot slot onze schitterende, zij het schimmige toekomst in een grote speech verheerlijken, trof hen alle drie snikkend aan, zittend rond de uitgedoofde oven. Dat schijnt in de Green Hay Street nooit eerder gebeurd te zijn, anders zou ik het niet vermelden.

We wilden elkaar de volgende morgen niet meer zien. Het was mooier om vandaag afscheid te nemen. Stoß en ik begeleidden de dappere Schindler, die ons voor het eerst een kijkje in zijn trouwe ziel gegund had, terwijl hij de foto van zijn Gretchen aan zijn hart drukte, niet zonder enige moeite naar huis. Nog uit zijn slaapkamer riep hij ons met een van ontroering bevende stem toe: ‘Quand on a du courage, on vient à bout du tout!’

Daarna begeleidde ik Stoß naar huis. We zouden elkaar vaak schrijven en ook onder gelukkige omstandigheden niet vergeten. Zo gingen we uit elkaar. Voor mijn huisdeur deed ik de vreemde ontdekking dat ook die door de algemene beweging getroffen was en dat het sleutelgat zich vandaag niet zoals anders aan de linkerkant, maar aan de rechterkant bevond. Of zou de anders zo rustige straat omgekeerd zijn? Maar dat kon me weinig schelen. De mooie verzen van Uhland had ik als een in de verte verklinkende afscheidsgroet steeds weer in mijn hoofd: Wann treffen wir uns, Brüder, in einem Schifflein wieder? ”Wanneer treffen we elkaar weer, broeders, in hetzelfde schuitje”?

wien18731

2

Op de Kahlenberg

Twaalf jaar waren sindsdien verstreken. De golven van het leven hadden de drie broeders uit de Green Hay Street wonderlijk genoeg heen en weer gegooid. Sinds lange tijd had geen van ons er ook maar aan gedacht om de anderen ooit weer “in hetzelfde schuitje” te ontmoeten.
Ik bevond me voor korte tijd niet zo heel ver van mijn oude geboortestreek aan de blauwe Donau. Het was de dag na de sluiting van de Weense Wereldtentoonstelling met al haar moois en lelijks. Met het moois was het definitief afgelopen; met het lelijks nog niet helemaal, en de zaak begon met punctualiteit en energie, eigenschappen die de afgelopen zes maanden af en toe gemist waren. Zeker, veel werd goedgemaakt door de wereldberoemde en aandoenlijke gemoedelijkheid van de mooie keizerstad, maar ook die was in de loop van het jaar flink verminderd. De met veel bazuingeschal aangekondigde tentoonstelling was kreunend tussen de cholera en de grote financiële crisis doorgedrongen. De direct betrokkenen begonnen zich in het Prater op te hangen of in de Donau te springen. Het was te veel geworden voor het zachte, vrolijke Oostenrijkse gemoed. De beweging werd een epidemie.

Al had ik van nature niet zo’n zacht karakter, ik dacht me er die morgen bij aan te moeten sluiten: negen maanden in die sfeer hadden ook op mij hun uitwerking niet gemist. De bestuurders van de Wereldtentoonstelling hadden al twee weken van tevoren beschikt, dat geen medewerker de heilige hallen na de sluiting op 1 oktober meer betreden mocht zonder een voor dit doel verstrekte medewerkerskaart van het nieuwste model. Sindsdien ging ik van tijd tot tijd langs bij het elegante bureau van het bestuur om mijn twaalf kaarten af te halen, want na de laatste slag van de ornamentele hoofdklok onder de “rotonde” wilde ik met koortsachtige vernietigingswoede Fowlers paviljoen, dat ik tevergeefs had proberen te verkopen, afbreken en mijn stoomploegen in veiligheid brengen. Daar glimlachten de vermoeide lagere beambten niet-begrijpend tegen me en verzekerden me geloofwaardig, nadat ze mijn wens begrepen hadden, dat ze niets van dergelijke kaarten wisten. En toch had ik gelijk. ’s Morgens vroeg na het weinig indrukwekkende slot van het imposante “Feest van de arbeid” stonden honderden exposanten met ieder twee tot twaalf werklustige arbeiders achter zich voor de gesloten deuren, die door de geelzwarte bewakers met zeldzaam plichtsgevoel verdedigd werden, en riepen in alle talen van de wereld om hun medewerkerskaarten. Het gemor van de menigte zwol tegen tienen aan tot een razende storm, terwijl in de geweldige ruimten binnen voor het eerst sinds ze opgetrokken waren een plechtige rust en stilte heerste. Soms verscheen het hoofd van een zo laag mogelijke beambte door de kier van een zijdeur om de omstanders met een geschrokken gezicht te verzekeren dat hij er niets aan kon doen en dat de kaarten echt nog niet gedrukt waren. Maar tegen de middag werd de eerste zending absoluut verwacht. Om twaalf uur ging de woedende menigte uiteen om van een welverdiende vrije middag te genieten, nadat de ochtend door nutteloze woede en onverstandige opwinding bedorven was.

Daardoor had ook ik een paar uur vrij en zwierf weg van het gewoel van de veelbeproefde wereldstad naar de Kahlenberg. Zelfs de pas geopende kabelbaan trok me niet, zo moe was ik alle triomfen van de menselijke geest over de hindernissen van de natuur. Met een oud rijtuig reed ik naar Nußdorf om verder door de stille, al half kale bossen naar mijn bestemming te lopen. Wat een verademing was het, toen ik eindelijk alleen nog het ritselen van de vallende bladeren om me heen hoorde! Je moet een wereldtentoonstelling van het verheffende begin tot het bittere einde meegemaakt hebben om te begrijpen hoe prettig ik me voelde.

Het was een prachtige dag in de late herfst, al een beetje fris, ondanks de zon die op de goudgele en roodbonte bergen speelde, een dag om echt weer mens te worden. Het café boven op de Kahlenberg was dan ook tamelijk leeg. Ook hier woei al een herfstwind door de schuingezette tafeltjes. Maar het uitzicht naar beneden en rondom bood nog de volle schoonheid van het jaar dat ten einde liep. Ik bestelde een glas wijn op het eerste tafeltje, leunde over de balustrade van de veranda en genoot wat er te genieten was.

Links in de verte de Leopoldsberg, nog in de volle pracht van zijn bonte herfstloof en met zijn eenvoudige, kloosterachtige kerkje, rechts met dezelfde tooi de uitlopers van het Wienerwald met zijn heuvels en kloven. Diep beneden me, aan de voet van de berg, de machtige Donau, die zich van hier in talloze geulen door een wirwar van nog groene bosweiden slingerde, al doorbroken door de forse lijn van de reguleringen, die de rivier tegenwoordig met een imposante breedte langs de keizerstad leidden. De stad zelf met haar paleizen en kerken, haar kazernes en fabrieken lag in een nevelige verte, waaruit twee bouwwerken duidelijk herkenbaar oprezen: de oude, grijze Stephansdom en verder weg in het roodblauw van het Prater de rotonde van onze tentoonstelling. Nog verder weg, bijna verdwijnend in de blauwige nevel van de herfstdag, strekte zich de Donauvlakte naar het noorden uit over het Marchfeld, naar het oosten naar Hongarije, waarvan de bergen rond Preßburg geheimzinnig opdoemden. Daar werd al iets van een oosterse crisis voelbaar en al had ik sinds een decennium veel lelijks en ellendigs uit het Oosten gezien, ik voelde me op dromerige momenten nog steeds tot het Oosten aangetrokken en wist zelf niet waarom.

Ik liet mijn dagdromen de vrije loop en was blij met de berglucht, die ik in ons “industriepaleis” daar beneden zo lang en smartelijk gemist had. Zelfs de kabelbaan, waarvan het kleine eindstation half verborgen beneden me in het stuikgewas lag en die van tijd tot tijd met een akelig geratel en gebrom een lege cabine naar boven sleepte, stoorde me niet. Toen gebeurde er iets buitengewoons, wat ieder mens overigens wel een paar keer in zijn leven overkomt, maar iedereen opnieuw met dezelfde verbazing en bijna een lichte huivering vervult: zo volkomen onverklaarbaar is en blijft het.

Mijn gedachten dwaalden terug in de tijd. Eigenlijk had ik het, tenminste ruimtelijk, aardig ver gebracht: tot hier op de Kahlenberg, om nog maar niet te spreken van Mokattam in Egypte en de Russische steppen en de moeraslandschappen van Louisiana. Wat je in twaalf jaar allemaal niet meemaken kon! Als ik aan de Green Hay Street terugdacht en aan Schindler en Stoß! Aan Stoß dacht ik vooral, misschien voor het eerst sinds jaren. Ik wist alleen dat hij een mooie baan in Engeland gekregen had, die je schitterend kon noemen volgens onze toenmalige maatstaven. Een paar jaar geleden had hij al een voordracht over bruggenbouw gehouden voor de Engelse Society of Civil Engineers in Londen, waarover alle technische tijdschriften bericht hadden. Toen stond hij nog in verbinding met zijn grote bruggenman, die kortgeleden in de adelstand verheven was: Sir Bruce. Sindsdien was ik hem helemaal uit het gezicht verloren, al kwam hij me nu weer levendig voor de geest, misschien doordat ik bedacht dat hij eigenlijk Oostenrijker was en zijn kinderjaren daar beneden in het nevelige Wenen doorgebracht had, waar hij in de Green Hay Street met warme aanhankelijkheid over sprak, al had hij het nauwelijks bewust meegemaakt.

Zover was ik met mijn gedroom gekomen, toen er weer een cabine omhoog kwam gieren en deze keer twee personen meebracht, een heer en een dame. Ik richtte mijn verrekijker onverschillig op het paar, want ik kon het perron waar ze uitstapten net tussen twee boomtoppen door zien. Wel alle donders! Het was een oudere broer van Stoß, als hij het zelf niet was. Nee, het was geen oudere broer; zo lijken zelfs broers niet op elkaar: het was Stoß zelf – alleen wat ouder, net als ik. Ik riep hem.

De veranda op de Kahlenberg was waarschijnlijk nog nooit getuige geweest van een stormachtiger, vrolijker weerzien. Geen wonder dat we opgewonden waren, hij doordat het volkomen onverwachts kwam en ik omdat ik hem kon verzekeren dat ik al een kwartier bijna hartstochtelijk aan hem gedacht had, wat hij een infaam bedrog noemde. Zo gaat het meestal, wanneer ik mensen de waarheid zeg. Daarop stelde hij me voor aan zijn vrouw, een aantrekkelijke, grote, slanke, jonge dame met donkerblauwe ogen, die hun Harold bijna geen moment loslieten, en een gouden haar dat al het zonnige goud van de herfstbossen om ons heen liet verbleken. Ze waren pas vier dagen op reis. Stoß wilde zijn Ellen op weg naar Venetië en Florence zijn eigenlijke vaderstad laten zien. ‘Je herinnert je de bloemenregen op de laatste avond in de Green Hay Street nog wel!’ zei hij lachend, toen hij merkte hoe verbaasd ik stond van zijn jonge geluk. Ik kon me op het moment in heel Manchester geen bloemenregen herinneren. De lieflijke jonge vrouw was sneller dan ik, sloeg haar Harold met haar parasol zachtjes op zijn hoofd en bloosde. Nu ging ook mij een licht op.

‘Miss Bruce!’ riep ik, terwijl we elkaar de hand schudden.

‘Dat wás ik,’ zei ze en werd nog wat roder.

Sinds dat uur zijn we goede vrienden gebleven. Ze deed al na een paar minuten of ik bij de familie hoorde en babbelde erop los, alsof er voor de vriend van haar Harold geen geheimen bestonden. Die was in twaalf jaar veel mannelijker geworden en met zo’n zonnekind aan zijn zij leek hij me soms al te ernstig. Wie weet maakte ik die indruk ook op hem. We moesten weer een beetje aan elkaar wennen.

Eerst bekeken we de omgeving. Stoß legde zijn vrouw ijverig uit wat er voor ons lag. ‘Precies als vijfentwintig jaar geleden,’ zei hij, ‘toen mijn moeder me dit allemaal liet zien: de Donau, de stad, het klooster daar in de verte, de Stephansdom, de beboste heuvels, de wijnbergen tot aan Nußdorf. Ons vaderland is toch een weldaad, Eyth, na al die rook en roet!’

Ik knikte. Mevrouw Stoß pakte haar parasol om haar vaderland te verdedigen.

‘Maar één ding is nieuw en niet overdreven mooi,’ vervolgde hij, ‘jullie paleis daar beneden en die omgekeerde blikken trechter als bekroning op die beroemde rotonde.’

‘Weet u waar die vandaan komt, mevrouw Stoß?’ vroeg ik.

‘Hij is hier toch aan elkaar geklonken?’ zei ze glimlachend.

‘Ja, maar het idee, het ontwerp komt uit ons nieuwe vaderland, zoals Harold het noemt. Er zit een Engelsman achter. Dat zie je ook een beetje: zo rechtlijnig, zo vreselijk praktisch.’

Nu werd de parasol tegen mij gemobiliseerd. Het doet me nog steeds pijn, als ik terugdenk aan dat vrolijke uur, toen niemand van ons ook maar een idee had van wat er later komen zou.

‘De geschiedenis van die trechter is toch wel interessant, als je geachte echtgenote tegen technische verhalen kan,’ zei ik tegen Stoß, terwijl hij de koepel met zijn concentrische ringen en radiale ribben door zijn toneelkijker bekeek.

‘Ze kan ertegen!’ riep haar man met een plotselinge opwelling van warmte. ‘Ze komt uit het vak en ze zou morgen als civiel ingenieur kunnen beginnen.’

‘Dat kwam zo,’ vertelde ik. ‘Het plan voor het tentoonstellingsgebouw lag in grote lijnen vast: de enorme centrale hal met de dwarsbeuken als de ribben van een walvis, maar het geheel had nog geen echt middelpunt. Oostenrijkers hebben smaak, dat moet je ze nageven. Ze voelden dat de zaak er te eentonig uit zou zien, maar wisten niet wat daaraan te doen was. Toen kwam Scott Russell, de bekende civiel ingenieur, op zakenreis door Wenen en zat bij een klein galadiner ter ere van de komende tentoonstelling tegenover de toekomstige autocraat van de tentoonstelling, meneer Von Schwarz-Senborn. Het probleem kwam ter sprake. Aan een grote koepel hadden ze al wel gedacht, maar hoe moest een karwei van dat formaat uitgevoerd worden zonder miljoenen te verslinden waarvan ze er niet al te veel hadden? Tijdens het gesprek haalde Scott Russell de papieren kap van de dichtstbijzijnde lamp, zette die op tafel en zei: “Zo!” Het was een geweldig grote kap met één en dezelfde papierdikte. Toch was hij stijf en stevig, waar meneer Von Schwarz en alle mensen aan tafel zich eigenhandig met hun vingers van konden overtuigen en dat niet zonder verbazing, want ze wisten het eigenlijk al van tevoren. Dat komt, legde Scott uit, door de ronde vorm in de ene en de radiale vorm in de andere richting. “Je moet het alleen zien, beste meneer Schwarz! Kijkt u eens naar een ei. Het heeft geen ribben en een papierdunne schaal en is toch tegen van alles bestand.” Voor Schwarz stond nu het ei van Columbus op tafel. De volgende dag had Scott Russell de opdracht op zak om het tentoonstellingsgebouw met zijn idee te bekronen en hij ging aan het werk.’

‘Het zijn toch wel geniale kerels, Eyth, dat moeten we toegeven,’ zei Stoß nadenkend.

‘Ze bekijken de wereld nog met natuurlijke ogen,’ zei ik, terwijl ik mijn bril afdeed om de rotonde waarover ik vertelde beter te kunnen zien. ‘Gelukkig voor ons is het verhaal nog niet helemaal afgelopen. Scott Russell werkte zijn plannen uit en Harcort in Düsseldorf werd met de uitvoering belast. De Duitse ingenieurs begonnen te rekenen en bewezen dat de rechtlijnige eierschaal zonder meer onmogelijk kon blijven staan. Er waren vreselijke discussies. De Duitsers sloegen de Engelsen met succes met meterslange formules om hun oren. Uiteindelijk werden ook Schwarz en zijn mensen ongerust. Er werd geruzied over sterktetheorieën die al sinds de eerste dagen van het ontstaan van de wereld opgehelderd moeten worden, al valt de wereldbol nog steeds niet uit elkaar.’

‘Dat ken ik,’ interrumpeerde Stoß opgewekt. ‘Je denkt dat je alles met je formules glashelder berekend hebt en ineens merk je dat het allemaal op een kleine fout gebaseerd is, waardoor alles onder je in elkaar stort. De aanname van de plaats van de neutrale vezel in een brekende balk bijvoorbeeld –‘

‘Alsjeblieft, Harold,’ onderbrak zijn vrouw hem, ‘laat je neutrale vezels vandaag met rust. U hebt geen idee, meneer Eyth, hoe die neutrale vezels ons al jaren het leven zuur maken. Hij heeft daarover een nieuwe theorie, waar hij dag en nacht mee bezig is. Vooral ’s nachts!’

Harold lachte en gaf zijn vrouw een kus. In het bijzijn van een Engelsman had ze dit bewijs van jong echtelijk geluk niet toegestaan. In het bijzijn van een vreemde, een foreigner, die ze niet met een vijandige blik bekijkt, voelt een onbedorven vrouw van de Britse eilanden zich als een Romeinse tegenover een Scythische slaaf. Het is ergerlijk, maar je doet er niets aan. Stoß liet me doorgaan.

‘Het eind van het liedje was, dat Harcort zowel de radiale als de concentrische ribben aan mocht brengen, maar dan wel aan de buitenkant, zoals je nu ziet. Aan de binnenkant was er geen plaats en er waren andere problemen. Mooi zijn ze niet, maar het was een waar geluk voor Scott Russell en voor alles wat onder de koepel staat. Zelfs tussen de ribben bogen de platen een beetje door. Zonder die dingen had het schitterende dak de hele tentoonstelling waarschijnlijk op een heel andere manier overdekt dan de bedoeling was. Maar dat verhinderde mr. Scott Russell absoluut niet om tijdens het galadiner bij de prijsuitreiking, waar hij tegenover onze Krupp zat, de kanonnenkoning een schouderklopje te geven en vriendelijk uit de hoogte te zeggen: “Wij zijn vast de meest vooraanstaande collega’s aan tafel: u bouwt de grootste kanonnen ter wereld en ik heb de grootste koepel gebouwd.”’

‘En weet u, meneer Eyth,’ riep mevrouw Stoß opgewekt, zonder de tijd te nemen om haar fijne neusje op te halen voor mijn verhaal, dat haar zichtbaar ergerde, ‘weet u dat Harold de grootste brug bouwt?’

‘De grootste brug méébouwt,’ verbeterde haar man, en weer ging er over zijn knappe gezicht een vreemde schaduw, die ik al voor de derde keer opmerkte. ‘Je weet dat het serieus wordt met de Ennobaai. Het heeft lang genoeg geduurd.’

‘Papa was bijna zijn geduld verloren,’ vertelde mevrouw Stoß ijverig; ze was duidelijk thuis op dat gebied. ‘Zijn geduld was helemaal op. Hij heeft nog zoveel andere dingen te doen, die hem niet minder interesseren. Maar Harold hield vol en tekende en plande en rekende, tot hij eruit was.’

‘Eén ding heb ik in ieder geval uitgerekend,’ bevestigde Stoß, ‘en dat kostte bijna evenveel geduld en zorgen: jou!’

‘Onzin!’ lachte zijn vrouw. ‘Ik geef het liever meteen toe, want je vertelt het je vriend toch, als jullie alleen zijn: ik was niet moeilijk uit te rekenen. Sinds de middag dat Harold voor het eerst naar Richmond kwam, wist ik wat de uitkomst moest worden. Het was alleen nog een kwestie van tijd, zoals: wanneer haalt de grote wijzer de kleine weer in, nadat ze elkaar gepasseerd zijn. Kunt u dat uitrekenen, meneer Eyth? Echt makkelijk is het niet, want stilstaan mag de kleine niet, vanwege de beleefdheid.’

Het was een aantrekkelijk vrouwtje voor een ingenieur! Ik begon op mijn platonische manier verliefd te worden en moest me beheersen, vooral omdat Harold schijnbaar afwezig in de verte staarde.

‘Ziet u, nu is hij weer aan het rekenen!’ zei ze, terwijl ze hem verwijtend aankeek. ‘Voor ons huwelijk heeft hij te veel gerekend en nu zit het in zijn kop. Maar ik hoop dat het in Venetië beter wordt, zeker nu alles met de brug in orde is.’

‘Ik heb gelezen, maar alleen heel vluchtig, dat de plannen van Sir Bruce aangenomen zijn en dat er een maatschappij opgericht is voor de uitvoering,’ zei ik. ‘Neemt u me niet kwalijk dat ik in het duister leef. Je komt op een tentoonstelling niet tot bezinning.’

‘Het is ook al een tijdlang niet meer zo interessant,’ zei mevrouw Stoß. ‘Tien jaar geleden, toen papa de eerste plannen uitwerkte, toen had u moeten zien hoe alles leefde. Papa maakte schetsen, Harold begon de berekeningen te maken en met met zijn berekeningen was de oude Jenkins, die jarenlang papa’s bureauchef was, het niet eens. Maar Harold had al een brug in Wales berekend die iedereen prachtig vond, zo licht en sierlijk was die, en met de lompe ideeën van Jenkins was niets te beginnen. Dat zag ik meteen, toen Harold vaker bij ons thuis kwam. Maar u moet niet denken dat we toen al wisten wat er tussen ons was. Ik was nog heel jong en Harold had nog lang niets in de gaten.’

‘Jij zegt het,’ bevestigde Harold deemoedig.

‘Alleen mama was slimmer dan wij en ging met papa praten. Toen was het rekenen in Richmond plotseling afgelopen. Het was een verschrikkelijk jaar. Het wetsontwerp dat je voor zo’n grote brug nodig hebt, werd afgewezen. Papa werd zo verdrietig als hij in zijn leven nog nooit geweest was en ik – niets aan te doen: Harold weet het en zou het u toch vertellen – ik was de wanhoop nabij. Ten slotte tekende papa nieuwe plannen achter Jenkins’ rug om en Harold ging weer aan het rekenen. Toen Jenkins dat zag, wilde hij papa’s pijlers tweemaal zo dik maken. Dan had niemand het benodigde geld voor de brug gehad; ik denk echt dat die oude nachtbraker dat wou. En omdat Jenkins ze op kantoor in de City niet met rust liet, werd er weer in Richmond gerekend. U kunt zich wel voorstellen hoe ik mee zat te rekenen. Dat was in de lente, vier jaar geleden. Op een goede dag bracht Harold schetsen mee van ijzeren pijlers met de berekening hoe dik ze moesten zijn en wat ze zouden kosten. Toen zat hij de halve nacht met papa in papa’s kamer en ze vroegen hem ten slotte om te blijven overnachten, omdat het de volgende dag toch zondag was. Ik had papa nog maar zelden zo opgewekt en mama nog nooit zo ernstig gezien. Nu of nooit, dachten we allebei. Ik zorgde dat mama ons zondagmiddag in de Indische pagode betrapte. Harold schrok zich dood, maar hij gedroeg zich als de gentleman die hij is. U weet dat hij eigenlijk een Engelsman is,’ voegde ze eraan toe, terwijl ze me met de trouwhartigste naïviteit aankeek en plotseling hevig bloosde. Ze kon meesterlijk blozen en ik vond het ontwapenend.

‘Het hele huis geroerd, mama zag dat ieder verzet zinloos was, papa mompelde zijn zegen en pakte Harold, ondanks dat het zondag was, weer van me af om te gaan rekenen. Maar alles bij elkaar kon ik tevreden zijn.’

‘En ik moest me schikken in het onvermijdelijke, zo goed ik kon. Maar ik kwam er niet meer onderuit!’ klaagde Stoß. ‘Zie je niet hoeveel medelijden je nieuwe vriend met me heeft, Billy?’

‘Hij, en medelijden!’ riep ze, waarop ze zich voor het oog van de hele stad Wenen weer overgaven aan een nieuwe uitbarsting van echtelijke tederheid. Ik draaide me om, bestelde de beste fles Hongaarse wijn die op de Kahlenberg te krijgen was en liet een tafeltje in de mooiste hoek van de veranda zetten, waaraan we nu iets rustiger plaatsnamen.

Nu was de beurt aan Stoß, die een aardig stuk levensgeschiedenis wist te vertellen met de nodige samenhang en de bijbehorende getallen, waar ingenieurs van houden. Ellen hing aan zijn lippen, alsof ze het allemaal voor het eerst hoorde en zelf niet meegemaakt had. Een enkele keer onderbrak ze hem om in de stijl van onze Schiller een roos door het aardse leven van haar geliefde Harold te vlechten of er een kleine doorn in te drukken, als het zo uitkwam. Stoß had in de grote loterij inderdaad geen niet getrokken. Het was een buitengewone kleine vrouw. Ze kon rekenen en had humor tussen twee kussen.

‘De liefdesgeschiedenis ken je nu en nu krijg je ook de bruggeschiedenis,’ begon mijn vriend, terwijl hij behaaglijk ging zitten en de Hongaarse wijn in de zon liet spiegelen. ‘Bij Bruce ging het vanaf de eerste dag geweldig, Eyth! Het was stom geluk, die zondag in Richmond, een kans van een op de honderd. Ik had Bruce, die in Londen heel stijf en terughoudend kon zijn, in hemdsmouwen in het gras zien liggen. Dat veranderde onze relatie al vanaf het begin. Het kan zijn dat mijn gereken ook meehielp. Mijn geachte schoonpapa zit vol ideeën, heeft de technische fantasie van een stoommachine met precisieregeling en de werkkracht van een jonge olifant, maar van rekenen houdt hij niet, en tenslotte laten al die grote projecten waarvoor hij gevraagd wordt zich niet op gevoel regelen. In ieder geval was hij blij, als ik in twee dagen uitrekende wat hij in twee minuten aangevoeld had. Vaak genoeg was ik stomverbaasd als ik zag hoezeer bruggen bij hem een gevoelskwestie waren, vooral vakwerkbruggen. Het is geen ervaring. Je hebt geen ervaring met dingen die nog nooit gedaan zijn. Het is ook geen instinct. Onze voorouders wisten te weinig van hang- en schoorwerk om die kennis door te geven. Er is nog een derde factor, een ondoorgrondelijke en onverklaarbare, en Bruce had iets daarvan in een hoekje van zijn hersenen meegekregen toen hij op de wereld kwam. Alleen had hij een rustig uur nodig om de dingen half in een droom uit te denken, en die tijd had hij steeds minder. Hij werd overladen met opdrachten. Zo kwam ik ertoe om mijn integralen, die hij niet begreep, als rustgevend middel voor hem te gebruiken. Des te moeilijker werd het voor Jenkins, de oude hoofdtekenaar van ons bureau, om aan mij te wennen. Mijn manier van rekenen begreep hij ook niet en mijn manier van schetsen haatte hij. Ik was een amateur, een landschapstekenaar. En toen op kantoor het gerucht doordrong dat ik in Richmond met miss Bruce piano had gespeeld, bestond ik als ingenieur niet meer voor hem. Dat kon me in het begin niet veel schelen. Ik had mijn onvermijdelijke conflicten met dat mannetje graag vreedzaam uitgevochten. Maar hij had geen gevoel voor humor, al helemaal niet nadat Bruce mij een mooi bruggetje over een leisteengroeve in Caernarvonshire toevertrouwd had, dat ik helemaal naar mijn smaak mocht ontwerpen. Niets hemelbestormends: een spanwijdte van 103 voet. Gecombineerd hang- en schoorwerk, licht als een spinnenweb boven een helse afgrond. Het trilt een beetje, maar draagt wat het dragen moet. Bruce wordt sindsdien als de moedigste bruggenbouwer van Engeland beschouwd.’

