3. Erfgenamen

 

verstreken-jaren-3

 

Op de dag der grote Mei-betoging zal het ongetwijfeld in de meeste grote steden van Europa bijzonder rumoerig zijn…

Zware voeten kwamen de trap opklossen.

Wat moesten ze nu weer van me? Waarom konden ze niet beneden blijven en doorwerken? Er was genoeg te doen. Daarbij wou ik eerst deze zin uitlezen.

… bijzonder rumoerig zijn, maar de regeringen hebben overal zulke uitgebreide voorzorgsmaatregelen genomen, dat het gevaar voor ernstige rustverstoringen aanmerkelijk verminderd is.

‘Meneer Herreman!’

Hijgend van het trappenlopen kwam Kobus om de hoek van de salondeur kijken. Zonder kloppen: daarover moest ik hem later op de dag eens onderhouden.

‘Meneer Herreman, de vrachtrijder!’

Ik was blijkbaar zo in de krant verdiept geweest, dat ik geen paard en wagen had horen stilhouden. De vrachtrijder had dus aangeklopt bij het souterrain. Rustig, of het om een alledaagse leverantie ging, legde ik het Algemeen Handelsblad weg en liep achter Kobus de trappen af.

De zweetlucht van de twee vrachtrijders overstemde de geuren van hout, lak en etherische oliën in het atelier.

‘Goeiemorgen,’ zei de een. ‘Kunstinrichting voor Vioolbouw en Reparatie Herman Brandt: dat bent u?’

Ik knikte.

‘Een bestelling uit Den Haag voor meneer de Kunstinrichting. Twee colli.’

‘Wat een rust als je de hoek van de Vijzelstraat om bent,’ merkte de ander op. ‘Het lijkt wel of er op die grachten niet gewerkt wordt.’

‘Ja zeker wordt hier gewerkt,’ zei Kobus, terwijl hij met zijn mouw het zweet van zijn voorhoofd veegde. ‘Ook boven in de boeken door meneer.’

‘Het grote stuk moet naar boven,’ zei ik kortaf en liep de treden naar de gracht op om de voordeur van buiten open te maken. ‘Voor ieder een stuiver als het zonder krassen op de bel-etage komt.’

Nadat ze mij het kleinste stuk in handen hadden gegeven, haalden de mannen de beschermende dekens van het grote om te zorgen dat het niet uit hun handen zou glijden. Ondanks hun voorzichtigheid hoorde ik een geschuif en gerammel of een geraamte vergeefse pogingen deed om op te staan.

Ik wees de vrachtrijders de plek die ik had laten vrijmaken. In de salon uiteraard: in mijn werkkamer wilde ik niet afgeleid worden door klokken die elkaar tikkend op de hielen zaten en ik had geen behoefte om ieder verstreken uur dubbel te horen slaan. Zodra ze de kast overeind hadden gezet, waardoor de gelijkenis met een lijkkist verdween, gaf ik snel de fooi, ook voor de derde man bij het paard, en liet ze uit.

‘Hu!’ klonk het. Paardehoeven klakten en ijzeren banden rolden weg over de keien.

Met moeizaam gezigzag schoof ik de klok nog twee duim dichter naar de muur, tot hij precies op de juiste plaats tegen de betimmering stond.

Ondertussen was Dien binnengekomen. Nadat ze het nieuwe meubelstuk bewonderend bekeken had, begon ze met haar stofdoek de afdrukken van zweetvingers weg te vegen.

‘Mooi hout, meneer.’

‘Noten. Meer dan honderd jaar oud. Gesigneerd Paulus Bramer en Soon, Amsterdam. De klok is weer terug in de stad waar hij gebouwd is. En hij blijft in de familie. Vader heeft hem geërfd van grootvader. Geen idee hoe die eraan gekomen is. Eerlijk, neem ik aan.’

‘Wat een volle wijzerplaat,’ zei Dien, haar oude rug rekkend om het glas af te stoffen.

‘We kunnen precies zien wat ons allemaal ontstolen wordt,’ wees ik. ‘Welk uur, welke minuut, welke seconde; welke maand en welke dag van de week. Zelfs de diefstal van de volle maan en het water van de vloed staan hier geregistreerd.’

Ze zuchtte en maakte aanstalten om naar de keuken te gaan. ‘U bent er toch wel blij mee, meneer Herman?’ vroeg ze in de deuropening nog.

‘Mm,’ bromde ik.

Was ik blij? Ach… Was ik nog, of weer, onder de indruk van vaders dood? De tijd tikte door. Ik haalde de stoel achter mijn bureau vandaan, zette hem voor de klok en klom erop om het los bijgeleverde personeel op zijn plaats te zetten: de Atlas met het uitspansel op zijn schouders en de bazuinenengelen aan zijn zijden. Het houtwerk boven de wijzerplaat was een knap stukje werk, dat moest ik toegeven; die Paulus Bramer en Soon hadden goede makers van vioolkrullen kunnen worden. Ik stapte van de stoel, zette hem opzij en opende het deurtje voor de slinger en de ruit voor de wijzerplaat. Ratelend ging het zware gewicht aan de ketting naar boven. Ik schoof de grote wijzer door naar zijn hoogste punt. De klok leek tot leven te komen en zijn keel te schrapen voor hij luidkeels de elf uren liet horen. Op mijn zakhorloge zag ik dat Paulus Bramers kleine wijzer nog bijna de hele ronde langs de Romeinse cijfers moest maken: een overbodig slagwerkconcert van zeventig, tachtig slagen. Ondertussen besloot ik met het openmaken van de andere, veel interessantere kist te wachten tot Kobus, Dirk en Gerrit het atelier uit waren.

Ik legde de kist op de werkbank aan het raam en stak om nog meer licht te hebben de olielamp aan. In het licht dat door de f-gaten op het etiket viel, kon ik de woorden fecit Adamus Stark in Neukirchen Anno Domini 1840 onderscheiden. Ik meende me ook al te herinneren dat deze viool precies een halve eeuw oud was. Johannes Verhulst had haar uit Leipzig mee naar Nederland genomen. In die tijd was vader als pril viooltalent vriend en een soort beschermeling van de zelf nog jonge Verhulst geweest en de componist had hem deze prachtige viool toegespeeld. Er was wel wat veranderd sinds die tijd! Vader dood en begraven. Verhulst muzikaal morsdood. Nadat ze hem in ’86 wegens zijn starre conservatisme bij Diligentia de laan uit hadden gestuurd, had hij, diep gekwetst, zelf al zijn andere functies eraan gegeven om zo de eer nog een beetje aan zichzelf te houden. De Grote zou wel niet lang meer te leven hebben.

Wat stond er verder ook al weer?

 

Viva fui in sylvis

Fui dura occisa securi

Dum vixi tacui

Mortua dulce cano

Ooit had vader deze regels voor Matthijs en mij vertaald, maar dat was al wat jaartjes geleden, als je naging dat ik toen nog ijverig viool studeerde. Het betekende als ik me goed herinnerde zoiets als: Levend was ik in de bossen. Ik werd geveld met een bijl, een harde bijl. Dum vixi… Terwijl ik leefde, hield ik mijn mond dicht. Mooi motto; iets voor mijn bankdirecteur. Mortua dulce cano. Dood zing ik lieflijk. Wel toepasselijk in een viool en niet onaardig, hoewel ik er altijd van uitging dat een klant meer behoefte had aan een etiket met beknopte en zakelijke gegevens.

Het vurenhouten bovenblad had prachtig smalle jaarringen, niet te snel gegroeid in de zomer en uiterst langzaam in de winter. Eén smal streepje per jaar. Hoeveel smalle streepjes waren mij nog gegund? Twintig? Dertig? Veertig misschien zelfs? Als ik maar niet eindigde als een breekbaar oud mannetje, dat op de pot geholpen moest worden om er zijn droge keutel in te deponeren. Nee, mijn verblijf op deze wereld moest in één keer afgelopen zijn.

Vader had tot de dag voor zijn dood met liefde op deze viool gespeeld, al vond ik dat zijn spel de laatste jaren duidelijk achteruit was gegaan. Mijn spelen ging ook niet meer zo soepel. Misschien kon ik beter zeggen dat het altijd stroef was gegaan. Matthijs speelde oneindig veel mooier. Maar die had weer niet de gave om zijn talent uit te buiten. Dat mijn broer beter speelde ergerde me soms, al was ik de een tikkeltje wereldvreemde Thijs op andere gebieden nog zozeer de baas. Ook het feit dat ik me ergerde, ergerde me. En het had me steeds gestoken dat vader tot zijn dood op dit instrument had gespeeld en nooit op een viool uit mijn atelier. Niet op de beste viool uit mijn handen en niet op een van de briljante Guarneri-del-Gesùkopieën van de bouwers die ik later in dienst had genomen.

Het onderblad was een wel heel fraai gevlamd staaltje esdoornhout. En die lak, wat een dieprode gloed! Een rode viool van een rode violist voor een rode violist… Bij de aanzet van de hals was een *S* ingebrand onder de lak. De S van Socialen. De S van Schorremorrie. Straatpers. Schreeuwlelijken. Schelviskoppen. Syfilislijders. De S van September ‘72, voor vader zo’n bijzondere maand. De hele wereld had volgens hem gekeken naar danszaal Concordia in de Lombardstraat in ons kleine Den Haag – één straat bij ons vandaan – waar de Internationale Arbeiders Associatie vergaderde. Socialistische kopstukken als Karl Marx, Friedrich Engels en de rest, met hun Nederlandse loopjongens Hendrik Gerhard en Bruno Liebers. Die laatste was trouwens niet eens een echte Nederlander. Na zich op straat te hebben laten uitjouwen, hadden de afgevaardigden in het obscure zaaltje nagekaart over de nederlaag van de Parijse Commune; ze hadden broeierig geconspireerd tegen de buitenwereld en tegen elkaar. In naam van het wereldproletariaat hadden ze resoluties opgesteld waarin gesproken werd over “heldhaftige martelaars voor de zaak van de bevrijding van de arbeid” en “strijd tegen de reactionaire bourgeoisie”. Wat vader daarin gezien had, Joost mocht het weten. Heel inconsequent had hij ons in de beste tradities van de bourgeoisie een aardig erfenisje nagelaten. Waaronder een som gelds, een klok en deze viool. Het verontrustende was alleen dat de mens zo hardleers was en dat de geschiedenis zich dreigde te herhalen. Thijs liep ook al weg met de socialen: met Domela Nieuwenhuis, Fortuyn en Frank van der Goes. En sinds een jaar dweepte hij met een vriendje van die laatste, een zekere Herman Gorter. Een jongen van amper zesentwintig, die een gedicht over de maand mei geschreven scheen te hebben. Precies een jaar geleden had ik die Gorter langs zien komen, toen de aangeschoten leden van het dispuut Unica hem op een rode troon in een rijtuig door de stad voerden. Dan kon je wel nagaan wat voor gedicht dat moest zijn.

Zou Matthijs ook in de muziek zijn vader achternagaan? De viool uit mijn atelier opzij leggen en alleen nog op deze Stark spelen? Het zou al zijn leerlingen en collega’s opvallen, wanneer de viool uit het atelier van zijn broer werd vervangen. Daar zou ik een stokje voor moeten kunnen steken. Ik moest geen klanten verliezen, maar winnen. Ik moest het Conservatorium in handen krijgen. En het Concertgebouw-Orkest; een paar strijkers waren al klant bij mij, maar lang niet allemaal. Een van de eerste violisten had gezegd dat Kes niet tevreden was met de strijkersklank: die dacht aan betere en meer bij elkaar passende instrumenten. Als ik die allemaal leverde, was de kwestie opgelost. Ik zou eens belet moeten vragen bij Willem Kes. Hoe lijmde ik die man? Als ik hem en concertmeester Christiaan Timmner eenmaal te pakken had, kwamen de andere schapen ook wel over de dam. Het grootste probleem was dat hun jaarsalarissen zo laag waren: sommigen gingen met een armzalige vijfhonderd gulden naar huis en zelfs Timmner kreeg maar zeshonderd, nauwelijks meer dan een schoolmeester en een stuk minder dan een leraar aan een hogereburgerschool. Ze zouden die strijkers voor de aanschaf van fatsoenlijke instrumenten voorschotten moeten geven.

Ik spande de strijkstok, stemde de viool en merkte al bij de eerste tonen dat mijn herinneringen aan vaders spel beslist niet te rooskleurig waren: de klank van het instrument was even mooi als het uiterlijk en het kostte – een goed teken – ook opvallend weinig moeite om dat moois eruit te halen. De strijkstok was wat minder. Kon ik die viool niet zoekmaken in plaats van haar aan Matthijs over te dragen?

Lichte passen op de trap. Dat was Dien, die kwam informeren of ik nog iets nodig had. Het was al vrij laat geworden, zag ik.

‘Het is al vrij laat, meneer, als ik dat zeggen mag. Hebt u nog iets nodig?’

Ik liet haar de viool zien.

‘Van violen heb ik nog altijd geen verstand,’ zei ze met een verontschuldigend gebaar. ‘Dat moet u me maar niet kwalijk nemen. Hij staat echt mooi in de salon, uw klok. Ook bij gaslicht.’

‘Ik heb niets nodig,’ zei ik.

Die sta-in-de-weg zette ik liefst het huis uit. De klok dan. Dien niet. Hoewel ze als vrouw niet interessant meer was. Of juist omdat ze dat niet meer was. Haar aantrekkelijkheden hadden het afgelegd tegen de tijd en de zwaartekracht en haar wilde jaren – als ze die ooit had gehad – lagen ver achter haar. Ik zou niet dag en nacht een rusteloze jonge vrouw in huis willen hebben, zoals Thijs zijn Nora. Een vrouw die, anders dan mijn Roosje, over alles een mening had, die ze meestal uit boeken haalde en te pas en te onpas debiteerde. Eén keer had Nora het gewaagd, Roosje een parasiet te noemen. Ik had mijn schoonzuster in haar eigenwijze gezicht geschreeuwd, dat de Klimroos, al hield die zich vast aan de Boom, een zelfstandige plant was. En dat die zich met haar stekels verdedigen kon.

Roosje kwam uit zichzelf, wanneer ze me nodig had, en als ik behoefte aan haar had, wist ik haar te vinden.

Ja: ik moest naar haar toe, nu meteen! Dat was de beste manier om mijn opkomende ergernis kwijt te raken.

‘Ik heb de viool al een dag in huis,’ zei ik, de deur van mijn werkkamer achter me dichttrekkend.

Matthijs knikte.

‘Ik heb zoveel les moeten geven vandaag. En gisteravond had ik te doen.’

‘De socialen organiseerden geloof ik een feestje in Plancius? Was je gisteravond onder het volk?’

Op mij was dat in de meest letterlijke zin van toepassing, bedacht ik.

‘Jaja.’

‘Moest je daar vioolspelen?’

Tot mijn verbazing zei hij: ‘Ik heb meegezongen in Excelsior.’

‘Meegezongen? Ben je lid van die extremistenbende?’

‘Nee,’ grijnsde Matthijs, ‘maar ze konden best een tenor gebruiken en iemand die goed van blad leest. Hoe weet je dat het in Plancius was?’

Achteloos pakte ik het Algemeen Handelsblad van mijn bureau om niet te laten merken dat ik het politieke nieuws in de ochtendkrant gespeld had. Omdat ik wist dat Matthijs geen abonnee was, vouwde ik het blad open en begon hem voor te lezen.

Er werd nog een lied gezongen, waarop Fortuyn deed uitkomen, dat de Sociaal-Democratie de kunsten niet vijandig gezind is. De heer Domela Nieuwenhuis verkreeg daarna het woord en wees op de algemeenheid der 8-uren-beweging, welke de grote strijd voorafgaat. Deze beweging is internationaal, maar dat dient zij te zijn, wil de overwinning zeker wezen. Overal dezelfde tegenstand, overal hetzelfde overbodige militaire vertoon. Wanneer de S.D. werkelijk van plan waren geweest revolutie te maken, dan zouden wij dat toch niet hebben gedaan bij aanplakbiljet.

Laat je wel eens tot je doordringen,’ zei ik, terwijl ik de krant liet zakken, ‘dat ik hier de zaak wel kan sluiten, wanneer de socialen hun zin krijgen met een acht-urendag? Voor jou zijn violen dingen om mooie geluiden mee te maken. Maar ik moet ze bouwen en verdelen; ik moet drie mannen en hun gezinnen, een huishoudster, een keukenmeid en een thuiswerkster te eten geven en zorgen dat mijn firma niet failliet gaat.’

Matthijs trok zijn wenkbrauwen op.

‘Dat zal wel meevallen. Lees verder. Misschien wordt daar iets meer over geschreven.’

Zeker: in de volgende alinea stond de zin waaraan ik me vanochtend zo gestoten had:

De tegenstanders van de 8-urige werkdag zijn meest allemaal mensen die niet 8 uren werken.

Wat een onbegrip over de moderne bedrijfsvoering! Ik kan je zeggen dat ik veel meer werk dan acht uur per dag…’

‘Wind je niet op,’ zei Matthijs met een bezwerend gebaar. ‘Wat schrijven ze verder?’

