1. De beproeving

verstreken-jaren-1

 

Ik had lang naar de viool zitten kijken, er handen, ogen en muziek bij fantaserend. Wat daar voor me op mijn werkbank lag, was het beste instrument dat ik ooit gebouwd had! Met het trotse werkwoord dat ieder kende die schilderde, prenten in koper graveerde of instrumenten bouwde had ik de viool gesigneerd:

 

fecit Adamus Stark
in Neukirchen Anno Domini 1840

Eronder had ik op het etiket in de klankkast een vers achtergelaten, een dichterlijk levensbericht van het instrument. De woorden waren niet van mezelf; ik was ze ooit tegengekomen bij het opensnijden van een gehavende Franse viool, toen aan het licht kwam wat ik door de f-gaten al stoffig had zien schemeren. Friedrich Grimm, die hier toen nog maar kort op de kansel stond, had de geheimzinnige woorden voor me vertaald van het stuk papier waarop ik ze overgeschreven had.

 

Viva fui in sylvis

Fui dura occisa securi

Dum vixi tacui

Mortua dulce cano

Dat betekende volgens Grimm: “Levend was ik in de bossen. Ik werd geveld met een harde bijl. Zolang ik leefde, zweeg ik. Dood zing ik lieflijk.”

Waar dit instrument ook terechtkwam, overal zouden de woorden veilig in de klankkast meereizen en gelezen worden. Niemand behalve ik wist dat ze ook een menselijk in memoriam waren: toen mijn vader de partij vurenhout kocht waaruit ik dit bovenblad had geschaafd, vertelde de houthandelaar hem met de routine van de handelsman wat er bij het vervoer van de reusachtige spar gebeurd was. Het rooien in het verre Beierse Woud was goed verlopen, maar het riskante transport op de besneeuwde berghelling had de houthakker zijn leven gekost. Dat moest intussen vijfentwintig jaar geleden zijn.

Het was de eerste keer dat ik het Latijnse vers gebruikte en ik was van plan dat pas weer te doen op de dag dat me vergund was een nog betere viool, alt of cello te bouwen. Het brandstempel *S* op het onderblad bij de hals wilde ik voortaan op al mijn instrumenten aanbrengen, net als de nieuwe kleur rood, die ik gemaakt had door meekrap in de lak te mengen en die me beter beviel dan het gelige bruin van mijn oudere instrumenten. Ik was op het idee van de kleurverandering gekomen, toen Grimm me vertelde dat mijn voornaam in het Hebreeuws niet alleen “mens” betekende, maar ook te maken had met de roodbruine aarde waaruit de mens aan het begin van de tijden geschapen was.

We waren gezegend met een predikant die behalve doctor in de theologie en een eminent geleerde ook een goed mens was. En niet te vergeten een begenadigd redenaar. Zondag had hij gepreekt over Paulus’ Eerste Brief aan de Korintiërs. De woorden waren niet nieuw voor me, maar toen Grimm ze vanaf de kansel had verbonden met toespelingen op onze stad, op alle instrumentenbouwers, waren ze in mijn geheugen gegrift als met een guts in de klankbodem van een viool: “Want niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus. En indien iemand op dit fundament bouwt goud, zilver, kostelijke stenen, hout, hooi, stoppelen, eens iegelijks werk zal openbaar worden; want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt: en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven.”

Bij mijn mortua-dulce-cano-viool had ik aan het lakken meer zorg besteed dan ooit. Ik was altijd al consequent geweest en nooit had ik toegegeven aan mijn eigen onrust of die van de klanten, op het gevaar af dat ze naar een ander liepen of uit hun slof schoten. De Zwickause violist uit het orkest van Schulze, die me vorig jaar bijna mijn eigen mes op de keel zette, had ik zonder een spier te vertrekken zijn ongelakte viool in handen gestopt. Met dat weerloze houten kistje kon hij de deur niet uit zonder zich belachelijk te maken, dat zag hij zelf ook wel in. Hij had eindelijk ingebonden en me de witte viool zonder commentaar teruggeven. Nee, in mijn werkplaats geen goedkope, sneldrogende lak of lak die een pantser vormde waaruit geen toon ontsnappen kon. Liever liet ik de klant een half jaar wachten: dan was het bovenblad door de druk van de snaren genoeg gecomprimeerd en tot rust gekomen. Net als de koper. Wat was een half jaar op een loopbaan en een mensenleven? Jaren had ik gewacht met het aanspreken van mijn beste materiaal. Het vurenhout, het esdoornhout en het ebbenhout, alle drie kwamen ze uit de voorraad die ik geërfd had en koesterde als mijn grootste kapitaal. En zelfs wanneer een instrument eindelijk de werkplaats uit mocht, moest de violist nog geduld hebben: geen enkele viool gaf zijn toon binnen een paar jaar helemaal prijs.