‘Niet jaloers zijn op papa, Harold!’ waarschuwde zijn vrouw met een trotse lach. ‘Wat zou jij zonder zijn bruggen zijn?’

‘Wat zou jij zijn?’ vroeg Stoß op dezelfde vrolijk plagende toon. ‘Maar zoals altijd heb je gelijk, wanneer je niet aan het rekenen bent. We hadden zijn bruggen nodig. – En toen doemde steeds meer het grote probleem van de Ennobaai aan de horizon op: onze brug, Billy.’

‘Onze brug,’ bevestigde mevrouw Stoß. ‘Maar ik wil niet dat je me Billy noemt! Je weet dat ik dat niet uit kan staan, als er vreemden bij zijn.’

‘Ze heet namelijk Billy, wanneer we onder ons zijn en samen bruggen bouwen,’ legde Stolz met bestudeerde meedogenloosheid uit. ‘De kleinste tekenaar op ons bureau in Londen, op wie ze voor mijn tijd verliefd was, heet namelijk ook zo. Ik ben aan de naam gewend en zij vindt hem leuk, uit haar vroegere jaren. Zo zijn we hem gaan gebruiken, ik weet zelf niet wanneer en waar. Een prima naam, Billy.’

De parasol trad in werking. Stoß pareerde de uitval handig met zijn hoed en vervolgde rustig: ‘Je kent de lange voorgeschiedenis? – Nee? – Bij je stoomploegen ben je duidelijk boers geworden, Eyth. Maar je weet tenminste dat de Ennobaai bestaat, dat hij diep het land in reikt en de spoorweg uit het noorden dwingt een geweldige bocht naar het westen te maken of een stoomveer te gebruiken dat sinds tien jaar bij Pebbleton de rivier of liever de zeearm oversteekt. Deze hindernis voor het verkeer is iedereen een doorn in het oog en sinds Stephenson Menai Street overbrugd heeft, beschouwen technische enthousiastelingen de Ennobaai als de volgende grote uitdaging. Maar de verhoudingen liggen wezenlijk anders. Daar was het een smalle zee-engte tussen steile, rotsachtige oevers. Bij Pebbleton is de zeearm bijna twee mijl breed, de oevers zijn naar verhouding laag en net als daar moet er een vrije doorvaart voor bemaste schepen blijven. Je kunt je niet voorstellen wat voor hindernissen je moet overwinnen, voor je zelfs maar met de bouw beginnen kunt. Zoals je hoop ik weet, is Bruce adviserend ingenieur van de North Flintshire Railway, die de voornaamste belangstellende in de overbrugging van de baai is, anders was het hele plan waarschijnlijk niet tot rijpheid gekomen. Lang voor onze tijd, drie jaar voor Stephenson de Menaibrug voltooide, werd het plan in een vergadering van aandeelhouders besproken en er werd besloten voorbereidende stappen te zetten. Zevenentwintig jaar, bijna een generatie vol ontwerpen, plannen, wijzigingen, het opgeven en weer opnemen van het voorbereidende werk waren nodig om zelfs maar de eerste steen van het bouwwerk te kunnen leggen. Het is niet verwonderlijk dat daarbij veel geld en een paar keer ook veel moed verloren ging. Maar Bruce gaf het niet op. Tussen zijn honderd projecten in alle delen van de wereld dook telkens weer de Ennobrug op als een toekomstschim. Dat hebben wij ingenieurs voor op andere mensen: onze geesten komen niet uit de wereld die achter ons ligt, maar uit de wereld die voor ons ligt. Ondertussen kwellen ze ons niet minder. In 1854 had hij zijn eerste ontwerp uitgewerkt, dat de kosten van de brug op 150.000 pond sterling begrootte. Omdat het voorlopig niet mogelijk was de betrokken spoorwegdirecties voor het project te winnen, werd er een maatschappij opgericht die de brug moest bouwen om haar dan aan de spoorwegmaatschappijen te verkopen. Het duurde tien jaar om de parlementaire problemen uit de weg te ruimen. In die tijd werd niet alleen het plan, maar zelfs de locatie van de brug meer dan eens veranderd. Tweemaal weigerde het parlement toestemming te geven. In 1865 ging de North Flintshire Railway een verbintenis aan met de ontwikkelingsmaatschappij voor de Ennobrug, die er na een tijdje helemaal in opging. Voor de derde keer werden de plannen herzien en weer werd het parlement om toestemming gevraagd. Het ging net als in onze Duitse sprookjes: bij de derde poging, in de winter van 1870, lukte het de bezorgde slaapmutsen in Westminster ervan te overtuigen dat de wereld niet voor een zeearm stil kon staan.

Ik werkte er nu bij Bruce op volle kracht aan en had regelmatig conflicten met Jenkins, die fundamenteel andere opvattingen had en mijn geraffineerdste berekeningen geïrriteerd en minachtend bekeek. Hij had als jonge man bij de bureaus van Stephenson als tekenaar gewerkt en vond dat er niets boven de Menaibrug ging en mocht gaan. Een vierkante, smeedijzeren buis op stenen pijlers was heel zijn leven het enige en de voorzichtigheid waarmee Stephenson de reusachtigste experimenten uitvoerde, voor hij aan de overbrugging van de zee-engte begon, was zijn ideaal. Maar we hadden sinds die tijd wel wat bijgeleerd en hoefden niet steeds het wiel uit te vinden, al is het nog altijd een beetje onduidelijk, hoe een ijzeren staaf zich voelt, voor ze breekt. Weet je wat cohesie is, Eyth? Ken jij iemand die het weet?’

Stoß was ineens langzamer gaan praten, nadenkend, bijna als in een droom. In zijn blik, die op de Donau aan onze voeten gericht was, lag iets van angst. Hij keek me plotseling star aan. Ik kreeg een onbehaaglijk gevoel, zonder te weten wat ik uit die blik moest opmaken.

‘Daar heb je het weer!’ riep zijn vrouw, die mij duidelijk helemaal vergat en met een heftige beweging haar linkerarm om zijn hoofd sloeg en met haar rechterhand over zijn ogen wreef. Het was een beweging waarmee je een kind dat bang is op andere gedachten wilt brengen. Stoß maakte zich los en glimlachte, een gedwongen glimlach, alsof hij zich schaamde.

‘Weet u, hij heeft de afgelopen maanden vreselijk hard moeten werken,’ zei mevrouw Stoß, ‘en hij heeft zenuwen, net als andere mensen. Papa heeft die niet en denkt dat iedereen zo is als hij. We hebben een paar weken rust nodig. In Venetië zal het wel beter gaan, en dan gaan we naar Florence, als daar geen bruggen zijn.’

‘Onzin! Laat me verder vertellen,’ lachte Stoß, nu weer op de oude toon. ‘De in het duister gehulde stoomploeger begint zijn oren te spitsen. Natuurlijk moesten er van alles gebeuren, voor we zover waren. Ik was al gauw beter thuis in Pebbleton dan in Richmond en Londen, en de boringen voor het vaststellen van de ondergrond in de stroombedding deed in opdracht van Bruce een aannemer uit Manchester. Daardoor moesten we afzien van de locatie waar de brug volgens het eerste ontwerp gebouwd zou worden. We legden haar twee mijl verder landinwaarts. De baai is daar wat breder, alleen stootten we ook in het midden van de stroom op bereikbare diepte op een rotsbodem, die onze pijlers dragen kon. Bij de boringen was ik helaas niet zelf aanwezig. Ik had toen een paar maanden werk in Ierland. Maar Bruce kon vertrouwen op Lavalette, die deze boringen verrichtte. Ik had geen reden om eraan te twijfelen dat de zaak op een betrouwbare manier werd uitgevoerd. Bovendien ging het mij niets aan. Mijn werk begon boven de bodem van de rivierbedding. Zo kwam het definitieve plan tot stand in de herfst van 1868. Ik wou dat je een keer met mij door de Ennobaai gevaren was als het stormde en je in de Schotse nevel noch de noord-, noch de zuidoever kon zien. Je zou kunnen denken dat je op de open Noordzee heen en weer gegooid werd. Over zes jaar – zo lang hebben we nog wel nodig – rijd je comfortabel boven de razende vloed, negentig voet hoog door de lucht, twee mijl achter elkaar. Vanuit het zuiden kom je over 6 pijlers, waarop de brug naar het noorden buigt en dan gaat het rechtdoor in noordelijke richting, dwars over de baai, eerst op 22 pijlers op 120 voet van elkaar. Nu komt het middenstuk van de brug op 15 pijlers, met spanwijdten van 200 voet. Tot aan dit gedeelte liggen de vakwerkbalken die de pijlers verbinden onder de rails van de spoorweg, die langzaam omhooggaat. Over het middenstuk loopt de spoorweg door de vakwerkbalken als door een tunnel, om de benodigde doorvaarthoogte te krijgen. Daarna komen er weer 120 voet lange vakwerkbalken op 16 pijlers. Dan maakt de brug een grote bocht, bijna een kwartcirkel, naar het oosten in 25 overspanningen van 66 voet binnenwerkse breedte. Nu komt er een schoorwerk met een lengte van 160 voet, waar kleine schepen doorheen kunnen, en tot slot nog 6 pijlers op 67 voet van elkaar. Alles bij elkaar 89 pijlers en een totale lengte van 10.321 voet, op zijn Duits bijna twee Engelse mijl.’

‘Zonder potlood en papier is het nauwelijks genoeg te bewonderen,’ zei ik om niet al te overweldigd te lijken. ‘Maar het lijkt een tamelijk grote brug, Stoß! Ik wens je alle mogelijke geluk, voor ze er eenmaal is en ook daarna.’

‘Natuurlijk ben je maar bij een deel van zo’n karwei betrokken,’ antwoordde hij nu met stralende ogen: de wat vervelende opsomming van pijlers en spanwijdten had hem bijzonder enthousiast gemaakt. ‘Maar voor je het weet word je vanzelf een deel van het geheel. Iedere wens voor de brug voel ik als een wens voor mezelf en Billy. Lang mogen we leven!’

We klonken. De bloedrode Hongaarse wijn blikkerde in het zonlicht, alsof hij ons verstond.

‘Het mooiste heeft hij je nog niet verteld,’ zei mevrouw Stoß, ‘het verhaal van de pijlers.’

‘Dat komt, schat, maar bijna voor de tweede keer: je was me al half voor. Oorspronkelijk waren er van het ene eind naar het andere stenen pijlers geprojecteerd. Dat bracht de kosten van de brug op 250.000 pond, wat de raad van bestuur van de North Flintshire Railway veel te hoog leek, zodat het hele plan weer een keer op het punt stond in het water te vallen. Toen, op weg naar huis in Richmond, kwam ik op een dag op het idee de stenen pijlers maar tot vloedhoogte te bouwen en vanaf dat punt in ijzer verder te bouwen. Acht gietijzeren, zuilachtige kolommen, verbonden door smeedijzeren kruisbalken, moesten vanaf dat punt de stenen pijlers vervangen. Jenkins was buiten zichzelf. De Britanniabrug rustte op stenen pijlers. Het was waanzin om de Ennobrug op 80 voet hoge spillebenen te leggen. We leverden twee weken lang een strijd op leven en dood. Al die dagen werden mijn spillebenen steeds sierlijker, veiliger en eenvoudiger. Bruce was er met mij allang van overtuigd dat de gewone formules voor de breeksterkte van gietijzeren buizen in principe fout waren. Volgens mijn berekeningen moest de brug met ijzeren pijlers 70.000 pond goedkoper worden dan met gemetselde pijlers. Drie dagen sloot ik me op om alles wat er over mijn plan te zeggen was op schrift te stellen. Billy’s blauwe ogen hielpen mee – misschien iets te veel. In ieder geval werden de formules bijna net zo lang als de pijlers en ze bewezen zonneklaar, dat het plan een schitterend succes zou hebben, als de uitgangspunten volgens welke ik rekende en moest rekenen juist waren.’

Stoß sprak deze woorden uit met hartstochtelijke haast, die ik erg overbodig vond. Ik had niet de minste behoefte hem tegen te spreken.

‘Met Bruce had ik niet veel moeite meer. Hij nam het van me aan en liet de formules de formules. Hij had te veel andere ijzers in het vuur en Jenkins begon hem langzamerhand tegen te staan. Toen hij besloten had mijn plan aan te nemen, sprak hij zo’n beetje als een oude sprookjeskoning wiens kroon door een slim kleermakertje gered was: “Doe maar een wens!” Ik wist dat het beslissende moment in mijn leven gekomen was en vroeg Billy. Hij schrok en schudde beslist zijn hoofd. “Beste Stoß,” zei hij, “dat laten we over aan de vrouwen. Voor zover ik weet, heeft mrs. Bruce andere ideeën. Ik hoopte dat je salarisverhoging zou vragen en ik begeef me niet graag, echt niet graag, meneer Stoß, op het terrein van mijn vrouw. Misschien zul je me later leren begrijpen.” Deze ommekeer moest ik natuurlijk met miss Ellen bespreken, en daarbij werden we in de Indische pagode betrapt, zoals je weet.’ –

Ik dankte Stoß voor zijn voorbeeldige verslag en feliciteerde hem. Toen verdween de brug weer naar de achtergrond en het volgende uur babbelden we volgens de melodie Alles, was wir lieben, lebe. Ik vertelde zo beknopt mogelijk hoe ik zo goed en zo kwaad als het ging door Afrika en Amerika rondgezworven had en hoe het ook mij niet zo heel slecht vergaan was. ‘Maar zover als jij, geluksvogel, heb ik het niet gebracht. Niet iedereen vindt de brug die jij gevonden hebt. Ik loop nog altijd eenzaam zuchtend op deze oever heen en weer.’

‘Kom toch een keer bij ons langs in Richmond, Ik – –‘ riep mevrouw Stoß ijverig, maar haperde ineens en keek haar man aan, alsof die alles al begrepen had.

‘Je lijkt er erger aan toe te zijn dan onze goede Schindler,’ lachte Stoß. ‘Herinner je je zijn hoopvolle begin vanuit de Green Hay Street?’

‘Zoiets vergeet je niet: quand on a du courage!’ riep ik, en de oude tijd kwam plotseling terug met al zijn vrolijke jeugdellende, die allang genoeglijke herinnering geworden was. ‘Waar zou die uithangen? Het zou me niet verwonderen, als hij met de volgende cabine naar boven kwam. Vandaag is een dag waarop wonderen gebeuren.’

‘Niet met Schindler. Wonderen zijn niet zijn specialiteit,’ vond Stoß. ‘Maar hij is toch een goede kerel en je gunt hem zijn geluk.’

‘Bouwt hij ook bruggen?’

‘Nee, hij zit weer in Thüringen, is getrouwd met zijn Gretchen, die hij al in Manchester ondanks de hopeloze afstand boven alles liefhad, zonder daar veel ophef over te maken; hij is professor geworden, geeft Engels aan een kleine technische school en denkt dat hij onbeschrijfelijk gelukkig is. Hij schrijft me van tijd tot tijd, want hij is trouwer dan velen die ik hier uit beleefdheid niet zal noemen. – Het wordt fris, laten we gaan!’

Stoß stond op.

‘Wacht de volgende cabine af. Ik heb een voorgevoel dat Schindler eraankomt,’ zei ik aarzelend.

Stoß lachte me uit, maar we wachtten. Wij waren nu de enigen op de veranda. De hele natuur omgaf ons met haar herfstige stilte. Het was een groot genot na het lawaaiige gedoe van de afgelopen weken en ook Stoß leek zo te denken en op adem te komen. Er stak een lichte avondwind op. Hij hield – een gewoontebeweging, die ik vaker bij hem gezien had – zijn onderarm omhoog en liet met zijn hand loodrecht op de luchtstroom de wind door zijn gespreide vingers waaien. Ellen trok zijn arm omlaag.

‘Dat is ook iets waar we verdomd weinig van weten: de luchtdruk van een windstoot,’ zei hij nadenkend, met in zijn ogen weer dezelfde schuwe blik, die ik nu zo goed kende. ‘Drukt een stevige stormwind met twintig of met veertig of met vijftig pond per vierkante voet op een obstakel? Dat kun je allemaal in boeken vinden en je kunt kiezen. Vraag je het de heren geleerden eerlijk, dan heeft de een het van de ander overgeschreven. – En dan: drukt de wind op een oppervlak van twee vierkante voet tweemaal zo sterk als op één vierkante voet? Zelfs dat weten ze niet!’

Hij leegde zijn glas ongeduldig.

‘Het is tijd om met Harold naar Florence te gaan,’ vond mevrouw Stoß, niet zo vrolijk als eerst. ‘Hij heeft dagen dat hij beeft als een rietje, wanneer het waait.’

‘Zolang jij meebeeft, is alles goed,’ fluisterde haar man met een plotselinge opwelling van tederheid, die voor mij aanleiding was om het klooster op de Leopoldsberg te observeren.

Maar ook met de volgende cabine kwam Schindler niet. In de erbarmelijkste roman was hij zeker gekomen, waaruit je kunt opmaken dat je aan de erbarmelijkste roman de voorkeur moet geven boven het harde, meedogenloze leven. Maar hierover lopen de meningen uiteen.

We gingen naar het dal. Het was ook zo een weerzien geweest dat me nog lang bijbleef.

brug

3

De brug

Aanvankelijk zorgde de ontmoeting met mijn oude vriend ervoor dat ik me ineens meer dan ooit voor bruggen interesseerde. Vroeger konden die starre, dode dingen me weinig schelen. Ik beschouwde ze hoogstens als toevoeging aan een landschap en dan waren ze des te welkomer naarmate ze er gevaarlijker en vervallener uitzagen. Ik was te veel machinebouwer geworden. Wat me technisch moest boeien hoorde omwentelingen te maken en op zijn minst te bewegen. Met een brug kon je niets beginnen, als ze niet omviel; je kon haar hoogstens schilderen. Dat werd nu anders. Ik zocht alles wat in kranten en technische tijdschriften over de vorderingen met de Ennobrug te vinden was liefdevol bij elkaar. Er kwam een vriendschappelijke briefwisseling met Stoß op gang, waarbij overigens, zoals onder goede vrienden gebruikelijk, niemand overhaast te werk ging. We maakten elkaar af en toe deelgenoot van onze hoop en zorgen, waarbij ik een iets bonter beeld kon geven en hij in wat verzadigder kleuren kon schilderen. Een enorm karwei als de Ennobrug neemt de hele mens in beslag, of hij wil of niet.

Zijn brieven, die ik zorgvuldig bewaarde, werden later met een half dozijn andere aan zijn vrouw aangevuld. Hoe ik die in handen kreeg, zal later op een passende manier blijken. Een kleine selectie uit beide pakketten bespaart me de schildering van de belangrijkste gebeurtenissen tijdens de geweldige bouw, die acht jaar lang in ruime kring met grote aandacht werd gevolgd. – De eerste twee brieven komen uit de tijd vóór onze ontmoeting op de Kahlenberg. Toch verdienen ze hier omwille van de volledigheid een plaats.

*

Ennobaai, 25 juni 1871

Lieve Ellen,

Je papa beweert dat ik me de komende drie weken hier in het noorden nuttiger kan maken dan in Londen en Richmond. Ik ben bang dat we dat moeten geloven. Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden. Maar het gevolg is dat ik je het feestverslag van gisteren niet met de gebruikelijke kussen mondeling kan geven. En het ergste lijkt me: mijn korte verbanning in deze wildernis zal wel gevolgd worden door andere, tot we over vijf tot acht jaar met droge voeten en arm in arm over het stukje zee kunnen lopen dat zich hier voor mijn ogen uitspreidt. Daarom heb ik vanmorgen in Lavalettes werkkeet een kamertje ingericht vanwaar ik de prachtige watervlakte kan overzien en aan jou denken kan. Er zullen voorlopig veel gedwongen pauzes in onze “koortsachtige activiteit” optreden, zoals mijn oude Weense landgenoten graag zeggen, wanneer ze rustig aan het werk gaan. Hieruit kunnen brieven ontstaan die niet onderdoen voor de documenten uit je verlovingstijd. Je ziet dat ik sinds gisteren vol goede voornemens ben. Ook beloof ik je dat je zelf voor de acht jaar om zijn op deze plaats een tweede feest mee zult vieren dat de kleine tragikomedie van gisteren helemaal zal doen vergeten. De komende openingsplechtigheid van de brug wil ik zelf ter hand nemen.

Het leggen van de eerste steen is iets wat jouw flinke landgenoten, die verder zoveel kunnen, niet beheersen! Jullie vrienden aan de andere kant van het Kanaal hadden de dag anders ingedeeld, ondanks hun huidige ellende. Daar waren een regiment kurassiers, een bisschop en een altaar, de burgemeesters van de halve republiek, vijftig in het wit geklede maagden, vijfentwintig commissieleden in de nationale kleuren, vertegenwoordigers van geleerde en niet-geleerde gilden, blaasmuziek op beide oevers, die voorlopig een brug van tonen gevormd hadden, kanonschoten en vuurwerk aangerukt om de zegen van hemel en aarde over het grote werk af te roepen. Hier stonden we met vijftien uitgeklapte paraplu’s stilletjes rond een met water gevuld gat, alsof we een vierkante zelfmoordenaar begroeven. Alleen de ingewijden konden misschien vermoeden dat dit een feestelijke gelegenheid was en dat de eerste steen voor de grote Ennobrug afgezonken werd.

Je papa was er, plechtig en blij opgewonden, zoals het hoorde. ’s Morgens had hij bericht gekregen dat de regering van Hare Majesteit een licht was opgegaan en dat de meest verdienstelijke man van het koninkrijk in de adelstand verheven was. “Sir Bruce” stond aan het eind van de vijftien jaar voorbereidend werk van zijn geweldige onderneming, werk dat ieder ander te zwaar geweest zou zijn. Achter hem stonden vier directeuren van de North Flintshire Railway – eenentwintig hadden zich afgemeld; tegenover hem de burgemeester, een wethouder van Pebbleton en drie collega’s uit de buurt. De burgers van het koninkrijk werden vertegenwoordigd door de waard van de Golden Cross Inn, eveneens uit Pebbleton, bij wie de feestmaaltijd besteld was en die het kleine gezelschap met een diepbezorgd gezicht bekeek. Hij had op driemaal zoveel couverts gerekend. De ingenieurs werden behalve door je vader vertegenwoordigd door de oude Lavalette, die de uitvoering van de brug op zich genomen heeft, in een aan de weersomstandigheden aangepaste jas en heel smerige laarzen, Jenkins, met een gezicht als een oorwurm, ikzelf en de jonge mensen van Lavalette. De paar honderd grondwerkers, metselaars en timmerlieden die hier al zijn stonden schuchter, maar nieuwsgierig op enige afstand en wilden niet dichterbij komen, alsof ze de ontploffing van een springpatroon verwachtten. Eerst was het alleen je vader, die een paar passende woorden sprak, al waren ze door de wind niet te verstaan. Daarna kwam de burgemeester van Pebbleton, die in een lange redevoering begon te verwijzen naar de bloeiende juteproduktie in zijn stad, maar gelukkig niet ver kwam, doordat een windstoot zijn paraplu omklapte, wat de arbeiders als het afgesproken teken zagen om in een krachtig hoera uit te barsten, waarmee de plechtigheid ten einde was. Een beetje te laat, maar heel snel zonk de steen in zijn vochtige graf en besproeide de omstanders als dank met grote, gele klompen leem, waarmee ze tot het eind van de dag te koop liepen. Toen voeren we in een klaarliggende stoomboot naar Pebbelton aan de overkant en zaten een uur later aan een voortreffelijke maaltijd. Volkomen onverwacht en heel verheugend was dat alle spoorwegdirecteuren, alle gemeenteraadsleden van Pebbleton en een verrassend aantal enthousiaste burgers verschenen waren. Eind goed, al goed. Tegen elf uur ’s avonds was iedereen de brug bijna vergeten, al werd die in zeker tien toosts in al haar betrekkingen met deze wereld en het hiernamaals gehuldigd. Het feest liep uit op een algemene verbroedering van noord en zuid, jong en oud, landbouw en industrie, God en de wereld, waar vanuit ethisch standpunt zeker niets tegen in te brengen is. Voor ons, de eigenlijke bruggenbouwers, was het een halfverloren dag. Maar we moeten redelijk zijn: op acht jaar betekent een halve dag geen merkbaar verlies.

Des te sneller moet het nu vorderen. Lavalette is een aardige man en een goede, degelijke Engelsman, ondanks zijn Frans klinkende naam, die naar ik hoor een oude hugenotenfamilie hier geïntroduceerd heeft. Je bespeurt nog iets van het serieuze enthousiasme van zijn voorouders, dat we bij Fransen niet verwachten, als hij zijn mensen orders geeft of plannen voor de naaste toekomst met hen bespreekt. Die man bevalt me bijzonder. Hij heeft het laagste bod voor de brug uitgebracht: 215.000 pond, en voor ik hem kende, was ik erg bang dat het te laag zou zijn. Dat is bij zo’n groot bouwwerk voor alle partijen ongelukkig. Maar met een energie en handigheid in zaken als hij heeft kun je 50.000 pond compenseren. In ieder geval denk ik dat ik het goed met hem kan redden, zolang hij het redt met het geld. Hij is net als iedereen om me heen verliefd op de brug, sinds hij vijf jaar geleden in opdracht van je papa de boringen voor de pijlerfunderingen heeft verricht. Dat verklaart ook zijn lage bod. En het is bijzonder geruststellend, dat dezelfde man die dit belangrijke onderzoek gedaan heeft daarop voort moet bouwen. Je weet niet, schat, hoe onnodig veel zorgen er door je hoofd gaan, als je de gladde waterspiegel voor je ziet, die vandaag zo onschuldig als een kind het blauw van de hemel weerkaatst. Wie weet wat onder die glanzende oppervlakte ligt en liggen zal, voor we er vrolijk overheen rijden!

Op het strand begint er tenminste leven in de brouwerij te komen. Keten, loodsen, kantoren, arbeiderswoningen schieten de grond uit. Op de oever – je weet echt nog steeds niet of je hier van een strand of een oever en van een zee of een rivier moet spreken: de Ennobaai blijft een geheimzinnige hermafrodiet – op de oever dus hebben ze een lange houten aanlegsteiger gebouwd. Twee geweldige platforms horen daarbij. Op het ene moeten de vakwerkbalken geklonken worden en op het andere de zinkkuipen en het metselwerk gebouwd waarop de toekomstige pijlers komen te staan. Over een paar weken is dat allemaal in volle gang. Wat de zaak zo interessant en moeilijk maakt, is dat de bouw van de brug de scheepvaart niet mag onderbreken, dat er dus geen steigers van welke vorm dan ook in de vaargeul gebouwd mogen worden. Aan de drie stenen landpijlers zijn ze vandaag met negentig arbeiders gaan metselen.

Voorlopig ligt de wijde baai nog voor ons in het goud van de avondzon, alsof ze nog geen kwaad vermoedt: een stil, gelukkig beeld, zoals de natuur het geschapen heeft voor er mensen waren. Vredig komt de vloed opzetten en bekommert zich niet om de dwergen die op de oever in de weer zijn. Het is of de geweldige watermassa’s voelen dat zij hier de baas zijn en dat niemand ze sinds Knoet de Grote heeft durven weerstaan. Maar dat gaat veranderen, beste Enno. Over een paar jaar staan er tachtig slanke pijlers in je bodem, waartegen je tekeer kunt gaan zoveel je wilt, en boven je afgrond ligt een ijzeren band, waarop de dwergen heen en weer rijden wanneer ze willen, of je nu ebt of vloedt, in een storm raast of stil schittert in het avondrood. De dagen van je alleenheerschappij zijn geteld.

