Itsik Manger: De Bijbel volgens Itsik: Ballades en Sonnetten

Kaïn en Abel

‘Abel, broer, je slaapt,
En je bent zo mooi, voordien
Heb ik jou nooit als nu
Zo wonderschoon gezien’…

‘Zit de schoonheid in mijn hiel
Of misschien in jou?
Voor de dag verstreken is
Geef je mij antwoord, gauw!’

‘Abel, broer, je zwijgt,
Zo peinzend, zonder een woord,
Zo zwijgend als hemel en aarde
Heb ik jou nog niet gehoord.’

‘Zit het zwijgen in mijn hiel,
Of misschien in jou?
Voor de dag verstreken is
Geef je mij antwoord, gauw!’

Vlak naast je sta ik nu,
En jij bent zo alleen,
Zo vreemd en onaangedaan
Zag ik jou niet, voorheen.’

‘Zit de vreemdheid in mijn hiel,
Of misschien in jou?
Voor de dag verstreken is
Geef je mij antwoord, gauw!’

‘Kom, moeder Eva, en zie
Hoe mijn broer Abel ligt,
Stiller dan toen hij
Aanschouwde het levenslicht.’

‘Zit de stilte in mijn hiel,
Of misschien in jou?
Voor de dag verstreken is
Geef je mij antwoord, gauw!’

‘Kom, vader Adam, en zie
Het rode straaltje bloed
Dat kringelt op de aarde
En ruikt zo treurig en goed.’

‘Zit de treurnis in mijn hiel,
Of misschien in jou?
Voor de dag verstreken is
Geef je mij antwoord, gauw!’

[Genesis 4]

 

Het klaaglied van Jefta’s dochter

Fladder, vogels, in zonnegoud
En kwetter jullie gezang,
De dag is nog lang,
De bomen bloeien met zonnegoud.

De avond zingt voor mij
Lioe, lioe, lioe, lioe.
Iets donkers roept me toe:
‘Kom naderbij.’

O, waterlelies alle,
Wieg maar af en aan
En vergeet de traan
Die ik op jullie laat vallen.

De avond zingt voor mij
Lioe, lioe, lioe, lioe.
Iets donkers roept me toe:
‘Kom naderbij.’

O, bijen honderdvoud,
Vlieg maar van bloem naar bloem
Genoeglijk met zoem-zoem,
De wereld is honing en goud.

De avond zingt voor mij
Lioe, lioe, lioe, lioe.
Iets donkers roept me toe:
‘Kom naderbij.’

Meisje, je kijkt bedrukt,
Kijk niet naar je spiegelbeeld.
Je geliefde bemint het beeld
En gunt je een sprankje geluk.

De avond zingt voor mij
Lioe, lioe, lioe, lioe.
Iets donkers roept me toe:
‘Kom naderbij.’

Vlieg, valken met sterke slagen,
Ga tot de zonnebloem in
En drink haar schoonheden in,
Zolang je vleugels je dragen.

De avond zingt voor mij
Lioe, lioe, lioe, lioe.
Iets donkers roept me toe:
‘Kom naderbij.’

[Rechters 11]

 

Delila

Delila streelt haar bruine lijf,
Dat ademt met “verraad”.
Haar kleine borsten warm en stijf
Wachten op de daad;

Maar wie, de sterke man of zij
Is Israëls schavuit?
In moede westelijke vlucht
Raakt een vlinder de ruit.

Ze glimlacht, want nu naakt de nacht,
De nacht die maakt haar groot.
Terwijl een bloem zich nu vroom sluit,
Opent zich haar schoot;

Ze hijgt, verlangt: bedauw me, man,
Hoor hoe ruist mijn bloed;
Bijt met je tanden in mijn borst,
Harder, scherper – goed.

Haar blik die brandt: stoot, sterke man,
En laat bloeden de wonde;
Verscheur me nu. Een van ons twee
Gaat vannacht te gronde.

Ze brandt van opwinding, wentelt
Haar lichaam furieus.
Degene die haar nu bekruipt
Bedwingt haar als een reus.

Hij hijgt hevig. Zij ademt diep.
Nog even – ze komt klaar.
Zij is als was zo zacht, ze smelt,
En hij wordt groot en zwaar.

Een scherpe schreeuw. Hij laat haar los.
En zij vlucht uitgeblust
En drijft dan uit zijn armen naar
Een verre, vreemde kust.

Na een moment is ze terug,
Voelt zijn behaarde bouw.
Een traan. Ze leed een nederlaag,
Delila, zij – de vrouw.

[Rechters 16]

 

Saul en David

‘Zeg, ben jij soms het harpistje
Dat verdrijft de boze geesten?’

‘Jawel, sire!’

‘Pak je harp dan, kleine meester,
Maak de zieke koning vrolijk.’

‘Hoor, ik speel:

‘Van de bergketen in Juda
Daalt de stille zomernacht,
Stil en klaar;
Wilde rozen in haar gordel,
En op haar gevlochten haar
Blinkt een kroon van zuiver goud.