Ik stond op, strekte mijn pijnlijke rug en liep naar de kast om mijn beste strijkstok te pakken, nog een werkstuk van de oude Christian Knopf. De beste darmsnaren die ik had kunnen vinden spraken moeiteloos aan en het stemmen van de nieuwe viool was al een genoegen. Concerten of sonates had ik niet in de vingers, maar een symfonie, een grote symfonie ging al maanden door mijn hoofd. Ik speelde wat ik me van het thema uit het langzame deel herinnerde. Die op het eerste gehoor zo opgewekte melodie had indruk op me gemaakt: ze ging maar door, met de moed der wanhoop. Omdat ik zo eenzaam niet kon eindigen, speelde ik uit Schuberts grote symfonie nog iets anders: het scherzothema, heerlijk borstelend over de g-snaar. Dat ik halverwege bleef steken, lag aan mijn speeltechniek en niet aan het instrument. Ja, dit was werkelijk mijn allerbeste viool, mijn vingers voelden het en mijn oren hoorden het. Maar pas de meesterviolist die dit instrument zou beproeven kon er alles uithalen wat erin zat.

Terwijl ik de strijkstok ontspande, hoorde ik in gedachten de stem van Schumann. Het leek wel of hij de Symfonie in C zelf had gecomponeerd, zo enthousiast was hij. ‘Dat stuk is met geen pen te beschrijven,’ zei hij. Zijn ogen werden vurig, terwijl hij uit zijn peinzende houding overeind kwam en de over zijn voorhoofd gevallen haren met een snel gebaar naar achter streek. ‘De instrumenten zingen als menselijke stemmen! En wat is Schubert spiritueel! De instrumentatie is zo volkomen anders dan bij Beethoven… En die lengte, die hemelse lengte, net een roman van Jean Paul! De Symfonie in C is langer dan Beethovens Negende, weten jullie dat? Ik ben zelden zo gelukkig geweest als tijdens dit concert en ik wil eigenlijk nog maar twee dingen: met Clara trouwen en zulke symfonieën schrijven…’

We hadden gelachen om Schumanns verzuchting. Ik kon met hem meevoelen, al had ik tot mijn verdriet geen toekomstige Eva en al kon ik geen noot componeren. Het laatste vond ik niet erg: mijn taak was het, met mijn talenten te woekeren om de violen te bouwen die in de oren van Schumann en Mendelssohn genade konden vinden.

Betere musici dan die twee kon ik me niet voorstellen. Mendelssohns dirigeren in het Gewandhaus was een openbaring geweest. Daarbij de prachtige akoestiek in die zaal waarvan de muren bekleed waren met hout, mooi oud hout, dat meevibreerde met de klanken van de edele muziek van Beethoven, Schubert en Mendelssohn zelf. Toch zat het geheim niet in die akoestiek en ook niet in de moderne, dunne stok waarmee Mendelssohn dirigeerde. Het lag in de bezieling van de dirigent. ‘Heerlijk was het, naar Felix Meritis te kijken,’ had ik Schumann na afloop tegen iemand horen zeggen. ‘Zoals die alle geestelijke escapades van de componist, van de fijnste tot de krachtigste, met zijn ogen weet aan te geven!’

Mendelssohn had alles zelf gedirigeerd, in plaats van het een en ander aan zijn concertmeester over te laten, zoals andere dirigenten deden. Hij vormde het orkest tot een klanklichaam, zoals ik het hout tot een viool vormde. Maar de vergelijking ging mank: Mendelssohn, de zoon van het oude volk, was geniaal en ik was verdienstelijk. Ik moest niet overmoedig worden, nu er op mijn werkbank voor het eerst een viool lag die werkelijk iets betekende. Ik moest verder ploeteren om nog betere instrumenten te bouwen. Er stond geschreven: “In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof en gij zult tot stof wederkeren.”