In de verte, ginds in Pebbleton, steken ze de lichten aan. Degenen die bij elkaar horen gaan rond de haard zitten. Het werk in de wereld is gedaan. Ook het roepen en rennen, het hameren en zagen op de platforms beneden is afgelopen. Ik moet het hier in mijn eenzame keet zien uit te houden. Maar als onze brug er eenmaal is, Billy, zullen we ook bij elkaar zitten, net als de mensen in Pebbleton. Nee, al eerder, honderdmaal eerder!

Je vereenzaamde bruggenbouwer

p.s. Wil je mijn grote logaritmetafels opsturen? Ze liggen in mijn werkkamer links boven op de boekenkast. Het inspecteren en toezicht houden is eentonig werk en laat soms tijd over voor allerlei bijzaken. Ook kan ik je niet altijd van mijn verlangen vertellen, zoals jij wilt. Ter ontspanning wil ik alle berekeningen die met de brug te maken hebben nog een keer doorwerken. Dat geeft rust.
Vond je deze brief lang genoeg?

*

Ennobaai, 6 november 1872

Je wilt te veel weten, Billy, en van te veel weten, zeggen we in mijn oude vaderland, krijg je hoofdpijn. Je kunt je natuurlijk niet helemaal van je sekse losmaken. Het zou er voor mij ook slecht uitzien, als je dat kon. En daarom zal ik het kleinste van de twee kwaden op me moeten nemen en je vrouwelijke nieuwsgierigheid proberen te bevredigen, zo goed en zo kwaad als het gaat. Maar foeter dan naderhand niet op me, als je geen woord begrijpt van alles wat ik zeg. Voor een onbegrijpelijk verslag zijn er altijd twee nodig en de arme verslaggever is niet altijd de schuldige.

Lavalette wil me met alle geweld vier weken hier houden, tot het afzinken van de nieuwe zinkkuipen goed verloopt. Hij heeft niet helemaal ongelijk, want ik ben verantwoordelijk voor de verandering, waarvoor hij me overigens dankbaar is, zoals halve Fransen dat zijn: avec effusion.

Hoe mijn zinkkuipen eruitzien? – Waarom de oude van papa niet deugden? – Wat een zinkkuip is? – Met dat alles kom je op de proppen, alsof zulke vragen in twee woorden te beantwoorden zijn. Maar ik zal mijn uiterste best doen. Dat is hier de regel voor ons allemaal.

Het gaat er dus in de eerste plaats om voor onze negenentachtig pijlers in twintig tot dertig voet diep water vaste funderingen te leggen. Daarbij is de bodem van de baai niet rotsachtig, zoals we nodig hebben, maar tot een diepte van tien tot vijftien voet zand en grove keien. Pas onder die laag, dus veertig tot vijftig voet onder de waterspiegel, vind je gesteente waar je op kunt bouwen.

Neem nu mijn mooiste zwartzijden hoed en snijd rondom zorgvuldig de rand eraf – maar nee, doe dat toch maar niet! – Stel je een gewoon waterglas voor zonder voet, keer het om en zet het zo in het water. Het water moet driemaal zo diep zijn als de hoogte van het glas. De lucht in het glas zal eerst verhinderen dat het glas helemaal volloopt met water. Stel je vervolgens een gaatje voor in de naar boven gekeerde bodem van het glas en een waterdichte buis die in dat gat geschroefd is en tot aan de oppervlakte van het water reikt. Als je in deze buis blaast, wordt door de luchtdruk water uit het glas verdreven; blaas je hard genoeg – ik weet dat je dat gaat doen – dan blaas je al het water uit het glas, zodat zelfs de bodem waarop het staat drooggelegd wordt. Vroeger noemden ze dit een caisson, uit hoffelijkheid, omdat de Fransen denken dat ze het ding uitgevonden hebben; tegenwoordig is het een zinkkuip.

Dat wil zeggen: je moet je het glas negen voet in doorsnee en zeven voet hoog voorstellen, zodat vier mensen er gemakkelijk in kunnen staan en werken, en het ronde gat in het dak ongeveer drie voet in doorsnee; de buis die van het gat door het water naar boven gaat misschien twintig voet lang, en het geheel uit dik plaatijzer en gedeeltelijk gietijzer. Zie je het nu voor je?

Dit bakbeest, dat zo groot is als een klein, rond huis met een soort hoge schoorsteen in het midden, wordt op de oever gebouwd, tussen twee schepen gehangen en de rivier op gevaren. Op de plaats waar je je pijler wilt hebben, wordt het afgezonken en het snijdt met zijn cirkelvormige scherpe rand van onderen eerst in het zand en de grove keien waarop het komt te staan. Ondertussen hebben we ook een enorm blok van cement en baksteen gebouwd, dat in doorsnee zo groot is als de zinkkuip en twaalf of vijftien voet hoog is en een gewicht van tweehonderd ton heeft. Ook dit reuzenblok wordt door twee schepen gehaald en afgezonken, zodat het precies op de ijzeren zinkkuip komt te staan en dan bij eb als een eilandje uit het water steekt.

Hoe die geweldige massa’s door de twee schepen van de oever getild, tussen hen weggedragen worden en dan precies op de juiste plaats in de duistere diepte verdwijnen wil ik je vandaag niet vertellen. Het meeste wordt daarbij voor ons gedaan door de eb en vloed, die het peil van de rivier tweemaal per dag zes tot tien voet doen stijgen en dalen. Het heeft haast iets aangrijpends, als je voor het eerst ziet hoe de geheimzinnige natuurkracht, die van de verre maan afkomstig is, onze reusachtige blokken zacht, maar met een vreselijke, alles verpletterende zekerheid grijpt en wij alleen maar hoeven toe te kijken en het juiste ogenblik niet mogen missen. Het is gewoon om bang van te worden, als de geweldige massa’s zich kreunend verheffen, alsof het vanzelf spreekt dat ze hun zwerftocht door het water moeten beginnen en gorgelend moeten zinken om beneden in de diepte hun nieuwe plichten te vervullen.

Dan vertrekken de transportschepen met hun hydraulische lieren en het schip met de luchtpomp legt aan bij het kleine kusteiland, waar in het midden de schoorsteenachtige luchtschacht van de zinkkuip oprijst. Die wordt gesloten door een luchtsluis met dubbele luchtdichte deuren, waarvan de ene naar buiten en de andere naar binnen in de luchtschacht opent. In die schacht wordt nu lucht gepompt. Die drijft het water uit de zinkkuip, zodat je nu door de luchtkamer in de buis en in de met perslucht gevulde kamer afdalen kunt. Daar sta je met droge voeten twintig voet onder water op het zand en de keien van de rivierbedding als in een rond huisje. Nu begint het uitgraven van de bodem van de zinkkuip. Het zand, de stenen en de modder worden door de luchtschacht naar boven afgevoerd. Er ontstaat een langzaam dieper wordend gat met de doorsnee van de zinkkuip, waarin die door zijn eigen gewicht steeds dieper in de bodem zakt. Daardoor zou ons eilandje al gauw onder de waterspiegel verdwenen zijn als de metselaars niet voortdurend verdermetselden aan de bovenkant van het blok cement en wel evenveel als het in de diepte zakt. Uiteindelijk is de steeds hoger wordende constructie op die manier door de hele laag zand, leem en keien heen gezakt. De zinkkuip staat op de rotsen, waarop hij voor altijd tot rust komt. Nu wordt de holle binnenkant ervan met metselwerk bekleed en met beton gevuld. Als dat gebeurd is, vormt de pijler van de rotsbodem tot de wateroppervlakte een stevig, torenachtig blok steen, waarop je rustig verder kunt bouwen.

Begrijp je dat nu, Billy? De kleine details moest ik natuurlijk weglaten: hoe de mensen door de luchtkamer in de buis komen, hoe de luchtdruk gehandhaafd blijft, hoe de arbeiders beneden zich voelen, hoe de keien eruit komen, zonder dat de hele zinkkuip met een knal als een fles champagne zijn luchtdruk verliest en nog wel meer. Dat zou ik je graag allemaal mondeling vertellen, als je dan tenminste niet de hele tijd gekheid wilt maken.

Nu vormen twee van die zinkkuipen, die naast elkaar komen te staan en van boven door metselwerk met elkaar verbonden zijn, de fundering van de eigenlijke brugpijler. Maar al bij de eerste vijf pijlers, die op betrekkelijk geringe diepte op de rotsbodem stuitten, hadden we grote problemen. In het zand waardoor ze afgezonken worden, liggen soms geweldige stenen en rotsblokken, die de rivier in de oertijd uit het gebergte meegevoerd zal hebben. Als de rand van de zinkkuip op zo’n rotsblok stuitte, wilde het nodige loodrechte afzinken niet meer lukken. Drie pijlers vielen daarbij helemaal om en het kostte verschrikkelijk veel moeite en werk om ze weer overeind te trekken en eindelijk op hun juiste plaats te krijgen. De fundering van iedere pijler was voor zijn hoogte te klein. Op die manier kon Lavalette niet verderwerken. Op mijn voorstel werden beide zinkkuipen voortaan op een gemeenschappelijk, ovaal, smeedijzeren fundament geplaatst, zodat ze op die manier vast verbonden en tegelijkertijd afgezonken konden worden. Hierdoor kreeg je een tweemaal zo grote fundering en de twee delen van de dubbele pijler konden niet uit hun parallelle positie schuiven. Zo lijkt het inderdaad prima te gaan en de zorgen die ons de afgelopen maanden gekweld hebben en Lavalette, zoals hij beweert, grijze haren bezorgd hebben, zijn uit de wereld geholpen. Nu is er weer hoop dat we sneller opschieten en dat de 89 eilandjes gauw in de baai aangebracht zullen zijn.

Vorige week werd de eerste vakwerkbalk tussen de vierde en vijfde pijler aangebracht. Dat is ook een wonderlijke toestand om te zien. Wat wij hier onder een balk verstaan is de hele brug, kant-en-klaar, met uitzondering van de drempels en de rails, die twee pijlers verbinden, een ding van smeedijzeren staven en stangen, 15 voet hoog en ongeveer 10 voet breed en aan dit eind van het bouwwerk 120 voet lang, dat ongeveer 180.000 ton weegt. De staven en stangen komen, op de juiste lengte gesneden en geboord, uit Wales, waar Lavalette zijn ijzerfabriek heeft, en worden hier op het houten platform boven het water dat ervoor gebouwd is, in elkaar gezet. Is de balk klaar, dan worden aan weerszijden de beweegbare delen van het platform verwijderd. Twee schepen varen bij eb in de ontstane openingen onder de vakwerkbalk. Bij opkomende vloed komen de schepen omhoog en tillen ook de balk omhoog, die nu, gedragen door de twee schepen, drijft. Dat eigenaardige vaartuig wordt nu naar de juiste pijlers gesleept, die bij hoogwater maar een paar voet boven het water uitsteken. Daar wordt het geheel zo verankerd, dat bij de dalende waterspiegel de zinkende schepen de uiteinden van onze balk op de beide pijlers neerzetten en even later, als de waterspiegel nog verder gedaald is, vrij onder de balk uit kunnen varen. Wat we zonder eb en vloed zouden moeten doen, weet ik niet. Het is een prachtige manier van werken, alleen jammer dat wij die niet bedacht hebben.

Maar nu worden op de twee pijlereilandjes hydraulische persen opgesteld, waarmee de balk langzaam opgevijzeld wordt, terwijl de gietijzeren kolommen er deel voor deel onder geschoven worden, tot de balk zijn juiste hoogte bereikt heeft, ongeveer 80 voet boven het wateroppervlak, zodat grote zeilschepen eronderdoor kunnen varen.

Deze manoeuvre werd dus gisteren voor het eerst uitgevoerd. Alles ging gladjes en zonder problemen. Iedere beweging en iedere pauze was uitgekiend. Met de chronometer in de hand en een man met een megafoon aan de kant, commandeerde Lavalette de schepen en de mensen. Op die eerste dag ging de balk twintig voet de hoogte in. Maar toen het begon te schemeren was ik toch benieuwd of we de balk de volgende morgen nog boven terug zouden vinden. Na zes dagen had hij zijn juiste hoogte bereikt en mijn gietijzeren pijlers staan erbij alsof ze tot de hemel willen reiken. Ik geef toe dat het wennen is, als je ze ziet. Soms krimp ik ineen van angst, als ik vanaf een schip naar boven kijk en het vakwerk tegen de hemel zie. Het lijkt wel of je de hele vreselijke massa ijzer ziet wankelen. Natuurlijk is het de beweging van het schip, of het zijn de vliegende wolken die voor gezichtsbedrog zorgen. Maar het is toch goed dat niet iedereen dat te zien krijgt. Ook Jenkins hoef je niets te zeggen.

Je ziet dat het allemaal prima vordert. Lavalette heeft nu ongeveer driehonderd arbeiders ter plekke, tweehonderd hier en honderd op de noordelijke oever. Het is een genoegen om zo’n bouwwerk te zien groeien en ik weet dat je net zo blij bent als ik. Laat de zorgen maar aan mij over. Soms heb je een dikke huid nodig en een ongevoelig hart. Er zijn genoeg onvoorziene gebeurtenissen en dan gaan ook de gewone dingen niet altijd zoals het moet. Van veel kritische punten weten we nog zo verschrikkelijk weinig en toch moeten we maar doorbouwen. Maar hoe zou de wereld eruitzien, als een paar mensen niet de moed gehad hadden om in het duister aan te kunnen pakken.

Het wordt slecht weer. Het stormt vaak. Net op dit moment rukt de westenwind behoorlijk aan de wat gebrekkige ramen van mijn keet, en de hele baai is met witte schuimkoppen bedekt. Vroeger vond ik dat razen overal en altijd leuk om te horen. Sinds enige tijd benauwt het me, zonder dat ik weet waarom. Als ik de vakwerkbalken daar boven in de lucht zie, weet ik het. Het is in deze wereld niet allemaal rozengeur en maneschijn, Billy, en deze november is niet onze eerste mei.

Toch blijf ik
je trouwe
bruggenbouwer.

*

Ennobaai, 2 september 1874

Beste vriend,

Als je bij onze fantastische ontmoeting op de Kahlenberg, die mijn vrouw beter beviel dan de hele Italiaanse reis, enige belangstelling voor mijn brug geveinsd hebt, dan heb je niet onhandig geveinsd. Toch zou ik je nog meer vertrouwen, als je er eindelijk toe zou kunnen komen het ding in natura te komen bekijken. Bij je heen-en-weergereis tussen Algiers en Roemenië, of waar je deze regels in handen krijgt, zou je een zijsprongetje naar het noorden wel gegund zijn, vooral geestelijk. Zelfs voor een verboerste aardekliever begint de imposante rij pijlers een bezienswaardigheid te worden; van beide oevers lopen ze de zee in om elkaar mettertijd in het midden van de baai – alleen God weet wanneer – de machtige hand te reiken. Hoe langer ik hier ben, hoe vaster ik er namelijk van overtuigd ben dat we niet met de geweldige monding van een kleine rivier te maken hebben, maar met de kleine arm van de geweldige oceaan. De mens groeit met zijn hogere doelen mee, en omgekeerd.

De ontmoeting in Londen, die je me tussen twee van je bliksemtochten voorstelde, kwam me helaas niet uit, omdat een telegram me heel onverwacht hierheen joeg. Alles liep op rolletjes, toen we uit een ogenschijnlijk blauwe hemel getroffen werden door een klein ongeluk en menselijk gesproken een groot ongeluk, want er zijn zeven dappere arbeiders bij omgekomen. De kranten, die je in Algiers waarschijnlijk niet bereikten, maakten er veel ophef over, alsof dat hielp. De pennenlikkers weten niet wat het is om een strijd met de vijandige natuur te leveren. Ook onze zeeslagen kosten doden, dat kan niet anders. Toch blijft het, zelfs zonder dit zinloze gejammer, pijnlijk om in één klap de vervangende vader van tweeëndertig onopgevoede kinderen te worden, als je eerst maar voor twee of drie verantwoordelijk geweest bent.

Een feit is dat op 28 augustus, de door jou voor een vrolijk samenzang uitgezochte dag, het middelste gietstuk van een van onze dubbele zinkkuipen, die dezelfde dag op de rotsbodem had moeten staan, gesprongen is.

De grootste oprechtheid is het ideaal van een stoomploeger. Ik heb dat uit jouw eigen mond en neem dus aan dat je in je laatste brief niet zo vreselijk liegt als mondeling soms het geval is, dat je je dus echt een beetje voor mijn bruggenzorgen- en vreugden interesseert. Bij het ploegen van palmvelden in de Sahel of hoe de woestijn heet waar je tegenwoordig zegt te zijn, heb je in ieder geval de tijd om een brief uit ons koele vaderland te bestuderen. Ik aarzel niet langer om hem te schrijven, om voor mezelf een pijnlijk uur wachten te korten.

De werkelijke oorzaak van het ongeluk is nog niet opgehelderd. We hadden tot dan toe zonder problemen veertien van die zinkkuipen afgezonken. Waarschijnlijk was het verbindingsstuk tussen de twee buizen van de luchtschacht en de eigenlijke dubbele kuip, zoals we die tegenwoordig bouwen, een slecht stuk gietwerk. Dat zou niet mogen gebeuren, maar hier op aarde, zeker onder water, speelt de duivel zijn spel met ons arme stervelingen, zoals hij wil en voor zover God het toelaat. Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn in de omgang met die hogere machten. Je ziet dat ik een beetje wanhopig ben. En dat is geen wonder.

Er waren elf man beneden, toen het water met een luide knal door een van de schachten naar beneden schoot en de samengeperste lucht ergens ontsnapte. Natuurlijk gingen direct alle lichten uit. De arme kerels verkeerden met één slag in een gorgelende, huilende duisternis, waarin het water van alle kanten binnengolfde. Vier mannen die zich het dichtste bij de tweede schacht bevonden, werden hals over kop door de buis naar boven gedreven, dat hun een paar minuten horen en zien verging. Het volgende ogenblik ontplofte de luchtkamer met de dubbele deuren, die de buis aan de bovenkant afsloot. Op het dak van die kamer zat de persluchtpomp geschroefd en de machinist daarvan werd in de rivier geblazen als bij een regelrechte ketelontploffing. Gelukkig was er een bootje in de buurt, dat hem uit het water haalde. Voor die vier mannen betekende de ontploffing hun redding. Ze kwamen door de buis van de schacht naar boven alsof ze uit een windbuks geschoten werden, zij het met enigszins bebloede hoofden en een gebroken been. Maar de zeven die nog beneden waren, moesten als ratten in de val verdrinken. Ik hoop dat ze niet veel meer geleden hebben.

Toen ik acht uur later arriveerde, hadden onze duikers de lijken al geborgen. Ze lagen naast elkaar in de loods naast mijn werkkamer in afwachting van hun kisten. Zonder ongeduld, vredig en stil, van alle last bevrijd. De oude Lavalette, die uit Manchester gekomen was, zat naast hen op een balk. Hij leek vreselijk aangedaan en ik moest hem troosten. Het was een ongeluk dat alleen God had kunnen verhinderen. Maar toch voel je op zulke momenten een zware verantwoordelijkheid. Ik trok hem met geweld mijn kamer in, want hij wilde de zeven stille mannen niet in de steek laten.

Sinds ik hem ken, is hij erg oud geworden en hij lijkt gebukt te gaan onder zorgen waarover hij me begrijpelijkerwijs niets wil zeggen. Misschien ziet hij niet hoe hij de brug met zijn 215.000 pond af moet krijgen. Er moeten zoveel stenen des aanstoots uit de weg geruimd worden waar van tevoren geen mens aan gedacht had. Een paar maanden geleden had ik misschien net zo troosteloos naast de compagnie doden gezeten als hij. De reis naar Florence heeft me er weer bovenop geholpen en Billy – je weet wie ik bedoel – helpt erg mee. Ze voelt een beetje, dat de brug, die tot ons geluk heeft geleid, zijn tol eist.

Vanochtend hebben we de zeven mannen begraven. Ze liggen tenminste droog op de heuvel achter ons werkdorp. Je kunt vandaar de hele baai overzien en de eilandjes, die de machtige, gebogen lijn van de toekomstige brug aanduiden. Het zijn er aan de rechteroever al vierentwintig en aan de linkeroever elf. Er ligt nog een wijde, spiegelgladde en onberoerde vlakte tussen beide. Of de brug nog meer mensenlevens zal kosten? Niet als dat met menselijke middelen vermeden kan worden. Maar nu genoeg sentimentaliteit. Het leven is hard. We hadden niet ter wereld moeten komen, als we daar niet tegen kunnen.

De arbeiders zijn misschien niet in staat tot zoveel filosofie. Gisteren, na de schrik om het ongeluk, maakten ze aanstalten om in staking te gaan, de mensen in de zinkkuip tenminste. Ik riep ze bij elkaar en zei wat er in overleg met Lavalette zou gebeuren. De buizen en alle delen onder water, die tot nu toe van gietijzer gemaakt waren, zouden voortaan van smeedijzer en zacht staal gemaakt worden. De werktijd in de zinkkuip zou van tien tot acht uur per dag verminderd worden en er zou een loonsverhoging van dertig procent komen. Ze glimlachten goedmoedig, want ze zagen dat het mij ernst was. Maar de indruk van de zeven lijkkisten lag nog te vers in hun geheugen. Niemand zei iets toen ze van mij mochten zeggen of ze tevreden waren. Toen zei ik dat ik de komende twee weken hier zou blijven en elke dag een uur mee zou gaan in de zinkkuip om me ervan te overtuigen dat alles in orde was. Dat hielp.

Verder vordert het werk hier prima. Zeven vakwerkbalken liggen op hun plaats en drie worden er momenteel opgevijzeld. Op de oevers aan beide kanten wordt gehamerd en geklonken dat het een lieve lust is; de zaak is nu georganiseerd als een mobiele fabriek. Mijn pijlers houden het. Ze zijn een geweldige besparing, vergeleken met het metselwerk van de Menaibrug. Wel zien ze er altijd nog een beetje raar uit met hun hoogte van 86 voet boven de waterspiegel, die het spoor boven het midden van de stroom aan moet houden. Er moeten heel wat kolommen terug naar de gieterij, wat Lavalette met prijzenswaardige gelatenheid accepteert. Ik kan er niet een gebruiken die qua materiaal en uitvoering niet feilloos is. Helaas kun je niet overal tegelijk zijn. Toen Lavalette nog helemaal gezond was, kon ik geruster zijn. Hij is wel de aannemer, maar een man op wie je kunt bouwen als op onze rotsen.

Ik geloof dat jullie mij benijden; jij misschien minder, want met je ploegen lijk jij een vrolijk zwerversleven te leiden, waar anderen jou juist om kunnen benijden. Maar Schindler schreef me een tijd geleden iets in die geest. De beste man weet niet wat hij zegt. Soms wou ik dat ik achter zijn katheder stond om Engels te doceren of welke taal ter wereld ook. Hij kan tenminste rustig slapen, zonder dat iedere windstoot hem uit zijn dromen rukt.

Tussen twee haakjes: ben jij tijdens je krankzinnige heen-en-weergereis niet toevallig een formule of een hele rits formules tegengekomen met betrekking tot de winddruk tegen grote, gecompliceerde vlakken, vakwerk bijvoorbeeld? Nergens weten ze hierover iets met zekerheid. Mijn schoonvader, de oude Bruce, lacht me uit als ik met de vraag aan kom zetten, hij steekt zijn neus in de lucht en zegt: ‘Wat nog niemand weet, hoeven wij ook niet te weten, jongen! De wereld vergaat niet, doordat jij haar niet in formules kunt vangen. Vraag het maar in Greenwich, als je dat leuk vindt.’ In Greenwich, bij het Royal Observatory, weten ze ook niets, en niet eens hoe hard een echte Schotse stormwind waait. Bij de beste voorbeelden die ze zich herinneren ging op het kritieke moment steeds hun meetapparaat kapot en toen dat het weer deed, was de storm voorbij.

Mij laat dat probleem niet met rust. Bruce demonstreert thuis, sinds hij tot de machine-adelstand bevorderd is, een goedmoedige onverschilligheid, al is die beter te verdragen dan zijn masker in de City en de directievergaderingen van zijn spoorwegmaatschappijen. Daar doet hij of de wereld met alles wat erbij hoort te klein voor hem geworden is. Dat schijnt overigens te lonen.

Als ik nog een keer ter wereld kom, word ik stoomploeger. Volgens je brieven maak jij je machines iedere week kapot, zonder dat je er schade van ondervindt. Ik wou dat ik het ook zo goed had.

In oude vriendschap

je Stoß

*

Ennobaai, 15 oktober 1875

Arme Billy,

Nu moeten we elkaar bijstaan “in goede en in kwade dagen”, zoals je indertijd lichtzinnig genoeg in de kleine St. Jameskerk in Richmond beloofd hebt. Toen lag onze geluksbrug voor ons in het rozige ochtendgloren, lieflijk en teer als een elfenspinsel, en wij wilden er al overheen, hand in hand en opgewekt. Nu, zes jaar later, ligt de onoverbrugde baai voor me in een blauwgrijze schemering. Als twee hulpeloze, gebroken armen strekt ons bouwwerk zich van beide oevers naar het midden uit en er ligt een wijde watervlakte tussen de laatste pijlereilandjes, die tweemaal per dag bij eb uit het water oprijzen en tweemaal hulpeloos in de vloed verzinken. Ik zal de komende vier weken aan dat beeld moeten wennen, want het zal niet veranderen. Gisteren hebben we de helft van de arbeiders ontslagen. Hoe minder er gedaan wordt, hoe meer ik te doen zal hebben, zodat ik er wel een maand niet aan hoef te denken om naar Londen terug te gaan. Helemaal reddeloos is de zaak nog niet. Anders zou ik meteen mijn spullen kunnen pakken.

De arme Lavalette is dus dood en begraven, zoals je weet. Ik heb de laatste tijd vaak gedacht dat hij aan de brug kapot zou gaan. Iedere nieuwe pijler die hij bouwde leek hem weer wat meer terneer te drukken, al klaagde hij nooit. En het ging uiteindelijk sneller dan iemand kon voorzien. Dat kwam zo.

Al bij het afzinken van de 24e en 25e zinkkuip, van de zuidelijke oever gerekend, bleek de rotsbodem waarop ze allemaal moeten staan aanzienlijk dieper te liggen dan verwacht. De oude boringen hadden heel andere resultaten opgeleverd. Bij de 26e zinkkuip was de diepte zodanig, dat de gewone methodes tekortschoten. Daarom adviseerde ik Lavalette om voor hij aan de 27e begon nieuwe boringen te verrichten om duidelijkheid te krijgen over de werkelijke stand van zaken in die duivelse diepte. Dat was des te noodzakelijker, omdat we nu aan het middenstuk van de brug toekwamen, waar de grote zeilschepen onderdoor moeten kunnen. Tot nu toe bedroegen de overspanningen tussen de ijzeren delen van de pijlers 120 voet en de ijzeren delen van de pijlers waren 70 voet hoog. Van nu af aan komen er 16 overspanningen van 200 voet en pijlers van 85 voet hoog, terwijl de langere vakwerkbalken van dit deel van de brug boven de rails liggen in plaats van eronder, zoals eerst. Kortom: hier wordt de zaak eigenlijk pas serieus. Je voelt dit wel aan, Billy!