Maar er is ook een stroming onder de arbeiders en dat is een treurig verschijnsel. Wij weten wel, dat met een 8-urige werkdag de slavernij en de kapitalistische produktiewijze blijven bestaan, maar de 8-uurbeweging is een stap vooruit, waardoor de beterschap verkregen kan worden. In de uren die de arbeiders vrij zullen krijgen zullen zij zich meer ontwikkelen en daardoor minder misbruik maken van sterke drank. Daarom zijn ook de zelfbewuste arbeiders voor de 8-urige werkdag. Acht uren slaap en acht uren vrij, acht uren slaaf en acht shillings erbij, dat is de leus en die leus zullen wij eens verwerlijken.’

Alsof ik een oorvijg uitdeelde, mepte ik met mijn hand tegen het papier. ‘Ja, Thijs. Ik zou me kunnen opwinden en die uitlating over slavernij als smaad opvatten, als het vervolg niet zo lachwekkend was:

En de Regeringen mogen gewaarschuwd zijn, want blijven zij weigeren wat wij begeren, dan zijn ook voor haar rekening de gevolgen. Men kan nu niet meer voorwenden dat men de wil des volks niet gekend heeft. Met de aansporing tot aaneensluiting van alle arbeiders eindigde de spreker.’

‘En hoe gingen we uiteen?’

Het was vrij druk in de omgeving van Plancius. Velen stonden voor het vergaderlokaal, werkvolk, jongens en een aanzienlijk getal nieuwsgierigen. Een paar agenten waren voor het gebouw, later versterkt door een tiental om wat ruimte te maken, opdat de vergaderden gemakkelijk konden heengaan. Even kalm als de menigte was gekomen, ging zij huiswaarts.’

‘Prachtig,’ zei Matthijs. ‘Wat wil je nog meer? En wat staat er over Den Haag?’

‘Die vergadering kwam op hetzelfde neer. Alleen was het einde wat interessanter. Ze schrijven:

Deze demonstratie der cavalerie – ze bedoelen een piket huzaren onder bevel van luitenant Piepers – miste haar uitwerking niet.’

‘Goed,’ zei Matthijs. ‘Dat zegt jouw krant. En dit zegt de mijne.’

Met een theatraal gebaar haalde hij Recht voor Allen uit zijn zak en vouwde het blaadje, voor zover mogelijk, breed voor me uit. Ik zag een kust met een fort dat in vlammen opging en op de voorgrond een wilde zee. Op de voorplecht van een bootje genaamd Organisatie een halfnaakte, slecht geproportioneerde vrouw, die blijkbaar net klaar was met het verbreken van haar ketenen; achter haar stond een zooitje ongewassen arbeiders-brandstichters wild op ijsschotsen in te hakken. De voormalige bewoners ervan: karikaturen van koning, generaal, dominee en ondernemer, waren met kroon, kanon en geldzak in het koude water beland, zodat je op de ijsschotsen kon lezen: Monopolie, Trusts, Pers, Moderne Prostitutie, Bederf, Patroonsvereniging, Beurs, Koningschap, Militarisme, Geestelijkheid. Een van de boze mannen in het bootje torste een vaandel en…

Nu had ik hem.

‘Dat is dan toch duidelijk!’ zei ik.

‘Wat is dan toch duidelijk?’

‘Lees dan wat daar op de wimpel bij die vaan staat!’ wees ik met een tik tegen zijn voorpagina. ‘Je hebt toch op de h.b.s. gezeten? Je kunt toch lezen?’

Meteen bedacht ik dat heel wat socialen en meelopers dat niet konden, wat aan de ene kant de reikwijdte van dit blaadje beperkte, maar aan de andere kant allerlei professionele heethoofden veel invloed gaf.

Aarzelend en met een wantrouwige blik achter zijn lorgnet las Matthijs:

De bevrijding der arbeiders moet het werk der arbeiders zelven zijn.’

‘Je ziet het,’ zei ik. ‘Daar staat: die strijd is jouw zaak niet! Jij als artiest hebt je daar niet mee te bemoeien! En wat die ijsschotsen betreft: de drenkelingen van het Militarisme en de Patroonsvereniging zijn mans genoeg om de volgbootjes te laten kapseizen. En anders doet de Lorelei van de Moderne Prostitutie dat wel. Tussen twee haakjes: de mannen die gisteren de klok en de viool kwamen brengen, werkten gewoon en ze leken me niet in een feestroes. Ook niet na de fooien die ik gaf.’

‘De sociaal-democraten zijn nog een kleine minderheid,’ legde Matthijs uit.

‘Het is een wrak bootje en de volgboten maken ook niet bepaald een zeewaardige indruk.’

‘We hebben nog weinig macht. Velen durven zich nog niet bij ons aan te sluiten uit angst een houw met een sabel van de politie te krijgen. Of ontslag van hun patroon.’

‘Ik hoor niet tot dat soort bazen. Weet je wat je doet? Je vraagt Kobus, Dirk, Gerrit, Roosje, Dien en de keukenmeid de eerste keer dat je ze ziet of ze uitgebuit worden.’

Matthijs pakte een stoel en ging zuchtend zitten.

‘Herman, je begrijpt geen snars van het socialisme.’

‘Dat is waar. Ik ben geen eenvoudig werkman.’

Ik ging achter mijn bureau zitten en ordende wat paperassen.

‘Ik heb het over het principe,’ betoogde Matthijs. ‘Ik zal niet meer beginnen over de meerwaarde-theorie, want dan krijgen we weer ruzie. Het gaat er niet om of je als kapitalist goed voor je werklieden bent. Je – ik bedoel niet jou, maar iedere kapitalist – geeft ze een loon dat zo laag is, dat je bedrijf winst maakt. Geen winst betekent stilstand. Je moet uitbreiden, je moet vernieuwen, anders raak je achter en dan kun je niet meer concurreren. Je móet uitbuiten! Niet uit verdorvenheid, maar omdat je ondernemer bent.’

Om ook de uiterlijke gelijkenis met zijn kapitalisten-karikaturen te vermijden stak ik geen sigaar op, hoewel het kistje met prachtexemplaren van drie cent het stuk wel erg uitnodigend op mijn bureau stond.

‘Je hebt dus gisteravond mee staan zingen. En misschien speel je op de volgende meeting viool voor het volk. Maar als je het goed nagaat, doe ik met mijn violen meer voor de werklieden en hun werkgelegenheid.’

Matthijs haalde zijn schouders op.

‘Zou het geen goed idee zijn,’ stelde ik voor, ‘als je in plaats van de vlaggestok alleen nog maar de strijkstok vasthield?’

‘Het een hoeft het ander niet uit te sluiten. Ik zie daarin geen tegenstelling.’

‘Laten we naar beneden gaan,’ zei ik en stond op. ‘Je bent gekomen om te spelen, neem ik aan. Niet om een onverbeterlijke bourgeois te bekeren.’

Matthijs sloeg om als een blad aan een boom. Hij had meer dan eens op de viool van vader mogen spelen, hele strijkkwartetten zelfs, maar toen ik met de gebaren van een verkoper de kist openmaakte, bekeek hij het instrument of het nieuw voor hem was. Op zijnwangen verscheen de blos van een verliefde jongeman en op zijn lorgnet een waas, toen hij de viool met voorzichtige vingers uit de kist haalde.

Hij stemde en begon te spelen. Heel knap, uit zijn hoofd, zonder blad voor zijn neus. Was hij maar zo verstandig dat hoofd ook onder andere omstandigheden te gebruiken! Vader had mij jarenlang evenveel vioollessen gegeven. Ik was slim genoeg, maar te ongeduldig volgens hem. En ik miste het ware vuur, had hij een keer gezegd. Wat was ik kwaad geworden om het bevestigende knikje van Matthijs! Ik had de studieviool in een hoek gegooid en prompt een pak slaag gekregen. Maar dat was lang geleden.

Terwijl Matthijs op de Stark stond te spelen, kon ik hem vanuit mijn stoel rustig observeren. Hij keek niet met de blik van de doorgefourneerde vioolkenners die ik tegenkwam op veilingen: de mensen met het guldenteken in hun ogen. Het was ook niet de blik van de zogenaamde vioolkenners, die keken zonder te zien. Het was de blik die ontstond wanneer de waarneming zich van het oog verplaatste naar het oor en de vingertoppen. Een eigenaardige, ingekeerde blik, die me op momenten deed denken aan het kijken van Jaapje, Roosjes piepkleine neefje, dat op schoot bij zijn bloedjonge tantetje meer van haar leek te genieten met zijn vingers, mond en oren dan met zijn ogen. Ik zag ook weer Matthijs’ gelijkenis met vader in de opvallend blauwe ogen.

Die Stark was een viool die je de tijd kon doen vergeten. Plotseling merkte ik dat het ongewone stuk met al die pizzicati en dubbelgrepen uit was.

‘Schumann?’ vroeg ik.

Matthijs knikte.

‘De Tweede sonate en daarvan het derde deel: Leise, einfach.’

‘Dat heb je dan behoorlijk leise en einfach gespeeld.’

Matthijs zag aan mijn gezicht dat ik geen gekheid maakte.

‘Ze is mooi als een vrouw,’ zei ik, toen hij de viool op een armslengte afstand bekeek met een gezichtsuitdrukking of hij haar zou gaan kussen.

‘Afgezaagde vergelijking,’ zei hij ontnuchterd.

‘Als een fijnbesnaarde, geëmancipeerde vrouw dan. Als Nora. Nora van Ibsen.’

Matthijs lachte.

‘Je hebt zeker in de krant gelezen dat het stuk in de Salon des Variétés gaat. Nora en ik hebben kaartjes voor morgenavond. Het zijn buitengewone voorstellingen ten voordele van de werkelozen in het Diamantvak. Apropos diamant: zou je deze edelsteen onder de violen een vakkundige schoonmaakbeurt willen geven? Niet meteen, maar volgende maand bijvoorbeeld. Ik wil er nu thuis op gaan spelen.’

‘Daar moet ik dan wel wat voor rekenen,’ zei ik zakelijk en noemde meteen de prijs. Ik zag aan Matthijs’ gezicht dat het bedrag hem tegenviel. Maar de Kunstinrichting organiseerde nu eenmaal geen buitengewone liefdadigheidsvoorstellingen. En zoals hij stond te popelen om naar huis te gaan en op zijn glanzende viool te spelen, zo popelde ik om de andere kant uit te lopen en bij de Fabrique de voitures de luxe & d’exportation van de Gebroeders Spijker het niet minder glanzende rijtuig met de caoutchoucbanden te bestellen.

Met een pijnlijke voorzichtigheid legde Matthijs de viool in de kist, zonder die te sluiten. Terwijl hij zijn lorgnet van zijn neus nam om het te beademen en te poetsen, vroeg hij met een doorzichtige nonchalance:

‘Het gaat me uiteraard niet om een verkoop, maar op hoeveel zou je deze Adam Stark taxeren?’

Ik had de vraag verwacht.

‘Deze viool komt uit Markneukirchen,’ zei ik bij wijze van inleiding en stak om de spanning wat op te voeren in alle rust een havanna op. ‘Ik kom daar altijd graag. Het is verdomd gezellig, als we in de Nebenzimmer van Hotel zur Post zitten met de bouwers en handelaars bij elkaar, en veel drank en sterke verhalen. Ik ken daar Heinrich Theodor Heberlein, een prima bouwer; die heeft niet voor niets de Albrechtsorde gekregen. En Ludwig Gläsel is goed. Ja, zo langzamerhand gaat in Markneukirchen de kwaliteit weer tellen.’

‘Je overdrijft.’

‘Nee. Markneukirchen heeft nog steeds geen geweldige naam in de vioolbouw. Jarenlang zijn ze daar alleen maar goed geweest in het tellen van bankbiljetten. Het gevolg was dat geen serieuze violist meer op een Markneukirchner Kiste wilde spelen. Hun reputatie is niet meer zo slecht als een halve eeuw geleden, maar nog niet te vergelijken met die van bijvoorbeeld Mittenwald. En tegen violen uit Italië kunnen ze helemaal niet op.’

‘Leeft die Adam Stark nog?’

‘Nooit gezien. Dan zou hij een beverig oud baasje zijn, dat zijn gutsje niet meer recht het hout in krijgt.’

Matthijs haalde de viool weer uit de kist en tuurde door de f-gaten op het etiket.

‘Hier staat 1840: de bouwer zou een halve eeuw later nog kunnen leven.’

‘Dit instrument is typisch geen probeersel van een beginneling,’ antwoordde ik, ‘maar de viool van een bouwer die zijn eigen stijl gevonden heeft. Nu ik erover nadenk: ik ken een Johann Stark, die zou familie kunnen zijn. Ik zal het hem eens vragen, als ik hem zie. Maar die Adam ligt volgens mij allang tussen zes plankjes.’

Matthijs knikte en keek alsof hij geen viool, maar een dood poesje in zijn handen had.

‘Sommige experts zeggen wel dat er op de wereld zo’n driehonderdduizend goede violen zijn. Daarvan zou dan pakweg een tiende, dus dertigduizend instrumenten, van hoog niveau zijn, ik bedoel perfect afgewerkt en met een eersteklas toonkwaliteit. En in goede staat, voor zover het oude instrumenten betreft. De helft van die categorie instrumenten komt uit Italië. Van die vijftienduizend Italianen horen er laten we zeggen driehonderd tot de absolute topklasse.

Vraagt iemand mij een viool te taxeren, dan bekijk ik die viool als een voorwerp met een volgens bepaalde normen vastgelegde waarde. Pas in de tweede plaats als een muziekinstrument. Jij als musicus gaat het instrument bespelen en je luistert naar de toon. Pas als die je bevalt, krijgt de viool voor jou een waarde. Voor mij kan een matige viool van een beroemde bouwer veel waard zijn, net zoals voor jou een goede viool van een bouwer die onbekend en onbemind is.’

‘Goed,’ zei Matthijs na een lange stilte. ‘En tot welke klasse hoort mijn Adam Stark?’

Tegen het bezittelijk voornaamwoord was juridisch natuurlijk niets in te brengen, maar het stoorde me. Ik zat opgescheept met die klok.

‘Tot de driehonderd, tot de dertigduizend of tot de driehonderdduizend? Of zelfs daar niet toe volgens jou?’

Hij deed nu wat hij mij daarnet verweten had. Het ging om het principe, niet om mijn privémening. Ik zoog die waardering niet uit mijn duim. De meeste collega’s zouden op hetzelfde bedrag uitkomen en de taxatieboeken waarschijnlijk ook.

‘Taxeren is geen eenvoudige zaak,’ zei ik. ‘Wat de klank en de afwerking betreft is deze Adam Stark niet slecht. Maar…’

‘Maar wat?’

‘Maar er zijn drie punten in zijn nadeel. Ten eerste is hij gebouwd door de verkeerde bouwer. Ten tweede op de verkeerde plaats. Ten derde in de verkeerde tijd.’

‘Hoe bedoel je dat?’ vroeg Matthijs, die zijn verontwaardiging niet helemaal kon onderdrukken. Hij hield zijn viool tegen zijn borst alsof hij haar beschermen moest.

‘Adam Stark is niet een van de grote namen,’ legde ik uit en wees op mijn sigaar. ‘Dit is een eersteklas havanna van drie cent. Dat proeft een kenner onmiddellijk. En toch geeft het bandje dat eromheen zit de doorslag. Ik wil je niet blij maken met een dode Adamus. Dat Stark hard gewerkt heeft, weegt niet zo zwaar. En dat hier in mijn atelier hard gewerkt wordt, geeft net zo min de doorslag. Ook mijn violen hebben er last van dat ze niet oud zijn en niet uit Italië komen.’

‘Ik begrijp niet waarom de naam zo belangrijk is,’ zei Matthijs teleurgesteld.

‘De naam doet er alles toe,’ zei ik. Begrepen de socialen zo weinig van de kapitalistische economie? ‘De tijd dat ze geen onderscheid maakten naar naam en bouwer, dat violen gewoon violen waren, ligt al eeuwen achter ons.’

‘Naar die ideale toestand moeten we terug,’ zei Matthijs met een naïveteit die me verbaasde.

‘Mijn zegen heb je.’ Ik blies een rookwolk van een bekend merk in het atelier met de bekende naam. ‘Alleen weet ik dat die paradijselijke toestand niet lang geduurd heeft. De vreemdelingen, de handelaars en de kapitalisten kwamen, begrijp je? Met de spoorwegen. Beginnen jullie dus maar met die zo snel mogelijk af te breken.’

Achter het lorgnet kneep Matthijs zijn ogen tot spleetjes.

Ik stond op en liep naar een van de ladenkasten om het nieuwste staaltje van Gerrits strijkstokbouwkunst te voorschijn te halen. Hoewel Matthijs nooit veel losliet over zijn particuliere financiën en mijn adviezen over belegging en dergelijke zaken altijd negeerde, kon ik wel schatten hoeveel hij bezat. De meevaller van de erfenis zou deze strijkstok zeker binnen zijn bereik brengen.

Het ging precies zoals ik verwacht had: zodra Matthijs de stok in handen had, was hij verkocht. Hij bekeek uitvoerig het gouden garnituur en in de slof het parelmoeren embleem met de drie vlammen, het herkenningsteken van Kunstinrichting Brandt. En dat was nog maar de afwerking. Dat ook de veerkracht en de gewichtsverdeling van superieure klasse waren, merkte je pas goed bij het spelen.