‘Zij zegt tot de laatste herder
Die is in het veld gebleven:
“Waarom heb je niet je kudde
Voor de nacht naar huis gedreven?
Nu ben je hier maar alleen.”

Zegt de herder:
“Niet alleen!
Jij bent mooi en gaat niet heen,
Volgens mij is mooi ook heilig.”

De nacht lacht: “Jij kleine deugniet,
Liever hoor ik wat is waar…
Maar het ís waar: bij de vleier
Zijn de ogen niet zo klaar,
Lieve jongen, als bij jou.”

En ze zet hem op haar kroon:
“Dit is een geschenk voor jou.”’

Koning Saul veert op van schrik:
‘Zeg, hoe heet die kleine herder,
Heb je zijn naam bij de hand?’

‘Niemand kent hem in het land
En zijn kroon is nog een droom.’

‘Om te sluiten:
Op een wit paard komt een ruiter
Aangereden van de wegen
Doornat van de zomerregen,
Geurend naar het verse hooi,
De herder ziet hem halverwege,
Ogen als sterren zo mooi,
En “profeet” noemt hij de ruiter!
“Koning” noemt de ruiter hem!’

Koning Saul veert op van schrik:
‘Zeg, hoe heet die vreemde ruiter,
Heb je zijn naam bij de hand?’

‘Niemand kent hem in het land,
En zijn woord is nog een droom.’

Zacht mompelt de zieke koning:
‘Luister, jij kleine harpist,
Zet je harp weg in een hoek,
Ik ben moe,
Killer wordt de nacht, het mist,
Tot nu toe
Is mijn treurnis niet verdreven,
Niet verhelderd is mijn droom.’

‘Goênacht, sire!’

‘Ga in vreê!’

[1 Samuel 16]

 

De ballade van Job de graanverkoper

Bij Job, de graanverkoper,
Komt de eerste bode aangezet:
‘Je vrouw heeft zich verhangen
Aan een haak boven het bed!’
Job buigt zijn hoofd en zegt:

‘Aan het water staat een wilg,
De wilg die is gebogen,
Op de wilg daar zit een uil
Met grote, droeve ogen.’

Daar komt de tweede bode,
Hij roept: ‘Job, ach en wee,
Je schoonzoon, die vrome werker,
Moest met het leger mee.’
Job buigt zijn hoofd en zegt:

‘Aan het water staat een wilg,
De wilg die is gebogen,
Op de wilg daar zit een uil
Met grote, droeve ogen.’

Daar komt de derde bode,
Hij heeft een spraakgebrek:
‘Je verlaten dochter Fejndl
Die if nu ftapelgek.’
Job buigt zijn hoofd en zegt:

‘Aan het water staat een wilg,
De wilg die is gebogen,
Op de wilg daar zit een uil
Met grote, droeve ogen.’

Daar komt de vierde bode,
Hij beeft al met zijn hand:
‘Reb Job, een grote vuurzee
Heeft al je graan verbrand!’
Job buigt zijn hoofd en zegt:

‘Aan het water staat een wilg,
De wilg die is gebogen,
Op de wilg daar zit een uil
Met grote, droeve ogen.’

En Job de graanverkoper,
Nee: Job die alles verloor!
Hij loopt daar als een schaduw
Met zijn stokje bij het spoor.
En de locomotieven fluiten:

‘Aan het water staat een wilg,
De wilg die is gebogen,
Op de wilg daar zit een uil
Met grote, droeve ogen.’

Job kan het fluiten niet harden,
Hij wordt een uil en ziet:
Hij vliegt naar de wilg aan het water
En zingt voor de wilg het lied
Op de wijs van “Job” in chejder:

‘Aan het water staat een wilg,
De wilg die is gebogen,
Op de wilg daar zit een uil
Met grote, droeve ogen.’

[Job 1]
spraakgebrek: joden uit Litouwen spraken in het Jiddisj de “s” anders uit.
chejder: religieuze lagere school.

 

Kaïn

Abel is dood. Met veel misbaar
Vervolgt zijn gorgelen mij. Geween
Beeft achter mij. Ik sta alleen
Achter de berg, de zon daalt daar.

De nacht spreidt straks zijn vleugels, daar
Bij de rivier, daar ga ik heen,
Ik knarsetand en krimp ineen.
Het oordeel komt en ik ben klaar.

De eerste priester heeft geslacht
Het eerste schaap voor u, o, Heer;
Vader, verdien ik straf? Ik wacht.

Maar uit de hemel een traan daalt neer:
Kaïn, mijn zoon, bewoon het land,
Vermeerder je als sterren en zand.

[Genesis 4]

 

Het offer van Isaak

‘Wat zie je nu, mijn offer en mijn kind?’
‘Ik zie dat zich op de blauwe hemel legt
Breed uitgespreid een zwaar, diep uur, loodrecht,
En dat zich aan het kruis een mens bevindt.