Er werden vijf nieuwe boorgaten geslagen in dat deel van de baai waar nog geen pijlers waren, en daarbij bleek dat de rotsbodem aan beide kanten abrupt steil naar beneden gaat en in het midden een diepe geul vormt, die we moeten overbruggen, zo diep, dat we het wel kunnen vergeten om de gewone, tot nu toe gebruikte zinkkuipen tot op de rotsen af te zinken. De oude boringen, waar het hele bouwplan op gebaseerd was, klopten niet: een laag opeengepakte keien, die een machtige zandlaag bedekt, had de mensen op een dwaalspoor gebracht. Ze dachten dat ze op de rotsen stuitten, maar hadden alleen maar deze laag tussen de rivierkeien en de daaronder liggende zandlaag bereikt. Op de avond van de dag dat dit vast kwam te staan ging Lavalette naar bed. Zoals bekend hadden zijn eigen mensen meer dan tien jaar geleden de boringen verricht en de fout gemaakt. Twee dagen later was hij dood. Zijn huisarts had hem al maanden tevoren gewaarschuwd dat zijn hart niet helemaal in orde was en dat hij ieder conflict moest vermijden. Een heel passend recept voor een man die gebukt ging onder de Ennobrug. Het was een goede, dappere man, alleen iets te sanguïnisch en iets te zacht voor zijn vak. Onze tijd heeft mannen van staal nodig, al jammeren bepaalde dwazen ook over de verwekelijking van de mensheid. Zulke mensen zijn er, anders was er geen Ennobrug, geen Mont Cenistunnel en geen telegraafleiding tussen Engeland en Amerika. Maar niet iedereen heeft genoeg staal in zijn bloed en daarom sterven er velen aan een hartkwaal, voor je erop bedacht bent.

Lavalette laat twee schoolgaande zoontjes achter. Zijn bedrijf verklaarde meteen dat het na de dood van de baas niet in staat was de bouw van de brug voort te zetten. Zo was de stand van zaken drie dagen geleden. Het nieuws ging in Pebbleton als een lopend vuurtje van huis tot huis en was binnen vierentwintig uur het gesprek van de dag op de beurzen van Manchester en Londen. De aandeelhouders van de North Flintshire Railway hoorden het handenwringend aan: een paar honderdduizend pond van hun geld leken in het water gegooid. De rest van het publiek had de ineenstorting zoals gewoonlijk wel zien aankomen. Alles had zijn grenzen. Voor bruggen waren er genoeg rivieren op de wereld en zeearmen moest je met rust laten. De aandelen van de Railway werden tien procent minder waard en die van de oude brugmaatschappij vijftig procent. De rijkste aandeelhouders hoopten dat er nu tenminste een eind aan kwam en dat niemand zou proberen de ongelukkige onderneming weer op de been te helpen. Zo doemde naast de plotseling ontdekte technische problemen de geldkwestie voor ons op als een alles terneerdrukkend spook.

Maar nu liet jouw papa zien uit welk hout hij gesneden was. In Pebbleton werd eergisteren een gemeenschappelijke vergadering van de directeuren van de North Flintshire Railway en de oude brugmaatschappij gehouden om de zaak te bekijken. Ik denk dat twee derde van de heren van plan waren om voor het staken van de bruggenbouw te stemmen. Sir Bruce zat zoals gewoonlijk naast de president van de spoorwegdirectie. De voorname, pompeuze manier van doen die hij zich de laatste tijd heeft aangewend – neem me niet kwalijk, Billy: sinds zes jaar hoor je bij mij en niet meer bij hem – was spoorloos verdwenen. Hij sprak met het enthousiasme van een achttienjarig jonkie over de noodzaak en het enorme nut van de brug, met een haast meeslepende overtuigingskracht over de overwinnig van de problemen die geen grote onderneming bespaard blijven, over zijn rotsvaste besluit om het niet op te geven, wat er vandaag ook besloten mocht worden, over de schande om zo’n karwei onvoltooid te laten en over het uithoudingsvermogen en de taaiheid van het Angelsaksische ras, waarvan de vertegenwoordigers – hier maakte hij een charmante buiging naar zijn morrende buren – zich in deze crisis rond hem geschaard hadden. De oppositie kwam nauwelijks aan het woord. De gevaarlijkste mensen beloofden welwillend te onderzoeken hoe de afgebroken draad weer opgenomen zou kunnen worden. Verontrust nam je papa weer het woord. Hij begreep niet hoe al dat rumoer eigenlijk ontstaan kon zijn en waar die kleinzieligheid eigenlijk vandaan kwam. Alles ging immers prima. Ze konden het overwinnen van de technische hindernissen rustig aan hem overlaten. De dood van Lavalette was zonder twijfel een zware klap, maar hij had al verder gekeken. Achter Lavalette stond een dozijn aannemers die bereid waren door te gaan met de bouw. Misschien iets duurder. Maar de geldkwestie was in dit geval voor mannen met een vooruitziende blik als de aanwezigen, voor een opbloeiende stad als Pebbleton en voor de grote transportbelangen van Engeland en Schotland van geen belang.

De burgemeester van Pebbleton, een welbespraakt man, sloot zich zonder aarzelen bij hem aan en al gauw heerste er algemeen enthousiasme. Die koppige mannen uit het Noorden worden niet gauw enthousiast, maar dan zijn ze ook niet meer te houden. Ik denk dat we ze nu hadden kunnen vertellen wat onze grootste zorg is: de grote verandering in de constructie van het middenstuk van de brug, die onvermijdelijk geworden is, de onzekere bijkomende kosten en de onmogelijkheid om binnen de gestelde termijn klaar te zijn. Zo drukkend als de problemen voor hen opgedoemd waren, zo vastberaden hadden ze standgehouden.

’s Avonds zat ik nog een uur bij papa. Zo rustig als hij in de vergadering geweest was, zo opgewonden was hij nu. Hij kon geen moment stilstaan, hij wilde vooruit, al moest hij de brug aan de hemel ophangen. We bespraken de nieuwe plannen. Ik maakte schetsen en moest veel tekenen wat me nauwelijks uitvoerbaar leek. Toch werd het al wat lichter om ons heen, al zou het rond de brug ook een halfjaar tamelijk stil blijven. Morgen verwachten we Griffin & Co, de aannemer die indertijd het op een na laagste bod gedaan heeft. Die gaan waarschijnlijk door met de bouw. Dan moet er met de erven Lavalette een goede regeling getroffen worden. Het is een van de moeilijkste dingen om de arbeiders door de komende maanden heen te helpen, tot we een nieuw begin kunnen maken.

En mijn brieven zullen de komende tijd korter worden, maar je weet nu hoe dat komt. Houd je goed. Er komen weer betere tijden.

Je Harold

*

Ennobrug, 8 augustus 1876

Beste kluitenbreker,

Je hebt natuurlijk ook in je kranten aan de Wolga gelezen dat we met onze brug op een haar na in de lucht gevlogen zijn en dat de machtige Ennobaai haar golven weer ongebroken en in paradijselijke rust heen en weer laat rollen. Ik wou het genot van dat nieuws niet al te vroeg voor je bederven, maar nu het bijna een jaar oud is, wordt het wel tijd om je ervan te overtuigen dat het allemaal leugen en bedrog was.

Zonder twijfel hebben we serieuze momenten van huiver en crisis gehad. De dood van de goede Lavalette – “Wee de man die op mensen vertrouwt en vlees zijn arm noemt!” – viel samen met het moment waarop om zo te zeggen de bodem onder onze voeten weggeslagen werd. Er ontstond meer rumoer dan nodig en goed was en de hele bouw raakte bedenkelijk op losse schroeven. De onvermijdelijke technische veranderingen, weerspannige aandeelhouders, geen krachtige aannemer, een publiek dat blij was dat de krankzinnige onderneming stilzwijgend begraven werd: alles viel samen en we zagen de toekomst donker in. Maar toen werd de oude Bruce wakker, die opeens weer jong werd. Dat was een bijzonder interessant verschijnsel. Hij pakte de aandeelhouders bij hun lurven en rammelde ze net zo lang door elkaar tot ze warm werden; daarna greep hij mij in mijn nekvel – je weet dat we naaste familie zijn – en sloeg mijn hoofd net zo lang op de tekentafel tot er iets bruikbaars uit mijn beurse schedel kwam. Je kunt je wel voorstellen hoe het er bij ons uitzag, als ik je vertel dat deze behandeling me echt goeddeed. Hij vond binnen vier weken een aannemer, Griffin @ Co uit Cleveland, die bereid was de bouw voor 250.000 pond te voltooien en die met prijzenswaardige ijver aan het werk ging. Kortom: we hebben een halfjaar verloren, maar dankzij de ontembare wil van mijn ongelooflijke schoonvader zijn we over het dode punt heen en gisteren hebben we de derde van de nieuwste grote zinkkuip met succes in de diepe stroomgeul midden in de baai afgezonken.

Daar wil ik je graag iets over vertellen, want sinds de grote storm voorbij is, komen er weer allerlei bedenkingen bij me op, die ik liefst in het hoofd van een vriend wil afzinken. Als ik ze op die manier kwijt zou kunnen raken, kun je brieven krijgen waarmee je het strovuur van je stoomploegen tien uur lang kunt opstoken. Die moeite heb ik er graag voor over om ze te schrijven.

Bruce, Griffin en ik en een half dozijn ondergeschikte meedenkers – je gelooft gewoon niet hoeveel mensen een vinger in zo’n gigantische pap hebben – moesten dus aan het werk om het hele middenstuk van de brug anders te construeren. Door de weggevallen rotsbodem was, zoals je weet, het oude plan niet meer te handhaven. Eerst besloten we langere vakwerkbalken – 250 in plaats van 200 voet – te gebruiken om een paar pijlers te besparen. De geldkwestie hangt voortdurend als een zwaard van Damocles boven ons hoofd en toch zal het grote werk ongeveer tweemaal zoveel kosten als Bruce de aandeelhouders zes jaar geleden voorgespiegeld heeft. Dan kunnen we het vergeten om de onpeilbare rotsbodem voor de fundering van de pijlers te bereiken en vertrouwen op de opeengepakte keien, die de zandlagen van de ondergrond bedekken. Daar is geen bezwaar tegen, zolang we de voet van de pijler groot genoeg maken. Daarom gebruiken we in plaats van de oorspronkelijke dubbele zinkkuip met een diameter van 10 voet één reusachtige zinkkuip met een diameter van 31 voet, waarop net als vroeger een massieve stenen pijler tot vloedhoogte gebouwd wordt. Tot zover ziet de zaak er bevredigend uit.

Maar nu moeten op die ronde reuzentrommels mijn gietijzeren pijlers komen te staan en er blijkt voor de acht kolommen waaruit ze opgebouwd zijn nauwelijks plaats te zijn, waardoor we ons tot zes in een zeshoek opgestelde kolommen moeten beperken. Je kunt je wel indenken hoe ik de pest in had. Juist de pijlers die vijftien voet hoger worden dan alle andere krijgen twee kolommen minder! Ik had een paar geweldige scènes met Bruce. Hij werd woedend, als ik met mijn berekeningen kwam, en had niet helemaal ongelijk. Want met ogenschijnlijk kleine aannamen op onzekere punten in de berekeningen kun je haast alles uitrekenen wat je wilt. Ik kon tegenover zijn betoog geen mathematische zekerheid inbrengen. De sterktecoëfficiënt van onze huidige materialen, winddrukproblemen – alles is zo onzeker, dat je met een tienvoudige of twintigvoudige of dertigvoudige zekerheden kunt rekenen, naar gelang je stemming, zonder er ver naast te zitten. In ieder geval is niet te bewijzen dat je ernaast zit. Ik werd alleen overvallen door een stiekeme angst, die ik ondanks al mijn gereken niet kwijtraakte. Bruce noemde me ten slotte een zenuwzwakke zielenpoot, aan wie hij nooit een Bruce had moeten geven. Griffin, die er ongemakkelijk bij stond, beloofde de wanden van de kolommen een halve voet dikker te maken dan afgesproken en het beste materiaal niet te sparen. En uiteindelijk gaf ik toe. Het was waarachtig niet mijn brug en de pijlers, zoals ze nu worden, zijn mijn pijlers niet. Ik was na drie dagen ruzie buiten mezelf.

Mijn pijlers niet, zei ik dat? Heb ik met die pijlers, die het geluk en het ongeluk van mijn leven lijken, geen schat verworven die voor mij nog steeds meer waard is dan alle bruggen? Jij begrijpt dat niet, oude vrijgezel, en daarom hoort het niet in jouw brief thuis. Maar ik krijg het al een tijd niet uit mijn hoofd en het komt overal tevoorschijn waar het niet thuishoort.

Griffin bevalt me niet half zo goed als de oude Lavalette, hoewel hij als jonge man tweemaal zoveel energie aan de dag legt. Ook het gietwerk dat hij uit Middlesborough stuurt is slechter dan het oude. Ik heb hem vorige week zes kolommen terug laten sturen, wat tot een heftige briefwisseling leidde. Maar wat kunnen jou die details schelen? Als jij net zo in jouw werk opgaat als ik in het mijne, verlies jij ook de maatstaf voor de dingen uit het oog en een verstandig perspectief. Schrijf eens iets over je Wolga, dat ik het juiste perspectief terugvind. Van veraf ziet alles er meer uit zoals het werkelijk is dan van dichtbij, al beweren velen het omgekeerde.

Iets voor jou als mechanicus! Sinds een paar dagen testen we een nieuw afzinksysteem voor de caissons, dat een van onze jonge assistenten uitgevonden heeft en dat ons veel tijd en moeite bespaart. In plaats van als voorheen op de bodem van de zinkende zinkkuip zand en keien uit te graven en moeizaam door de luchtschachten naar boven te brengen, hebben we op een hopperzuiger, zoals wij hem noemen, zes grote ketelachtige koperen reservoirs, die door middel van een pomp vacuüm getrokken worden. Van die reservoirs gaat een slang naar beneden, die op de bodem van de zinkkuip uitkomt. Als de verbinding tussen het reservoir en de slang geopend wordt, zuigt het vacuüm van het reservoir water, zand en stenen met een vreselijk gebrul op, zodat het reservoir zich in tien seconden met de gewenste brij vult. Je hoeft het vat dan maar te legen en weer vacuüm te pompen, waarna het opnieuw klaar is om zijn halve ton keien op te zuigen. Bruce en Griffin geloofden geen van beiden in dat ding, zolang het alleen maar op papier stond. De tekenaar die het uitgevonden heeft, is de zoon van een van de zeven verdronken zinkkuiparbeiders. De jonge man liet me niet met rust en ten slotte was Griffin zo goed om het te testen. Nu beeldt hij zich waarachtig in dat hij die grap zelf bedacht heeft, waar de jongen overigens veel plezier van zal hebben. Ik heb ervoor gezorgd dat hij patent op het ding kreeg. De zinkkuipen, die hem zijn vader afgenomen hebben, zijn hem een kleine vergoeding schuldig.

Morgen bereikt de eerste van de tweehonderdvijftig voet lange vakwerkbalk zijn definitieve hoogte. De hydraulische vijzels werken nu voorbeeldig. We komen met de reuzenbak iedere dag vijfentwintig voet verder, zodat hij in vier dagen een duizelingwekkende hoogte bereikt. Van dichtbij ziet de zaak er griezelig uit, maar van veraf, vanaf de oever, als toverij, als iets uit een droom: heimelijk, stil, als iets op zichzelf. Je hoort niets en je bent bij die enorme afmetingen ieder gevoel voor afstand kwijt. Steeds hoger stijgt het ding en het hangt in de lucht alsof het zweeft, alsof ijzer geen gewicht meer heeft. Dat zijn momenten waarop je een dom en trots gevoel niet helemaal onderdrukken kunt – en ook niet mag, om eerlijk te zijn. Je hebt daarnaast zoveel geheime zorgen, dat je illusies op dergelijke momenten niet bederven mag. Sinds een jaar geleden de aarde onder onze voeten verdween, vertrouw ik de dag van morgen niet meer.

Mijn vrouw zegt dat ik weer aan een vakantiereis toe ben. Is Kumys goed voor de zenuwen? Hoe ziet het er aan de Wolga uit? Ik heb zin om je in Samara op te zoeken. Maar ik hoor dat ze daar ook een grote brug aanleggen.

Vertel daar eens iets over. Nee, schrijf me maar zonder iets over de brug te vertellen.

Je Stoß

*

Ennobrug, 27 februari 1877

Ik hoop dat jij net zo blij bent als ik, Billy, want het gaat vlotter dan ooit. De afgelopen zes maanden zijn er ondanks de winter wonderen geschied. Gisteren werd de laatste van de kleine vakwerkbalken op de dwarsliggers van zijn pijlers vastgeschroefd. In totaal zijn het er zevenenzeventig die nu op sierlijke stelten staan en vanuit het zuiden en het noorden naar het midden van de baai twee ononderbroken donkere lijnen trekken. Van de grote, tweehonderdvijftig voet lange balken rusten er vijf op hun duizelingwekkende hoogte. Je weet dat ze vijftien voet hoger komen te liggen dan de andere. Nummer zes wordt sinds een paar dagen de lucht in gevijzeld en voorzien van zijn kolompoten, die tijdens het stijgen onder zijn lijf groeien, nummer zeven ligt klaar op de oever om de zeereis te maken, twee worden er aan elkaar geklonken en alleen van de laatste vier is nog niets te zien. Maar toch is het eind in zicht, Billy! Onze brug is klaar voor het eind van het jaar. Alles is nu prima georganiseerd, er zijn geen nieuwe problemen meer op te lossen en de mensen zijn zo goed ingewerkt dat ik niet weet wat er nog serieus mis zou kunnen gaan. Griffin maakt zich steeds drukker, hij jaagt iedereen overal op, zodat veel wat nauwkeuriger gedaan zou kunnen worden. Maar ook daar wen je aan, helaas.

Je zou eens moeten zien wat een levendige boel het hier is! Hoe er tussen de twee oevers gehamerd en geslagen, gestampt en geploeterd, gekraakt en gesteund wordt en alles zich rekt en strekt om te zorgen dat de twee lange brugarmen elkaar eindelijk de hand kunnen reiken. Er zijn vijfhonderd arbeiders op beide oevers, en vier stoomboten en twaalf barken voor alle mogelijke doeleinden. Ontelbare kleine bootjes zwermen onder de negenenzeventig pijlers door, waarvan er nog maar drie met hun funderingen niet boven water uit komen. In de ochtendzon, die met de vloed de baai in komt, zorgt dat voor een prachtig schilderij. Maar we hebben daar ook tien jaar aan geschilderd met alle moeite en problemen vandien.

Ik word geroepen. Over een halfuur is de vloed hoog genoeg om de kant-en-klare vakwerkbalk op te tillen en naar zijn plaats te dragen. Ik moet er deze keer bij zijn en maak de brief af, wanneer ik terug ben.

*

Goede God, weet ik dan nog steeds niet dat je de dag niet mag loven voor het avond is? Er had een verschrikkelijk ongeluk kunnen gebeuren en er is een groot ongeluk gebeurd. Een troost is alleen dat het deze keer geen mensenlevens heeft gekost. Maar het zal Griffin een fors bedrag en ons allemaal minstens vier kostbare weken kosten. Voor morgenochtend de grote sleepbarken met hun zware hefwerktuigen van Pebbleton hierheen gehaald zijn en de duikers van Leith gearriveerd zijn, kunnen we niets doen. Daardoor krijg je weer een lang epistel met een aardige jobstijding. Het passieve wachten na zulke momenten is nog het ergste. – Maar waarom ben je dan ook met een bruggenbouwer getrouwd? Je had nog eens goed na moeten denken, want je kent het vak.

Je weet wat we onze vakwerkbalken noemen: kant-en-klare delen van de grote brug, die eruitzien als een ontzettend lange, vierkante buis en die van de ene pijler tot de andere reiken. Die waar het nu om gaat zijn 250 voet lang, 18 voet breed en 36 voet hoog, zodat er makkelijk een hele trein in past. Ze wegen bijna tweehonderd ton. Wat dat betekent kan alleen iemand zich voorstellen die het buisje een keer op zijn tenen gekregen heeft, en zelfs die niet eens.

Ook heb ik je wel eens verteld hoe dit speelgoed op een soort houten brug aan de oever opgebouwd wordt, hoe er dan, als het klaar is, twee jukken van de houten brug verwijderd worden en daarvoor in de plaats twee sterke barken onder geschoven worden, die met de opkomende vloed stijgen en de balk drijvend weghalen. De zaak is zo eenvoudig en verloopt zo geruisloos en zo veilig alsof het kinderspel is. Goed. Deze manoeuvre zou vandaag voor de drieënzestigste keer uitgevoerd worden, en ik wilde meevaren om de stenen pijlers te bekijken, wanneer het verschrikkelijke gewicht erop kwam te rusten.

Toen ik aan de oever kwam, waren de barken al onder de vakwerkbalk verankerd, maar de machtige dwarsbalken en houtblokken die hem moesten dragen, bevonden zich nog een halve voet onder de ijzeren constructie. Langzaam, bijna onmerkbaar, kwamen ze omhoog, als de wijzer van een klok. Het was de klok van het heelal die je hier kon zien lopen. De schippers van de schepen, een dozijn arbeiders en de opzichters wachtten al pratend op het stijgen van het water, dat met een ruisende deining van zee op kwam zetten. Het weer sloeg ineens om. Een frisse bries joeg met stoten over de watervlakte en in het oosten kwam een muur van zware wolken op die scherp afstak tegen de blauwe hemel.

‘Het weer blijft niet rustig,’ zei de kapitein van de bark waarop ik plaatsnam, een oude schipper uit Pebbleton, tegen de voorman van de brugarbeiders. Hij wachtte op een antwoord, maar dat kwam niet. Brommerig hanteerden de mannen de trossen die de bark op haar plaats hielden, terwijl ze nogal onrustig slingerde. Ze gooiden de sleeptrossen al naar de twee kleine schroefstoomboten. Alle aandacht was gericht op onze bark, die nu de onderkant van de balk raakte. Hier werd er nog een enorme houten wig onder geslagen en daar werd met haastige inspanning een verschuivende dwarsbalk rechtgetrokken. Je hoorde hier en daar een licht geknister en een dof gekraak. Het schip drukte nu geweldig van onderen. De planken van de houten brug, waarvan de last nu geleidelijk af genomen werd, begonnen te kraken. Hun last werd iedere minuut lichter. Nu viel er een houten wig, waarop een deel van de vakwerkbalk gelegen had, met luid geraas naar beneden, en nu aan het andere eind een tweede. De twee stoomsleepboten trokken de uitgestrekte trossen zachtjes aan om de lengte precies te regelen. Nu kwam de machtige vakwerkbalk eindelijk met een zachte ruk in beweging, en ineens zweefde hij een duim boven de stelling waarop hij gebouwd was. Twintig arbeiders haalden de liggers weg waarop hij naast de brug gelegen had. We wachtten nog tien minuten en toen schommelde hij zes duim boven alle vaste punten van het platform. De voorman commandeerde: ‘Touwen los!’ en de twee stoomboten trokken langzaam en voorzichtig de sleeptrossen aan.

Majestueus voer het wonderlijke dubbele vaartuig de stroom op: de twee barken met de tweehonderdvijftig voet lange reuzenbalk die ze verbond. De houten steiger waarvan we wegdreven, bevindt zich boven de brug. Omdat de stroming tijdens de opkomende vloed landinwaarts gaat, laten ze de barken in die richting drijven, om ze verder stroomopwaarts over de baai weg te slepen. Pas dan wordt de balk langzaam gedraaid en in een positie evenwijdig aan de brug daarheen gesleept. Die gewone, maar altijd nog wat onbehaaglijke manoeuvre lukte net als vroeger, maar we merkten nu pas hoe onrustig het water was. Hoe dichter we bij het midden van de baai kwamen, hoe hoger de golven werden. De blauwe hemel was verdwenen, er kwam een fluitende wind van zee en hier en daar zag je witte schuimkoppen zoals op zee. We voeren natuurlijk altijd met de grootste voorzichtigheid, zodat de vaart gewoonlijk dertig à zesendertig minuten duurde. De arbeiders zagen dit als een van hun pleziertjes en zaten gewoonlijk op de rand van de bark te kletsen. Vandaag viel de een na de ander stil en keek nadenkend over de winderige vlakte, waarover verder stroomafwaarts al stormachtige regenbuien veegden.

‘Geen goede dag om te varen, kapitein!’ zei ik tegen de oude schipper, die met een tros in zijn hand strak naar de laatste, nauwelijks boven water uit komende pijler stond te kijken, waarop we aanstuurden. Een witte krans van golven, als een kleine branding, markeerde de plaats duidelijker dan anders.

‘Nee!’ zei hij en had duidelijk geen zin in een gesprek. Van tijd tot tijd sproeide er nu water over het dek, want de schepen lagen met hun geweldige last tamelijk diep. Soms trof een golf de zijkant van het schip met een luide, harde klap. Dan ging er een siddering door onze vakwerkbalk, van het ene schip naar het andere, zoals wanneer je een snaar aanslaat. Daarbij huilde de wind nu hoorbaar en voerde stroomopwaarts dichte nevels aan. De stemming werd onbehaaglijk.

‘Kunt u zwemmen?’ vroeg ik onnodig aan de knorrige oude man, om wat leven in de brouwerij te brengen. Het leek me steeds raadzaam om bedenkelijke momenten tenminste met de schijn van humor tegemoet te zien, als je ze niet meer kunt vermijden. Zonder me een blik waardig te gunnen ging de man naar de boeg van het schip. Daar hingen twee reddinggordels. Hij maakte er een los en wierp me die gooide toe. Het antwoord liet aan duidelijkheid niets te wensen over. Een paar arbeiders lachten onbehaaglijk.

Ons vaartuig had nog niet het midden bereikt van de rivier, die ons met geweld van de brug af en stroomopwaarts dreef, wat overigens helemaal in het plan van de manoeuvre paste.

‘We kunnen zeker niet terug, kapitein?’ vroeg ik na een lange pauze, waarin we niets hoorden dan het klotsen van het water, het suizen van de wind en het regelmatige daveren van de twee stoomsleepboten.

‘Nee!’ zei de man.

‘Het transport van de balk kan net zo goed morgen gebeuren, als de baai rustiger is,’ zei ik.

‘Nee!’ was het laconieke antwoord onder de gescheurde matrozenpet. Daarop maakte hij van zijn twee holle handen een megafoon en brulde in de nevel iets wat ze aan beide oevers wel konden horen, maar volgens mij nergens konden verstaan. De sleeptrossen van de linker stoomboot en ons schip kwamen met een ruk strak te staan en die van de andere zonken in het water. De vakwerkbalk draaide en kwam langzaam dwars op de stroomrichting te liggen.

Toen keerde de kapitein zich pas naar mij, terwijl hij goedmoedig knipoogde, alsof er tussen mijn opmerking en zijn antwoord geen vijf minuten lagen. ‘Vanaf het moment dat we wegvoeren denk ik daaraan, mister Harold’ – de mensen noemen me allemaal bij mijn voornaam, die makkelijker in de mond schijnt te liggen – ‘maar het gaat niet. Geen enkele stuurman is daarop ingesteld. Hoe wilt u de vier schepen zo commanderen dat alles samenwerkt? Dat moet van tevoren geregeld zijn. We zouden de brug kapotstoten of een andere ramp veroorzaken. We moeten het net zo doen als anders. Gaat het, dan gaat het; gaat het niet –‘

Daarmee was zijn spraakzaamheid uitgeput. De vakwerkbalk lag nu evenwijdig aan de brug, dwars op de rivier. Beide stoomboten trokken uit alle macht tegen de woedende stroming in, die ons tegemoetraasde. Aan de boeg van onze schepen sloegen de golven nu voortdurend over boord. De barken deinden op en neer in een onrustige beweging die overging op de balk, die zich huizenhoog boven zijn liggers verhief. Maar doordat de twee schepen niet in hetzelfde tempo wilden bewegen, trilden en knarsten de liggers vervaarlijk.