Voor het zover was kwam ik in mijn werkplaats bijna om in het stof… Het werd tijd om op te ruimen in de stal. In mijn koortsachtige ijver van de laatste dagen had ik bijna al mijn gereedschap gebruikt, zonder iets terug te leggen. Een heel arsenaal aan martelwerktuigen lag op mijn werkbank, genoeg om ieder die me wilde dwarszitten respect af te dwingen. Hij zou mogen kiezen tussen een marteling met mes, guts, beitel, vijl of schaaf, of gevangenschap in tang, lijmklem of bankschroef. Zulke boze gedachten drongen zich wel eens op, wanneer ze me uitlachten om mijn mismaaktheid. Ik had mijn kromme rug sinds de schoolbank en achter de werkbank was hij in de loop der jaren steeds verder naar de violen toe gebogen. Natuurlijk had ik bij dokter Bauer geklaagd, maar die zei dat er aan de pijn niets te doen was, behalve een ander beroep kiezen.

Opeens benauwde me de sfeer in de werkplaats. Ik voelde me net een viool met een te strak gespannen besnaring. Open die deur! Ik liet de frisse aprilwind binnenkomen om de stank van het zweet en de eigen roem te verdrijven. Me uitrekkend bleef ik in de deuropening staan om neer te kijken op de stad in het dal. Letterlijk, niet figuurlijk: de stad verdiende niet het lot van sommige oudtestamentische steden, al deden collega’s van mij dingen die ten hemel schreiden.

De zon, die de laatste weken al rechts van het torentje van de Nicolaikerk onderging, en de wind, die was opgestoken, waren een zegen voor het hout. Ik liep naar het afdak en inspecteerde mijn houtvoorraad, mijn twee voorraden eigenlijk. De eerste, die terecht zou komen in de haard, lag in het volle licht. Goed beschut was de tweede, die terecht moest komen in de handen van musici in Saksen en het buitenland. Wat ik bezat, wist ik precies – ik zou het onmiddellijk zien als iemand een van de planken een duimbreed had verschoven – maar de inspectie van mijn kwetsbare kapitaal gaf me een gevoel van zekerheid. Wat ik betaalde voor hout, voor zeldzame partijen met dezelfde structuur en kwaliteit, was tenslotte een rib uit mijn lijf. Ik trok een stuk vurenhout, dat er al tien jaar lag, uit het rek. Het was nog niet naar mijn zin, al was het vocht verdampt. Toch moest dit geurige hout iets goeds worden, want de jaarringen waren prachtig regelmatig en bijna zo dun als de inleg die ik in het bovenblad zou aanbrengen. Dit hout kwam dan ook niet hier uit het Vogtland, waar de winter niet koud genoeg was en de bomen niet langzaam genoeg groeiden, maar uit het Beierse Woud. Hout uit de Boheemse bossen had ik ook, want daar was de bodem net zo arm en het klimaat even ruw. Ik klopte tegen de plank – ieder stuk hout had zijn eigen toon – en schoof hem terug in het rek. Daarna bekeek ik een stuk Sloveens esdoornhout, dat waarschijnlijk nog uit de tijd van Napoleon dateerde.

In Leipzig had ik bij de commissiehandel uitgekeken naar mooi materiaal, maar jammer genoeg had mijn speurtocht niets opgeleverd. Van het zoeken naar oud hout kreeg ik grijze haren, voor zover dat op mijn kalende hoofd nog mogelijk was. Ik ging maar doormet het verzamelen van hout, al zou het misschien nooit op mijn werkbank terechtkomen. Want wie moest me opvolgen? Mijn kleine neefje Johann? Mijn violen en mijn meesterinstrument met het Latijnse vers zouden me wel overleven, daar was ik niet bang voor, maar hoe moest dat met mijn vakmanschap? Ik vroeg het aan mijn geit, mijn enige vaste gezelschap, maar in plaats van antwoord te geven mekkerde ze om meer voer.