Als ervaren verkoper adviseerde ik hem rustig te proberen en geen overhaast oordeel te vellen. Hij wist natuurlijk nog beter dan ik dat een goede stok altijd en overal rustig moet liggen; bibberen was uit den boze, net als een zijsprongetje bij spiccato of sautillé.

‘Gerrit heeft bij het maken aan jouw manier van spelen gedacht en het gewicht licht gehouden.’

‘Ik voel het, ja.’

‘Zevenenvijftig gram. Ikzelf houd, net als vader vroeger, meer van een zwaardere, stuggere stok.’

‘Speel je dan nog?’

‘Ik doe het soms voor een klant,’ loog ik, ‘wanneer die een viool van een afstand wil horen. Jij bent goed af met een lichte, snel reagerende stok. Deze is…’

Matthijs wachtte niet tot ik uitgepraat was en begon te spelen. Zonder een woord commentaar probeerde hij verschillende streken. Daarna speelde hij snelle staccatopassages uit een stuk dat ik niet kende, hoewel het Schumann-achtig klonk. Het volgende stuk kende ik wel: het was de Sonate in A van Brahms, de Tweede, een van die stukken waar je zonder een perfecte stok en stokvoering beter niet aan kon beginnen.

Ik had op de klok in het atelier gekeken. Pas toen er een kwartier verstreken was, legde Matthijs viool en stok neer. En passant noemde ik de prijs, die hem even deed schrikken. Hij zei onder het opvallend langzaam en zorgvuldig schoonvegen en inpakken van zijn viool, dat hij de stok graag een tijdje thuis wilde proberen.

Bij de voordeur herhaalde hij quasi achteloos zijn vraag naar de officiële waarde van zijn Adam Stark.

‘Moeilijk te zeggen,’ zei ik.

Hij vroeg niet verder, groette en liep de donkere gracht op.

Woensdagavond, nog geen week later, was Matthijs terug. Precies op het moment dat hij de salon binnenstapte, begon vaders klok plechtig acht te slaan.

Zijn blauwe ogen keken verrast op.

‘Herman! Ik heb het gevoel of ik weer thuis ben! En vijfentwintig jaar jonger…’

Hij liep naar de klok en ging er vertederd naar staan kijken. ‘Prachtig! Ik zou haast jaloers op je worden.’

Uit de eetkamer klonk een overbodige herhaling van de acht slagen.

Wat kwam Matthijs doen? Er gingen soms maanden voorbij dat ik hem niet zag. Wilde hij over de strijkstok praten of kwam hij me alleen maar van mijn werk houden? Toen hij zich naar me omdraaide met een gezicht of hij iets moois over vroeger wou zeggen, viel zijn mond open van verbazing.

Wat hij zag, was geen kille herinnering aan de verstrijkende tijd, geen memento mori, maar het warmbloedige leven zelf.

‘Zo…’ zei hij geïmponeerd. ‘Wat is dat?’

‘Nog nooit een vrouwelijk naakt gezien? Fecit Jozef Israëls. Rembrandt de Tweede.’

‘Waar komt het vandaan?’

‘Bij Van Wisselingh & Co,’ antwoordde ik.

‘Zo… Ze zeggen dat die ook echt van kunst houdt en niet alleen van geld. Ik zal maar niet proberen dit schilderij te taxeren.’

Hij deed een stap achteruit en bekeek het doek door zijn oogharen. ‘Om eerlijk te zijn: ik houd nog meer van de zoon, van Isaac.’

‘O ja?’

‘Die schildert losser, levendiger. En van Breitner: heb je gezien hoe die tegenwoordig de Dam, de Kalverstraat en de Zeedijk schildert?’

Ik knikte. De vraag was natuurlijk of je de Kalverstraat en de Zeedijk wel moest schilderen. ‘Zijn naakten en die van Isaac vind ik ook mooier dan die van Jozef,’ zei ik. ‘Wellustiger. Je hebt moeite om je handen thuis te houden.’ Dat ik een naakt had gezien dat me nog veel meer aan Roosje deed denken, daar had hij niets mee te maken. Ik had het overigens niet gekocht, want ik bezat het origineel.

‘Waren er geen naakten van Breitner of Israëls Junior te koop?’ vroeg Matthijs.

‘Jozef Israëls is een betere…’

‘Een betere schilder? Kom…’

‘Een betere belegging, wou ik zeggen.’

Matthijs deed een stap opzij en keek me aan, verbaasd.

‘Heb je dit naakt dan gekocht om het te verkopen?’

Ik grijnsde.

‘Over een paar jaar is het het dubbele waard. Let op mijn woorden.’

Hoofdschuddend staarde Matthijs naar de blote borsten en billen. Hij zou wel aan een drankje toe zijn. En misschien kwam ik er dan achter, waarom hij me binnen een week alweer met een bezoek vereerde. Ik schelde Dien voor een bittertje. De geheelonthouder had misschien wel zin in kwast.

Met de drankjes gingen we zitten, ik op mijn vaste plaats in de leunstoel met de franje bij het raam, Matthijs op de stoel bij de vleugel. Ik informeerde naar zijn ervaringen met de strijkstok. Die bleken bijzonder goed, maar een besluit had hij nog niet genomen. Ik verzekerde hem dat ik geen haast had: hij moest de stok in alle rust en in verschillende soorten muziek proberen.

‘De prijs…’ glimlachte hij verontschuldigend.

‘Voor die stok is het geen cent te veel.’

‘Goed, maar een stukje van mijn erfenis gaat al op aan zaalhuur.’

‘Zaalhuur? Voor een meeting met de socialen?’

‘Voor een meeting met de bourgeoisie. Voor een soiree met Nora.’

‘Aha… Welke zaal?’

‘De Kleine Zaal van het Concertgebouw. We hadden hem al besproken en de erfenis is wat dat betreft erg welkom. Felix Meritis is alleen voor leden. En Odéon is minder mooi.’

Ik kon het niet laten mijn broer een beetje te provoceren.

‘Het Concertgebouw is een kapitalistische onderneming, gericht op het maken van winst. Het zijn dieven van de muzikanten, zouden de socialen zeggen.’

Matthijs reageerde niet. Ik herinnerde me nu dat hij vorig jaar terloops iets over het plan had verteld. Toen dacht ik dat het bij een plan zou blijven, zoals wel meer van zijn ideeën.

‘De datum is 31 mei,’ zei hij.

‘Zijn er op die avond andere concerten in de stad?’

‘Voor zover wij weten alleen een harmonieconcert in het Paleis voor Volksvlijt, in de tuin bij mooi weer. Ze kunnen blazen zo hard ze willen: gelukkig ligt het Concertgebouw buiten de stad. En de harmoniemuziek is voor ons natuurlijk geen concurrentie.’

‘Zo, dus je wilt op je oude dag nog beroemd worden, broer.’

Matthijs schokschouderde een beetje gegeneerd.

‘Er komen meer, betere en beter betalende leerlingen bij een leraar die bekendheid heeft als solist,’ zei hij verontschuldigend.

‘Dat hoef je mij niet uit te leggen. Het lijkt me een goede investering. Soms doe je wel eens iets verstandigs.’

Matthijs dronk zijn glas kwast leeg en ging voor het raam staan. Misschien had ik hem geërgerd. Of hij had gewoon geen zitvlees meer.

‘Mijn ideaal is meer concerten en minder conservatoriumlessen,’ zei hij, terwijl hij zich omdraaide. ‘Voor Nora geldt mutatis mutandis hetzelfde: die heeft ook niet altijd zin in een dag aan de Achtergracht.’

‘Ja, Thijs… Het leven is kort en de lessen duren lang. Een slecht betaalde orkestbaan wou je ook niet.’

‘Ik wou iets anders: vragen of je ons een plezier wilt doen door te komen luisteren.’

‘Spreekt vanzelf.’

‘En of je ons nog een plezier wilt doen.’

Ik trok mijn wenkbrauwen op.

Hij ging zitten, nam zijn lorgnet af en begon op de glazen te ademen, afwachtend wat ik zou zeggen.

Maar ik zei niets.

Hij klemde zijn lorgnet weer op zijn neus, maakte een weids uitgevallen gebaar naar de salon en de eetkamer achter de porte-brisée en zei:

‘Hier is het ruim, veel ruimer dan bij ons aan de Spuistraat.’

Nu begreep ik waar het om ging.

‘Dan moet je maar niet ingeklemd tussen de fabrieken gaan wonen,’ zei ik. ‘Als Allgäuer zijn pianofabriek wil uitbreiden, moet je nog verhuizen.’

‘De soiree moet een succes worden. Met goede recensies. En daarom is een perfecte voorbereiding in de vorm van een generale met publiek voor Nora en mij erg belangrijk. Jij hebt ten eerste veel ruimte en ten tweede veel relaties.’

Violen, stokken en snaren veranderden nauwelijks. Als ik geen nieuwe producten op de markt kon brengen, moest ik nieuwe attracties verzinnen om de aandacht te trekken, om oude klanten te binden en nieuwe te werven. Bij een soiree hier in de salon kon ik bovendien pronken met mijn artistieke broer. Nee, slechter kon ik hier niet van worden.

‘Dat wil ik wel doen,’ zei ik met gespeelde reserve.

Matthijs sperde zijn blauwe ogen verheugd open, stond op en gaf me een speelse stomp tegen mijn schouder.

‘Je weet dat ik aandeelhouder van de N.V. ben,’ zei ik. ‘Dus ieder gebruik van de zalen juich ik toe, of het nu is voor bals, bokswedstrijden, socialistenmeetings of bloemententoonstellingen. Concerten hebben natuurlijk de voorkeur. Maar in de Kleine Zaal waren de zeven kamerziekavonden van het afgelopen seizoen te weinig, al was het niveau dan hoog met Willem Kes, Joseph Joachim en jouw collega’s Cramer, Coenen, Bosmans en Röntgen.’

Matthijs knikte.

‘Heb je al over de prijs gedacht?’

Hij keek me zenuwachtig aan, kennelijk in de veronderstelling dat ik een salonhuur ging vragen.

‘Thijs, wat wordt je toegangsprijs?’

‘O… Die wilden we aan de lage kant houden, omdat de soiree voor ons een investering is in een solocarrière. Vijfenzeventig cent, dachten we.’

‘Dat is al bijna de prijs van een volksconcert. Niet verstandig. Bij een lage toegangsprijs denkt het publiek al gauw dat het niveau wel niet zo hoog zal zijn. Bovendien: je risico. Je hebt zelf meegedaan aan de première van Zweers’ Derde symfonie in de Stadsschouwburg. Allemaal mooi: In Neerlands wouden, Op het land, Aan het strand en op zee en Ter hoofdstad, maar die beste Bernhard heeft er een tekort van duizend gulden aan overgehouden. Ik vraag me af of hij zijn volgende symfonie weer Aan mijn vaderland noemt.’

Na nog wat aandringen van mij besloot Matthijs zijn prijs een kwartje op te trekken, en van de gulden maakte hij op mijn advies negenennegentig cent, wat vooral op papier een voordeliger indruk maakte.

‘Wat dachten jullie te spelen?’ informeerde ik.

Nu kwam het voor hem interessantste onderdeel ter sprake. Hij ging er speciaal voor zitten.

‘Van Schubert de Variaties over het lied Trockne Blumen. Dan een sonate van Brahms: de Tweede, die ik in je werkplaats gespeeld heb op de Stark. Na de pauze twee stukken van Schumann: eerst een sonate, ook de Tweede, en tot slot het Adagio en Allegro opus 70, een partituur die ik van vader heb geërfd. Heb je een idee wie je zou kunnen uitnodigen?’

‘Een paar kan ik zo wel bedenken,’ zei ik. ‘Voor de rest moet ik eens in mijn boeken kijken. Ik denk aan mr. Vrugt Pzn. van de Maatschappij Toonkunst: een vervelende pruik, maar een man met erg veel relaties. Ook veel connecties heeft Sam Goudstikker van Goudstikker & Levano, de antiquairs; fervent bezoeker van het Concertbouw. Orenstein, commissionair in effecten: heeft bij mij een violoncel gekocht. Je ziet: ook in kapitalistische kringen lopen muziekhebbers rond. Dan een goede dilettant, die jij niet kent; hij werkt op het kantoor van de Gebroeders Spijker, de rijtuigfabrikant. En misschien iemand van de fijnhouthandel: erg belangrijk voor mij. Een sensatie zou het zijn wanneer ik Pierson kon strikken: de president van de Nederlandse Bank én de voorzitter van het Hoofdbestuur van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst. Maar dat krijg ik nooit voor elkaar.’

Terwijl Matthijs op dit gezelschap zat te broeden, dacht ik nog over uitnodigingen aan klanten met lang openstaande rekeningen: kwamen ze niet, dan wisten ze in ieder geval dat Kunstinrichting Herman Brandt aan ze dacht.

‘Kobus en Dirk hebben mijn viool gebouwd,’ zei Matthijs.

‘Je bedoelt: die…’

Hij knikte. ‘En Gerrit: de maker van mijn stok.’

“Mijn stok”: dat klonk al goed. Maar die drie uitnodigen? Kobus met zijn baard was net een langharige hond als het regende en Gerrits gebit was hoognodig aan revisie toe. De keuze van de gasten moest Matthijs maar aan mij overlaten. Hij drong ook niet aan, maar begon over de verfrissingen en de bediening en zei dat Nora en hij die uiteraard voor hun rekening zouden nemen.

Hij was verrast, dat ik voorstelde die kosten te delen en zelfs aanbood de drukker van het programma te betalen in ruil voor een advertie voor mijn Kunstinrichting en de vermelding dat viool en strijkstok van mij afkomstig waren.

Veerkrachtig stond Matthijs op uit zijn stoel: een van de vele tekenen van enthousiasme die ik van hem kende. Ook ik stond op, wat langzamer, en ging naast hem voor het raam staan.

Aan de tuin had ik weinig laten doen, sinds ik dit huis een paar jaar eerder betrokken had en als er op korte termijn niet ingegrepen werd, zou de vegetatie een wildernis worden waar het recht van de sterkste heerste. Als de dag van gisteren herinnerde ik me de overdracht van het pand. Het ging om niet meer dan twaalfduizend gulden. De tuin had ik op de koop toe genomen: ik was geen liefhebber van knielen in het zand en daarbij was het geld weggooien om een Engels gazon en gemanicuurde bloemperken aan te leggen die ik later misschien moest opofren aan een uitbreiding van mijn atelier.

Matthijs vergeleek de schemerige tuin met een vervallen kerkhof. Niet om kritiek te leveren, want net als op het terrein van de politiek was hij in de tuinarchitectuur niet afkerig van een beetje romantiek en anarchie.

‘Wat zou jij, wat zouden jullie ervan zeggen als we er eens uit gingen?’ zei hij opeens, met weer die blauwe ogen. ‘Met zijn vieren. Anders praten we alleen nog over geld. Of over politiek.’

Ik vermoedde dat hij al met dat idee was binnengekomen.

‘Waarom niet,’ zei ik inschikkelijk. ‘Naar de Beerenbijt? In het prille jonge groen aan de Amstel?’

‘Dan kunnen we net zo goed hier in jouw tuin gaan zitten.’

‘Naar het Kalfje dan, als je zo graag de stad uit wilt.’

‘Dat is toch niet de stad uit,’ lachte hij. ‘Ik kan merken dat jij alleen maar de stad uitgaat om naar andere steden te reizen. Echt naar buiten, bedoel ik. Het kan hier met warm weer zo stinken door dat rottende grachtwater. Naar zee, hadden Nora en ik gedacht.’

“Nora en ik” was het altijd. Was hij niet mans genoeg om zoiets alleen te beslissen?

‘Zandvoort-Bad?’ vroeg Matthijs. Hij ademde diep in, alsof hij al aan zee stond.

‘Vooruit maar,’ zei ik, om geen spelbreker te zijn.

‘Dan lopen we vanaf Overveen, over het Visserspad. Wat denk je daarvan?’

‘Er loopt een nieuwe spoorlijn naast, als ik het goed heb.’

‘Je wordt te dik, man,’ zei Matthijs met een blik op mijn buik. ‘Je hebt lichaamsbeweging nodig.’

Daarvoor had ik Roosje, bedacht ik. Maar ik zei niets, omdat ik voelde dat Matthijs een poging deed de wel erg rafelig geworden broederband te verstellen. Misschien deed Zandvoort hem denken aan Scheveningen en de wandelingen vroeger met vader.

We maakten een afspraak voor volgende week, niet voor donderdag – Hemelvaartsdag – maar voor vrijdag de 16e. En we zouden pas in Zandvoort uitstappen.