‘Hierheen, mensen!’ schreeuwde de kapitein, ‘alle mannen naar voren!’ Ze gehoorzaamden met ongewone behendigheid. We naderden nu de pijlereilanden, waarop een half dozijn mannen ons opwachtte, letterlijk gehuld in het witte schuim van een kleine branding. De stoomboten waren al tussen de pijlers door gevaren en lieten de sleeptrossen vieren. Nu, met de pijlereilanden als vaste punten, zag je pas hoe geweldig ons tweelingvaartuig stampte en slingerde. Het was huiveringwekkend. Ik begon aan jou te denken, Billy, en aan de kleintjes.

Met de beste wil van de wereld kan ik niet precies vertellen wat er nu gebeurde. Het was voor de stuurlieden waarschijnlijk niet mogelijk precies midden tussen onze twee pijlers koers te houden. Ook hadden de sleepboten ons niet helemaal evenwijdig aan de brug getrokken. Wij waren met ons eind van de balk nog een paar voet van de pijler verwijderd. Toen kwam er een vreselijke klap van de andere kant. Vijf, zes mensen vielen neer. Daarna nog een klap. De dwarsliggers kraakten en draaiden, de dikke trossen die de balk rechtop hielden sprongen en vlogen als zwepen door de lucht. Aan het verre eind kwam de boeg het water uit als een steigerend paard. Bij ons schoof de vakwerkbalk naar achteren, langzaam en onstuitbaar; de dwarsliggers vielen uiteen tot een hoop splinters en toen was er tien seconden lang een sissen en razen, een klotsen en slaan, een knarsen en suizen waarin je niet wist of je in het water of op het droge, op je voeten of op je kop stond. En dat geschreeuw!

Toen ik weer een beetje tot mezelf kwam en om me heen kon kijken, stond ik naast de oude kapitein op het pijlereiland. Onze grote vakwerkbalk was spoorloos verdwenen en de stroom sleurde eroverheen, hier en daar nog een beetje gorgelend, alsof de ongewone hap niet slecht gesmaakt had.

Het verbazingwekkende was dat er geen man verloren ging. Aan het andere eind waren de meesten in het water gesprongen. Maar doordat de mensen op de pijlers twee bootjes bij zich hadden, werden ze zonder problemen opgevist. Aan onze kant waren er een gebroken been en een paar gebroken ribben, waarvoor we God mogen danken. Doordat al onze mensen zich voor op het schip bevonden, konden ze met een sprong de reddende oever van het eilandje bereiken en lachten al weer, wanneer ze aan al het gehuppel dachten en aan de ongelooflijke sprongen die ze gemaakt hadden. Ons bijna verpletterde schip hing nog aan de sleeptrossen van de stoomboot en het andere was met de vakwerkbalk ten onder gegaan. De stoomboten brachten iedereen zonder uitstel naar de oever. Ik vond het niet onaangenaam om weer vaste grond onder mijn voeten te hebben, omdat het meteen daarop verschrikkelijk begon te regenen.

Een klein schiet- en dankgebed had de gezonken vakwerkbalk ons allemaal ontlokt, van de zwijgzame kapitein tot de tienjarige lichtmatroos, wiens tongetje van opwinding niet meer tot rust kwam; ieder in zijn eigen taal en er waren wonderlijke talen bij. Maar Hij die ons behouden heeft, verstaat ons ook en vergeeft ons het gestamel. Het was iedereen ernst.

Toen moesten we aan het werk. Dat is het goede van zulke dingen: ze laten je geen tijd om lang over de gemorste melk na te denken. Eerst werden er telegrammen naar jouw papa en Griffin gestuurd, waarover ze allebei behoorlijk gescholden zullen hebben. Op veilige afstand is dat immers een onschuldige vorm van troost. Deze werden gevolgd door een telegram naar Leith, om zo snel mogelijk twee geoefende duikers te laten komen. Toen werd een van de sleepboten met een bark en twintig man naar Pebbleton gestuurd om alle hijswerktuigen te halen die op het land voorradig waren. Ze namen ook het gebroken been en de ribben mee om die in het plaatselijke ziekenhuis af te leveren. De verongelukten bekeken de zaak met stoïcijnse kalmte en verheugden zich op een paar weken ongestoord ziekteverlof. Het is werkelijk een slag mensen van hard gietijzer. Daarmee was gebeurd wat voor het ogenblik gebeuren moest en er was tijd om jou dit briefje te schrijven, dat je hopelijk plezier zal doen.

Het is intussen avond en eb geworden. Desondanks is er niets te zien van onze balk. Met mij gaat het prima. Zo’n intermezzo, waarna je weet wat je waar moet aanpakken, zie ik als een groot genot na de slapeloze nachten door de ingebeelde zorgen. Jij begrijpt me, maar zeg het tegen niemand. Dit moet geheim blijven.

Voor altijd je

Harold

*

Pebbleton, 23 september 1877

Hiep, hiep, hoera! Alsjeblieft, Eyth, nog een keer: hiep, hiep, hoera! Gisteren is de eerste locomotief over onze brug gereden. En hoe!
Het was een gekkenhuis de afgelopen drie maanden. We wilden met alle geweld het karwei waaraan we nu al bijna acht jaar werken voor het invallen van de winter klaar hebben en het geweld heeft overwonnen. Iedereen werd uiteindelijk op een geweldige manier aangestoken door deze razende koorts, en ikzelf was een van de zwaarstgetroffenen, hoewel mijn werk eigenlijk alleen uit toekijken bestond. Alleen de telegrammen van de oude Bruce, die onvermoeibaar de hoop uitsprak dat hij de voltooiing van de brug nog mee mocht maken, het rondstampen en schreeuwen van Griffin en zijn mensen, die – het is godgeklaagd – zogenaamd overijverig heel wat slechte stukken giet- en smeedijzer in de bouw gesmokkeld zullen hebben, werkten aanstekelijk. Ik schreeuwde, stampte en telegrafeerde net als zij. Eerlijk gezegd liet ik me graag aansteken en werkte mee alsof ik een van Griffins jonge mensen was, in plaats van hun opzichter. Het deed me goed. Ik heb me lang niet meer zo tevreden en zorgeloos gevoeld. Zelfs bij een straffe herfstwind kan ik sinds een tijdje weer rustig slapen. Ik denk dat ik een eind op weg was om ernstig ziek te worden, voor die stormachtige weken kwamen. Dwangvoorstellingen kunnen je gezondheid ruïneren.

Gisteren dus, om tien uur ’s morgens, werd de laatste rail op de dwarsligger geschroefd. Het was tussen de tweeëndertigste en drieëndertigste pijler in een van de lange vakwerkbalken van het middenstuk. Wij allemaal, Griffin, ik en een half dozijn van zijn ingenieurs en opzichters, stonden plechtig rond de dwarsligger waarop de laatste verbindende schakel tussen noord en zuid rust. Bruce had jammer genoeg kou gevat en kon niet komen. De oudste spoorwegarbeider ter plaatse mocht de laatste bout door de laatste lasplaat steken en aandraaien. Ik had de operatie de afgelopen maanden wel duizend keer bekeken, zonder daar iets anders bij te denken dan dat het iets sneller zou kunnen. Vandaag had ik het gevoel of de oude kerel mijn hart dichtschroefde, pijnlijk en weldadig tegelijk. Griffin had voor een paar flessen champagne gezorgd. Die namen de spanning een beetje weg en zorgde voor de gebruikelijke feeststemming. Voor de arbeiders zou die pas ‘s avonds beginnen.

En nu kom ik aan een hoofdstuk dat jij jammer genoeg niet begrijpt, maar dat ik je toch niet kan onthouden. Zodra de rail vastgeschroefd zat en het vereiste gebrekkige hoera uitgestoten was, reden Griffin en ik met een lorrie naar Pebbleton, waar op ons verzoek een locomotief onder stoom stond. Die moest met ons meteen de eerste rit over de brug maken: dat genot lieten we ons niet ontgaan. Vrolijk floot ze ons tegemoet, toen we het station in reden, maar verbaasde me ook een beetje, niet omdat er een halfverbrande guirlande om de schoorsteen en een rozenkrans aan de hefboom van de veiligheidsklep hing – dat was een poëtische machinist, die op een mooie fooi kon rekenen, te vergeven – maar omdat naast de man in plaats van een stoker een dame stond. Ik geloofde mijn ogen nauwelijks. Het was Billy.

‘Damn!’ riep ik in mijn beste brug-Engels, ‘wat doe jij hier? Kom jij eens gauw naar beneden, schat!’

‘Damn, kom jij eens gauw naar boven!’ zei ze. ‘We hebben 130 pond stoomdruk en kunnen niet langer wachten!’

We vochten een controverse uit! Griffin, die onze echtelijke gevechten niet kende, was er heel verlegen mee, dat wij elkaar heftig uitscholden en liefdevolle blikken toewierpen. Ze was een uur tevoren speciaal uit Londen gekomen. Ze is het eigenzinnigste schepsel op Gods aardbodem, wat ik bijzonder waardeer. Je weet in de omgang met haar tenminste altijd waar je aan toe bent. Ik zei wel dat ze van duizeligheid zou sterven voor we op de zuidelijke oever waren. Ik zei dat de eerste rit over zo’n brug meestal tot de dood van alle direct betrokkenen leidde en dat haar gewicht zeker de oorzaak van de ramp zou zijn. In plaats van telkens antwoord te geven vroeg ze de machinist waar de hefboom voor de fluit zat, en ze floot. Toen ik haar aan haar slecht opgevoede kinderen herinnerde, vroeg ze of ik zo’n ontaarde vader was dat ik die er ook nog bij wilde. Ik zag dat het allemaal niet hielp. Daarom stapten we in, namen haar in het midden, zetten haar op een omgevallen kolenkit en reden weg.

Natuurlijk werd er langzaam gereden, zodra we de brug bereikten, om van de omgeving te genieten, zoals je je voor kunt stellen. Het was een winderige, zonnige herfstmiddag; land en water straalden van de bergen in het westen tot ver in het oosten, waar de open zee zich spiegelde in de hemel, die licht als water was. Over het eerste stuk van de brug, waar de vakwerkbalken onder de rails liggen, zag de rit er fantastisch uit, vooral omdat de planken aan de kant van het spoor en de reling nog ontbreken. Het leek of we torenhoog boven het water hingen en of de locomotief door de lucht zweefde. Hier deed Billy haar ogen toch liever dicht en werd een beetje bleek, zodat ik haar uit kon lachen en zonder verzet kon kussen. De wraak was zoet. Daarna kwamen we op de middelste brug, waar de locomotief door de vakwerkbalk heen rijdt. Hier voel je je veiliger, hoewel het tegendeel het geval zou moeten zijn. Als er één deel van de brug twijfelachtig is, dan dit. Op momenten vergat ik hier mijn vrouw. Tien jaar werk stond op het spel. Griffin en ik keken elkaar aan. Zonder een woord te zeggen wisten we wat de ander dacht. Maar in de geweldige vakwerkbalken was werkelijk niet de minste trilling te voelen. We reden trouwens heel langzaam en voorzichtig. Nu kwamen we weer in het open gedeelte. Billy was nu aan alles gewend en keek vrijmoedig om zich heen. En toen we op de andere oever tussen de granieten obelisken door reden, die het einde van de brug tooien, en het honderdstemmige hoera van de arbeiders de locomotief verwelkomde en tegelijkertijd de vaten bier aan kwamen rollen en het hoera tienmaal zo luid klonk, toen pakte ze mijn hoofd en mishandelde me ten overstaan van de volksmenigte op een onverantwoordelijke manier.

Zoals ik al zei, Eyth, ik heb medelijden met je, dat jij dit allemaal niet begrijpt. Maar het is en blijft een trots gevoel, met de angst in je hart over een werk van tientallen jaren te rijden en te voelen dat het er staat en altijd zal blijven staan. Dat zul je nog wel begrijpen en dat is eigenlijk alles wat ik je vertellen wou.

De officiële test, waarbij op iedere vakwerkbalk zes zware locomotieven komen te staan, is waarschijnlijk pas over een maand. Ik maak me nu helemaal geen zorgen meer en lach om het hardst met Bruce, als de oude Jenkins weer lange gezichten trekt. Wat de breeksterkte betreft is er absoluut niets meer te vrezen.

De eigenlijke opening van de brug zal dan drie maanden later zijn. We willen in de winter alleen goederentreinen over de brug laten rijden om het arme publiek aan de zaak te laten wennen. Er zijn aan weerskanten van de baai namelijk nog steeds angstige mensen, die de brug niet vertrouwen, al heeft Billy die persoonlijk getest en goedgekeurd.

En wat vind jij er nu van?

Het was de afgelopen jaren soms een troost, beste vriend, dat ik mijn bezorgde hart voor je uitstorten mocht. Daarom sta ik erop, dat je als zwijgende deelgenoot van mijn zorgen niet bij het openingsfeest ontbreekt. Onze dappere Schindler, doctor en professor Engels en Frans, heeft al toegezegd dat hij komt en zal zeker een feestrede in een mengelmoes van talen ten beste geven. Ook Billy rekent op je en is gewend dat anderen haar gehoorzamen. Als je op het ogenblik in Hindostan of Mexico aan het werk bent, zorg dan dat je op tijd in Pebbleton bent. Met minder nemen we geen genoegen.

In oude vriendschap je

Stoß

bruggenbouwer op non-actief

tay7

4

Een zware last

Van de officiële opening van de Ennobrug genoot ik alleen door een enthousiaste beschrijving die onze oude vriend Schindler me in de steppen van Rusland nastuurde. Niet alleen om zijn Engels op te halen, wat hij voor zichzelf als excuus gebruikte, had hij gehoor gegeven aan Harolds herhaalde uitnodiging. In de grond van zijn hart was hij nog altijd meer ingenieur dan taalkunstenaar en volgde vanuit zijn Thüringse uitkijktoren ons leven met hartstochtelijke deelneming en enthousiasme zonder jaloezie. Daardoor zag hij ook veel in een rooskleuriger licht dan wij, die de dingen van dichtbij genoten. Zo waren de dithyramben van zijn feestverslag voor mij wel te verklaren.

Een heel jaar later waarin we weinig of niets van elkaar gehoord hadden, bevond ik me in het uiterste noorden van Schotland, in Dunrobin, als gast van de hertog van Sutherland. Het was de avond van een even interessante als vermoeiende dag. De hertog was ’s middags voor aangelegenheden betreffende de zalmvisserij naar de westkust vertrokken. Zo kwam het dat de heer Greig, een van de leidende firmanten van Fowler & Co, en ik ’s avonds in een kleine, antieke zaal van het kasteel met een glas whisky bij elkaar zaten om de gebeurtenissen van de dag te bespreken. In de haard brandde een machtig houtvuur, dat zijn flakkerend licht liet schijnen op de rijke, duistere inrichting van de kamer, waarin ons de weelderigste behaaglijkheid tegemoettrad in vormen die uit voormiddeleeuwse tijden leken te stammen. Ook zonder de hertengeweien en everzwijnkoppen en de reuzenhorens van uitgestorven stieren had je kunnen denken dat je in de behuizing van een van de oud-Keltische Highland-lairds verdwaald was, op wiens land Dunrobin stond. Greig, een onvervalste Schot, voelde zich volkomen thuis. Voor mij was de hele omgeving met haar neiging tot het reusachtige en Ossian-achtige een ongewoon genot na de koele werkelijkheid waarmee we overdag omgeven waren.

De hertog was een van die originele figuren waarover we ons in zijn eigen vaderland nauwelijks verbazen: ondanks zijn oude geslacht en ondanks zijn fabelachtige rijkdom was hij een van de mannen van onze tijd, zoals ze misschien alleen in de bodem van de Engelse aristocratie gedijen, waar men begrepen heeft dat oude wapens niet meer toereikend zijn om de glans van het oude wapen te behouden. Zijn grootvader had Sutherlandshire, het stamgraafschap van de familie, met zijn eigenaardigheden bijna te gronde gericht en zijn kleinzoon wilde het met de zijne weer redden. De eerstgenoemde was een hartstochtelijk jager geweest. Zijn eerzuchtige doel was de verandering van de hele noordpunt van Schotland in een reusachtig wildpark. Duizenden van zijn boeren had hij genoodzaakt te emigreren, hij had de boerderijen afgebroken en op de velden bos en heide aangeplant. Al het land dat hem in de weg lag, werd zonder op de kosten acht te slaan voor hetzelfde doel aangekocht. Toen hij stierf, was de bevolking van Sutherlandshire met zestig procent afgenomen.

De huidige hertog stond op het punt om de verdwenen plattelandsbewoners terug te halen. Dat was in het ruwe noorden geen heel gemakkelijke taak. Bos en hei moesten weer ontgonnen worden, akkers en weiden in cultuur gebracht worden, huizen moesten gebouwd worden en wat honderd jaar geleden goed genoeg was voor de harde, eenvoudige boeren was tegenwoordig volkomen onbruikbaar. De stenen en rotsen waarop de grootvader zijn armzalige ploeg had stukgestoten, moesten allereerst verwijderd worden, voor er velden konden ontstaan waarop een landbouwer van onze tijd met enige kans van slagen aan het werk kon.

Deze taak moesten de stoomploegen van de hertog vervullen, waarvan er in de wijde omtrek van Dunrobin al acht continu in bedrijf waren. Het was een verbazingwekkend karwei, waarvoor een hele serie speciale gereedschappen eerst nog ontwikkeld moest worden. In het begin was het onmogelijk een gewone stoomploeg over de met rotsen bezaaide hei te laten gaan. Een enorme haak, die eruitzag als een groot, eenarmig scheepsanker, werd door machines met dertig paardenkrachten in werkelijkheid met de kracht van tachtig paarden twee voet diep door de grond getrokken en die rukte alle stenen die hij tegenkwam de grond uit. Blokken van een halve kubieke meter leken spelenderwijs uit de onderwereld te komen. Stuitte de machine op een oud granieten zwerfblok, dat op deze manier niet te overwinnen was, dan werden daarop de dynamietpatronen aangebracht die de arbeiders altijd zorgeloos, naast hun brood met spek in hun tas bij zich droegen. Na deze voorlopige bewerking had het volkomen witte veld, dat bedekt was met losse stenen en rotsblokken, het aanzien van een verstard stormachtig meer. Zelfs met de ruigste kar kon je niet over deze stenen zee rijden zonder die kar kapot te maken. Daarom werd er een eigenaardig gevormde slee tussen de stoomploegmachines heen en weer getrokken, waarop de stenen naar de randen van het veld gesleept werden. Daar kantelde de slee automatisch en wierp zijn vreselijke lading af. Zo ontstonden langs de begrenzingen van de velden hoge wallen van rotsblokken, die gedeeltelijk voor de bouw van woonhuizen en stallen, maar vooral ook voor massieve muren rond de velden zelf gebruikt werden. Daarna kon er pas een gewone stoomploeg aan het werk gaan om het veld te ploegen voor het eerste haverzaad, dat met huis en hof aan de nieuwe pachter gegeven werd. Er waren al enkele van die boerderijen bewoond en in vol bedrijf, maar nog steeds moesten we de machines veranderen en verbeteren die dit wonderlijke, voor gewone mensenhanden ondoenlijke werk uitvoerden. Het geheel was een favoriete opdracht van mijn baas en vriend Greig, maar ik werd er ook vaak bijgehaald, als het om een bijzonder netelig mechanisch probleem ging. Zo had ik deze keer geëxperimenteerd met een nieuw geconstrueerd hulpmiddel, waarmee de transportslee ieder moment en op iedere plaats aan de bewegende, gladde kabel van de stoomploegen bevestigd respectievelijk losgekoppeld kon worden. De hertog was door deze experimenten in een opperbeste stemming geraakt. Hij had ons lachend en babbelend in zijn eigen wagen naar Dunrobin teruggebracht.

Toch ontbrak het ook de vorstelijke miljonair niet aan zorgen, want in alle hoeken van de aarde had hij zijn ijzers in het vuur: zowel aan de Nijl, in Newfoundland, in Bengalen als in Sutherlandshire. Of hij om die reden de slechtste kleermaken van Groot-Britannië voor zichzelf had uitgezocht, werd achter zijn rug vaak gevraagd en nooit helemaal opgehelderd. De agrarische verhoudingen van de nabije toekomst, waarop hij een heldere visie had, en het ruwe klimaat van Noord-Schotland deden hem vrezen dat zijn werk op deze plaats uiteindelijk vergeefs zou kunnen zijn en dat de pachters het ondanks alle concrete aanmoedigingen onder zo’n hemel niet zouden reddenn. ‘Ik weet wel wat ik dan doe,’ zei de hertog met grimmige vastberadenheid, ‘als het niet gaat, als de Amerikaanse concurrentie en het Engelse weer ons hier in het nauw brengt, ga ik mezelf concurrentie aandoen. Ik heb vorige week een neef naar Manitoba gestuurd om dertigduizend acre prairieland te kopen. Desnoods stuur ik over een paar jaar al mijn pachters de Grote Plas over, achter hem aan. We moeten de moed erin houden, mijne heren, wat er ook gebeurt.’

Nu zaten Greig en ik bij elkaar en we overlegden allerlei dingen die de ruwe dag opgeleverd had, technische en agrarische zaken, sociale en politieke kwesties. De whisky van de hertog was voortreffelijk en behaaglijker beklede leunstoelen waren er ondanks hun barbaarse aanzien in de wereld niet te vinden. Een oude, als uit hout gesneden kamerdienaar in Schotse klederdracht kwam binnen en reikte ons op een zilveren bord, dat je in een reuzengraf gevonden had kunnen hebben, een paar brieven. De avondpost was zojuist bezorgd. Het adres van mijn aandeel, dat uit Leeds nagestuurd leek, verraadde een onbekende vrouwenhand. Brieven van onbekende vrouwen kreeg ik altijd maar zelden. Ik draaide hem daarom nadenkend om en om en probeerde te raden van wie hij wel kon zijn, in plaats van hem open te maken, wat toch algemeen gebruikelijk is. Greig had de zijne zonder aarzelen opengescheurd, in een halve minuut gelezen en ongeduldig op de grond gegooid en staarde met een steeds dieper wordende frons in het vuur van de haard. Hij was een van de mensen die van tijd tot tijd behoefte hebben aan een dosis boosheid; dan was het raadzaam om af te wachten wat hij daarmee dacht te doen. Ik keek met belangstelling hoe het rode schijnsel van het vuur in zijn rode baard speelde. Als halve gnoom en halve vuurduivel was de wakkere Schot in deze omgeving helemaal in zijn element, maar het was beter hem dan niets in de weg te leggen.

‘Het gaat verdomd slecht in Leeds, Eyth!’ begon hij ten slotte en pakte zijn glas whisky.

‘Is er iets in de lucht gevlogen? Komt er een staking?’ vroeg ik vol begrip.

‘Erger,’ mopperde Greig. ‘Vorige week zijn er maar twee stoomploegen besteld, de week daarvoor maar een, en die mag pas volgend voorjaar geleverd worden. Onze magazijnen zijn straks overvol.’

‘In de hele wereld gaan de zaken tegenwoordig slecht,’ probeerde ik hem te troosten. ‘We kunnen er niet van uitgaan dat wij daar niets van merken.’

‘Maar dat gevoel is een bar slechte troost,’ antwoordde Greig. ‘Sinds de vette Egyptische jaren kunnen we per week vijf, zes complete stoomploegen in de wereld afzetten. We moeten er een plaats voor vinden, land, werk! Er moet iets gebeuren.’

‘Als we ook eens naar Manitoba gingen,’ stelde ik voor.

‘Nee,’ zei Greig, terwijl hij peinzend een enorme sigaat van de hertog aanstak. ‘Niet naar Manitoba, maar naar Peru. Wanneer kun je weg?’

Hij verwachtte geen antwoord en keek weer peinzend in het vuur.

‘Vorige week heb ik met meneer Fowler geluncht in de Reform Club in Londen,’ vervolgde hij na een lange pauze. ‘Toevallig. Hij had een Peruviaan uitgenodigd, een señor Aspillaga – suikerplanter. Hij brengt per jaar achthonderd vaten ruwe suiker op de Londense markt en kon niet genoeg vertellen van de reusachtige fabrieken die ze daar nu bouwen. Egyptische stijl.’

‘Zonder onderkoning?’ vroeg ik onzeker.

‘Dat is misschien nog het beste eraan. Hij overlaadde ons met eindeloze verhalen over de fabrieken, over de reusachtige plantages en over het gebrek aan arbeiders. Er zijn de laatste tijd problemen met de Chinezen. Ze hebben arbeidskrachten nodig, vooral op het land en ze weten niet waar ze die vandaan moeten halen, de heren in Peru.’

‘Tot zover zou het iets voor ons zijn,’ zei ik met groeiende belangstelling.

‘Kortom, Eyth: we moeten een nieuw land ontsluiten!’ riep Greig, terwijl zijn gezicht plotseling opklaarde. Hij liet het altijd aan zijn toehoorders over om tussen zijn zinnen een logisch verband aan te brengen. ‘Wanneer kun je op reis? Volgende week? Goed. Ga dan morgen naar Londen. Maar neem in Leeds meteen je koffers mee. Bespreek de zaak met meneer Fowler! Laten we eens kijken!’

Hij ging naar de enorme eikenhouten tafel in het midden van de kamer, die met haar bestudeerd ruwe stijl uit een rest van een oerwoud uit de ijstijd afkomstig leek, maar waarop in kostbare mappen en banden een rijke voorraad dienstregelingen en diverse reisgidsen lag.

‘Kijk!’ riep hij na een minuut gepruts met mappen, ‘zaterdag gaat de eerste stoomboot van Southampton naar Panama. Dat is jouw boot. Ik ga morgenvroeg naar Glasgow. Jouw trein gaat pas om negen uur via Edinburgh. Laat iets van je horen en doe je best. We hoeven elkaar morgenvroeg niet meer lastig te vallen. Welterusten!’

‘Maar ik ken geen woord Spaans,’ wierp ik tegen, omdat ik me toch wat zorgen ging maken.

‘Ik ken maar twee talen, die verdacht veel op elkaar lijken,’ zei hij lachend, ‘Engels en Schots, en ik reis de hele wereld af. Ze verstaan me overal, als ik hard genoeg praat. En jij hebt vier weken de tijd aan boord. Kijk een boek in, als je dat nodig vindt. Ik denk er anders over. – Er is vandaag dan toch nog wat gebeurd: ik voel me beter. Welterusten, Eyth!’

De laatste woorden sprak hij met een plotselinge opwelling van hartelijkheid, die ik wel waarderen kon. Eigenlijk mochten we elkaar heel graag, en dit was waarschijnlijk een afscheid voor jaren.

De houterige kamerdienaar deed vergeefse pogingen om hem de slaapkamerkaars af te pakken en voor hem uit te dragen die hij van een bijzettafeltje gepakt en aangestoken had. Het lukte niet. De oude man volgde de energieke heer eerbiedig, maar hoofschuddend door de vroeggotische deur van de zaal.