De laatste maanden waren in een vloek en een zucht voorbijgegaan. Behalve dringende reparaties aan violen van goede klanten had ik niets gedaan dan werken aan een evenaring van de mortua-dulce-cano-viool. Het was me niet gelukt, al had ik een paar goede instrumenten gemaakt. Zo alleen, zonder af en toe een praatje met Friedrich Grimm en zonder de klanten met hun berichten uit de muziekwereld, was ik van een bouwer met hout veranderd in een alchemist op zoek naar goud. Alle dagen waren op elkaar gaan lijken. Als ik ‘s ochtends niet in een van de twee doordeweekse diensten was geweest, had ik niet geweten welke dag het was. Maar was het dan woensdag of vrijdag? Vrijdag of woensdag? Vlug ging ik naar binnen om erachter te komen. Moe opeens, trok ik de deur dicht en ging aan mijn werkbank zitten. Woensdag was het, woensdag 22 april van het jaar onzes Heren 1840. Het was dus al meer dan vier maanden geleden dat ik in Leipzig was geweest. Op uitnodiging van een van mijn beste klanten: Christoph Hilf uit Bad Elster hier in de buurt, begonnen als linnenwever, nu violist in het Gewandhaus en volgens Schumann een vioolgenie.

Wij – wat was ik trots dat ik dat zo kon zeggen! – wij waren na het concert bij elkaar gekomen in de herberg Zum Coffee Baum in de Kleine Fleischergasse. Met zijn zessen waren we geweest en we hadden gezeten aan Schumanns stamtafel, een doodgewone houten tafel met harde houten stoelen, maar in mijn ogen een paleistafel met niet één, maar twee koningen aan het hoofd.

Christoph had de stoel achter de zesde kruik bier aangeschoven. Dat ik wat krap zat, kon me niet schelen: het was een eer met zulke mensen aan tafel te zitten.

‘Aan uw handen te zien bent u geen musicus,’ had Mendelssohn gezegd, die zelf een toonbeeld van elegantie was. Vriendelijk zei hij het; ik kon me trouwens niet voorstellen dat uit die mond ooit een hatelijkheid zou komen.

Ik had mijn handen aan mijn voorschoot afgeveegd en toen gemerkt dat ik mijn beste pak aan had.

‘Adam Stark is een heel goede vioolbouwer uit het Vogtland, misschien wel de beste,’ zei Christoph snel, om me voor te stellen aan degenen die me nog niet kenden. De drie componisten – en er was een vierde met een buitenlands accent – hadden de paar straten van het Gewandhaus naar de Coffee Baum eerst een hele groep bewonderaars om zich heen gehad en daarna over niets anders dan de Symfonie van Schubert gepraat. En ik was blijven staan bij Hofmeister en Kistner: niet iedere dag kwam ik langs beroemde muziekuitgeverijen! Het leven leek in Leipzig lichter, en dat kwam niet alleen door de gaslantaarns in de straten.

‘De beste vioolbouwer: dat is interessant,’ zei David, terwijl hij de sigaar in zijn mondhoek stak en me een stevige hand gaf. ‘Ferdinand David, concertmeester van Mendelssohns orkest. En componist.’

Komisch, dat iemand die zo beroemd was zich gewoon aan mij voorstelde. Ik was blij dat ik de man met het sterke gezicht en de smalle ringbaard zonder snor eindelijk eens een hand kon geven. Christoph had me veel over hem verteld. Al was David minder componist dan zijn collega’s aan tafel en meer organisator en zakenman, hij was er niet minder sympathiek om.

‘Ik kom van Neukirchen, Markneukirchen in het Vogtland,’ legde ik uit. ‘Een klein stadje, dat voor de muziek niet oninteressant is.’

‘O, maar Markneukirchen kennen we wel… Markneukirchen bij de Boheemse grens… De stad in de Muziekhoek,’ zeiden ze door elkaar.

‘Het schijnt daar mooi te zijn,’ zei Mendelssohn. ‘Misschien ga ik er nog eens een paar zwerftochten maken, wanneer ik meer tijd heb.’

‘Soms leveren zwerftochten wel degelijk iets interessants op,’ zei Schumann. Hij vertelde me over zijn ontdekkingstocht bij de componist Ferdinand Schubert – de broer! – waar hij tussen papieren op zolder volkomen onverwacht de grote Symfonie in C gevonden had, die vandaag dan eindelijk in première was gegaan.