Alsof hij het podium van het Concertgebouw afdanste, zo lichtvoetig liep Matthijs over het plankier naar de zee. Het was bijna vloed en ik zag tot mijn ongenoegen dat het strand slecht begaanbaar was. Ik moest kiezen: op een smalle strook stevig zand lopen en telkens uitwijken om geen natte, wit uitgeslagen schoenen te krijgen of alles droog houden, maar bij iedere stap wegzakken en zand scheppen. Met mijn vijftig pond meer moest ik me inspannen om Matthijs bij te houden en ik voelde dat ik nu al begon te transpireren, al was het niet overdreven warm. Matthijs en Nora, die op Roosje en mij meteen een kleine voorsprong namen, waren met de wind mee naar het noorden gaan lopen. Als we geluk hadden, ruimde de wind: dan hadden we hem op de terugweg niet tegen. Hoewel ik van het begin af redenen had om uit mijn humeur te zijn: het gekibbel over de kaartjes in het Centraal Station en de uienlucht in de trein, moest ik proberen de zonnige kant van de dingen te zien, zoals Matthijs zelf altijd zei. Vooruit. Ik had Roosje, die er met de blos van inspanning op haar voordeligst uitzag, en ik had mijn havanna’s, werkzame middelen tegen de stank van de bommen. De schuiten in zee verspreidden een penetrante vislucht en die tegen de duinen bovendien de geur van teer.

‘Halt!’ riep ik, zwaaiend met mijn sigarendoos: ik wou er een opsteken.

Matthijs en Nora keken om en kwamen teruglopen.

‘Kijk!’ zei Matthijs. Hij wees naar de achterstevens van de bomschuiten die opgekalefaterd werden. ‘Luiten op een tafel in een werkplaats.’

Alles best, maar niet in de mijne.

‘De masten moet je in gedachten strijken,’ zei hij. ‘Dan zijn het de halzen.’

Nora knikte.

‘De wind zoeft door het want als door gespannen snaren.’

‘Alleen ruiken die schuiten niet naar voornaam en kostbaar hout,’ zei ik. ‘Luiten die zo stinken zou zelfs ik niet kunnen verkopen. Voor mij lijken ze op de achterwerken van vissersvrouwen en die kan ik niet aan de man brengen.’

Roosje giechelde.

Met mijn rug naar de wind lukte het me de sigaar op te steken. Ondertussen kon Matthijs het niet laten ons te beleren over de keerzijde van de romantische scheepvaart: het zware en gevaarlijke vissersleven. Ook op het perron had hij al zo socialistisch opgekeken naar de stoker en de machinist, hoewel ik op hun gezichten niet meer had gezien dan roet, zweet en olie. Mij interesseerde of de trein op tijd reed. Voor Matthijs opstoomde naar zijn overbekende utopische eindstation, probeerde ik een wissel om te gooien. Ik wees met mijn rotting in de verte, naar het moderne staaltje techniek dat in de hele beschaafde wereld respect voor Holland wekte: de pieren van IJmuiden, die de monding van het Noordzeekanaal en de reusachtige sluis markeerden. Mijn opzetje slaagde: Matthijs en Nora gingen verder in de richting waarin hun neuzen wezen.

Langzaam lopend, in een tempo dat Roosje en mij meer aanstond, vertelde Matthijs hoeveel indruk de zee telkens weer op hem maakte. Zijn liefde voor het water was nog groter dan vroeger, toen we met vader wandelingen maakten langs het Scheveningse strand. Die zilte geur, die je al rook voor je de zee zag! Die immense watervlakte! De indruk van grootsheid die je kreeg als je op het Scheveningse Seinpostduin stond te kijken naar de Hollandse wolkenlucht en daaronder de frisse, witte branding in het blauw van de zee, dat als op een schilderij van Mesdag naar de einder toe vervaagde in lila en schakeringen van grijs! De masten van barken, nietige bootjes in de verte, versterkten die indruk van eindeloosheid…

Het viel met die eindeloosheid wel mee, vond ik. Door de moderne stoomvaart werd het steeds korter naar Engeland. In de herfst moest ik weer naar Londen, naar Hill & Sons. William was de grote expert op het gebied van taxatie van violen. En in de verdere toekomst wilde ik eens door het Suezkanaal naar Batavia om te kijken of ik vaste voet kon krijgen op de Indische markt. Die stelde op zichzelf niet veel voor, maar het zou in het buitenland goed staan, wanneer ik een visitekaartje kon laten zien met een vertegenwoordiging in de wilde archipel aan de andere kant van de aardbol.

Nora neuriede op de maat van haar passen en Matthijs begon mee te neuriën. Ik herkende het thema van Aan het strand uit de nieuwe symfonie van Bernhard Zweers. Vervolgens ging Nora over op het signaalachtige zee-thema en ook op het tempo daarvan, zodat Matthijs en zij, verdiept in hun muzikale voorstellingen, al gauw weer een eind vooruit waren. Roosje en ik lieten ze hun gang gaan.

Honderden mulle meters keken we tegen hun achterkanten aan. Tegen de strohoed van Nora en haar korenblauwe jurk, die zo simpeltjes afstak bij de witte jurk die Roosje onder haar jasje droeg. Mijn vriendin had bovendien alles zelf genaaid, inbegrepen de rozen op haar grote hoed. Matthijs droeg ook een hoed en gelukkig niet de pet waarmee ik hem een paar maanden geleden betrapt had. Al was het donker en al was ik op het gebied van werkmanspetten allesbehalve deskundig, ik had wel gezien dat het ding verkeerd op zijn hoofd stond. Te scheef of juist te recht, dat was niet te zeggen, maar in elk geval verkeerd. Het was alsof die pet riep: ‘Ik ben flink!’ Meteen tegengesproken door de ogen met hun wimpers, die fluisterden: ‘Ik ben gevoelig…’ Matthijs’ gezicht, dat ik alleen van opzij zag, wanneer hij met een hand boven zijn ogen de zee aftuurde of iets halfverstaanbaars tegen Nora zei, had met dat van een arbeider of visser niets, maar dan ook niets gemeen. Werklieden lieten hun haar anders knippen; ze hadden andere snorren, geen lorgnet en geen lichtblauwe ogen. Niet dat de kleur niet voorkwam – Dirk had van die schelvisogen – maar ze keken niet zo helderblauw de wereld in, zo vol verwachting en goed van vertrouwen. Roosje moest lachen, toen ik Matthijs’ blik en het loopje van Nora imiteerde.

We waren alweer een kilometerpaal gepasseerd, zonder dat er, als vroeger op het Scheveningse strand, samenhang zat in het gezelschap en in het gesprek. Matthijs en Nora liepen te hard, maar ik wilde me niet laten kennen.

Ik vroeg me juist af wie er eigenlijk met wie naar het strand had gewild, toen ze bleven staan. Voor mooie schelpjes? Nee, bij een aangespoelde fles, zag ik, toen we ze hadden ingehaald.

Ik tikte met mijn rotting tegen het glas. Matthijs raapte de donkergroene fles op en hield hem tegen het licht. Er zat niets in dan zand, wier en water.

‘In romantische verhalen lees je wel eens over flessen met een briefje erin,’ zei hij. ‘Waarom vind ik nooit eens zoiets?’

‘Je viool heeft al een briefje erin met een boodschap,’ zei Nora.

Viva fui in sylvis,’ citeerde ik. ‘Fui dura occisa securi. Dum vixi tacui. Mortua dulce cano.’

‘Dat je dat vers uit je hoofd kent,’ zei Matthijs.

Hij moest eens weten hoe lang ik naar zijn viool had zitten turen! Het viel me trouwens op dat Nora “je viool” zei, alsof hij er geen uit mijn atelier had.

‘Beroepsmisvorming,’ zei ik. ‘Wat ik op een viooletiket lees onthoud ik.’

‘Mooie verzen,’ vond Matthijs. ‘En tegelijk zo waar en zo menselijk. Ik leefde in de bossen… Ik werd geveld met een harde bijl… Zolang ik leefde, zweeg ik… Nu ik dood ben, zing ik lieflijk…’

Met dezelfde intonatie parafraseerde ik: ‘Ik leefde aan de stranden. Ik werd geveld door de dorst. Zolang ik leefde, zweeg ik. Nu ik droog ben, zing ik lieflijk.’

Roosje lachte.

Ik begon een klaaglijke versie van Zweers’ strandthema te neuriën, maar de andere twee leken het niet te horen, verdiept als ze waren in gescharrel tussen waardeloos, kwastig hout.

‘Waar zou dit vandaan komen?’ vroeg Nora, terwijl ze een groen uitgeslagen plankje met een letter s erop omhoogstak. ‘Is het overboord gegooid? Zou het een stukje zijn van een schip dat met man en muis in de golven is verdwenen?’

De golven komen weer En dalen weer met lachen of geschrei – Daar ligt bedolven mijne kleine Mei,’ declameerde Matthijs, zeker als verlate reactie op mijn minder hoogstaande vers.

Roosje trok haar wenkbrauwen op. Huilende en lachende golven liet ze langs haar koude kleren afglijden.

Het beliefde mijn heer en meester en zijn gemalin verder te trekken door de woestijn. Gehoorzaam als het was, sjouwde het voetvolk achter hen aan. Het enige aardige van de wandeling vond ik de stille verstandhouding met Roosje, die zoals gewoonlijk niet veel zei en me niet lastig viel met vragen of wijsneuzige opmerkingen à la Nora. Bij het aangespoelde wrakhout had ik niet aan “mijne kleine Mei” gedacht, maar aan Roosje: van al het wrakhout dat elke dag overal aanspoelde, had ik één stuk opgeraapt en mee naar huis genomen. Nu liep ze aan mijn arm. Ik hoefde niet te kijken om te weten hoe haar borsten bewogen in zachte cadans als ze liep; hoe haar tepels zich vormden als ze bleef staan, haar gezicht naar de wind. Nora was een hoofd groter en zeker slanker en eleganter, maar van dichtbij zag je een onmiskenbaar begin van spichtigheid. Ik wist nu al hoe die eruit zou zien als oude vrouw. De borsten als van zure melk geschepte vellen. De perkamenten huid gekreukeld over de jukbeenderen en de hoekige kin. De waterige ogen starend naar het wijkende ideaal in de verte. De tandeloze mond versmald tot een socialistische gebedsformules prevelende spleet. Bij het verwelkende Roosje zouden de lippen nog lang vol en warm blijven; haar bekoorlijkheden zouden veerkracht verliezen, maar niet al hun charme. Roosjes wangen hadden altijd een blos, terwijl Nora alleen bloosde van verontwaardiging. De naam was als de vrouw. Nora Egter van Aagtekerke klonk ontegenzeglijk voornamer dan Roosje Blommers. Maar met de twee g’s ook stroever. En aanmatigend met die vergrotende trap van Egt: Egter dan egt, opregter dan opregt. Regt voor allen, in de oude spelling. Meisje Egter sprak voortdurend tegen, terwijl maagd Aagt me ook niet aanstond: die was in Kerke verzonken in een kuis gebed.

Plotseling bleef Nora staan, alsof ze mijn gedachten geraden had en me de les wilde lezen. Hadden die twee iets te zeggen? Wilden ze omkeren? Nee: Matthijs wou water aan zijn voeten voelen. Nora ook, maar dat was ingewikkelder. Badkoetsjes waren er op dit stille strand niet meer en bovendien vond ze dat ondingen: waarom je verstoppen, waarom je met vier paardenbenen en vier wielen de zee in laten vervoeren, als je zelf je twee benen had? Ze ging in het zand zitten, trok haar laarsjes uit en frutselde net zo lang onder haar rokken tot ze haar kousen los had. Schaamde dat mens zich niet? Kuiten konden me behoorlijk opwinden, vooral de plaats waar hun molligheid overging in het scherp getekende van de enkel, die eruitzag als de kam met de snaren van een viool, verborgen onder een lap. Bij Nora was alles pezig. Of we meegingen, vroeg Matthijs, terwijl hij zijn laarzen uittrok. Nee? Dan wilden we zeker wel op de spullen passen. Strandstoelen waren hier niet, net zo min als badkoetsjes, dus we moesten ons behelpen in het zand.

Matthijs en Nora holden naar de golven. Hij trok de pijpen op van zijn Cloppenburg-broek, zij haar rokken, zonder dat er iets bijzonders aan het licht kwam. Ze schaterlachten als kinderen en bespatten elkaar met water. Bij een golf die iets verder het strand op gleed dan ze verwachtte, slaakte Nora een gil.

Nu de schoenen zoekmaken in het zand! dacht ik in een flits. Ze in een kuil gooien die kinderen hadden achtergelaten en er dan achteloos een lading zand overheen schoppen. Roosje stelde voor, de dameskousen in een fles te wurmen en te water te laten, als eengeheimzinnige boodschap aan een vrome visser. We schoven onder haar parasol samenzweerderig naar elkaar toe.

Maar ondanks haar nabijheid voelde ik me onder het linnen dakje niet als thuis.

‘Ken je het sprookje van de Klimroos en de Boom?’ vroeg ik na een ongemakkelijke zoen op haar oor onder de hoed met bloemen.

‘Nee, Herreman. Ik wist niet dat je zoveel sprookjes kon.’

‘Ik ken er maar één. Duizend-en-één nacht hetzelfde sprookje.’

‘O ja?’

‘Er was eens…’ fluisterde ik. ‘Nee. Er was niets. Hier kan ik niet goed nadenken. Terug in Amsterdam heb ik vast meer inspiratie.’

‘Ik ken je niet verstaan. Die rotzee maakt zo’n deining.’

Als een Louis Bouwmeester declameerde ik met stentorstem: ‘Ik leefde aan het strand! Ik werd geveld door de lust! Zolang ik…’

‘Herreman! Ben je helemaal mesjogge?’ zei ze en sloeg haar handen voor mijn mond. Ik kuste haar vingers en proefde een vage zoutsmaak, een pikant contrast met het zoet van haar lippen. In de verte keek Nora om naar de roepende in de woestijn. Wij lachten. Ik haalde mijn sigarendoos te voorschijn en Roosje streek de lucifer af. Jammer genoeg woei het iets te veel om echt van de sigaar te genieten.

Halverwege de havanna kwamen Nora en Matthijs terug. Van zee, uit zee, hoe je het noemen moest. Het water was toch kouder dan ze gedacht hadden! Dat had ik ze van tevoren wel kunnen vertellen. Moeizaam stond ik op, trok mijn broek, vest en jas recht en klopte behulpzaam het zand van Roosjes jurk, treuzelend bij haar derrière. Ik was niet afgekoeld, zoals Matthijs en Nora, maar verhit, zonder stoom te kunnen afblazen. Het was nu welletjes met dat gewandel. Liever liet ik me in het zand heien als een nieuwe paal 61 dan dat ik verder liep. We waren als ik me goed herinnerde nog vóór 66 begonnen. Het leek wel of de kilometers in het Zandvoortse zand veel langer waren dan op de Amsterdamse keien.

Op de terugweg leken de meters nog trager te verstrijken dan op de heenweg, niet alleen door de vermoeidheid, maar ook door de zuidenwind tegen. Ik zweette als een werkman op de plaatsen waar de wind het zweet niet droogde. Zand schuurde in mijn schoenen en leek knarsend door te dringen in mijn knie- en heupgewrichten. Ondertussen bleven Matthijs en Nora als kinderen op blote voetenlopen; ze konden hun kousen en schoenen niet aan door het zand dat aan hun voeten kleefde en misschien vonden ze het nog prettig ook.

‘Heerlijk, die natuur…’ verzuchtte Matthijs.

‘Verrukkelijk,’ zei Nora.

‘Wat een rijkdom hebben we hier in Holland,’ zei Matthijs. ‘De natuur is een kostbaar erfgoed, dat we goed moeten beheren.’

Bij deze plechtige woorden keek hij wijsgerig naar de blauwe lucht. Geen gezicht, nu hij met zijn schoenen in zijn hand liep als monnik van een nieuwe, ongeschoeide Matthijsianer orde. Een bedelorde. Met leden die preekten tot de vissen.

Bij het van huis gaan had ik me voorbereid op een dag zonder politiek. Maar Matthijs’ opmerking over het erfgoed herinnerde me aan zijn meest curieuze stelling tot nu toe. Hij had een maand of twee geleden beweerd dat de arbeiders de erfgenamen waren van de klassieke filosofie. Een idee dat overgewaaid scheen van de Duitse socialisten. En Matthijs’ eigen diepzinnige bijdrage tot deze theorie was, dat de arbeiders ook de erfgenamen waren van de klassieke muziek, van het werk van Bach, Haydn, Mozart, Beethoven, Schumann, Mendelssohn en Brahms. Een niet alleen lachwekkend, maar ook ergerlijk idee!

Ik vertelde het verhaal van de erfgenamen aan Roosje en stelde Matthijs daarna voor, het oordeel te vragen van de enige arbeidster in ons gezelschap.

Roosje haalde zwijgend haar schouders op.

Ik zei Matthijs – en mijn minachting kon hem moeilijk ontgaan – dat die erfgenamen de filosofie, de muziek en wat ze verder allemaal in de schoot geworpen kregen met geen mogelijkheid zouden kunnen beheren. Daarbij voorzag ik onder de begunstigden niet alleen vals spel, maar ook moord en doodslag.

Matthijs reageerde niet.

‘Alles nalaten aan de arbeiders,’ vervolgde ik. ‘Hoe stel je je voor dat ongeletterden de stad en het land besturen? Laten de zalige armen van geest wachten op het Koninkrijk der Hemelen: dat behoort hun, als ik de dominees goed begrepen heb.’