Wat sta je, vader, stom en bleek van tint,
En heb je het blinkend mes terzij gelegd?’
‘Jouw dood is voor een ander weggelegd,
Verberg je treurnis nu en kom, mijn kind.’

‘Wie is hij? Zijn gezicht is zeker schoon.
Hij moet wel heilig zijn en ongewoon,
Hij die mijn offer heeft overgenomen!’

‘Kom kind, de avond donkert in het veld.
Het is een lange afstand, welgeteld,
En de gelukkige, die moet nog komen.’

[Genesis 22]

 

Rebekka

‘Wat huil je, moeder, als de avond bloeit?’
‘Mijn twee zoons werden tegelijk geboren,
Straks gaan ze beiden tegelijk verloren;
Wie troost me, nu mijn moederhart zo schroeit?’

‘Droog nu je ogen maar en hoor mij aan:
Boven hun leven staat een ster van haat,
Waardoor de tweestrijd tussen hen ontstaat.
Hoewel hen nu verbindt hun moeders traan.

Maar eens, wanneer de zon zal ondergaan,
Zal een voor de ander in de woestijn staan
En bevend zien het ondergaande rood.

Eén neemt zijn broeders hand, daar staan ze samen,
Hij mompelt dan iets droefs, zal droef zich schamen;
Het leven scheidde ons, nu bindt de dood.’

[Genesis 27]

 

Jozef

‘Met hoeveel broers zijn jullie?’ ‘Tien, o heer!
En hij is onze jongste, nog een kind.
Door zijn haar speelt de eerste lentewind,
En onze vader smacht naar hem zozeer.’

Jozef bekijkt zijn jongste broer nu lang,
En glimlacht, door herinnering overmand,
Hij ziet zich terug als kind in het verre land,
Hij voelt zich droef en zoet en bang.

Hij ziet de tien, duister wordt zijn gezicht.
Hij ziet het kind en in hem schijnt een licht,
Zijn ogen worden stiller, zachter, moeder.

‘Jozef ben ik, herkende je me niet?’
Hij strekt zijn handen uit naar hen subiet:
‘In naam van het kind vergeef ik elke broeder!’

[Genesis 44-45]

 

Jefta’s dochter

Blootsvoets in een katoenen jurk, een zonnebloem in het haar,
Zo staat ze voor haar tent en wacht, op de proef gesteld.
De blik op de heraut gericht. Heeft hij teleurgesteld
De droom die haar alles liet zien, zo helder en zo klaar?

Wat stuift daar aan de horizon? Het is waar, het is waar:
Een schare snelle ruiters. Voor hen uit schalt onvervaard
De ramshoorn van heel Israël. De kop is ruig bebaard,
Hij draagt de zege op zijn speer. Een hoofd met heel lang haar.

Ze zet het op een lopen ademloos. En alle wegen
Verzamelen zich daar en hebben voor haar kleur gekregen.
Zonsondergang. De speren van de ruiters flitsen rood.

De ramshoorn seint haar: “Weg!” Maar zij rent verder naar de meet,
Daar heeft ze al de teugels van de eerste ruiter beet:
Het is haar vader, zijn gezicht is een streng masker: dood.

[Rechters 11]

 

Koning David

Zelfs in des konings venster sterft de zon.
De koning is oud en als sneeuw zo wit.
Steels kijkt hij naar de harp die hij bezit.
Zelfs in des konings venster sterft de zon…

En achter hem staat zijn echo: de dood,
Gehuld in goudomzoomde, donkere toog,
En glimlacht voor zich heen, oneindig hoog,
En op zijn hoofd schemert de kroon vuurrood.

En op zijn harp sluimert de koning stil.
De dood zegt in zichzelf dan zacht: ‘Ik wil
Hem hullen in zijn nachtelijke pijn.

Dit is de man die gelovig was als kind,
Zondig als god en wetteloos als wind
En zo mooi als alleen een droom kan zijn.’

[1 Koningen 1]

 

Koningin Izebel

Ze heeft in slaap gesust haar hele godenboel.
(Haar goden: goferhout, marmer en elpenbeen).
Nu staat ze trots op de veranda, heel alleen,
De wind zoemt door haar haar, mysterieus en koel.

De nacht valt. Dan begint het spel zonder een doel.
Vuurvliegjes steekt ze aan, zo droef en mooi dooreen,
Hun licht gaat aan en uit, de zin is al ver heen,
Diep in haar hart verrijst een helder, dun gevoel,

Dat zij één wordt met het oplichten en bedaren;
Wat wil die vreemde wijngaard van haar jonge jaren,
Die zindert in haar fantasie, rijp, fris en goed?

Hún profeet dreigt. Háár goden slapen. Ze is alleen.
De vreemde wijngaard schittert rood. Ze is ver heen
En hoort niet hoe nu in haar weent haar eigen bloed.

[1 Koningen 16, 21]
goferhout: hout gebruikt voor de ark van Noach.
elpenbeen: ivoor.

 

Inhoud