Nu had ik tijd om aan mijn brief te denken. Het Peruviaanse plan kon wachten. Ik had het al half en half vermoed: hij was van Ellen Stoß en maakte dat ik steil achteroversloeg van verbazing. Hij luidde als volgt:

Ennovilla, Richmond, 18 november 1879

Beste meneer Eyth,

Wilt u mij in een noodsituatie waar u geen idee van hebt een dienst bewijzen waarvoor ik u altijd dankbaar zal blijven? Komt u dan bij ons op bezoek of probeert u mijn lieve man te spreken te krijgen, voor u weer uit Engeland verdwijnt. Want je weet bij u nooit hoe lang u bereikbaar bent. Ik denk dat hij ernstig ziek is of op weg is het te worden. Probeert u hem over te halen om een jaar uit Engeland weg te gaan. Egypte, de Kaap, West-Indië – het maakt niet uit waar, als hij maar weggaat. Meer hoef ik niet te zeggen, want ik weet dat u een van zijn trouwste vrienden bent en dat hij zelf zal zeggen wat u weten moet om ons te helpen. Zaterdag gaat hij naar Pebbleton. Misschien kunt u in Leeds, waar hij om tien uur aankomt, een uur voor hem uittrekken. Hoe dan ook rekent op uw vriendentrouw

uw dankbaar toegenegen

Ellen Stoß

Dat was voor een Engelse een zo dringende, dodelijk ernstige brief, dat ik nog in mijn leunstoel lag te peinzen, toen de houterige kamerdienaar terugkwam om te zien of het mij beliefde me door hem naar mijn slaapkamer te laten leiden.

Het was vandaag vrijdag, en als ik bedacht wat er de volgende week moest gebeuren, was er geen uur te verliezen.

‘Is het mogelijk om morgen in alle vroegte van Dunrobin naar Richmond of Londen te telegraferen?’ vroeg ik de man.

‘Ieder uur van de nacht, als u dat wenst,’ antwoordde hij. ‘Zijne Genade de hertog kan niet in een huis slapen waarin niet op ieder uur van de nacht naar alle vijf de werelddelen getelegrafeerd kan worden. De hele nacht zit hier een telegrafist klaar, ook als Zijne Genade er niet is.’

‘Goed, geeft u me dan een formulier,’ zei ik. Het lag al klaar op de tafel uit het stenen tijdperk en er stond een ingedoopte pen naast, voor ik opgestaan was. Ik schreef:
Stoß. Ennovilla. Richmond. Ben morgenmiddag vier uur op station Ennobrug. Moet je voor vertrek naar Peru dringend spreken. Zorg dat je er bent. Eyth.
Daarna ging ik slapen, hoewel niet overdreven gerustgesteld. Over Peru maakte ik me geen grote zorgen. Hoe meer ik eraan dacht, hoe blijer ik werd bij de gedachte de oude Inca’s iets voor te ploegen. Zoals ik me uit de geschiedenisles herinnerde, waren het deskundige heren, waar goed mee te praten viel. Maar Stoß? Wat kon mijn vriend overkomen zijn? Een affaire met een vrouw? Nauwelijks voor te stellen. Ik kon de gedachte niet van me afzetten dat er iets ergers aan de hand was. – Maar wat een onzin! Iets ergers was niet mogelijk.

*

Toen ik Stoß de volgende middag op het afgesproken uur zag staan op het perron van het stationnetje, dat een halfuur voor het zuideinde van de beroemde Ennobrug aangelegd is als knooppunt van twee uit het zuiden komende spoorlijnen, kon ik een zekere schrik niet onderdrukken. Hij was sinds onze laatste ontmoeting opvallend veranderd. Zijn houding was duidelijk gebogen; soms, als hij zich daarvan bewust werd, ging hij met een nerveuze ruk rechtopstaan. Hij was magerder geworden. Zijn vroeger volle, gebruinde wangen waren ingevallen en tendeerden naar geel en tussen zijn donkere haren waren de grijze al niet meer te tellen. Het eigenaardigste waren zijn ogen, die ooit zo opgewekt en uitdagend de wereld in gekeken hadden. Ze leken groter dan vroeger, als hij ze opsloeg en dan lag er iets van een angstige vraag in zijn blik, die onzeker en half bewusteloos in het rond zocht. Maar hij keek zelden op en vermeed het een ander aan te kijken. Meestal keek hij naar de grond, alsof hij in diep gepeins verzonken was. Dan zag je ook zijn bleke onderlip bewegen, terwijl de vingers van zijn linkerhand voortdurend bewogen, alsof er een slechte componist aan het werk was. Er was geen twijfel aan: mijn goede Stoß was ziek.

We begroetten elkaar hartelijk, hij met ongewone heftigheid en beiden blij met de geslaagde ontmoeting, want Stoß was ook nog geen vijf minuten tevoren met de trein uit het zuiden aangekomen. Het was bijna tot een kus gekomen, als ik die niet met een energieke handdruk voorkomen had. Mannen kussen elkaar niet op Engelse spoorwegstations zonder opzien te baren, wat ik niet nodig vond. Maar in Stoß werd de oude Oostenrijker wakker en ik zag nu duidelijk aan het beven van zijn lippen hoe zacht hij was.

We hadden beter in Pebbleton kunnen afspreken, vond hij. Daar was een voortreffelijk hotel. Hier lag op een kwartier van het Ennobrugstation alleen een klein, maar wel heel gezellig café, waarin we in ieder geval beschutting tegen regen en wind zouden vinden.

Ik zei dat ik gekomen was voor de Ennobrug, omdat ik het enorme bouwwerk onder leiding van een van zijn scheppers graag zou zien. Voor mij was vandaag de openingsceremonie. Ik hoopte dat hij een aantal vlaggen meegenomen had om uit te hangen. Voor het feestelijke koor en de hoera’s zou ik dan zorgen.

Er ging een zenuwtrek over zijn gezicht, alsof hij lichamelijke pijn had, maar dat duurde maar even. Daarna sprong hij op en lachte voor het eerst op zijn oude manier.

‘Je bent nog altijd door en door slecht!’ begon hij. ‘Toen we hier de vijftig in het wit geklede mensen hadden, heb je je natuurlijk niet laten zien. Wordt het dan nooit wat met jou? Je moet de groeten hebben van mijn vrouw en ze wil weten hoe het zit. – Goed, laten we naar de brug kijken, dat is ook mijn doel, vandaag en de komende dagen. Als het gaat schemeren, gaan we in de Golden Bridgehead bij elkaar zitten tot vanavond om 9.30 mijn trein gaat, want ik moet helaas verder. De directeuren van de North Flintshire Railway komen morgenochtend bij elkaar in Pebbleton; een van de heren wil me vannacht spreken en ik moet morgen Bruce vertegenwoordigen. De oude heer wordt iedere dag gezelliger en verwaander. De brug was te veel voor zijn morele evenwicht.’

De stationschef, die Stoß met grote hoffelijkheid begroette, nam onze bagage over en beloofde die van mij naar de Golden Bridgehead te sturen, want ik kon pas de volgende morgen met de eerste trein naar Leeds en was van plan hier te overnachten. Daarna slenterden we over een paadje aan de voet van de stijgende spoordijk naar de brug.

Ik vond al gauw mijn oude conversatietoon terug. Bij Stoß wilde dat niet meteen lukken, al zag ik dat hij er moeite voor deed. Hij vertelde hoe het technische onderzoek en de opening van de brug zonder enig probleem verlopen waren en hoe drie maanden later tussen Bruce, de aannemer en de spoorwegmaatschappij alle financiële zaken gladjes en zonder conflicten afgewikkeld waren. De brug had 320.000 pond gekost, ongeveer de helft meer dan twaalf jaar geleden verwacht, maar hij was toch nog bijzonder goedkoop voor zo’n enorm bouwwerk. Er waren op het laatste moment een paar mooie cheques van hand tot hand gegaan en ook hij had niets te klagen. Sindsdien was hij vaker hier, al hadden zijn schoonvader en hij niets meer met het bouwwerk te maken. Toch leek het hem goed van tijd tot tijd nog een blik op dit monument van het afgelopen decennium te werpen. Ook kreeg hij af en toe bericht van een zekere heer Noble, die door de spoorwegmaatschappij tot inspecteur van de brug benoemd was, een uiterst gewetensvolle oude man, die keek of er soms bouten, spieën en klinknagels losgekomen waren. Noble had hem kortgeleden verzocht om bij gelegenheid nog eens terug te komen, en met hem wilde hij de komende dagen de constructie weer eens grondig onderzoeken.

Hij was opgewekt begonnen met vertellen, maar ging steeds zachter praten en haperde op het laatst, alsof grote zorgen hem bedrukten. Van de brug konden we nog steeds niets zien, tot we omhooggingen naar een klein baanwachtershuisje, dat direct voor het bruggenhoofd gebouwd was. Hier hadden we plotseling het hele formidabele beeld voor ons.

Het was een onrustige, winderige middag. Grijswitte wolkenslierten joegen met stormachtige haast van de bergen in het westen naar zee. Grote schaduwen en zonnevlekken vlogen over het weidse landschap en verlevendigden op een wonderlijke manier de machtige watervlakte van de Ennobaai, die zich ongeveer zeventig voet beneden ons uitstrekte. Op de andere oever, nauwelijks zichtbaar in de schaduw van de heuvel, lagen de huizen van Pebbleton en aan het verre strand een rij dorpen en stadjes. Op de achtergrond in het noorden rezen de rustige toppen van de Schotse hooglanden op. In het verre westen doemden dikke wolken op en de zon leek weldra in de vergulde massa te moeten verzinken. Op het glinsterende, beweeglijke water zeilde een dozijn schepen naar zee. Hier en daar zag je een stoomboot, die een brik of schoener met gereefde zeilen sleepte. Maar alles viel hier in het niet bij het machtige bouwwerk, dat een strakke donkere lijn door het beweeglijk verlichte landschap trok en sinds een jaar als de trots en triomf van onze tijd geprezen werd.

Mooi was hij niet, de beroemde brug. Een kwaadaardige criticus had voor de stijl ervan de kwalificatie “vroeg-Amerikaans” bedacht. Maar de duizelingwekkende hoogte boven de waterspiegel en de enorme lengte gaven het bouwwerk zijn eigen karakter, en ook bij bouwwerken is het karakteristieke vaak meer waard dan het schone. Hier lagen in ijzer en steen vastberadenheid, wilskracht en doelgerichtheid. Aan het noordeinde, in de nevelige verte, maakte de brug nog ver voor de oever haar geweldige bocht naar het westen, zodat er duidelijk een lange rij pijlers te zien was, terwijl verreweg de meeste vanuit ons gezichtspunt in de lengterichting van de brug niet te zien waren. Des te meer leek het of de reusachtige vakwerkbalken letterlijk in de lucht hingen. Vooral het middenstuk, dat over een lengte van een kilometer hoog boven de andere delen uitstak, maakte de indruk dat de wetten van de zwaartekracht bij zo’n geweldig bouwwerk niet meer golden. De spoorweg over de baai was maar enkelsporig. Aan beide kanten van de rails lag een smal, geasfalteerd voetpad, dat aan de waterkant van een ijzeren reling voorzien was. Maar tussen de rails en de dwarsliggers kon je nog steeds door de vakwerkbalken het groene water zien en de ijzeren constructie waarop de houten bielzen rustten. De stroom tachtig voet beneden ons, die onze blik op een wonderlijke manier met zich mee trok, droeg niet bij tot het gevoel van veiligheid waarmee ik Stoß volgde, die zonder een woord te zeggen een eind de brug opliep, die zich eindeloos voor ons uitstrekte.

‘Zullen we op een trein wachten?’ vroeg hij plotseling, alsof hij mijn gedachten geraden had. ‘Er is ruimte genoeg voor ons.’

Ik vond dat niet zo’n goed idee en het leek me verstandiger om terug te gaan, omdat het al gauw zou gaan schemeren en de westenwind steeds krachtiger werd. Gezellig kon je deze avondwandeling tussen hemel en water nauwelijks noemen, zelfs niet naast je beste vriend. We maakten rechtsomkeert. Bij het baanwachtershuisje groette Stoß met een ‘Hoe gaat het, Knox?’ een kennis uit de tijd van de bouw, die bruggenwachter geworden was. De oude, goedhartig en betrouwbaar uitziende man beantwoordde de groet met verwondering in zijn ogen, greep onbeholpen naar zijn pet en informeerde belangstellend naar Stoß’ gezondheid.

‘We zijn niet meer zo sterk als vroeger, meneer Stoß,’ zei hij amicaal. ‘Te veel werk! Te veel zorgen! U zou baanwachter moeten worden, meneer Stoß! Gezonde lucht hierboven. Een rustig, klein nestje. Viermaal daags de brug heen en weer, dat is voor een mens nog uit te houden. Niet verder dan het midden, meneer Stoß! Tot pijler nummer drieënveertig. Toen u nog op het bouwwerk was, zei ik al: te veel zorgen vreten aan een mens.’

‘Alles is toch in orde, Knox, voorzover jij weet?’ vroeg Stoß en deed opgewekt, maar met de angstige blik die steeds duidelijker werd.

‘Wat zal er niet in orde zijn, meneer Stoß?’ riep de oude man vrolijk. ‘Vorige week is er weer zo’n rotspie uit de dwarsstang gevallen. Bij pijler nummer vijftien. Maar we hebben het loeder er weer in geslagen, dat hij het wel uit zijn hoofd laat om er nog eens uit te vallen. Alles is in orde! Natuurlijk! U hoeft zich geen zorgen te maken. Bob Stirling aan de overkant en ik, wij houden de wacht!’

We wensten de oude man een prettige avond en liepen naar de kleine heuvel aan de westkant van de brug. Bovenop liggen de zeven zinkkuiparbeiders begraven, voor wie de oude Lavalette een eenvoudig stenen kruis had laten oprichten. Van hieruit kon je het hele bouwwerk in een prachtig panorama overzien en op slag brak de zon nog een keer door de wolken en overstroomde het landschap met rood goud. Vooral de reusachtige schaduw van de brug, die zich scherp tegen de waterspiegel van de baai aftekende, maakte een haast onheilspellende indruk.

Ik schudde Stoß, die nu opgewekter keek, de hand.

‘Ik heb je nog niet gelukgewenst, Stoß, wat ik allang had willen doen,’ zei ik ernstig. ‘Het is echt een groot werkstuk, waar je je twaalf beste jaren aan gewijd hebt. Natuurlijk heb je hem niet alleen gebouwd, en je schoonvader eist alle eer op, zoals dat in de wereld gaat, maar er zit toch heel wat van jou in het ding en daar mag je trots op zijn. Ik ben niet in een hoerastemming, en de zeven doden waar we op staan zijn geen prettig gezelschap. Maar ik denk dat zelfs die blij zijn, als ze zich in een lichte maannacht naar buiten wagen en het zwarte monster daar beneden voltooid zien. Zelfs die arme kerels hebben er hun deel aan en zijn niet vergeefs gestorven.’

‘Nee, die niet: de pijlers staan overeind,’ zei Stoß dromerig. ‘Maar kom!’ Hij wierp nog een lange blik op het in het stormachtige avondlicht opvlammende beeld. Daarop trok hij met een snelle beweging zijn hand terug, die ik vastgehouden had, en liep de heuvel af.

Goed! dacht ik, terwijl ik hem volgde. Maar na de thee moet hij biechten.

*

De twee kamers waarin ik gisteren en vandaag bij mijn afscheid verbleef, waren totaal verschillend. Voor één ding zorgen Engelsen overal, zelfs in café’s, zolang ze nog niet aan de internationale nivellering ten prooi zijn gevallen: zelfs een tijdelijk verblijf is nog behaaglijk. Dat was in het kleine kamertje van de Golden Bridgehead waarin de waardin ons ondergebracht had niet anders dan in het kasteel van de hertog. De lage ramen met de rode gordijnen, het eenvoudige, ouderwetse meubilair, waar de tand des tijds hier en daar aan geknaagd had, maar waarvan de wonden allang weer geheeld waren, het schone tafelgerei, waar je toch het dagelijkse gebruik aan af kon zien, de kolenhaard, die de kleine ruimte meer door zijn rode schijnsel dan door zijn stralende warmte verlevendigde, alles nodigde uit tot een vertrouwelijk gesprekje, en daar ging het mij om. Daarbij rammelde er nu een echte storm aan de ramen, zodat ik me heel prettig gevoeld zou hebben, als ik de oude Stoß nog voor me had gehad. Bij de thee hadden we het over onze eerste tijd gehad en vooral aan Schindler gedacht, die al jaren trouw en gewetensvol als altijd over de vorderingen van zijn technische woordenboek en met regelmatige tussenpozen over de geboorte van vijf meisjes bericht had, die – alle zes – zijn vaderhart zeer verblijdden. Toen gingen we bij de haard zitten en de waardin bracht uit zichzelf de fles whisky en het warme water.

Ook in dat opzicht leken het hertogelijk kasteel en de boerse herberg op elkaar.

‘Wat een wind!’ begon ik, toen de ruiten na een langgerekt, ver grommen weer eens hoorbaar trilden. ‘Het doet je echt goed om vanuit de warme stilte naar het oproer buiten te luisteren.’

Stoß, die peinzend in het vuur had zitten poken, schrok op en fluisterde heftig: ‘Je weet niet wat je zegt, Eyth! Dat wil zeggen –‘ Hij haperde. Daarop vervolgde hij langzaam: ‘Ik herinner me dat ik dat gevoel vroeger ook had. Tien jaar geleden nog.’

We waren beiden al vijftien jaar in Engeland. Een incidentele pauze van tien minuten kon ons gesprek op geen enkele manier onderbreken.

‘Je voelt je niet goed, Stoß, kom op!’ begon ik weer en gaf hem een hartelijke klap op zijn knie. We moesten de oude toon terugvinden. Ik was nu bereid om drastische maatregelen te nemen.

‘Niet goed?’ vroeg hij met een pijnlijke weemoed in zijn stem. ‘Ik heb me nog nooit beter gevoeld dan nu, al maanden. Het doet me goed om je terug te zien, Eyth.’ Hij stak onnodig zijn hand naar me uit, zonder me aan te kijken.

‘Goed, vertel dan maar,’ zei ik en gaf hem het dampende glas aan waarin ik volgens een nogal sterk recept zijn avonddrank had klaargemaakt.

‘Het stormt verschrikkelijk in die Schotse dalen,’ zei hij na een tweede pauze. Toen nam hij een flinke slok. De drank leek hem op te kikkeren. Hij liet zich achterovervallen in zijn stoel en begon eindelijk iets samenhangends te vertellen.

‘Je hebt geen idee wat ik de afgelopen jaren doorgemaakt heb, en God weet hoe het eindigen moet. Maar wat ik nu zeg, blijft onder ons. Niemand heeft er iets aan, als je het verder vertelt, en niemand kan me helpen. Je weet hoe ik samen met Bruce aan de plannen voor de Ennobrug gewerkt heb. Dat was een genoegen. Die man met zijn wereldnaam had erg veel te doen in alle hoeken van de aardbol en vertrouwde mij blindelings. Hij had gelijk. Hij wist niet veel meer dan ik. In deze grote opdrachten is veel nog duister. Zonder moed kom je niet verder, en die hebben de jongeren net zo goed als de ouderen.

Het was een glorieuze tijd. Een en al creativiteit en hoop. Je weet dat Billy al ijverig meehielp en de andere brug bouwde, die ons tweeën bij elkaar moest brengen. – Ik geloof echt dat we er met de oorspronkelijke plannen van Bruce en de oude Jenkins nooit gekomen waren. Op die manier werden de kosten voor de toenmalige verhoudingen te hoog. Toen kwam ik op weg van Londen naar Richmond op het idee van die gietijzeren pijlers. Bruce pakte het met beide handen aan als een reddingboei. De kwestie van de sterkte en de kostenberekening liet hij aan mij over, zoals hij toen al gewend was, en bij God, Eyth, ik heb eerlijk zitten rekenen en heel wat nachten doorgewerkt om voor mezelf volledige duidelijkheid over de zaak te krijgen. Maar uiteindelijk berust al het mogelijke toch op veronderstellingen, op theorieën die nog geen mens volledig doorziet en die misschien over tien jaar als een kaartenhuis ineenstorten. Een houten balk is met zijn vezels nog wel te begrijpen voor een mens. Maar weet jij hoe een blok gietijzer zich voelt, voordat het breekt, hoe en waarom in zijn binnenste de kristallen aan elkaar zitten? Of een holle buis die je buigt eerst aan de ene kant scheurt of dat hij aan de andere kant doorknikt, voor hij in stukken op de grond ligt? Hoeveel ik niet over cohesie nagedacht heb, toen en later – vooral later – ik werd misselijk van die eeuwig in een kringetje ronddraaiende gedachten – verdomme, wat stormt het!’

Hij luisterde, met die schuwe blik waar ik bij hem maar niet aan kon wennen.

‘Het ergste was niet de gewone draagkracht. Met de vakwerkbalken is denk ik alles in orde. Ook later, toen de hoge pijlers in het midden verder uit elkaar moesten staan, werd dat deel van het werk zo aangepakt dat we ons geen zorgen hoefden te maken. Maar we tastten volledig in het duister bij de berekening van de luchtdruk tegen de hele constructie. Bruce wilde hier helemaal niets van weten. “Wind! Wind!” riep hij, als ik daarover begon, “Wat zes zware locomotieven hoog in de lucht kan dragen, blaast de wind niet omver!” Dat was zijn theorie en die klinkt goed. Op mijn zwakke momenten hield ik me daaraan vast. Daarbij wisten we en weten we nog steeds bitter weinig over de luchtdruk van een storm. We gaan uit van twintig pond per vierkante voet. Daarbij moeten mijn pijlers, zoals ik ze oorspronkelijk geprojecteerd had, rotsvast blijven staan. Later, toen de brug al over de halve baai klaar was, hoorde ik dat de staatsingenieurs in Frankrijk uitgaan van veertig pond. En pas een jaar geleden schreef een kennis uit Amerika me dat ze daar van vijftig uitgaan, en Amerikaanse ingenieurs zijn niet overdreven voorzichtig, zoals iedereen weet. – Toch rees de vraag pas later serieus, toen de bouw al in volle gang was. Niemand bekommerde zich daar in het begin om, ook ik niet. We geloofden in Bruce en Bruce geloofde in zichzelf en zijn gevoel. De laatste dagen, toen de berekeningen afgerond werden waarop het hele brugproject gebouwd is, leverde ik nog een heel gevecht met mezelf. Welke veiligheidscoëfficiënten kan ik vertrouwen? Niet alleen het brugproject, maar ook wat ik toen als mijn grootste geluk op aarde beschouwde en wat het ook werd, hing van het antwoord af. Als ik zo rekende dat Bruce de zaak acceptabel vond, kon ik de hand van Ellen vragen. God moge ons beiden vergeven. Zij kuste me een lage veiligheidscoëfficiënt in. De volgende dag waren we bruidegom en bruid.

Ik was de eerste jaren niet bang en daar was ook geen reden voor. Als er zorgvuldig toezicht was op de uitvoering en alles strikt volgens plan geregeld werd, kon ik net zo gerust zijn als Bruce en alle anderen. Dat ik zo voorzichtig was of mijn leven ervan afhing, kan ik je verzekeren. Maar toen de zinkkuipen gewijzigd werden en mijn pijlers geen acht, maar zes kolommen kregen, begon ik weer te rekenen. Het was afgelopen met mijn gemoedsrust. Daar kwam de dood van Lavalette bij en de komst van de nieuwe aannemers, die niet half zo gewetensvol waren als de oude hugenoot; de druk om alles klaar te krijgen, waardoor veel niet gedaan werd zoals ik wou! Nu begrijp je misschien hoe ik me langzamerhand voelde en niemand mocht ik er ook maar iets over zeggen. De hele onderneming moest met alle geweld af en er was niets meer aan te veranderen. Heel vaak moest ik aan de wagen van Juggernaut denken, die alleen een god kan stoppen, als hij over zijn Hindoes rijdt.

De test van de draagkracht van de brug, de aflevering aan de spoorwegmaatschappij en de openingsplechtigheid, alles verliep prima. Wij, Bruce en zijn mensen en de aannemers, waren van onze verantwoordelijkheid verlost. Mijn schoonvader vleide zich met de wetenschap de grootste brug ter wereld gebouwd te hebben en besteedde er geen aandacht meer aan. Wat ik doormaak, Eyth, vooral sinds ik na de opening minder te doen heb en, zoals dat heet, een beetje ontspannen kan, is niet makkelijk te zeggen.

Overal en altijd, wakend en slapend, denk ik aan de brug. In onze kantoren in Londen zijn de muren met prachtige aquarellen van de bouw versierd. Boven mijn bureau hangt een olieverfschilderij dat een van de grote middelste pijlers met zes kolommen voorstelt, omgeven door een woeste, artistieke branding. Als ik ’s avonds thuiskom – mijn schoonvader heeft ons op de dag van de opening een prachtige villa geschonken – krijg ik boven het tuinhek de naam – Ennovilla – in glanzende gouden letters te lezen, en ten slotte, als ik mijn vrouw in de ogen kijk – we houden nog evenveel van elkaar als op de eerste dag – en ze kust me, bedenk ik hoe deze ogen twaalf jaar geleden meegewerkt hebben aan mijn berekeningen. Iedere heuvel waarop ik naar beneden kijk, ieder water waarover ik loop of rijd, iedere windvlaag die de bladeren van een boom aan het ruisen brengt – het is een doffe ellende – – en redding is er niet – –‘

‘Wat zegt je dokter?’ vroeg ik zo rustig mogelijk.

Stoß staarde me met wijdopen ogen aan, alsof hij me niet begreep. Er lag iets krankzinnigs in zijn blik. Zijn opwinding kon ik begrijpen: hij had blijkbaar voor het eerst zijn hart voor iemand uitgestort. Dat kon ook een sterke man aan het wankelen brengen, die jarenlang zo’n druk had moeten verduren en iedere dag nieuwe stenen aangesleept had die de last verzwaarden.

‘Kom!’ riep ik, terwijl ik opsprong. ‘We hebben nog een halfuur voor je trein gaat. Ik loop met je mee naar het station. De frisse lucht zal ons allebei goeddoen.’

Hij stond langzaam op. Een paar minuten later liepen we de zwarte herfstnacht in.

*

Het was een weer zoals in november en december soms door de Schotse dalen raast, die van west naar oost lopen. De hele natuur leek in opstand. De wind blies in heftige stoten over de velden. Hier en daar was een luid gekraak te horen. Bladloze, afgerukte takken vlogen door de lucht. Het was zwarte nacht om ons heen. Toch zag je op twee of drie plaatsen een stukje blauwe lucht met heldere sterren, waar wolkenslierten in razende vaart langs joegen. Ik pakte Stoß bij zijn arm. Onder andere omstandigheden had ik het leuk gevonden tegen de storm te vechten. Nu was ik te veel bezig met wat ik gehoord had.

‘Een frisse landwind!’ schreeuwde ik mijn vriend in zijn oor, om het gesprek te vervolgen. ‘Maar de zaak is heel duidelijk. Je hebt te hard gewerkt. Je zenuwen zijn niet in orde. Je bent gewoon ziek.’

‘Denk je? – Ik wou dat het waar was!’

‘Wees maar gerust! Deze wens is door het goede lot vervuld, voor je hem uitsprak,’ vervolgde ik optimistisch en drukte me dichter tegen hem aan. Je kon, net als de wind, alleen maar in stoten spreken en hoorde jezelf dan nauwelijks, maar er was geen tijd te verliezen. Wat ik te zeggen had, moest snel gezegd worden.

‘Het is helemaal niet nodig dat je ziek blijft. – Je hebt een vrouw en een kind en je moet je niet overgeven aan je fantasterijen, zoals ik bijvoorbeeld. In mijn geval geeft dat niet. Ik mag lekker gek worden. Ook begrijp ik heel goed hoe je je voelt. Niet alleen bruggen brengen dat met zich mee. Als je voor duizend hectare rotsbodem staat die tot iedere prijs geploegd moeten worden, of als de eeuwige worsteling met de ruwe natuur een nieuw idee noodzakelijk maakt dat maar niet aan je arme hersentjes wil ontspringen, dan voelen wij ons net zo als jullie bruggenbouwers. Vooral ’s nachts, wanneer het kleinste probleem zichzelf opblaast als de kikker die een os wilde worden. Gaat de zon dan op tijd op, wat ze ondanks alle zorgen zelden vergeet, dan verdwijnen de spoken. Je ziet de dingen weer zoals ze zijn en uiteindelijk blijkt er altijd een weg uit de nood te zijn. Je moet weg. Dat is het beste middel in zulke gevallen.’