Boven onze hoofden cirkelden meeuwen, krachtige beesten met snavels als dubbele politiesabels. Ze krijsten en doken naar voedsel.

‘Kijk: zo zal het gaan onder die erfgenamen,’ wees ik. ‘Zo brutaal als onder die beesten.’

‘Dat zie je verkeerd,’ zei Nora. ‘Ze werken namelijk samen. Zodra een van de meeuwen voedsel vindt, moet hij krijsen: dat is zijn overlevingsinstinct. De andere meeuwen profiteren van wat die ene vogel vindt. En doordat ze er met zijn allen op afkomen, hebben ze van aanvallers niets meer te duchten.’

‘Ja, misschien zie ik dat verkeerd,’ gaf ik toe. ‘Ik ken de die wereld niet. Maar ik ken de mensenwereld en die wordt geregeerd door hebzucht en eigenbelang. Weet je waar je idealisme vindt? In het klooster. En misschien zelfs daar niet: wie weet hoeveel monniken de wereld ontvlucht zijn omdat ze iets op hun kerfstok hadden. Ik heb meer van de wereld gezien dan jullie. Ik ben voor zaken in heel wat landen geweest. Italië bijvoorbeeld. Als er een Italiaanse douanebeambte voor je staat, haal je je sigarettenetui uit je zak en houdt het open onder zijn neus. Met sigaretten aan de ene kant en lires aan de andere. Anders bereik je niets. Dit is een alleronschuldigst voorbeeldje voor beginners. De omgang met de Siciliaanse mafia en de Napolitaanse camorra is voor gevorderden. Zo gaat het in het klein en zo gaat het in het groot.’

‘Zo zie jij de maatschappij omdat je een kapitalist bent,’ zei Matthijs. ‘Een kapitalist is als… Laat me uitspreken, Nora. Niet als een meeuw, maar als een roofvogel zonder sociaal instinct, die houwt met zijn scherpe snavel, pikt wat hij pikken kan en dat naar zijn nest brengt.’

‘Zo, dus een kapitalist pikt.’

‘Ja. Een kapitalist pikt. Hij eigent zich de meerwaarde toe die zijn arbeiders produceren. In principe, ik zeg: in principe, is hij verwant aan een dief, want hij steelt.’

Ik bleef staan.

Matthijs ook.

Ik keek hem recht in zijn blauwe ogen.

‘Ik ben een kapitalist.’

‘Ja.’

‘Dus ik ben in jouw ogen een dief?’

‘Dief! Dief! Dief! Dief!’ krijsten de meeuwen boven mijn hoofd.

‘Blijf staan,’ zei ik met mijn hand tegen zijn schouder. ‘Op zijn zachtst gezegd vind ik dat wartaal van salonsocialisten die ieder contact met de werkelijkheid verloren hebben. Een theorie gebouwd op drijfzand.’

Matthijs leek te begrijpen dat hij iets te ver was gegaan. Zwijgend ploegden we verder door het onvruchtbare zand. Goed dat hij niet begonnen was over mijn – volkomen legale – speculaties aan de beurs, die hij niet begreep en als half crimineel beschouwde. In dat geval had ik hem laten staan en de eerste trein naar Amsterdam genomen, generale of geen generale, belofte of geen belofte. Hetzelfde had ik gedaan als Nora zich weer bemoeid had met het wel en wee van Roosje. Zij dacht het werk van Aletta Jacobs voor de winkelmeisjes en de prostituées even dunnetjes over te doen ten aanzien van Roosje, het beklagenswaardige thuiswerkstertje. Mijn praktische oplossing kon ze niet begrijpen.

Vier jaar geleden had ik Roosje weggehaald uit de Laurierstraat. Een mooie naam voor een gribus met de permanente stank van de ton. Roosje had daar een vochtige alkoof, in plaats van een kamer die gelucht kon worden. Toen er bij het Palingoproer tien, twintig doden gevallen waren en nog veel meer gewonden, was ik de Jordaan ingegaan om haar mee te nemen. Haar moeder ook. Zodoende bespaarde ik me de roddels van familie en personeel. Sommige mensen die ik sprak waren bang voor een revolutie en iedereen begreep de ernst van de situatie: aan de Lindengracht was een onschuldige man, die voor zijn open raam zat, dodelijk getroffen. Ik haalde Roosje eerst korte tijd in mijn eigen huis en organiseerde daarna een nieuw woninkje voor haar in de Pijp met een kamertje voor haar moeder. Bij dat mens kon ik geen kwaad meer doen. Vanaf die tijd had ik Roosje vast in dienst genomen. Ze maakte voor mij het pluche binnenwerk van de vioolkisten. Nee, ik had van die investering helemaal geen spijt.

Het gesprek was verzand. Matthijs en Nora gingen zitten om de opgedroogde korrels van hun voeten te vegen, hun kousen aan te trekken en hun laarzen dicht te rijgen.

‘Is de Verlosser niet begonnen als predikant?’ vroeg ik, terwijl ik met mijn rotting een kruis in het zand tekende.

Het water spoelde eroverheen en wiste het uit.

‘Domela Nieuwenhuis is elf jaar geleden uit de kerk getreden,’ zei Matthijs en stond op.

‘En in een nieuwe kerk gestapt,’ voegde ik eraan toe. ‘De apostel der arbeiders… Die baard! Dat Jezus-ideaal!’

Op de wangen van Nora begon zich een blos af te tekenen. Ze ging tussen Matthijs en mij staan, alsof ze tegelijk haar leider en haar man moest verdedigen.

Ik deed een stap achteruit.

‘Domela is een man die niet zichzelf zoekt,’ zei Nora. ‘Hij zegt in het openbaar wat de onmondige arbeiders zelf niet kunnen zeggen. En hij legt ze uit wie en wat er schuld aan zijn dat ze in zulke erbarmelijke toestanden leven. Hoe het komt dat ze zes, zeven, hooguit tien gulden per week beuren…’

‘Dertien,’ zei Roosje openhartig.

‘Hoe het komt dat ze het geld niet hebben voor de gewoonste dingen als suiker, zeep en zout. Weet jij dat ze in veel gezinnen de staart en de vinnen van zoutevis meekoken om hun aardappels te zouten?’

Matthijs nam de fakkel over.

‘Domela wijst ze een uitweg in de strijd tegen de vijf K’s.’

‘Komt dat zien! Ken je die, De Vijf K’s?’ vroeg ik Roosje, alsof ze naast me zat in het circus van Oscar Carré.

Ze schudde haar hoofd.

Matthijs begon een exposé aan de hand van zijn vingers.

‘Nummer één: het Kapitaal, dat op de wetgeving drukt! Een druk die door het algemeen kiesrecht moet worden opgeheven.’

Roosje keek me hulpeloos aan: dit ging haar al te ver.

‘Nummer twee: de Kazerne, die dient om het volk te knevelen! Drie: de Kerk, die het volk dom houdt! Vier: de Kroeg, die het verpest! En tot slot nummer vijf: de Koning met zijn lichtzinnig leven!’

‘Dief, dief, dief, dief!’ De meeuwen hadden weer voedsel gevonden.

‘Roep dat niet te hard,’ waarschuwde ik. ‘Domela heeft al gezeten wegens majesteitsschennis. Wil jij op je viool concerten in de bajes geven? Het verbaast me trouwens dat je vriendje Van der Goes na die brochure ook niet…’

‘Zo gek was dat niet. Goed, ik zal erover zwijgen dat de Koning vorige maand door de artsen niet langer compos mentis is verklaard.’

‘Hij is geen Willem I en zelfs geen Willem II,’ gaf ik toe. ‘Maar ik geef het jou en de socialen te doen, zo’n wereldonderneming als Nederland met Oost- en West-Indië meer dan veertig jaar te besturen.’

‘Het gaat me niet om de Koning als persoon,’ zei Matthijs. ‘Ik heb destijds geen “Koning Gorilla” staan roepen. Het gaat ook hier om het principe: het principe van het koningschap, en dan maakt het weinig uit of de man Franz Joseph I, Wilhelm II of Willem III heet.’

Ik probeerde het over een andere boeg te gooien.

‘Als ik sommige socialen hoor praten, beluister ik wraakgedachten. Frustraties. Ze hebben een rekening te vereffenen. Ze zoeken een baantje. En als ze dat eenmaal hebben, vergeten ze hun mooie idealen. Anderen zijn behept met een schuldgevoel: zij hebben geld en de arbeiders niet.’

‘Wij hebben niets te vereffenen,’ zei Nora heftig. ‘Wij zijn niet gefrustreerd.’

En Matthijs: ‘Wij zoeken geen baantjes, want we zijn pianist en violist, de mooiste beroepen die we ons kunnen voorstellen. Schuldgevoelens hebben we al helemaal niet. Wij zien het groter: het socialisme is de enige uitweg voor de mensheid. En de enige uitweg voor de kunst. De enige weg naar schoonheid, harmonie en natuurlijkheid.’

‘Toe maar,’ zei ik.

‘Het socialisme is een manier om orde te scheppen in de wereld,’ voegde Nora eraan toe.

Matthijs knikte geestdriftig.

Een illusie. Het zou enkel wanorde brengen, oproer, oorlog, armoe. Voor mij stond het socialisme niet in die geur van heiligheid.

Ik rook een penetrante vislucht, aangevoerd door de wind: we naderden de bomschuiten. Mijn lippen smaakten zout; mijn tong en keel waren droog van de dorst, de wind en het gepraat.

Met onze monden dicht liepen we verder tot we het plankier bereikten dat omhoog leidde naar het dorp. Ik was blij dat ik eindelijk het mulle zand uit was en stevigheid onder mijn voeten voelde. Roosje leunde nu ook niet meer zo zwaar op mijn arm.

We hadden ladingen ballast in onze schoenen gekregen. Boven vroeg ik Roosje op de trottoirrand te gaan zitten. Ik maakte haar laarsjes los en schudde het zand eruit. Toen ik mijn eigen schoenen uit had en mijn kousen afstroopte, zag ik blaren op mijn gezwollen voeten. Ik liep nu eenmaal minder dan vroeger en ook op mijn handen zat geen eelt meer sinds ik vioolbouwers in dienst had. Bovenop zouden die handen wel behoorlijk verbrand zijn. Matthijs had nergens last van en stond al weer op zijn benen.

‘Heerlijk, Herman!’ riep hij, wijzend naar de zon en de zee. ‘Ik heb trek gekregen.’

Bij mij knaagde het van binnen.

Op het terras van het Badhotel was plaats. God zij dank. De Koning zij dank. Eindelijk hadden mijn gemaltraiteerde voeten rust en die eeuwige wind blies niet meer in mijn gezicht. Tussen de onvermoeibare bazuinengelen Matthijs en Nora voelde ik me als de afgematte Atlas op de klok. Ik had nauwelijks nog de fut om de bolhoed van mijn hoofd te tillen, de knuppelzware rotting neer te leggen en mijn loden lichaam op een ijzeren stoeltje te laten zakken. Tikken om een kelner was het enige wat ik nog kon. De man kwam gelukkig meteen en aan de properheid van zijn bijna tot de grond reikend voorschoot en de over zijn schouder hangende witte doek zag ik dat het eten in deze oase niet slecht kon zijn.

Voor Roosje en mezelf bestelde ik een halve bief met gebakken aardappelen en spiegeleieren met ham. De andere twee namen uiteraard een lunch zonder vlees, want ze wilden ook als vegetariërs de wereld verbeteren. En in plaats van de tumbler Dortmunder waar Roosje en ik naar snakten, bestelden ze een melk en een kwast. Alles wat naar alcohol rook lieten ze staan, omdat er onder de arbeiders een alcoholprobleem bestond. Onder de muzikanten zeker niet? In de trein hadden ze derde klas willen reizen, omdat de arbeiders dat ook deden. Roosje en ik wilden gewoon in de eerste klas. In de hal van het Centraal Station hadden we er nog een bijna galmende ruzie om gekregen. Had Matthijs niet verkondigd dat de geschiedenis van iedere maatschappij de geschienis van klasstrijd was? We waren uiteindelijk in de tweede klas terechtgekomen, door mijn inschikkelijkheid. En daar had ik opnieuw moeten inschikken.

De gesprekken in de trein en aan het strand waren net zo gegaan als het getennis dat we in de verte hoorden. Heen en weer werd de bal geslagen, heen en weer, met een droog pong… pong… pong… pong… Van tijd tot tijd onderbroken door geruzie over de vraag of een bal uit was of niet. Jammer dat ik een hele werkdag opgeofferd had. Wat had ik niet allemaal kunnen doen, in zaken of met Roosje! Nu waren we voor alles te moe. Nee, rendement had deze dag me niet opgeleverd. De generale en de soiree moesten voor mij het een en ander goedmaken.

Dat Matthijs zich een week niet liet zien, vond ik helemaal niet erg. Alleen moest ik nodig een paar laatste afspraken met hem maken in verband met hun generale, waarvoor de uitnodigingen de deur al uit waren. Juist toen ik Dirk met een briefje naar het Conservatorium wilde sturen, verscheen mijn broer met zijn vioolkist in het atelier. Ik was net terug van mijn wekelijkse ronde door de stad: geen doelloos gezwoeg als op het strand, maar een zuiver zakelijke wandeling langs de Amsterdamsche Bank bij de Utrechtsestraat en de etalages van de concurrentie: de Nieuwe Muziekhandel, waar Karel van der Meer de violen bouwde, Hampe aan het Spui en de Gebr. Kok, Luthiers in de Sint-Jansstraat achter de Beurs. De Luthiers waren de meest serieus te nemen concurrent, al was handelaar Johan vorig jaar overleden en moest bouwer Gerrit al voorbij de zestig zijn. Hoewel ik niet van hun gelig gelakte en te forse violen hield, was de firma vermaard als vioolmaker van het Conservatorium. Dat moest ik maar eens worden. En mijn broer zou daarbij een voorbereidende rol kunnen spelen.

‘Ik dacht dat je op het Conservatorium was,’ zei ik.

‘Jawel, maar ik kom tussendoor, in de hoop dat je even naar mijn viool kunt kijken. Mijn Brandt.’

Op de vloer van mijn atelier stond ik sterk en ik had niet de minste behoefte terug te komen op het drijfzand van vorige week. We hadden de generale en de soiree nog voor de boeg en die was voor ons allebei interessant. Ik had me opgewonden. Soit. Hij ook, en hij had een paar domme dingen gezegd. Maar we hadden elkaar niet uitgescholden en nauwelijks met stemverheffing gesproken.

‘Ik wou vragen of je de stapel kunt verzetten,’ zei Matthijs, terwijl hij de kist openmaakte. ‘De viool klinkt niet.’

Een lapidair oordeel!

Ik keek hem half dreigend, half schertsend aan.

‘Een viool uit mijn atelier die niet klinkt? Speel eens een stukje Brahms.’

Ik luisterde en trok mijn wenkbrauwen in een deskundige plooi. Het was lang geleden dat ik zelf aan een stapel had geprutst en eigenlijk was dit meer een karweitje voor Kobus, al had die het erg druk.

Kobus tikte aan zijn pet of de plaats waar die hoorde te zitten en luisterde scherp naar de viooltoon.

‘Heb u een stapelzetter van uw eigen, meneer Matthijs?’ vroeg hij.

‘Hij bedoelt: je hebt er zelf aan zitten knoeien,’ legde ik uit. ‘Ik heb mijn personeel goed opgevoed, vind je niet?’

Kobus lachte. Dirk en Gerrit keken op van hun werk.

‘Over omgangsvormen gesproken,’ zei ik. ‘Heren, besteel ik u?’

Hun monden vielen open. De drie keken me aan of ik ontsnapt was uit Meerenberg.

‘Sommige mensen vinden namelijk dat ondernemers dieven zijn.’

‘Ik heb mijn horloge aan de ketting,’ demonstreerde Gerrit.

‘Nee, meneer Herreman,’ bromde Kobus in zijn baard.

Dirk viel hem voorzichtig bij.

‘Hebben jullie er behoefte aan volgend jaar de eerste mei met de socialen mee te vieren? Of al eerder een keer naar een meeting te gaan? Als dat zo is, zeg het dan. Jullie worden niet het atelier uitgezet en in de gracht gegooid.’

‘Haha. Die meneer Herreman.’

‘Je hoort het, broer,’ zei ik. ‘Het personeel lacht.’

Kobus, die zich in het binnenwerk superieur voelde aan de broer van de baas en vast ook aan de baas zelf, nam zijn meesterstuk bij de middenboeg en stak de stapelzetter door een f-gat naar binnen. Ik meende me te herinneren dat Matthijs inderdaad ooit zo’n stukje gereedschap bij me had gekocht en het zou me niet verbazen als hij ermee had zitten knoeien. Dat deden wel meer klanten, vooral wanneer een belangrijk concert naderde. Het was meestal een teken van nervositeit en onzekerheid. Ook wel van ontevredenheid met de viool. Zou Matthijs de Brandt en de Stark door elkaar spelen? Was hij een ezel tussen twee schelven hooi geworden?

De e-snaar was te scherp, klaagde hij. Kobus zette de stapel iets verder van de kam, meer in de richting van het staartstuk. De viool werd er niet mooier op, vonden we alle drie: nu waren de g- en de d-snaar te licht. Kobus verschoof de stapel wat naar het f-gat toe. Ook dat was geen verbetering. Na nog wat heen-en-weergeschuif op de vierkante millimeter stond de stapel weer op zijn oude plaats. Die broer van mij was stapelgek: op de viool was niets aan te merken. Zelfs in de gestoffeerde salon zou ze het goed doen. Maar Matthijs was ontevreden: hij had zich in zijn hoofd gezet dat het instrument dunnetjes klonk. Misschien zou een andere kam verbetering brengen.

Kobus keek me vragend aan. Zonder dat Matthijs het merkte, tuitte ik mijn lippen en gaf een haast onmerkbaar knikje. Kobus gaf de viool aan Matthijs, trok de la met kammen open en keek, peinzend krabbend in zijn baard, welke het beste bij deze viool zou passen.

Ook de nieuwe kam stelde meneer Matthijs niet tevreden. Hij moest eraan wennen, zei hij. Nu waren nieuwe snaren het enige wat ik nog bedenken kon. Nieuwe snaren van de beste kwaliteit.

‘En hoe is het met de stok?’ vroeg ik. Die deugde dan zeker ook niet.

‘Ik heb nog nooit met zo’n goede stok gespeeld. Complimenten: Gerrit is een vakman.’

‘Moet u een borrel van me drinken, meneer Matthijs?’ vroeg Gerrit.

‘Verkocht?’ informeerde ik.

Matthijs keek bedenkelijk.

Het gezeur begon me nu te irriteren. Kom mee naar de gang, gebaarde ik.

‘Je hebt toch geld zat, Thijs…’ zei ik, toen de deur naar het atelier dicht was en er weer geschaafd werd.

Hij trok een zuinig mondje.

‘Je hebt toch net zoveel geërfd als ik? Wat doe je er dan mee, als ik vragen mag? Je verdrinkt het niet en je brengt het niet naar de hoeren. Ik ben lang niet bij Nora en jou geweest. Hebben jullie je huis opgeknapt? Zijn er verhuisplannen? Of moeilijkheden, buiten jullie schuld? Te hoge leningen? Doktersrekeningen? Kind op komst? Ongelukkig gespeculeerd?’

Hij schudde zijn hoofd.

Zeg het dan tegen oom Herman, wou ik zeggen.

‘Ik ben niet van plan aan de grote klok te hangen wat wij uitvoeren met ons geld,’ zei hij parmantig. ‘Ik bazuin dat niet overal rond.’

‘Nou, nou, nou. Vertrouw je me soms niet?’

‘Daar gaat het niet om. Maar ik heb redenen te betwijfelen of je het met de bestemming eens zult zijn.’

Opeens ging me een licht op, een gloeiend, sissend gaslicht.

‘Je stort het toch niet in de partijkas?’

‘Jij zegt het.’

Hij trok een gezicht of ik Pilatus was en hij de Verlosser.

In de werkplaats morde het volk.

Ik kon mijn woede nauwelijks inhouden, maar met die drie in de buurt wilde ik geen scène.

‘Zo kun je niet met vaders erfenis omspringen,’ siste ik.

‘Vader heeft mij het geld nagelaten,’ zei hij blozend. ‘Dus ik kan ermee doen wat ik wil.’

‘Doen wat ik wil? Ben je besodemieterd? Wat zit er tussen je oren? Jij smijt de moeizaam bij elkaar geschraapte guldens over de balk! Je gooit ze in een bodemloze put! En je bent een dief van je eigen portemonnee!’

‘Helemaal niet. Het is een investering, om jouw terminologie te gebruiken. De Sociaal-Demokratische Bond heeft de toekomst.’

‘Ach, kom nou toch,’ zei ik, overschakelend op een vaderlijke toon. ‘Klein kind.’

‘Dat kun je beter zeggen van de Bond: die staat nog in de kinderschoenen.’

Ik haalde mijn schouders op, ging Matthijs voor naar het atelier en vroeg Kobus om een stel van de beste snaren. Zuiver zingende dingen, wonderen, ontstaan uit darmen vol drek.

‘Ik neem de stok,’ besloot Matthijs.

‘Eindelijk een verstandig woord,’ zei ik. ‘Kom morgen langs. Ik moet je spreken over de generale. En dan zullen we gelijk een gunstige betaling in termijnen regelen. De snaren mag je hebben.’

De porte-brisée was opengeschoven. De eettafel was aan de kant gezet en de sofa, de canapé en alle fauteuils van het huis waren opgesteld in de geïmproviseerde concertzaal. De vleugel had een schoonmaakbeurt ondergaan. Dien had alles afgestoft, zelfs Jozef Israëls’ borsten en billen voorzichtig met de plumeau. De ijsbeer op de vloer van de salon had een pak met de matteklopper gekregen.

Dat bleek nog niet genoeg. Nora wou de gordijnen opzij en de ramen open. Een frisse meiwind moest de sigarelucht wegblazen. En de ouderwetse meubels ook, kreeg ik de indruk. Ze had het gedroogde Makart-boeket naast de vleugel alvast weggehaald en vervangen door een vaas, waarin ze een bos rommel uit de tuin had gezet. Dat het kleed met de snuisterijen van de vleugel moest en de klep wagenwijd open was me duidelijk, maar Nora’s eigengereidheid ergerde me. Alleen wilde ik geen ruzie maken over haar van William Morris overgewaaide ideeën. En over een vaas met onkruid al helemaal niet.

De gasten die hier voor het eerst kwamen, bekeken vol bewondering de betimmering, die Kobus, Dirk en Gerrit jaren geleden met vaardige handen hadden aangebracht. De dames waren verrukt van het Meissner porselein, dat ik in Saksen had gekocht. De heren van het schilderij. Gesigneerd Jozef Israëls, vermeldde ik terloops. De andere helft van mijn vanitas, de notenhouten klok van Paulus Bramer en Soon, viel bij iedereen in de smaak. Wel had ik beide klokken stilgezet om de muziek niet te storen. Al die slagen op de uren, halve uren en kwartieren zouden een ongewenst contrapunt aangaan met Schubert, Schumann en Brahms. En ook de gaskronen moesten uitblijven; anders zou het lijken of er voortdurend iemand afkeurend om stilte siste.

Ik begon met een welkomstwoord tot de dames en heren, de kennissen en zakenrelaties, de muziekvrienden kortom. Was er een aangenamer tijdpassering denkbaar dan een concert? Eindelijk had ik een gelegenheid gevonden om een aantal van mijn beste relaties kennis te laten maken met het talent van Matthijs Brandt en Nora Egter van Aagtekerke, even voortreffelijke kunstenaars als mensen. Ik vertelde de gasten dat zowel de viool als de strijkstok gebouwd was in de Kunstinrichting voor Vioolbouw en Reparatie Herman Brandt, waar de geïnteresseerden later op de avond een kijkje konden nemen. De strijkstok was gemaakt door een medewerker van het atelier. Het was een zeldzaam goede stok, die wel zijn haren verloor, maar niet zijn streken. De directeur zelf was verantwoordelijk voor het belangrijkste deel van de viool. Vooruit maar: Kobus, Dirk en Gerrit waren er niet en als ze er geweest waren, hadden ze me niet tegengesproken. En zelfs Matthijs wist niet welke vingerafdrukken er stonden in het donkere binnenste van zijn viool. Ik noemde het huisconcert een voorproefje van de soiree op 31 mei in de Kleine Zaal van het nieuwe Concertgebouw. Een gebouw dat was geïnspireerd op het Gewandhaus in Leipzig, waarvan ik uit eigen ervaring kon vertellen hoe fameus de akoestiek was. O ja: degenen die van plan waren per huurrijtuig naar het Concertgebouw te komen, moesten natuurlijk niet vergeten dat de Houbrakenstraat sinds woensdag Van Baerlestraat heette.

De musici hadden gevraagd of de aanwezigen tijdens het concert zo vriendelijk wilden zijn niet te roken. Ik gaf zelf het goede voorbeeld. De tijden veranderden: ook in de zalen van het nieuwe Concertgebouw was een rookverbod ingesteld. Dirigent Willem Kes had zelfs een eind gemaakt aan het lopen, praten en theedrinken tijdens de concerten. Daarbij: om acht uur gingen de deuren van de Grote Zaal dicht en ze bleven dicht. Alles opdat de toehoorders hun aandacht helemaal richtten op de muziek.

Trots vroeg ik de aandacht voor Matthijs, die een paar deskundige woorden zou zeggen over de te spelen stukken.

Matthijs begon met zijn programma een motto te geven, iets wat ik nogal aanstellerig vond. Hij nam het uit dat gedicht Mei van de onvermijdelijke Herman Gorter:

 

Een nieuwe lente en een nieuw geluid:

Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit,

Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht

In een oud stadje, langs de watergracht –

Ik moest denken aan Roosjes onuitroeibare gewoonte om op haar vingers naar me te fluiten bij de nadering van dit grachtenhuis. Vooral met een zomernacht voor de boeg. ‘Curieus…’ hoorde ik fluisteren, ‘oorspronkelijk beeld…’ Het leek wel of in mijn salon de een of andere literaire kunstkring bijeenkwam om de Nieuwe Gids te bestuderen. Volgens Matthijs was het van Gorters Mei niet zo’n heel grote stap naar Müllers Mai. Wilhelm Müller had de tekst geleverd voor Schuberts lied Trockne Blumen, en dat lied koos Schubert later als thema voor het vioolstuk – fluitstuk oorspronkelijk – Introduktion und Variationen, dat ze aanstonds zouden spelen. Nora en hij gingen ervan uit dat de gasten genoeg Duits kenden om het gedicht te verstaan.

 

Ihr Blümlein alle, die sie mir gab,

euch soll man legen mit mir ins Grab.

Wie seht ihr alle mich an so weh,

als ob ihr wüsstet, wie mir gescheh?

Ik had gezien dat Matthijs een blauw bloempje uit de vaas naast de vleugel in zijn bovenste knoopsgat had gestoken. Het gebaar was al even naïef als het vers. Maar dat hij het hele zaakje uit zijn hoofd deed, vond ik knap.

 

Ihr Blümlein alle, wie welk, wie blass?

Ihr Blümlein alle, wovon so nass?

Ach, Tränen machen nicht maiengrün,

machen tote Liebe nicht wieder blühn,

 

und Lenz wird kommen, und Winter wird gehn,

und Blümlein werden im Grase stehn,

und Blümlein liegen in meinem Grab,

die Blümlein alle, die sie mir gab.

Onduidelijk bleef, welke firma in opdracht van welke dame almaar overbodige grafboeketten kwam aandragen. Nu ja, het was maar poëzie.

 

Und wenn sie wandelt am Hügel vorbei

und denkt im Herzen: der meint’ es treu!

dann Blümlein alle heraus, heraus!

der Mai ist kommen, der Winter ist aus.

De winter was uit. De ijsbeer was het daar duidelijk niet mee eens, maar wat kon hij doen, hulpeloos op zijn buik liggend met zijn poten wijd, een verzen declamerende en vioolspelende mens torsend op zijn rug?

In het populaire genre van het thema-met-variaties had ik in de loop der jaren tientallen stukken gehoord, niet alleen voor viool, maar ook voor piano, cello, fluit en klarinet. Het solo-instrument speelde altijd de rol van een dame die met ruisende rokken en tinkelende sieraden, begeleid door een gedienstige lakei, de marmeren toonladdertrappen van een paleisje op- en afsnelde om zich telkens in een ander vertrek in de spiegel te bewonderen. Maar dit stukje Schubert zat heel anders in elkaar en de keus was echt iets voor Matthijs. De viool begon mompelend, schreeuwde het dan plotseling uit en eindigde berustend, met een paar gesmoorde snikken. En dat was dan nog maar het voorspel. Het thema zelf was onmogelijk simpel, echt niet meer dan gefluit langs de watergracht. Pas in de variaties kwamen de liefhebbers van echte virtuositeit, onder wie ikzelf, aan hun trekken. Wat ging Thijs ervandoor! Zes variaties lang was er veel te genieten. Maar de laatste variatie was een anticlimax in devorm van een mal marsje, dat met de rest van het stuk weinig te maken had.

Het applaus was onsamenhangend. Bij zo weinig handen klonk het klappen meer als een lekkende dakgoot in de Jordaan tijdens een voorjaarsbui dan als de waterval van Schaffhausen. Na het volgende stuk verwachtte ik meer applaus, omdat moderne componisten het publiek meer vertrouwd waren.

Voor viool en piano had Brahms drie sonates geschreven, zei Matthijs: de eerste elf jaar geleden, de tweede vier jaar geleden en de derde nog vorig jaar. Nora en hij hadden de Tweede in A, de meest zomerse, gekozen.

Al bij de eerste maten moest ik denken aan november ‘85, toen de oude tijd ook echt een goede tijd geweest was. Niet alleen om de betere verstandhouding tussen Matthijs en mij – en vader niet te vergeten – maar ook om de schitterende concerten door de Meininger Hofkapel onder Hans von Bülows leiding in de Stadsschouwburg. Was het symbolisch dat 1890 begonnen was met vaders dood en de brand van de Schouwburg? Brahms was zelf met de Meiningers meegereisd om zijn Vierde symfonie uit het manuscript te dirigeren. Wat een tijd was dat geweest. O tijden! O violen! Brahms had op mij een indruk gemaakt van kracht, van ingehouden energie, die ik ook in zijn muziek hoorde. Was Zweers de Amsterdamse paardentram onder de componisten, dan was Brahms de stoomlocomotief met zijn combinatie van kracht en elegantie. Een gekke vergelijking, maar oneerbiedig bedoeld was ze niet en ik hoorde die locomotief nu eenmaal over de rails denderen in het Vivace; sneller nog in het Vivace di più.

Bij het Allegretto grazioso quasi andante, de finale met die magistrale inzet, moest ik ook weer aan vroeger denken, of ik wou of niet. Een bladzijde lang verdween mijn ergernis van de afgelopen ontmoetingen, zo groot was de macht van deze muziek. Aan Nora veranderde op de pianokruk niet veel, maar Matthijs leek met de viool onder zijn kin een ander mens te worden. Zo soepel en krachtig als hij de nieuwe strijkstok hanteerde! Het blauw in zijn ogen had niet meer de tint van het fletse bloempje in zijn knoopsgat, maar kreeg iets metaligs. Was hij altijd maar zo, ook zonder viool…

Al tijdens het Andante tranquillo had ik gehoord hoe er aan de overkant van de tuinen een raam piepend omhoog werd geschoven.Tussen de gewichtige achterhoofden van commissionair Orenstein en mr. Vrugt Pzn. verschenen een paar mensen. Net de hek-leden van het Concertgebouw, die achter de spijlen moesten luisteren, omdat ze geen kaartje voor de tuinconcerten konden kopen.

Op de verfrissingen die Dien in de pauze serveerde had ik niet bespaard en ook aan de twee geheelonthouders was gedacht. Dien zag er piekfijn uit in het frisse, witte schort met de blauwe mouwen daaronder en het wit, gesteven mutsje op de eerbiedwaardige grijze haren. Roosje bediende mee: ze had het zelf aangeboden en het kwam me niet ongelegen.

We daalden de trap af naar de tuin, waar ik eindelijk een havanna kon opsteken, nadat ik Van der Wiel van de Gebroeders Spijker en ook Goudstikker en Orenstein er een had gepresenteerd. Matthijs rookte niet, net zo min als de twee leerlingen die hij had uitgenodigd. Na de obligate complimenten van mijn gasten bleven de vier een beetje achteraf in de tuin staan, in de buurt van de half overwoekerde zonnewijzer.

Met de antiquair, de rijtuigfabrikant en de commissionair in effecten raakte ik al gauw verzeild in een gesprek over de ontwikkelingen op de houtmarkt, een terrein dat we alle vier nauwkeurig in de gaten hielden. De anderen beperkten zich tot luisteren. De dames begonnen het trouwens al gauw koud te krijgen van al die kille getallen en wilden wel weer terug naar de salon. Nora kon overal tegen, zag ik ook nu weer; zij had het naar haar zin en haalde diep adem.

‘De tuinen beginnen te geuren, ruiken jullie het?’ zei ze. ‘En de vogels zingen. Luister: een merel!’

‘Beter dan een meeuw inderdaad,’ gaf ik toe. ‘Maar moet Dien straks de deuren dichtdoen?’

‘Nee,’ zei Matthijs. ‘Prachtig, die vogels. Hoewel Nora en ik daar nooit tegenop kunnen met onze muziek. Die is daarbij vergeleken onbeholpen.’

‘Valt best mee, mevrouwtje,’ zei Sam Goudstikker, die zijn vlezige hand even op Nora’s tanige onderarm liet rusten.