‘Ik kan niet weg bij de brug,’ mompelde Stoß. ‘Die trekt aan me als die kabels van jou. Ik heb hier niets te doen, maar je ziet dat ik er vandaag weer ben. Ik kan niet anders.’

‘Onzin!’ riep ik oprecht verontwaardigd. ‘Het verstandigste zou zijn, vandaag nog rechtsomkeert maken, je kleinste koffer van lang geleden pakken en met mij de Atlantische Oceaan over varen. Je hebt geen idee wat een opluchting het kan zijn als er zelfs maar een kleine wereldzee tussen ons en onze zorgen ligt, vooral wanneer die aan een brug vastzitten. Je kunt in Panama weer omkeren, als die gedachte je troost. Maar ik weet dat je meegaat naar Peru. Daar schijnen de gekste bruggen gebouwd te worden. Trekt het je eindelijk?’

Stoß lachte melancholiek: ‘Jij denkt er maar makkelijk over. Ik sleep de Ennobrug met me mee, zolang ik leef. Die van Peru heb ik niet nodig.’

‘Ga dan een halfjaar naar Egypte. Iedereen gaat naar Egypte!’ riep ik. ‘Neem je vrouw en je kind en een dahabiëh en vaar tot de tweede cataract. De hele weg niet één brug en honderden hebben daar hun zenuwen teruggevonden! Daar heb je behoefte aan. Je gereken heeft je gek gemaakt. Dit is niet eens een ongewoon geval. Iedere dokter die je dit voorlegt zal hetzelfde zeggen. Beloof het me: over een week heb je drie tickets naar Alexandrië op zak; de twee kinderen hebben er maar één nodig. Beloof het me!’

We waren bij het stationnetje aangekomen en konden in de beschutting van het gebouw rustiger praten. Geleidelijk aan leek Stoß mijn voorstel steeds serieuzer te overwegen. Ik schilderde hem de platonische vreugden van Kaïro en de rustgevende genietingen van een vaart op de Nijl. Als het dan in het voorjaar te heet voor de kinderen werd, kon de kleine karavaan via Triëst terugkeren en een paar maanden in zijn oude vaderland en de Steirische Alpen doorbrengen. Als hij dan niet als een herboren mens terug in Engeland kwam en lachend over al zijn bruggen kon lopen, verloor ik iedere weddenschap die hij maar wilde aangaan.

De hoffelijke stationschef deelde ons mee dat de trein uit Newcastle tien minuten vertraging had, waarschijnlijk door de storm, die hij bijna pal tegen had. Daarom gingen we in de kleine, kale wachtkamer zitten, die armoedig verlicht werd door een slingerende olielamp. Als enige versiering hingen er aan de muren in zwarte lijsten twee bijbelspreuken en een dienstregeling. Gedenk, o mens, dat gij hiervandaan moet luidde de eerste, voor een klein spoorwegstation een zinnige keus. De andere leek me op deze plaats minder passend: Het loon van de zonde is de dood. Een Spaans kartuizerklooster had nauwelijks een minder opwekkende indruk kunnen maken. Toch liet ik me niet afschrikken. Stoß leefde zichtbaar op.

‘Ik denk dat je gelijk hebt,’ zei hij vermoeid, met een herinnering aan zijn oude glimlach op zijn ingevallen gezicht. Daarna sprong hij plotseling op en vervolgde: ‘Bij God, ik denk dat je gelijk kunt hebben, Eyth. Misschien is alles maar een lelijke droom, die uit mijn maag komt. Mijn maag is toch al niet in orde. Ik zal erover denken.’

‘Blijf er niet over denken, beste jongen,’ drong ik aan. ‘Door dat denken ben je in die ellendige toestand verzeild geraakt en daar kom je nooit meer uit. Je hebt zuivere lucht nodig, lichte kost, een omgeving zonder bruggen en een andere hemel boven je, daar komt het op aan. Echt waar, ik heb al twee keer zoiets meegemaakt en ik zou er net zo slecht aan toe zijn als jij, als ik niet door een gelukkige speling van het lot en mijn werk van tijd tot tijd ver weg geslingerd werd, alsof ik op dynamiet gezeten had. Dat doet goed. Morgenavond ben ik in Londen. Laat mij voor je tickets naar Alexandrië zorgen. Parijs, Brindisi, hè? Afgesproken!’

‘Jij bent nog steeds de oude –‘

‘En jij moet het weer worden. Afgesproken?’

‘Afgesproken! Het is echt een pak van mijn hart,’ zei hij met een zucht, alsof er werkelijk een last van hem af viel. ‘Ik denk dat ik met die eeuwige stormen in dit rotklimaat december niet meer overleefd had. Voor het eerst in een heel jaar wordt het weer licht in mijn hart. Licht, beste jongen, echt licht! Mijn vrouw zal zo blij zijn als een kind, wanneer ze dat plan hoort. Ze heeft er natuurlijk geen idee van, en dat had ik een uur geleden zelf nog niet. Eyth, ik denk dat je iets goeds gedaan hebt.’

‘Ik hoop het,’ antwoordde ik, maar zelfs zijn blije opwinding beviel me nu maar half. Hij praatte of hij koorts had:

‘De vergadering in Pebbleton is morgenochtend om elf uur afgelopen,’ vervolgde hij haastig. ‘Ik ga met de eerste trein naar Richmond om de nodige voorbereidingen te treffen. Je hebt geen idee wat het betekent om voor een half jaar te pakken voor een heel gezin. En dan weg, naar een andere wereld. Je weet toch zeker dat het weer in Egypte momenteel paradijselijk is – rustig – zacht? Ik moet licht hebben en lucht en een land waar de zon blijft schijnen.’

‘Daar kun je op rekenen. Dat is juist het mooie daar, dat je daarop kunt rekenen!’ zei ik, toen het geluid van de aanrollende trein me onderbrak. Stoß pakte zijn bagage. Het kostte me enige moeite om de deuren van de wachtkamer open te duwen, waarna de de winddruk ze met een harde klap weer achter ons dichtsloeg. Op hetzelfde ogenblik snoof het zwarte, druipende monster met zijn twee vurige ogen aan ons voorbij en witte rookslierten fladderden over het perron. De stationschef trok een wagondeur open en hield die moeizaam met beide handen vast. Stoß sprong naar binnen en de storm sloeg de deur dicht.

De trein zette zich alweer in beweging. Blijkbaar had de machinist haast om de verloren tijd in te halen. Mijn vriend had het raampje opengemaakt om me nog een keer toe te roepen.

‘Tot ziens, Eyth! We zien elkaar nog in Londen! Jij zorgt voor de tickets: drie stuks!’

Op dat ogenblik passeerde hij de enige lantaarn op het perron. Het felle licht wierp zijn flakkerend schijnsel nog één keer op zijn bleke gezicht, dat het glansde: opgewekt en vol hoop.

Het deed me echt goed. Ik voelde dat er, zoals Stoß het uitdrukte, iets goeds tot stand gekomen was.

En het was zo simpel en zo makkelijk geweest.

tay-bridge-disaster-1879-713x330

5

De stormnacht

Zonder op de weg te letten ging ik terug naar het logement. De storm leek wat geluwd; de razende windstoten volgden elkaar niet zo snel op als een halfuur geleden. Ons weerzien gaf me genoeg stof tot nadenken. Dat was er dus van de man geworden die we in alle vriendschap bewonderden en benijdden. Ik telde het goede en mooie dat het geluk hem in de schoot geworpen had: zijn aantrekkelijke vrouw, zijn kinderen, zijn veilige materiële bestaan, de schitterende reputatie die hij in zijn vak tegemoet kon zien. En vervolgens dacht ik aan zijn afgesloofde gezicht en de angstige, schuwe blik waarmee hij nauwelijks herkenbaar naast me gezeten had. Maar dat moest en kon veranderen. Vanavond was het begin van een verandering ten goede.

In mijn kamer stonden onze twee whiskyglazen nog op tafel. Het zijne was nog halfvol. Ik weet niet waarom het me speciaal opviel, maar ik herinner me duidelijk de bewogenheid die als een lichte, onverklaarbare huiver door me heen ging. Het was misschien de kille, vochtige decemberlucht, die door alle kieren van het huis floot.

Het leek me het verstandigste om naar bed te gaan, maar het was nog te vroeg, al heerste in huis al diepe stilte. Ik haalde uit mijn reistas een tijdschrift dat ik voor vrije ogenblikken meegenomen had, pookte het vuur op en ging in de grootvaderstoel van de Golden Bridgehead zitten om nog een halfuurtje te lezen.

Wat ging het buiten tekeer! Het noodweer was blijkbaar weer op adem gekomen. Dikke regendruppels sloegen nu met het harde geluid van kleine kiezelsteentjes tegen de ruiten. Tussen het razen van de windstoten hoorde je een lang, fluitend zuchten in de verte. Soms kwam er een windvlaag door de schoorsteen naar beneden, zodat het onrustige kolenvuur de kamer in flakkerde. Wonderlijke geluiden klonken er ook in huis. Buiten in de gang viel er een plank om. Boven me, op zolder, kraakte en kreunde het griezelig. Aan het andere eind van het huis was een luik losgeraakt en gaan slaan alsof het door de muur wilde rammen. Dit ging echt verder dan een leuke, door de politie toegestane stormnacht en grensde aan grof vandalisme. Ook het lezen wilde niet lukken. Ik dacht weer aan Stoß en al die jaren sinds de Green Hay Street, waarin er ondanks de zeldzame ontmoetingen een hartelijke relatie, een soort vriendschap zonder woorden tussen ons gegroeid was. We begrepen elkaar. Vooral vandaag had ik zijn zorgen begrepen en hem met mijn stellige verzekering niets voorgespiegeld, want ik kende zijn stemming uit eigen ervaring. Ons beroep vraagt vaak genoeg snelle, doortastende beslissingen en we weten niet altijd zeker of we juist gehandeld hebben. Dan kan de toekomst zwarte schaduwen werpen op de lichtste dag van vandaag. Ik voelde me zo tot mijn zieke vriend aangetrokken en voelde zo zijn nabijheid en de behoefte om hem te helpen, dat dat raadselachtige gevoel bijna griezelig werd. Toch dacht ik uiteindelijk een oplossing voor mijn zenuwachtige spanning gevonden te hebben: als ik nog eens op zijn welzijn dronk?

Toen gebeurde het vreemdste van die nacht; ik durf het in dit waarheidsgetrouwe verslag bijna niet te vermelden. Toen ik me naar de tafel keerde om mijn glas te vullen, waren beide glazen leeg. Ik had gezworen dat ik het zijne tien minuten geleden nog halfvol gezien had. En dat ik het niet aangeraakt kon hebben, bij vergissing, in gedachten, voelde ik aan mijn droge keel. Of hadden zijn zenuwen ook de mijne in de war gemaakt? Het was uiteindelijk toch beter om naar bed te gaan. Natuurlijk, ik moest zijn glas in gedachten leeggedronken hebben! Dan was het genoeg voor vandaag.

Een enorm hemelbed met rode gordijnen stond in de zijkamer gezapig en rustgevend op me te wachten; een ouderwets ding, op dezelfde manier opgemaakt. Als ik maar de helft van de kussens over mijn oren trok, kon de wereld vergaan, zonder dat ik het hoefde te horen. Dat zou ik doen. Dan kon dat vervloekte luik buiten slaan zolang het wou. Ik wond mijn horloge op: het was kwart voor elf. Wat vliegt de tijd als je hoofd vol zit!

Maar nu klapperde er iets nieuws: twee harde slagen beneden op de voordeur. Met mijn horloge in mijn hand bleef ik staan luisteren. Na een korte pauze werden ze herhaald. Bons! Bons! Dat was beslist niet de wind.

In de gang sloften zware passen. Deuren gingen open en dicht, een met een harde klap. De storm moest die dichtgeslagen hebben. – Bons! Bons! – Maar dat was weer niet de storm. – – Nu hoorde ik stemmen beneden in de gang, haastig, ongeduldig, daartussen een huilende kinderstem en toen een schelle vrouw op de trap boven me. Ik trok half werktuiglijk mijn jasje weer aan, dat ik al uitgetrokken had, en deed de kamerdeur open.

Het was al licht beneden. Een kleine jongen stond bij de open voordeur, de waard was half aangekleed en de huisknecht stond met een stallantaarn voor de kleine. Het flakkerende licht viel op het gezicht van de jongen, die in de war en buiten adem leek. Hij snikte haast: ‘Ik moet van opa naar de stationschef. Er is iets met de brug. Toen ik langs uw huis kwam, zag ik licht boven. Toen wou ik jullie roepen, oom.’

‘De huisknecht moet met je mee,’ zei de waard. ‘Die wind kan je wel het water in blazen, Bobby. Wat is er aan de hand? Wat zegt je opa?’

‘Hij zit bij de telegraaf te bibberen. Er is iets gebeurd. Ik moet naar de stationschef. Papa zat op de locomotief.’

In ieder geval beefde de jongen als een rietje en rende, na zich plotseling omgedraaid te hebben, snikkend de storm in.

‘Wacht, Bobby, wacht!’ riep de waard hem na.

‘Papa zat op de locomotief,’ hoorde ik nog een keer, al uit de verte. Ik was nu zelf beneden en keek de waard vragend aan. Ik was me ook wezenloos geschrokken.

‘Dat is de jongen van de brugwachter, dat wil zeggen zijn kleinzoon!’ legde de waard onrustig uit. ‘Jack, ga achter hem aan, gauw! Anders overkomt het kind nog iets in zo’n nacht. Ja, ja, meneer,’ vervolgde hij tegen mij, er is iets mis. John Knox is een rustige man. Hij stuurt die jongen niet zomaar naar buiten in dit noodweer. Er kan best iets gebeurd zijn.’

‘Ik moet zien wat er aan de hand is!’ riep ik zonder na te denken en rende de trap weer op om mijn hoed en paraplu te halen. Toen ik beneden was, had de waard zijn pet op en trok een dikke overjas aan.

‘Die paraplu kunt u beter thuis laten, als u hem niet in duizend stukjes wilt zien,’ zei hij lachend. Hij had de stoïcijnse kalmte van zijn volk weer helemaal terug, gaf me een stok en duwde uit alle macht de voordeur open, die de wind met een donderende klap dichtgegooid had. De huisknecht was na een paar passen bij ons. Hij had de jongen niet meer kunnen vinden en het roepen tegen de wind in opgegeven, omdat het zinloos was. ‘Hem zal niets overkomen!’ troostte hij zichzelf. ‘Die loopt in geen zeven sloten tegelijk.’ Ons kwam dat goed uit. We lieten hem vooroplopen met de lantaarn onder zijn jas. Als hij zijn kraag omsloeg, konden we tenminste van tijd tot tijd zien waar we waren. Pas toen we de spoordijk bereikt hadden die ons aan de westkant beschutting gaf, konden we weer op adem komen. Zwijgend liepen we over het voetpad dat ik al kende. Boven onze hoofden suisde en siste de wind, zonder greep op ons te krijgen. Af en toe viel er een afgerukte boomtak voor ons op de grond, die hij verloren was. Boven ons in de lucht leken krijsende katten en honden door elkaar te vliegen. Niemand van ons zei iets. Na twintig minuten zagen we over de rand van de spoordijk het licht van het baanwachtershuisje.

De knecht wikkelde zijn lantaarn voor de tiende keer uit zijn jas en bescheen de smalle trap die over het talud naar boven leidde. We klommen met enige voorzichtigheid naar boven. Het was een vreemde gewaarwording, toen we met ons hoofd boven de dijk in de volle storm terechtkwamen, die scherp als een mes over de rails scheerde. Gelukkig waren we in een paar passen bij de deur van het huisje en hadden het gevoel dat we letterlijk de kleine ruimte in geblazen werden. De knecht had de deur opengetrokken en die klapte met een knal achter ons dicht.

Alles was vannacht in beweging: een onrustig slingerende hanglamp verlichtte het met niet meer dan een tafeltje, een paar stoelen en een kast sober ingerichte vertrek. In een hoek bij de achterste muur stond een telegraaftafel met een van de eenvoudige instrumenten die voor dienstmededelingen gebruikt worden. Voor die tafel zat een onbeweeglijke man met zijn hoofd op zijn armen, die vast in slaap leek.

‘John! John Knox!’ schreeuwde onze waard, terwijl hij hem een harde klap op zijn schouder gaf.

De man die in slaap gevallen leek, richtte langzaam zijn hoofd op, keek schuw om en staarde de waard aan, alsof hij nog niet helemaal bij zinnen was.

‘John Knox – word wakker, man!’ riep onze aanvoerder ongeduldig. ‘We denken dat er een ongeluk gebeurd is. Verdomme, ik denk dat het whisky is!’

‘Nee,’ zei John Knox, terwijl hij opstond en plotseling over zijn hele lichaam begon te beven. ‘Ik denk – ik denk dat het een ongeluk is.’

‘Maar wat is er aan de hand, man? Je brug staat nog overeind.’

‘Het is afgelopen met me.’

‘Word wakker, Knox!’ schreeuwde de waard, die nerveus werd door de krankzinnige rust van de man. ‘Wat is er in godsnaam gebeurd?’

Knox wees naar de telegraaftafel, alsof hij bang was van het apparaat. Toen zei hij met hese stem: ‘Ik krijg geen antwoord van de andere kant, geen geluid, al twee uur.’

‘Is dat alles?’ lachte de waard nu luidruchtig. ‘Ouwe stomkop! De draad is gebroken. Vind je het gek in zo’n nacht?’

‘Naar het station, aan onze kant, zijn ze allemaal gebroken!’ antwoordde Knox als met doffe onverschilligheid. ‘Maar op de brug kunnen ze niet breken. Ze zitten in de vakwerkbalken. Sinds de laatste trein hier vertrokken is – geen geluid meer.’ Hij liep naar de tafel en sloeg op de seinsleutel, alsof hij woedend was. – ‘Wilson! Wilson!’ schreeuwde hij plotseling. ‘De brug is gebroken!’

‘Goede God!’ riep de waard. ‘Dat kan niet! Met de trein? Je hebt het niet gezien. Dat bestaat niet.’

‘Met de trein!’ vertelde Knox hoestend, alsof plotseling alles in hem wakker geworden was. ‘Hij kwam langs – alles in orde. De machinist, mijn George, mijn zoon George, trok het spiegelei uit mijn hand, zoals altijd, en reed door. Hij had tien minuten vertraging en had haast en reed door. Je kon nauwelijks uit je ogen kijken, zo stormde het. Maar ik zag de rode lichten van de laatste wagon nog een hele tijd – drie, vier minuten – kleiner worden. Toen waren ze opeens verdwenen – ze leken weggeblazen.’

‘Heb je niets gehoord?’

‘Bij dat lawaai van boven en beneden? De rivier huilde nog harder dan de storm. Ze waren opeens weg, alsof ze uitgewist waren. Ik dacht er niet meteen aan wat dat betekenen kon. Pas vijf minuten later kreeg de angst me te pakken – angst, Wilson, alsof honderd mensen uit het huilende water hun armen naar me uitstrekten en zich aan me vastklampten. – Ik naar binnen en naar de telegraaf. De trein moest nu aan de overkant zijn. Bob Stirling kon me antwoorden. – Maar geen antwoord, geen geluid! Al twee uur geen geluid!’

‘En je bent de brug niet opgegaan om te kijken?’

‘De brug opgegaan? – Kijken? In die duisternis, in dat zwarte geweld?’ steunde Knox. ‘Wat had ik anders kunnen doen dan me van de brug af laten blazen, waar de anderen zijn. Maar ik zag het al maanden aankomen. Morgen had ik het tegen meneer Stoß willen zeggen: tegen hem kon een gewone man als ik zoiets zeggen.’

Nu kon ik mijn mond niet meer houden. De hele schrik van het ontzettende ongeluk had ook mij te pakken.

‘Grote God, wat wilde u tegen Stoß zeggen?’ vroeg ik diep verontrust.

‘U kent die trekstangen, de kruisen tussen de kolommen van de pijlers, zes in iedere hoge kolom –‘

‘Wat is er met die stangen?’

‘Die zijn met spieën aan de kolommen bevestigd, en door het trillen van de brug kwamen de spieën steeds losser te zitten. Een dozijn is er de afgelopen week uit gevallen en de hele brug trilde en bewoog, als een trein er te hard overheen reed, dat ik er buikpijn van kreeg. Ik heb het er met Stirling vaak over gehad. Hij vond dat we het aan meneer Stoß moesten schrijven. Maar we wisten ook dat meneer Stoß niets meer met de brug te maken had.’

‘Maar om godswil, man – Sir Bruce! Die is nog steeds de ingenieur van de spoorlijn. Waarom heb je het niet tegen meneer Bruce gezegd?’

‘Dat was niet in goede aarde gevallen, als wij arme sloebers zo’n hoge heer geschreven hadden dat zijn brug in zou storten! Maar ik wou dat ik het gedaan had, of Stirling, ondanks alles. Ik wou dat ik het gezegd had!’

Hij schreeuwde het en wierp zich vervolgens op zijn stoel en mompelde nauwelijks hoorbaar: ‘Maar dat had geen zin gehad.’

‘Kom, kom, man!’ riep Wilson, de waard, en probeerde hem overeind te trekken. ‘Wat moet dat betekenen? We weten toch nog helemaal niet wat er gebeurd is? Misschien is alleen de draad gebroken!’

‘Over dertig minuten weten we het. Ik houd het niet meer uit. Wie gaat er mee?’ vroeg ik.

‘Onmogelijk!’ riep de waard. ‘U kunt de brug niet op. Je kunt niet blijven staan, zolang de storm aanhoudt.’

Knox stond op, rustig, alsof hij een ander mens was, pakte van de kast de kleine dievenlantaarn die baanwachters gebruiken en stak hem aan, zonder een woord te zeggen.

‘Ga toch niet,’ smeekte de waard. ‘U schiet er hoe dan ook niets mee op. Niemand kan meer iets doen, als het ergste gebeurd is.’

‘Maar ik houd het niet meer uit,’ antwoordde ik. ‘Kom mee, Knox!’

Ik duwde de deur open. De wind leek toch weer wat afgenomen. We konden ons staande houden, als we uit alle macht naar het westen overhingen. Hier en daar was de bewolking nu weer gebroken, en een paar sterren leken in een wilde vlucht tegen de storm in te jagen. Daarna werd de nacht minutenlang weer pikdonker.

Deze tocht was geen kinderspel. Gelukkig hadden we het nu druk genoeg met onszelf, zodat we nauwelijks aan het ongeluk dachten dat ons voorwaarts dreef. Knox liep voorop, maar draaide telkens na enkele tientallen passen om me bij te lichten. Ik volgde hem langzaam en gestaag en zorgde bij iedere pas dat ik stevig genoeg stond om de wisselende luchtdruk te kunnen weerstaan. Zo bereikten we het bruggenhoofd. Tussen de monumentale blokken graniet hadden we wat beschutting en konden we op adem komen. Daarna gingen we de brug op, terwijl we ons met beide handen aan de hoge reling vastklampten en zo opschoven. Onze loopplank was het ongeveer drie voet brede voetpad tussen de binnenkant van de brug en de linkerrail. Dat was de gevaarlijkste kant, want tussen de rails en de dwarsliggers gaapte de zwarte afgrond, en de wind blies ons met kwaadaardige stoten die kant uit. Aan de andere kant hadden we tenminste het vakwerk en de winddruk als bescherming. Het was goed dat we niet naar beneden konden kijken, waar een sissend rumoer de opkomende stormvloed aankondigde. Op momenten zag je daar beneden witte vlokken blinken, zonder te kunnen schatten of ze vlak onder ons of in de diepte bewogen. Dat waren de schuimkoppen van de door de storm opgejaagde golven. Boven ons was de nacht een woelen en bruisen, een suizen en zuchten, een kletteren en kraken alsof de wilde jager en de vliegende Hollander elkaar in de haren vlogen. Maar we kwamen vooruit, stap voor stap. De brug trilde vreselijk, maar stond nog overeind. Als het zo doorging, kwam alles misschien nog goed.

Omdat de oever na twintig passen in een ondoordringbare duisternis gehuld was en we vóór ons hetzelfde loodzwart hadden, telde ik de pijlers die we passeerden om een idee te hebben waar we ons bevonden. Dat was mogelijk, al waren ze niet te zien, doordat de reling op iedere pijler door een hogere, rijkversierde stijl gedragen werd, die ons om zo te zeggen door de vingers ging. Zo wist ik hoe langzaam we vooruitkwamen, en nadat we vijf, zes pijlers achter ons hadden en boven een schijnbaar oneindige zee hingen, die monotoon, zonder ophouden en in zwarte razernij beneden ons woedde, wende ik aan onze kreeftengang en begon me te ergeren aan mijn koude handen, alsof het een alledaagse bezigheid was om zo door de peilloze nacht te klimmen. Ook ging het na iedere pijler sneller. Ik denk dat ik gewoon opgewekt geworden was, als het lichte, griezelige trillen van de brug me er van tijd tot tijd niet aan herinnerd had dat we met een dodentocht bezig waren. Nu hoorden we uit de verte de harde slag van een stuk ijzer – nu weer. Dat was onverklaarbaar en onnatuurlijk. Ik hield in om te luisteren, maar hoorde alleen het fluiten van de wind en het doffe, suizende sissen van het water onder mijn voeten. Verder!

Knox was zonder twijfel aan deze manier van voortbewegen gewend. In ieder geval ging het bij de oude man sneller dan bij mij. Vaak kon ik in het donker nauwelijks meer de omtrekken zien van zijn gestalte, dertig, veertig meter voor me een onrustig, spookachtig silhouet tegen de nachtelijke hemel. We moesten het middenstuk van de brug genaderd zijn. Als ik goed geteld had, lag de zesentwintigste pijler achter ons. Ik herinnerde me dat de rails vanaf de zevenentwintigste binnen de hogerliggende vakwerkbalk liep, in plaats van zoals tot nu toe op de bovenste flens ervan. Ik kreeg weer hoop dat alles zich nog ten goede zou keren. Ook was de storm de laatste tien minuten snel geluwd. De zwarte wolken boven ons vertoonden scheuren en lichtbruine randen. Ik herademde.

Toen was de schim van mijn voorganger plotseling verdwenen. De reling, die ik nu over een afstand van dertig meter heel duidelijk kon overzien, was leeg. Hij zou toch niet naar beneden gevallen zijn? Ik schreeuwde luid: ‘Knox! Knox!’ Geen antwoord. Ik liet de reling nu zelf met mijn rechterhand los en liep zo snel mogelijk door. ‘Knox! Knox!!’

Nee, hij was niet naar beneden gevallen. Daar zat hij, op de planken van de bodem, met zijn benen over de rails tussen de dwarsliggers, met zijn armen op zijn knieën en zijn hoofd op zijn armen, als een egel die zich opgerold heeft.

‘Knox, wat is er met je?’ riep ik in het rumoer van de storm, die juist weer over ons heen raasde en de brug een duim heen en weer bewoog. Ik pakte hem bij zijn schouders. Het was toch veel te gevaarlijk zoals die man daar zat. Ik was bang dat ik hem ieder moment tussen de dwarsliggers door zou zien glijden.