Voor het tweede gedeelte vroeg ik nog even het woord om te memoreren hoeveel nauwe relaties er bestonden tussen de kringen van Schumann en Brahms en Nederland, in het bijzonder Amsterdam. De toehoorders waren natuurlijk op de hoogte van de intieme vriendschap tussen Schumann en Brahms, tot Schumanns dood in 1856. Nu werd het wat ingewikkelder. Willem Kes, de dirigent van het Concertgebouw-Orkest, was leerling geweest van de violist Ferdinand David en de pianist-componist Carl Reinecke, beiden vrienden van Schumann en Brahms. Daarna had Kes in Berlijn gestudeerd bij een andere vriend van Brahms en het echtpaar Schumann: Joseph Joachim, die eind dit jaar overigens weer in de Kleine Zaal kwam concerteren. Ook Matthijs’ en Nora’s collega Julius Röntgen had in Leipzig bij Carl Reinecke gestudeerd, en zich later in Amsterdam gevestigd. De gasten hadden hem vast wel eens door de stad zien fietsen met zijn beroemde jaspanden, die zelfs wapperden als er geen wind was, of ze hadden zijn niet minder beroemde Duitse accent gehoord. Julius Röntgen was bevriend met Brahms en vijf jaar geleden had hij Matthijs en mij bij de componist geïntroduceerd. Hier in Amsterdam. Vader had zelfs Schumann nog ontmoet: 1853 in Den Haag, door bemiddeling van Johannes Verhulst. Om nog even terug te komen op de familie Röntgen: ik herinnerde me nu dat Julius’ vader Engelbert gestudeerd had bij Ferdinand David en zijn opvolger was geworden als concertmeester van het Gewandhausorkest.

De Tweede vioolsonate van Schumann, voegde Matthijs eraan toe, was opgedragen aan Ferdinand David en aan de moeilijkheid van het stuk kon je merken dat David een bijzonder knap violist was geweest.

Ik moest eerlijk toegeven dat deze Tweede sonate me ondanks zijn virtuositeit iets minder boeide dan de energiekere Tweede van Brahms. De langzame inleiding, die wel een improvisatie leek, was natuurlijk een knap stuk werk, maar dat hele eerste deel duurde me veel te lang: dertien minuten, zag ik op mijn horloge. In het derde deel overtuigde Matthijs me ook niet helemaal. Dat had hij 2 mei, beneden in het atelier, mooier gedaan. Kwam het doordat ik deze sonate toen voor het eerst hoorde? Lag het aan Matthijs of aan mijn viool? Toen had hij op de Stark gespeeld. Had hij de nieuwe snaren nog niet op zijn Brandt gezet? Misschien moest hij het pizzicato wat krachtiger tokkelen. Het kon ook zijn dat de spanning en de vermoeidheid hem parten begonnen te spelen. Tijdens het laatste deel dwaalde mijn aandacht nog verder af en ik begon te staren naar de achterhoofden van de gasten voor me. Toen ik onder het applaus een lichtzinnige mug in een kaars zag vliegen, stond ik op om de deuren dicht te doen.

Ik voelde me een beetje humeurig worden, toen Matthijs het tijdens zijn inleiding tot het laatste stuk toch weer niet kon laten de politiek erbij te halen. Schumann zou zijn Adagio en Allegro opus 70 gecomponeerd hebben onder indruk van het revolutiejaar 1848. Daar zaten mijn gasten niet op te wachten. Bovendien: hoe wist hij dat allemaal zo zeker? En waarom hoorde ik dat niet in de muziek?

Na het applaus bleef de muzikale revolutionair gelukzalig glimlachend staan, al meteen omringd door feliciterende handen.

Orenstein complimenteerde me. Ik nam hem bij zijn elleboog en troonde hem voor een zakelijk onderonsje mee naar een rustiger hoekje in de eetkamer.

Nauwelijks had ik me omgedraaid of ik hoorde gerommel, een gil van Nora en een langgerekt ‘Ooooooooh!’

Tussen de bezoekers door zag ik hoe Thijs gestruikeld was over de kop van de ijsbeer. In de grimmige overtuiging dat de winter nog niet uit was, had het beest wraak genomen en zijn tanden in de broekspijp gehaakt. Ik moest heimelijk lachen om wat een scène uit een variété in de Nes leek: in zijn val had Thijs de viool omhooggehouden als een virtuoze kelner een dienblad vol kristallen glazen. Toch had het instrument de vleugel geraakt en de zo zorgvuldig op zijn plaats gezette nieuwe kam was omgeklapt.

Ik stelde de gasten gerust en liep meteen met Matthijs naar het atelier om de schade op te nemen. Zijn broek was nauwelijks beschadigd en de viool had zelfs geen krasje. Alleen de kam lag erbij. Ik zag nu dat de oude snaren nog op het instrument zaten. Verkeerde zuinigheid? Ik zei er maar niets van, anders kregen we weer woorden.

Opgelucht lachend legde Matthijs de viool neer en haalde een papier uit zijn binnenzak: het ontwerp voor de programmatekst. Ik gaf hem het potlood van Kobus’ werkbank en dicteerde de reclame voor mijn Kunstinrichting en de vermelding dat zowel de viool als de strijkstok van de heer Matthijs Brandt uit dat atelier afkomstig waren.

Ik liet de deur van het atelier open. Nadat Matthijs en ik de onbeschadigde viool als een trofee aan de gasten hadden laten zien, bood ik een exclusieve rondleiding door het atelier aan.

Toen de laatste gasten vertrokken waren, gingen Dien, Roosje en de meid naar de keuken om de vaat te doen. Ik begon de salon op orde te brengen.

Bij het schuiven met de stoelen ontdekte ik een boek. Een gekaft exemplaar. Ik kaftte nooit en zag het de commissionair in effecten en de andere gasten ook nog niet doen. Zou het van Matthijs zijn? Inderdaad: hier had ik het boek in handen waar in de kringen van moderne-poëzieliefhebbers zoveel over te doen was. Verstrooide Thijs had het na het gedoe met de gevallen viool zeker vergeten.

Sceptisch begon ik in het boek te bladeren. Meteen al aan het begin vond ik de regels over de nieuwe lente en het lied dat moest klinken als gefluit. De verzen waren wel erg eenvoudig en zelfs kaal vergeleken met de gedichten van Bilderdijk, Tollens en Beets die ik op school had gelezen. Onbegrijpelijke zinnen vond ik, hoewel de woorden op zichzelf juist heel alledaags, zelfs platvloers waren. Ook kwam ik steeds weer verzen tegen over muziek:

 

Er ligt in elk ding schuilend fijne essence

Van and’re dingen. Daardoor wordt een mens

Als een piano, zó dood, maar besnaard.

Nu eens rilt één snaar, dan d’aar, naar den aard

Van elk geluid buiten, soms, te gelijk

Heel veel. Dat maakt ook een stil arm mens rijk –

Rijen gevoelens staan bij hem in slaap,

En worden wakker terwijl hij van knaap

Oud man wordt.

Wat gezocht om een mens met een piano te vergelijken! Hooguit had het gebit van Gerrit wel iets van een onvolledig toetsenbord met oud, vuil ivoor. Niet uitnodigend tot spelen. Dat van de knaap die oud man moest worden om iets te voelen beviel me nog minder. Het leven ging veel te snel. Het devies Geeft Wat Tyt op mijn gevelsteen was me uit het hart gegrepen: bij het bezichtigen van het huis met de makelaar was dat het eerste geweest wat ik gezien had. Nog wat verderbladerend in het boek zag ik opeens regels die een andere lengte hadden. Ik las:

 

Het is het trillen van muziekgordijnen,

Het is het aanrollen van tonentreinen,

Het zijn muziekwolken voor windewiek.

Wat moest dat betekenen? Trillende gordijnen? Ja, toen ik Roosje pas kende. Maar muziekgordijnen… Bij het aanrollen van tonentreinen kon ik me desnoods nog iets voorstellen: tijdens Brahms had ik aan een locomotief gedacht. Maar muziekwolken had ik nog nooit gezien. En stond het woord ‘windewiek’ in het woordenboek van Van Dale? Zou het niet veel beter zijn als Thijs zich alleen bezighield met zijn viool in plaats van met poëtische en socialistische ongerijmdheden?

Ik klapte het boek dicht en legde het apart om het Matthijs na de soiree terug te geven.

‘Moet u nog meespelen in het laatste stukkie muziek?’ schertste de portier van het Concertgebouw. Hij kende me en wist dat ik aandeelhouder van de N.V. was.

‘Nee, Tollenaar. Mijn broer speelt. Ik houd me maar bij het verkopen van violen. Daar word je wijzer van dan van violen bespelen.’

‘U bent alleen?’

‘Moeder de vrouw kan niet zo lang stilzitten,’ maakte ik ervan. ‘Ik ga maar: het is vast al begonnen.’

Tollenaar lachte.

Roosje kon inderdaad niet lang stilzitten op zo’n avond. In dat opzicht was ik jaloers op Matthijs en zijn Nora: die gingen samen naar toneelstukken en concerten. Als vrouw was Roosje een stuk aantrekkelijker, maar ze had in haar koffers weinig bagage en op reis met die koffers verdwaalde ze doorlopend. Van de muziek op de violen die in haar koffers terechtkwamen begreep ze nog minder en ze kwam niet verder dan het vals nafluiten van een straatlied uit de Jordaan.

De soiree was een uur aan de gang en de pauze was zelfs al voorbij. Mijn bezoek aan Koekoek was uitgelopen, maar over een soiree had ik niets gezegd, om de rijke jaloeziefabrikant niet te irriteren. Misschien dacht de goede man wel dat ik me voor hem zo netjes had aangekleed. ‘Bittertje, meneer Brandt?’ ‘Graag, meneer Koekoek.’ Na de aflevering van zijn nieuwe viool had hij een hoop noten bij elkaar geharkt en mij gevraagd te luisteren hoe het klonk. Ik noemde het verdienstelijk met diverse mogelijkheden voor de toekomst. ‘Bittertje, meneer Brandt?’ ‘Graag, meneer Koekoek.’ Vervolgens had hij me alle rafeltjes van deze vioolkist laten zien en hem meegegeven ter reparatie. Te gierig om een nieuwe kist te kopen. En weer: ‘Bittertje, meneer Brandt?’ ‘Graag, meneer Koekoek.’ Omdat ik niet met die vervelende paardentram wou gaan – ik moest een eigen rijtuig hebben! – was ik gaan lopen. Zo was het nog later geworden.

In de stemkamer was niemand. Volgens mijn berekening was het duo midden in de sonate van Schumann. De vestiaire was ik voorbijgelopen om na de soiree niet in de rij te hoeven staan. Ik hing mijn jas en hoed naast die van Matthijs en Nora en zette de vioolkist in een hoek.

Op tafel lag een programma. Ik pakte het om te kijken hoe de drukker het gedaan had. Die zetters maakten er soms maar wat van, zetten letters op hun kop als er toevallig een leuk dienstmeisje voorbijkwam of veranderden dingen naar eigen inzicht. Goed zo: de naam van mijn firma, de namen van de componisten en de titels van de stukken klopten. En de rest?

 

Wij nodigen allen uit, met onze inrichting te komen kennismaken, en geven de oprechte verzekering dat wij niet zullen nalaten aan een ieders wensen op de meest stipte wijze te voldoen door een spoedige en accurate levering, zorgvuldige bediening en nauwgezette administratie.
Hoogachtend heeft de eer te zijn: HERMAN BRANDT.

De reclame voor de zaak was dus ook in orde. Matthijs lachte altijd om de woorden “Kunstinrichting” en “atelier”. Volgens hem had ik een werkplaats. ‘Wat is er mooier dan werken?’ vroeg hij soms. ‘Coupons knippen,’ was mijn vaste antwoord. Mijn adres klopte. En…

Goddomme nog aan toe: had de drukker die fout gemaakt? Nee, uitgesloten! Matthijs had hem geschrapt, die zin waar het mij om was begonnen: de vermelding dat de viool van de heer Matthijs Brandt afkomstig was uit de Kunstinrichting van Herman Brandt! Alleen de strijkstok was blijven staan. Nota bene in een programma dat ik bekostigd had! En vooruitbetaald!

Woedend sloop ik na het eerste stuk de Kleine Zaal binnen. Niet als een grommende straathond met blikkerende tanden, maar als een witgebefte zwarte kater met nagels verborgen in fluwelen poten. Terwijl ik op de achterste rij ging zitten, zag ik vele blikken op me gericht en ik hoorde hier en daar gefluister van herkenning. Mondelinge reclame. Maar de schriftelijke reclame, daar ging het om! Vierhonderd mensen plus al degenen die het programma na afloop in handen kregen hadden mijn complete reclame kunnen lezen, als de artiest daar geen stokje voor gestoken had. Mijn saldo van deze avond was negatief. Ik kon een schadevergoeding eisen.

Daar verschenen de Kunstenaars van het Volk. Wel god… De viool was rood! De fluim speelde niet op mijn viool, maar op die van Adam Stark! De weglating in het programma was geen vergissing! De hele zaal applaudisseerde voor het instrument van een ander! En ik moest het aanhoren, in een stuk uit een revolutiejaar…

Toen ik de stemkamer binnenkwam, waren Matthijs en Nora alweer teruggeroepen door een enthousiast applaus, dat zo te horen nog lang kon aanhouden. Matthijs had de bejubelde viool op tafel achtergelaten, naast de muziek van Schumann. Wat had hij gezegd als ik in de pauze gekomen was?

Opnieuw bevend van woede pakte ik mijn lege vioolkist om er het boek van Gorter uit te halen dat hij bij me had laten liggen. In mijn jaszak had het me voortdurend in de weg gezeten. Toen ik het naast de viool legde, herkende ik de nieuwe snaren: hondsbrutaal als hij was, had hij ze op de Adam Stark gezet!

Ineens grepen mijn handen de viool en duwden haar in de lege kist. Ze stribbelde tegen. Ze paste niet. Ik rukte het kussentje onder de klankkast weg en propte het in de smalle ruimte naast de hals. ‘In de koffer,’ fluisterde ik opgewonden, alsof het Roosjes lichaam was in plaats van het corpus van de viool. Ik trok de lap die in de kist lag over het instrument en duwde weer. Nu ging het deksel dicht. Maar ik was nog iets vergeten! Bliksemsnel deed ik de kist weer open om de strijkstok erbij te leggen. Het applaus veranderde van ritme. Tijd om het sleuteltje te voorschijn te halen had ik niet meer en mijn vingers beefden te veel. Ik zette de kist terug in de hoek van de kamer, naast de kapstok. Een hevige aandrang maakte dat ik de kamer uit moest.

Na de gang naar het toilet nam ik de tijd om mijn handen te wassen. Pas toen ik mijn hartslag en de kleur in mijn gezicht weer onder controle had, liep ik terug naar de stemkamer.

Matthijs en Nora kwamen juist binnen. De waterval stroomde onverminderd door.

‘Herman!’ zei Matthijs met stralend blauwe ogen. ‘We moeten een toegift geven! Het publiek vraagt erom. Mijn viool! Waar is mijn viool?’

Ik haalde mijn schouders op.

‘Wie heeft mijn Stark gezien? Jij?’

Hij had niet in de gaten hoe lomp die vraag was.

‘God: mijn viool is toch niet weg?’

Hij keek opeens als een jonge socialist die de deur van de politiecel achter zich dicht hoort vallen.

‘Heb je op de gang niemand zien lopen met het instrument?’

‘Ik niet. Ik ben mijn handen gaan wassen.’

‘En waar is de stok uit jouw werkplaats?’

Ik overwoog een havanna op te steken om me een houding te geven en me in nevelen te hullen, maar mijn handen waren nog niet rustig genoeg. Het beven van de door de sigaar verlengde vingers of het morsen met as konden argwaan wekken.

‘Mijn kist is leeg,’ zei Matthijs. ‘Daar staat een kist die ik niet ken. Van wie is die?’

‘Koekoek.’

‘Wat?’ zei Nora. ‘Houd hem niet voor de gek!’

‘De jaloeziefabrikant,’ legde ik uit. ‘Moet gerepareerd worden.’

‘O, die rijke stinker,’ zei Matthijs met rode konen.

Een giftige haat schoot als maagzuur in me op. Ik zou hem leren, mijn klanten rijke stinkers te noemen en achter arbeiders aan te lopen die honderdmaal meer stonken! Hij moest niet het hart hebben mij nog eens een uitbuiter of een dief te noemen. Of iets op Roosje aan te merken. Met afgewend gezicht bleef ik staan tot ik mijn zelfbeheersing terug had.

‘Moet ik hem openmaken?’ lachte ik. ‘Vertrouw je me niet, broer?’

‘Natuurlijk wel,’ zei Matthijs, die terugviel in hulpeloosheid. ‘Maar waar is dan mijn Adam Stark? Welke grappenmaker…’

Als ik nu de kist openmaakte, kon ik nog doen of alles een grap was.

Maar ik deed het niet.

Het applaus, dat als een branding geruist had, ebde weg.

‘Hoe ziet het instrument eruit?’ vroegen een paar bezoekers die de stemkamer binnengekomen waren om Matthijs te feliciteren. ‘Zijn er bijzondere kenmerken?’

‘Een ingebrande letter S met een sterretje aan weerskanten,’ zei Matthijs.

‘Wat staat er op het etiket?’

Matthijs begon aan een uitvoerige beschrijving van de viool en het etiket. Bij Fui dura occisa securi stokte hij.

‘De mooiste viool die ik ooit bespeeld heb,’ zei hij met een huilstem die ik me van heel vroeger herinnerde. ‘Waarom kijken jullie zo? Waarom zoeken jullie niet mee?’