Hij kwam een beetje overeind en wees met zijn linkerarm naar voren. Voor het eerst sinds we op weg waren scheurde het wolkendek onder de dunne maansikkel en er verscheen een geelgroen stuk hemel. Opeens konden we vrij ver naar alle kanten kijken. Het was alsof we midden in een toverbol stonden met diep beneden ons in een schemerige kring de schuimende zee, rondom ons vast en duidelijk de rails, de dwarsliggers en de reling en voor ons, plotseling scherp afgesneden, het einde van de brug, dat uitstak in het lege niets.

Ik liep nog twintig passen verder, bijna zonder na te denken en voortgedreven door een benauwende angst. Daarna klampte ik me weer met beide handen aan de reling vast en keek in het nevelige blauw, waar nog twee uur geleden de reusachtige vakwerkbalken begonnen waren. Ze waren verdwenen, spoorloos weggeblazen.

Eerst wilde ik net zo gaan zitten als Knox, om na te denken of dit alles uiteindelijk toch geen boze droom was. Toen werd ik gegrepen door een verschrikkelijke nieuwsgierigheid. Ik keek om me heen en mijn zenuwen waren tot het uiterste gespannen. Heel in de verte zag ik de brug weer, het eind dat van de noordelijke oever van de baai kwam als een slanke, loodrechte paal, die hoog uit het water oprees. Tussen dat eind en het onze was een leegte van bijna een kilometer, waarin de opkomende zee ongestoord tekeerging. Alleen een rij witte punten boven de watervlakte markeerde de lijn van de voormalige brug. Dat was de branding, die tegen de resten van de verdwenen pijlers schuimde. Ik telde ze mechanisch, zonder na te denken. Twaalf! Ik wist dat dat het aantal grote pijlers was, waarop het hoogste deel van de brug gerust had. Als ik droomde, dan droomde ik met een ontzettende logica. Zo moest het gebeurd zijn. Het hele stuk met de hoogliggende vakwerkbalken was ingestort.

Knox stootte mij nu aan, zoals ik hem een paar minuten geleden aangestoten had.

‘Ziet u iets?’ vroeg hij, terwijl hij naar de loodgrijze watervlakte met de witte vlekken wees. ‘Daar beneden ligt alles: de vakwerkbalken, de trein, de honderd reizigers, de locomotief en mijn George! Dertig voet onder water. Alles is voorbij. En het ziet er zo rustig uit!’

Op dat ogenblik klonk er van beneden weer een harde klap als het geluid van een gesprongen klok, en een lichte huivering ging door de hele brug. Het waren zonder twijfel losgescheurde, afhangende ijzeren stangen van de laatste overeind staande pijler, heen en weer geslagen door de wind.

‘Hij was de machinist van de locomotief, mijn George,’ begon Knox weer en leunde naast mij tegen de reling, alsof hij een gezellig gesprek van plan was. ‘Ik ben bang dat hij iets te hard gereden heeft. Ik weet dat het tegen de voorschriften is: de heren vertrouwden de brug zelf niet helemaal. Maar gestraft wordt hij niet meer, dat is afgelopen. En dan de losse spieën in de trekstangen en die helse storm! Je kunt je wel voorstellen hoe het gebeurd is, nu het te laat is. – Hij was een goede zoon, mijn George; ik hoop dat hij niet lang heeft moeten lijden.’

Hij zweeg en staarde in het water.

‘Als je bedenkt wat daar beneden nu allemaal ligt!’ vervolgde hij. ‘Hij heeft niet lang geleden, dat is een troost. Het is vloed. De locomotief met de hele trein in de vakwerkbalk, zo’n vijftig voet onder water: vijf wagons, misschien honderd passagiers, en allemaal zo stil – als muisjes die je in hun val verdrinkt. – Ook een wagon eerste klas. Ik zag meneer Stoß bij het raam, toen hij langs mijn wachthuisje reed. – Ja, ja, ook de eerste klas! Er is nog maar één klas, als de almachtige God bruggen omverblaast. Maar ik ben bang dat ze hem weer opbouwen.’

‘Kom mee, Knox. Het is niet goed om hier naar beneden te kijken,’ zei ik, me vermannend. ‘We kunnen ze niet helpen. Misschien zijn ze in betere handen dan wij hierboven.’

Ik nam hem bij zijn arm en hij volgde gewillig. We hoefden ons niet meer aan de reling vast te houden. Er moest die nacht een soort cycloon over de baai geraasd zijn. We bevonden ons nu zonder twijfel in het rustige oog van de wervelstorm.

Toen we het eind van de brug weer bereikt hadden, was het bijna windstil. Hoog boven ons was de hemel blauwgroen en griezelig licht. Achter ons, als een groot, open graf, lag de Ennobaai.

De Heer over leven en dood zweefde boven de wateren in stille majesteit.

We voelden Hem zoals je een hand voelt.

En de oude man en ik knielden voor het open graf en voor Hem.

elbe

6

Nieuw leven

Ook in Engeland betekent niet iedere decemberochtend mist, regen en storm. In de prachtigste zonneschijn lag de Solent voor me, aan de horizon, naar het zuiden, de blauwige heuvels van het eiland Wight, links en rechts de zachtglooiende heuvels van Hampshire en achter ons het levendige beeld van de haven van Southampton, ver genoeg om de vriendelijke ochtendstilte niet te verstoren. Geluidloos trok er een groep vissersboten langs de andere oever naar open zee. Hier en daar dansten, klein als notendoppen, stoomsleepboten over de baai. Verder zuidelijk, in de richting van Cowes, zag je de sierlijke zeilen van jachten, wit als schitterende sneeuw, in het warme zonlicht. Je had je in de lente kunnen wanen, wat ’s morgens, half op zee immers niet moeilijk is, als de zacht kroezende, blauwgroene vlakte verlevendigd wordt door vrolijk voorbijglijdende witte vlokjes, die komen en gaan alsof ze in een vrolijk kinderspel ronddartelen, en de lauwe zeewind uit het zuidwesten alles oplost in een gevoel van welbehagen en vrijheid dat zelfs bos en hei niet kunnen geven.

Sinds een uur zat ik achter het machtige roer op het dek van de Pará, een van de grote West-Indische stoomschepen die eenmaal per week van Southampton naar St. Thomas en Colón vertrekken. Het was het eerste uur sinds bijna een week dat ik een beetje op adem kon komen. De stomer lag voor anker en wachtte alleen nog op de post om zijn reis over de Atlantische Oceaan te kunnen beginnen. Zwart en ijverig steeg de rook op uit zijn twee machtige schoorstenen en vol ongeduld om aan het werk te kunnen gaan siste van tijd tot tijd de witte stoom uit de veiligheidsklep de ochtendlucht in. Soms bewoog ook al de schroef, die diep onder me in het groene water lag en verraadde dat door een plotseling, dof geruis en de melkwitte streep water die ze van het schip af stootte. Hier had ik rust. Zelfs de bebaarde stuurman stond nog rustig te praten met een nog baardigere vriend, die afscheid van hem kwam nemen. Die van ons ging over een halfuur naar Panama en de ander vanmiddag naar Singapore.

Verder naar voren op het dek ging het levendiger toe. Een hulpstoomboot had de laatste reizigers gebracht, die de valreep op klommen en bezorgd om hun paraplu’s en handbagage riepen. Koffers en kisten, elegant en het tegendeel daarvan, rolstoelen en kinderwagens werden omhooggetakeld en vielen met een klap op het dek, waar de stewards en een half dozijn matrozen ze met de snelheid van goochelaars lieten verdwijnen. Aan de reling stonden talrijke groepjes met vochtige zakdoeken zwaaiend afscheid te nemen van vrienden die hen naar het schip vergezeld hadden of van anderen, die ze nog op de verre kade dachten te zien. Te midden van het rustige Engels was angstig Spaans en boos, opgewonden Frans te horen. Iedere natie heeft zijn eigen manier om afscheid van het vaderland te nemen. Een Duitser gaat stil aan de kant en snuit zijn neus.

De kleine stomer die onrustig slingerend naast de onbeweeglijke kolos lag om de laatste, treuzelende gasten naar de kade terug te brengen, had ook een man met de ochtendkranten meegebracht. Ik kocht een armvol. Het waren de laatste die we de komende veertien dagen te zien zouden krijgen. Je moest proviand inslaan.

Na een ongewoon zware week had ik de Pará nog net gehaald. De ochtend na het grote ongeluk was er een speciale trein met twee wagons uit Edinburgh naar het Ennobrugstation gekomen om de verbinding provisorisch te herstellen. In de grauwe ochtendschemering had ik tijd gevonden om de baai nog een keer te overzien. De resten van de brug stonden star en onbeweeglijk, alsof ze uitgeput waren na de stormen van de verschrikkelijke nacht. De twee opritten, die ieder meer dan een halve kilometer lang waren, reikten volkomen onbeschadigd tot bijna het midden van de baai. Daarna kwam het verschrikkelijke gat waarin nauwelijks zichtbaar vanaf de oever twaalf kleine eilandjes met de onderaan geknakte kolommen de verdwenen verbinding aanduidden. Verder was er niets te zien, geen puin, geen spoor van de reusachtige vakwerkbalken die gisteren nog trots en stoutmoedig in de lucht hadden gezweefd, geen teken van de verloren gegane trein: alles begraven onder de gladde, loodgrijze watervlakte, die er met onverbiddelijke onverschilligheid overheen stroomde. Er was ook nog geen levensteken aan beide oevers te zien. Het was te vroeg, vooral doordat alle telegraafverbindingen door de storm verbroken waren. Het was nog niet tot het slaperige Pebbleton doorgedrongen welke verschrikking de stad en de hele streek getroffen had. Pas tegen negen uur, toen de waard me riep, omdat mijn trein zou vertrekken, verschenen er twee kleine schroefstoomboten aan de andere oever, die haastig naar de plaats van het ongeluk opstoomden. Ik kon hier niet helpen. Het zou dagen en misschien weken duren voor de gezonken trein gelicht kon worden. Vanuit het graf van de zeven zinkkuipmannen bracht ik een laatste groet aan mijn vriend daarbeneden en reed weg.

In Leeds was Greigs idee en mijn Peruviaanse reis in twee uur een besluit geworden. In Londen, waar alles wat een mens in de wereld nodig heeft, of hij nu dwars door Afrika of naar de Noordpool wil, in de een of andere winkel te koop is – je moet alleen weten waar of iemand kennen die het weet – waren twee dagen genoeg om uitrusting voor het land van de tegenvoeters te kopen. Ik had zelfs tijd voor een heilige plicht gevonden en was naar Richmond gereden. Het was een van de moeilijkste momenten van mijn leven, toen ik voor de tuinpoort van de elegante villa stilhield en onder de trekbel op een porseleinen bordje in vergulde letters het woord Ennovilla las.

Dat was op de vierde dag na de ramp. Natuurlijk wisten ze hier al op de eerste dag wat er gebeurd was en na nog een kwellend etmaal hoe zwaar het ongeluk dit huis getroffen had. Je zag het aan het dienstmeisje dat de deur voor me opendeed, ook als ze geen zwart schort en rouwband gedragen had. Ze keek me aan alsof ook bij haar de schrik en de angst op haar gezicht was blijven staan. Toen nam ze mijn kaartje aan en ging me zonder plichtplegingen voor naar de ontvangstkamer, waar ik een tijd moest wachten. Ook hier hing een grote aquarel van de Ennobrug in een prachtige gouden lijst tegenover het grote venster. Wat zagen die twaalf middelste pijlers en de reusachtige vakwerkbalken er trots en moedig uit! De kunstenaar had iets van de poëzie van onze tijd in het schilderij weten te leggen.

Na tien minuten kwam Mrs. Stoß binnen, haastig, wankelend, bleek en met starre, geschrokken kinderogen, pakte mijn beide handen en fluisterde: ‘Geen hoop meer?’

Ze had nog hoop gehad. Ik kon geen antwoord geven. Hoe plotseling leek deze bloem geknakt. Ze begreep mijn zwijgen, ging in de dichtstbijzijnde stoel zitten en snikte.

Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om haar veel te vertellen over de laatste avond die ik met Stoß had doorgebracht. ‘Het was bijna gelukt om uw opdracht uit te voeren,’ vertelde ik alleen. ‘Hij wilde met u en met de kinderen naar Egypte en verheugde zich er bijzonder op. Ik denk dat hij met dat gevoel van vreugde stierf. Nu heeft hij verder moeten reizen, en dat alleen.’

Ik denk dat ik zelf niet zo veel had moeten zeggen. Woorden van troost gedurende de eerste dagen van zo’n verdriet zijn troosteloos en het is beter om je tranen de vrije loop te laten. En ik kon mezelf ook niet helemaal beheersen en ging al gauw weg, haast zonder afscheid. Ze merkte het nauwelijks, want ze kon door haar tranen niets zien. Maar ze huilde tenminste, en dat was nog iets.

Bruce was gelukkig niet in de buurt. Hij was eergisteren naar Pebbleton vertrokken, zei het dienstmeisje, dat de tuinpoort weer voor me opende. Dat zou ook voor de oude heer een reis geweest zijn die hij de rest van zijn levensdagen niet vergat. Misschien was Stoß er beter aan toe…

Het is mooi hier, maar ze geven ons ruim de tijd om afscheid te nemen, dacht ik, met een heftige poging om op andere gedachten te komen. Twee schattige meisjes hielpen me. Ze hadden al een half uur met hun zakdoeken in de rondte staan zwaaien, alsof ze twee levende windmolens waren, kwamen even op adem en begonnen opnieuw. Hun oom op de kade was waarschijnlijk allang weer op zijn kantoor, maar ze dachten hem nog altijd te herkennen in een oude vissersvrouw, tot ik hun mijn verrekijker leende. Daarna begon ik mijn kranten open te slaan, voor het bestuderen waarvan ik nu twee weken ruim de tijd had.

“Ennobrug”, “Ennobaai”, “Ennoramp”, waar je maar keek. Hoe minder ze ervan wisten, hoe meer ze erover schreven. Geen mens, dat leek nu wel vast te staan, had het eigenlijke ongeluk, het instorten van de brug, gezien. Een verslaggever van de Daily News was erin geslaagd in Pebbleton twee binnenschippers te vinden, die tegen tien uur in aangeschoten toestand op hun barken waren teruggekeerd. De een verzekerde dat hij van de kant van de brug plotseling kort na elkaar twee lichtflitsen als salvo’s gezien had. Daarop beweerde zijn collega dat de ander zonder twijfel de dronkenste van de twee was. Hieruit was een kleine woordenwisseling ontstaan, die tot ernstige handtastelijkheden had geleid en die ze zich allebei nog heel duidelijk herinnerden. De verslaggever meende te mogen veronderstellen dat de schipper het geweldig opspattende water gezien had dat bij het instorten van de brug misschien door het uit de locomotief vallende vuur belicht was.

De Daily Telegraph had op de andere oever van de baai brugwachter Knox getroffen, die, zoals ik me wel kon voorstellen, buitengewoon zuinig met commentaar geweest leek te zijn. Het belangrijkste was, dat deze man blijkbaar de eerste geweest was die samen met een onbekende heer had vastgesteld wat er gebeurd was. De verslaggever was op zoek naar die onbekende heer, die als intelligent en niet zonder kennis van zaken werd afgeschilderd en die misschien nadere informatie kon geven. Hij bevond zich vermoedelijk in Manchester. Het stond vast dat een van de leidinggevende ingenieurs van de brug, de heer Stoß, woonachtig in de Ennovilla in Richmond en de schoonzoon van de hoofdingenieur, Sir Bruce, bij de ramp om het leven was gekomen. Voor zover nu bekend waren 72 reizigers en het uit vijf man bestaande treinpersoneel omgekomen. Waar de verantwoordelijkheid lag voor het verschrikkelijke ongeluk, zou een diepgaand onderzoek waarschijnlijk pas na maanden aan het licht brengen. Sir Bruce, die zich sinds gisteren op de plaats van het ongeluk bevond, was van mening dat de trein door de winddruk ontspoord moest zijn en vervolgens het vakwerk meegesleurd had. Als het op een dergelijke manier verlopen was, moest de constructeur van de brug, wiens reputatie in de hele wereld dit aannemelijk maakte, van iedere schuld worden vrijgepleit.

De Daily Chronicle wist te berichten dat de uit Leith opgeroepen duikers, de heren Fred Shaw en Thomas Gladhill, vastgesteld hadden dat de trein met locomotief en tender in de tunnelachtige vakwerkbalk op de bodem van de baai en bij eb ongeveer dertig voet onder water lag en wel tussen de vierde en vijfde ingestorte pijler. De volledige verwoesting van deze pijlers, vervolgde het bericht, waarvan nog maar een restje uit het water stak, leidde tot de conclusie dat die het zwakke punt van de hele constructie waren en de buitengewone stormen van die nacht niet hadden doorstaan. Het was te hopen dat de onvergeeflijke lichtzinnigheid, die niet alleen honderd mensenlevens gekost had, maar vooral ook het aanzien en de eer van het Engelse ingenieurswezen een zware slag had toegebracht, aangetoond en onverbiddelijk veroordeeld werd.

De Standard wist te vertellen dat er geen twijfel over was dat de verongelukte machinist tegen de uitdrukkelijke voorschriften van het spoorwegbeheer met een snelheid over de brug gereden was die de ramp onvermijdelijk had gemaakt. Het verschrikkelijke ongeluk maakte opnieuw duidelijk dat er grenzen waren die de mens niet ongestraft kon overschrijden, maar dat de reputatie van de Engelse techniek door dit uiterst betreurenswaardige ongeluk niet ernstig geschaad was. Een snelle wederopbouw van de brug was een vanzelfsprekende zaak. De burgemeester van Pebbleton had de komende maandag een vergadering belegd van vooraanstaande inwoners van de stad en de noordelijke graafschappen om de nodige maatregelen te bespreken. Van de stoffelijke overschotten van de slachtoffers was er tot nu toe nog niet een geborgen, doordat sommige nog in de wagons opgesloten zaten en andere misschien al door de stroming naar open zee afgedreven waren. –

Ik had voorlopig genoeg van mijn kranten en liet me in gedachten zelf de open zee op varen, die onder de rijzende zon steeds lichter en vrolijker schitterde, alsof de Oude Wereld me bij het afscheid een bijzonder vriendelijk gezicht wilde tonen. Het was een prachtige dag voor het begin van mijn reis, en hoeveel duisters liet ik niet achter me! Ik was vooral blij dat de verslaggever van de Daily Telegraph de “intelligente onbekende” wel niet meer zou vinden op zijn speurtocht in Manchester. En wat had ik hem kunnen vertellen?

Eindelijk legde de langverwachte postboot aan en 53 zakken met brieven en pakketten voor West-Indië, Californië, Chili, Honolulu, Samoa en honderd andere warme hoeken van de aarde klommen op de nek van matrozen aan boord. Ook aan dek werden brieven bezorgd en de namen van de geadresseerden, die nog niemand kende, luid omgeroepen, waaronder de mijne in een van zijn veelvuldige Engelse verbasteringen. Ik ontving twee kleine pakjes en een brief. Het eerste was afkomstig van ons Londense kantoor en bevatte een bundel aanbevelingsbrieven aan kooplieden en planters in Porto Rico en Trinidad, in Callao, Lima en Truxillo.

Het tweede, dat met een zwart zegel gesloten was, kwam uit Richmond. Een korte brief van mevrouw Stoß kreeg ik het eerste in handen:

Beste meneer Eyth,

Uw bezoek heeft me zo goed en zo pijn gedaan, dat ik u nu pas bedanken kan. Ik heb een diepe behoefte om u tenminste te laten weten hoe alles gegaan is. Daarom stuur ik u de brieven die Harold mij vanaf de Ennobaai geschreven heeft. Lees ze tijdens uw zeereis en denk aan ons. Zijn beste vriend heeft het recht ze met me te delen.
God zij met u. Ik weet nu hoe je Hem nodig hebt.

Uw

Ellen Stoß

Op die manier kwam ik aan de documenten, waarvan ik er een aantal in deze herinneringen opgenomen heb.

De derde brief die ik kreeg was me al vijf dagen nagestuurd, zoals uit de poststempels bleek: eerst naar Leeds, vervolgens naar Dunrobin, toen weer naar Leeds, daarna naar Londen en ten slotte hierheen naar Southampton en aan boord van de Pará. In sommige gevallen kan de omzwerving van een envelop heel interessant worden, ook als er in de brief zelf niet veel staat, precies als bij mensen.

Maar in deze brief stond wel het een en ander. Hij kwam uit Thüringen. Het deed me goed, het laatste moment op Europese bodem een groet van mijn oude Schindler te ontvangen. Het klaverblad uit de Green Hay Street was toch nog niet helemaal ontbladerd. Hij schreef:

Beste vriend,

Quand on a du courage, on vient à bout du tout. Weet je nog hoe me dit ooit weer moed gaf en hoe jullie tweeën op mijn wijsheid parasiteerden? Want als ik die prachtige les niet uit Derby meegebracht had, was er van ons allemaal hoogstwaarschijnlijk niets terechtgekomen. Dus onthoud, in een vrije Duitse vertaling: De moedige bereikt zijn doel, maar hij weet niet hoe.

Daar houd ik me al jaren aan en onder dat teken schrijf ik jou en onze vriend Harold vandaag ook bijna dezelfde brief. Ik heb jullie hier nodig, en jullie moeten komen! Dat zul je zelf meteen wel inzien.

Vorige week is mijn lieve vrouw verstandig geworden en heeft ons een jongetje geschonken; het is een prachtig kind, zeg ik je. Hij staat al in de Kölner Zeitung, zoals je misschien gezien hebt. Je kunt je wel voorstellen hoe blij ik ben na vijf meisjes. Hoewel die schatjes ons ook blij maakten en opbloeien als vijf wilde rozenknopjes, zeiden we soms toch tegen elkaar dat een beetje afwisseling ons goed zou doen. En nu is het gelukt.

Jij begrijpt daar jammer genoeg niets van en moet maar van me aannemen wat ik vertel, maar geloof me maar. Over zulke dingen moet een mens geen grapjes maken. Ze zijn geen kinderspel.

Nu weet je sinds de tijd in de Green Hay Street in Manchester dat we elkaar heel graag mogen, maar jij hebt er geen idee van hoeveel bewondering mijn vrouw voor Harold en jou heeft. Harold noem ik eerst, om je bescheidenheid de ruimte te geven. Ik heb haar de afgelopen acht jaar natuurlijk veel over jullie verteld. Van Stoß wist ik altijd precies hoe zijn brug vooruitkroop. Bij jou wisten we nooit zeker waar we aan moesten denken om je te vinden, en dat vond mijn vrouw des te interessanter. Telkens als we hoorden dat je bij de benedenloop van de Po in een moeras zat of in het Erlekanaal gevallen was, hadden we veel plezier. Daarom besloten we al vóór ons tweede meisje dat het kind “Max Harold” zou heten, een zinnige combinatie van namen, waar mijn vrouw onder ons gezegd stapelgek op is. Dat lukte nu niet en bij de derde en vierde en vijfde ook niet. Maar nu lukte het wel, en niets ter wereld kan me ervan afhouden om haar hartenwens te vervullen. Ik weet dat je goeiig genoeg bent om je dat te laten welgevallen, en Stoß heeft zijn toestemming zes jaar geleden ook al gegeven, toen ik indiscreet genoeg was om het iets te vroeg te vragen.

Maar dat is niet alles wat ik vandaag wil hebben. Quand on a du courage enzovoort. Jullie moeten zelf komen, persoonlijk, in eigen persoon! Dit feest moet een tripelfeest worden zoals Thüringen nog niet heeft meegemaakt. Vijf maagden in het wit lever ik zelf. Bij Harold stuit ik niet op problemen. Hij heeft me al bij zijn onvergetelijke brugfeest beloofd om te komen. Jij zult je er wel weer uit draaien. Maar dat helpt niet: je moet. Begrijp je nog wat dat betekent: je moet?

Mijn vrouw zegt wel dat ik daar absoluut niets over mag zeggen, want dat zou alles bederven. Maar ik begrijp toch iets meer van de wereld dan zij. Om Harold maakt ze zich geen zorgen. Haar enige zorg met betrekking tot de hooggeëerde peetvader van haar toekomstige Maxje alias Haroldje is dat jij nog steeds zo verwaarloosd over de wereld zwerft. Soms, als ze daaraan denkt en zich jouw ellende voorstelt, wordt ze gegrepen door een mengeling van wilde verontwaardiging en een onbeschrijfelijk verlangen om je te helpen, en ik moet toegeven dat het hoog tijd is. Nu hebben we hier voor de doop een nicht van mijn Gretchen – lach niet, in de boosaardigheid van je hart – de erkend mooiste vrouw van Thüringen, die Engels spreekt, musiceert, kookt, en zelf tot elke prijs met iemand een paar keer de wereld rond zou willen reizen en na de vervulling van die wens eventueel wel met hem zou willen trouwen, een hart van goud ook nog – gewoon goud heb je eigenlijk niet nodig – kortom: ik vertel verder niets, om nog een beetje rekening te houden met de wenk van mijn vrouw. Je moet haar zelf zien, dan verdwijnt mijn angst. Wat leuk, als Gretchen je tante zou worden!

Afgesproken dus, als 15 maart jou uitkomt. We kunnen de datum zonder problemen vervroegen of verlaten. Overleg dat met Stoß. We dopen op het moment dat jij het het beste vindt.

Dat het prima met mij gaat hoef ik je niet te zeggen; ik hoop dat je dat uit deze regels opmaakt. Het nog naamloze ventje huilt wel weer, maar het is een genoegen om zijn goede longen door drie dichte deuren heen te horen. Daarbij vordert mijn technische woordenboek voorspoedig. Als je nog niet helemaal tot een saaie Engelsman verdord en verschrompeld bent, lees ik je na de doop een letter voor. Het zal je interesseren.

Nu, God behoede je! Gretchen heeft je wel nog nooit gezien, maar verheugt zich op “ons weerzien” als het kind dat ze is, ondanks haar zestal. Maak haar blijdschap niet te schande!

Je oude Schindler

Het leek een brief uit een andere wereld. Ik sprong op. Hij moest een kort antwoord hebben, al was het maar een regel. Alleen had ik tijdens het lezen niet gezien wat er aan boord gebeurde. De laatste handdruk was gewisseld en de laatste afscheidstraan gevallen. Halsoverkop was ook de laatste afscheidsgast naar beneden de postboot in gegaan, die hem uit barmhartigheid mee moest nemen naar de kade. Toen ik opkeek, was de kleine stoomboot al tien pas van ons schip verwijderd. De verbindende trossen vielen met een klets in het water en door onze kolos ging een lichte, geheimzinnige siddering: we waren in beweging. Onze stoomfluit stootte een oorverdovend gehuil uit. Europa lag achter ons.

Het was nu gewoon onmogelijk om Schindler een levensteken te geven, voor we over twee weken St. Thomas in West-Indië aandeden. Dat maakte met de tijd van de terugkeer van de eerste stoompostboot tenminste vijf weken. Wat zou Gretchen van de “hooggeëerde peetvader” denken? Want ook Harold gaf geen antwoord meer.

Ik liep naar voren. Achteromkijken is niets voor mij. Het trotse schip maakte een machtige bocht uit de baai van Southampton naar het westen en de blauwzwarte oceaan lag voor ons in de zonnige helderheid van de middag. Aan de horizon verzonken de schepen die net als wij naar het westen voeren. Een viermaster, zwaar beladen, met de wind in de bolle zeilen, steeg majestueus op uit onbekende landen. Daar lagen ook voor mij nieuw werk, nieuwe inspanningen en nieuwe vreugde. Dat is het lot van een man. Eropuit!