Wie seht ihr alle mich an so weh, als ob ihr wüsstet, wie mir gescheh? echode het in mijn hoofd.

Opeens rende Matthijs de stemkamer uit. Ik hoorde zijn passen door de gangen ijlen, af en toe opgehouden door verbaasde concertgangers.

Nora maakte de beschrijving van de viool af.

Hijgend en bezweet van het rennen kwam Matthijs terug in de stemkamer en liet zich op een stoel vallen. Hij legde zijn lorgnet op tafel en verborg zijn hoofd in zijn handen. Zijn schouders schokten. Wie nu binnenkwam, kon denken dat de violist schudde van het ingehouden lachen om een grove kroegmuzikantengrap, die de beschaafde omstanders niet op prijs konden stellen.

Ik liep naar hem toe en legde mijn hand op zijn schouder.

Tränen machen nicht maiengrün, Thijs.’

Nora keek me donker aan, op haar dunne lippen bijtend.

Met de punt van mijn wijsvinger schoof ik Mei over de tafel naar hem toe.

‘Het is een schrale troost, maar ik heb de nieuwe lente en het nieuwe geluid voor je meegebracht. Je had ze bij me laten liggen.’

Zijn tranende ogen keken niet-begrijpend naar me op.

Mei,’ zei ik en schoof het gekafte boekje nog wat verder naar hem toe, tot bij de muziek van Schumann.

Met een ruk opende Nora de kist van de Stark, als een moeder die de lege kinderwagen laat zien waaruit haar kind ontvoerd is. De bekende blos verscheen op haar wangen en ze begon op te sommen wat ze allemaal met de dief zou doen wanneer ze die in handen kreeg: openhalen met haar nagels, de haren uittrekken…

‘Vellen met de harde bijl, opperde ik.

Ze keek me doordringend aan.

Een beetje overmoedig begon ik verdere martelingen te verzinnen. Ik maakte de pook zo heet, dat Nora me nog eens aankeek en haar ogen en mond tot een spleet versmalde.

‘Maak je niet te ongerust, Thijs,’ zei ik. ‘In de vioolhandel ken ik werkelijk iedereen. Het is een kleine wereld, dus een dief die een bijzondere viool van de hand wil doen, komt niet ver. Ik ken niemand die de courage zou hebben om zo’n Stark te verkopen.’

Ik kon wachten tot de volgende week, Matthijs laten komen en doen of een anonieme dief, die tot inkeer of tot inzicht was gekomen, het instrument door een loopjongen bij de eerste de beste vioolbouwer had laten bezorgen.

Maar dat zou niet gebeuren, wist ik nu al.

‘Ik heb de assuradeur nog niet betaald,’ zei Matthijs tegen het tafelblad.

‘God, hoe kun je zo stom zijn?’ zei Nora, terwijl ze als een marktvrouw haar armen in haar zij zette. ‘Weet je wat ik ga doen? Ik ga de politie waarschuwen. Het Concertgebouw heeft natuurlijk telefoon.’

‘Je kunt veel beter zelf gaan,’ adviseerde ik. ‘Het bureau is vlakbij, in de Ferdinand Bolstraat.’

Dat besloten ze te doen. Ze gingen natuurlijk niet met mij mee, waar eerst sprake van was geweest.

‘Moet ik mee?’

‘We kunnen het alleen wel af,’ vond Nora.

‘Als jullie mij bij de politie nodig hebben als getuige-deskundige kunnen jullie me bellen. Nummer 846. Ik ga nu naar huis. Alleen wil ik nog dit zeggen: ik bied aan om Matthijs’ andere viool te reviseren.’

Matthijs staarde in de lege kist en knikte wezenloos.

‘Hij zegt ja,’ legde Nora uit.

‘Gratis,’ zei ik. ‘Omdat ik met jullie meevoel.’

‘Kun je dat niet doen zonder er een etiket op te plakken?’ vroeg Nora snibbig.

‘Ik zal Kobus of Dirk sturen om de viool op te halen. Dan bespaar ik je de moeite van het brengen. En ze is in één dag klaar.’

Ik trok mijn jas aan, pakte de vioolkist en liep de stemkamer uit.

‘Wat ken er met uw broer aan de hand wezen?’ informeerde Tollenaar. ‘Hij is schijnbaar helemaal overstuur. Voor ik goed en wel ken vragen wat of er gebeurd is, zien ik hem al weer naar binnen rennen.’

‘Zijn viool is verdwenen, Tollenaar. Weet jij zeker dat jij niemand voorbij hebt zien komen met een viool zonder kist?’

Hij schudde zijn hoofd.

‘Zijn er nog andere uitgangen?’

‘Andere bennen er niet.’

‘Dan moet de viool nog in het gebouw zijn. Mijn broer gaat straks naar de politie. Hij is nu nog erg in de war. Ik kan het niet aanzien en helpen kan ik ook niet, dus ik ga naar huis. Hij kalmeert wel weer.’

‘Heb uw broer u tot lege-kofferdrager bevorderd?’

‘Je hebt me toch voor de pauze zien komen met deze kist? Een beetje waakzaam zijn, Tollenaar! Dit instrument is van een klant en het moet gereviseerd worden.’

Ik opende de kist een klein stukje, schoof de lap opzij en liet de krul zien, de rode klankkast bedekt houdend. Tollenaar had geen notie van violen. Hij trok harmonika, had hij me verteld.

‘Mooi dingetje, meneer. Ondanks de commotie: u bent zeker wel trots op uw eigen broer, dat hij zoveel publiek heb kennen trekken? Zulke avonden moesten we meer hebben, als u mijn vraagt.’

Ik sloot de vioolkist en opende de sigarendoos om Tollenaar een dure havanna te presenteren.

Hij tikte keurig aan zijn pet.

Na dit vriendelijke afscheid ging ik op weg naar huis. Er hingen zware wolken, maar het regende niet en ik had een stevige wind in de rug. Daarom nam ik geen rijtuig, hoewel er juist een klaarstond. Het idee met de viool in de kist over straat te lopen had trouwens een eigenaardige aantrekkingskracht.

Van de Boerenwetering kwam een akelige stank. De Koninklijke Fabriek van Waskaarsen! Als een koninklijke fabrikant zo geurde, hoe rook dan een rijke stinker? Zo werden klanten van mij genoemd. Hoorde ik zelf soms ook tot die categorie? Wat wist mijn broer van de handel en wandel van een ondernemer? Ik was een kapitalist, dus een uitbuiter, dus een dief. Punt uit. En ik ging zeker om met een halve hoer. Toen Matthijs Vrouwtje Bezemsteel en die rare bevliegingen nog niet kende, had ik hier op het IJsclubterrein voor hem staan applaudisseren. Ik zag hem nog langskomen, schuin door de bocht. Dat waren roemruchte tijden met vélocipèdewedstrijden…

In de doorgang onder het Rijksmuseum klonken mijn stappen hol als in een kille kloostergang of een cel. Om minder in de tocht en meer in het licht te lopen stak ik snel de Weteringschans over en hield de Spiegelgracht aan tot de Prinsengracht.

Ter hoogte van de kerk VredeDuifje moest ik denken aan het verhaal dat ik bij mijn vorige bezoek in Stuttgart had gehoord van Albert, een van de gebroeders Hamma. In een piepklein Siciliaans dorpje, Argenti, Serpenti, Girgenti of zoiets, had hij bij twee broers een prachtige Santo Serafin ontdekt. De ene broer wilde de viool verkopen, de andere niet. Ze kregen zo’n hevige ruzie, dat een van de broers de viool op de grond gooide en riep: ‘Basta! Nu is het afgelopen met het geruzie! Nu heeft niemand wat!’ Hij had het kostbare instrument aan diggelen getrapt. Doodzonde had ik dat gevonden, maar Hamma was nog niet klaar met zijn verhaal. Onder de aanhoudende ruzie van de broers had hij de diggelen zorgvuldig bij elkaar geraapt om ze op te sturen naar zijn atelier in Stuttgart. Daar hadden ze er weer een prachtige Santo Serafin uit weten te lijmen. Zo kon dat gaan tussen broers. Intussen was de Adam Stark van mijn broer intact: ik had er nog geen krasje op gemaakt. Op een donker gedeelte van de gracht, buiten bereik van de gaslantaarns, stopte ik en haalde het sleuteltje uit mijn vestzak om de vioolkist op slot te doen.

Terwijl ik de huissleutel in het slot van mijn voordeur stak, overwoog ik door te lopen naar het atelier om de viool in mijn Chatwood-brandkast op te bergen. Bij nader inzien leek me dat geen goed idee. Ik liep wel naar beneden, maar niet naar de brandkast. Het zou veel sterker zijn, de stalen deur demonstratief voor Thijs’ neuste openen, wanneer hij daar in een vlaag van wantrouwen om vroeg. Maar hij zou er niet om vragen. Daarvoor was hij te goed van vertrouwen. Achterdocht was meer iets voor mevrouw Egter van Aagtekerke. Waar moest ik die viool dan laten? Straks eerst maar mee naar boven nemen. Dan een plek verzinnen om haar onopvallend neer te zetten zonder haar te verbergen. Morgenavond na sluitingstijd en etenstijd zou ik het corpus zo nauwkeurig mogelijk meten. Alles zou ik vastleggen. Na verloop van tijd kon ik het anonieme ontwerp presenteren als iets van mezelf en het van de tekening na laten bouwen. Details als de krul en de kleur van de lak, die er voor de klank niet toe deden, kon ik naar eigen goeddunken veranderen. Zo zouden Kobus en Dirk de Stark niet herkennen. Daarna was er maar één mogelijkheid: het origineel verkopen in het buitenland. Desnoods met een ander etiket. Welk buitenland? In de herfst ging ik naar Londen. Maar bij Hill & Sons wisten ze alles. Dat waren zulke perfectionisten, die wisten bij wijze van spreken beter dan ikzelf wat er uit dit atelier kwam. Als ik terug was uit Londen, moest ik naar Berlijn en daarna naar Hamma & Co. in Stuttgart. Die gebroeders wisten ook te veel: die konden bij het horen van de naam Adam Stark waarschijnlijk een hele levensbeschrijving geven, inclusief een signalement van de beste instrumenten van die bouwer. Berlijn dan? Geen slecht idee. Berlin in het grote Deutsche Reich… Daar kon de Stark verschwinden. Niet bij de eerste de beste opkoper, maar stijlvol en voor een goede prijs. Ik moest eens denken over een nieuw kaartje met een titel die in het land van de Moffen deuren deed opengaan. Tot die tijd was het motto Dum vixi tacui. Mond dicht, brandkast op slot.

Ik liep de trap op en ging in de salon, waar Dien een lamp had aangelaten, in mijn leunstoel zitten. Oog in oog met de ijsbeer. Hij keek me strak aan met zijn afgestofte ogen. Dat deed hij overal in de kamer. Zijn opgepoetste tanden blikkerden. Maar hij beet niet, behalve wanneer je hem tegen zijn kop schopte.

Nadat ik de viool op de vleugel had gelegd, pakte ik de krant en probeerde te lezen.

Buitenlands overzicht. President Carnot is te Parijs teruggekeerd.

President Carnot mocht van mij gaan en staan waar hij wou. Zijn gangen lieten me koud. Zelfs voor de beursberichten was ik niet in de stemming.

Doorbladerend vond ik een advertentie:

Degelijk onderwijs op de viool en de piano à f 0,80 per les.

Matthijs Brandt en Nora Brandt-Egter van Aagtekerke.

De reclame voor zichzelf waren ze dus niet vergeten. Onder hun advertentie bood iemand piano’s aan tussen f285 en f750. Zelfs om zo’n voordelige aanbieding te kunnen kopen moesten ze heel wat van die lesjes geven en heel wat uren maken. Daarvoor moest de stok heel wat keren heen en weer. Zoveel als de slinger van de klok, die als een hand achter het raampje van een treincoupé de seconden van je leven uitzwaaide. De onvervangbare onderdelen van het leven. De schitrende seconde na de knik van de klant in het atelier. De spannende, speculatieve seconde in de Beurs. De verlossende seconde in het bed van Roosje.

De verstrijkende seconden, minuten, uren, dagen, maanden en jaren zouden mijn vel reptielachtig rimpelen en afstotelijk maken, zodat geen vrouw het zonder betaling nog aan wilde raken; ze zouden mijn stem hees maken en verzwakken tot niemand er meer naar luisterde, mijn potentie pijnloos verslappen en mijn geheugen zo schoon maken als de lei van een klein kind op zijn eerste schooldag… Stelen zouden ze alles wat mijn leven de moeite waard maakte.

Ik merkte dat de twee tijdaanwijzers het niet volkomen eens waren. De salontik viel niet precies samen met de eetkamertik. Vreemd dat me dat nooit eerder opgevallen was. Betekende dat uitstel van executie? Zou het hart stilstaan op het moment dat de twee hartkamers gelijk zouden tikken? Het obsedeerde me. Ik begon mijn ademhaling te regelen naar het geluid. Vier tik-ken in – vier tik-ken uit. Vier tik-ken in – vier tik-ken uit. Vier touwtjes op een kissie – een kissie met vier touwtjes. Matthijs had zijn eigen rijtje van vier. Vier generaties kennis opnemen. Vier decennia geven van je leven. Vier jaren blokken op het conservatorium. Vier maanden werken aan een concert. Vier uren zwoegen per dag. Vier kwartieren lijden op een podium. Vier minuten werkelijk goed spelen. Vier seconden volmaakte schoonheid bereiken. Napels zien en dan sterven. Of zoiets. Geëxalteerde uitspraken, al even overdreven als die meiversjes van Gorter. Nog een uurtje, dan was mei voorbij en juni nam de macht over. Vier tik-ken in – vier tik-ken uit. Vier tik-ken in – vier tik-ken uit.

Maar dit was om gek van te worden!

Stapelgek!

Getikt!

Ik sprong op, rukte het deurtje van vaders klok open en greep de slinger.

Stilte.

Daarna schoof ik de porte-brisée naar de eetkamer dicht om de andere klok niet meer te horen.

Een serene rust daalde op me neer. Ik herademde na mijn beklemming en mijn giftige woede van nog geen uur geleden was opgelost. Zou Matthijs nu binnenkomen en inzage eisen van de brandkast, de vioolkisten en de boeken, ik zou alles openmaken, zonder één keer met mijn ogen te knipperen. Waar bleef Dien? Ik schelde, want ik verging van de dorst.

‘Ik wist niet dat u al terug was, meneer. Tot ik opeens de deuren hoor schuiven. Hoe was de soiree van uw broer?’

‘Mooi, Dien,’ zei ik. ‘Mooi…’

‘Echt een concert waar je wat van meeneemt.’

‘Ja. Hoezo?’

‘Ik heb meneer Matthijs toch vaker horen spelen. Nog op de generale hier. Zit hij daarin?’

Ze wees naar de vioolkist op de vleugel.

Was het mens helderziende?

‘De viool,’ zei ze. ‘De viool van meneer Koekoek. Was hij niet thuis?’

‘O, jawel. Maar hij gaf me een andere viool mee, onder ons gezegd een onding, om eens naar te kijken. En die kist moet gerepareerd.’

Ik besefte dat ik over de diefstal moest vertellen. Anders zou er argwaan ontstaan.

‘De soiree was geslaagd. Maar er is iets vreselijks gebeurd.’

Toen ze eenmaal bekomen was van de schrik over meneer Matthijs, zag Dien dat de klok stilstond. Ze liep naar de kast van de Paulus Bramer en streek behoedzaam over het glanzende notehout.

‘Zijn gewichten hangen goed, maar zijn slinger beweegt niet meer. Zou hij stuk zijn? Hij is al zo oud. Meer dan honderd jaar, nietwaar, meneer Herman?’

‘Hij is niet stuk. Ik heb hem stilgezet.’

‘En u bent altijd zo’n man van de klok.’

‘Ja,’ zei ik bedachtzaam, ‘maar soms doet deze klok me te veel aan vroeger denken. Schenk een bittertje voor me in, wil je? Neem er zelf ook een.’

Dien slaakte een diepe zucht.

‘Meneer Herman… U weet toch dat ik nooit een druppel sterke drank gebruik. Ik heb in mijn leven te veel alcoholisten gezien, mannen die iedere zaterdagavond hun weekloon verdronken en dingen deden waar ze zondagochtend spijt van kregen.’

Ik legde mijn hand op haar arm en vroeg:

‘Heb ik jou wel eens iets gedaan waarvan ik spijt hoor te hebben?’

‘Wat een vraag, meneer Herman,’ zei ze verlegen.

‘Vind je bijvoorbeeld dat ik je uitbuit, Dien?’

‘Meneer toch… U bent altijd goed voor me geweest.’

‘Krijg ik mijn bittertje?’

‘Natuurlijk, meneer.’

‘Wacht.’

Ik nam haar hand, die lang niet zo gerimpeld was als haar gezicht en warm aanvoelde, legde er mijn sleutels in en boog haar vingers eromheen. Daarna stond ik op om de vioolkist van de vleugel te pakken.

‘Als je toch richting keuken gaat, Dien, doe me dan een plezier, loop door naar beneden en gooi dit jammerhout in het atelier.’

 

hoofdstuk 4. Het vioolconcert