‘Het materiaal had liggen rijpen als het hout voor een kostbare viool,’ voegde hij eraan toe.

‘Hebt u instrumenten bij u?’ vroeg de andere Ferdinand. ‘In het logement misschien?’

Ik kon me wel voor mijn hoofd slaan dat ik niets bij me had! Aan de andere kant had ik alleen met het allerbeste voor de dag willen komen. Ik vertelde dat ik een nieuwe viool had gebouwd, die zo goed gelukt was dat ik hem alleen aan de handen van een meester wilde toevertrouwen.

‘Je kunt hem geloven,’ verzekerde Christoph.

‘Hebt u hem bij u?’ vroeg David, terwijl hij onder de tafel keek.

‘Hij is nog niet gelakt.’

‘U bent niet de enige die mijn geduld op de proef stelt… Faschingsschwank aus WienConcert sans orchestre pour le piano! Schumann schrijft almaar pianomuziek, in plaats van vioolmuziek of symfonieën.’

‘Er spookt een symfonie door mijn hoofd,’ zei Schumann, terwijl hij zich in een wolk sigarenrook hulde. ‘Het is alleen niet zo makkelijk om met Schubert en Beethoven te concurreren. David, kun je ondertussen zelf niet wat voor viool schrijven? Ik zal je zeggen hoe het moet: je neemt een thema van Schubert, je varieert het een paar keer met loopjes en zestiende noten – aan de akkoorden verander je niets – en tot slot bedenk je er een inleidinkje bij; het kan er in de verte iets mee te maken hebben, maar dat hoeft niet.’

‘Gaat het over de Introductie en Variaties van een bekende concertmeester?’ zei David, zijn ringbaardje uitdagend vooruit. ‘Of over zijn Vioolconcert?’

‘Ik heb niets tegen een goed ambacht,’ zei Schumann met een knipoog naar mij.

Mijn eerste kruik bier had me de moed gegeven om hier aan tafel ook iets te zeggen.

‘De vioolbouw is jammer genoeg steeds meer een ambacht geworden, meneer Schumann.’

‘Wat mankeert daaraan?’

‘Vroeger – pakweg een eeuw geleden – noemden mijn voorouders de vioolbouw geen eerlijk ambacht, maar een loffelijke kunst. U begrijpt het verschil.’

David grijnsde.

‘Hoe dan ook,’ zei Schumann, ‘of het nu een ambacht is of een kunst, we kunnen niet zonder instrumenten van grote klasse, zoals u ze maakt.’

David gaf het gesprek een andere wending door zijn vioolkist open te maken, nadat hij zijn sigaar met de hete askegel had weggelegd.

Het was een prachtig instrument. Toch zag ik nu wat ik tijdens het concert al had gehoord: mijn nieuwe viool kon de vergelijking doorstaan.

David haalde zijn viool uit de kist, veegde wat hars onder de snaren weg en gaf me het instrument in handen.

Ik bekeek de viool aan alle kanten en hield haar op een armslengte afstand om de proporties en het geheel te beoordelen.

‘Een goed stuk ambachtelijk werk.’

‘Geen loffelijk kunstwerk?’

‘Zeker wel. Het onderblad van deze viool is van goed hout en mooi gevlamd. De lak is ook goed. Weer heel anders dan wat ik maak.’

‘Waar let u op?’ vroeg David.

Ik zuchtte.

‘Daar zouden we lang over kunnen praten… Op de welving en de plaatsing van de f-gaten daarin. Op de omtrek: of het profiel van de punten gelijk is. Op het snijwerk van de krul. Op de manier waarop de binnenkant is afgewerkt. Heel belangrijk is de dikte van het boven- en het onderblad; een goede bouwer laat die afhangen van de dichtheid en de elasticiteit van het hout.’ Ik klopte met mijn knokkels tegen het bovenblad. ‘Er is zoveel waarop ik let, meneer David. Het gaat om dingen die je met woorden moeilijk kunt uitleggen. Eigenlijk moet ik ze u in de werkplaats laten zien en horen…’

‘Hoe liggen uw prijzen? En dan denk ik natuurlijk aan die nieuwe viool van u.’

Ik moest nog geen prijs noemen. Om tijd te winnen liet ik langzaam een paar teugen koel bier naar binnen glijden. David kwam uit een Hamburgse koopliedenfamilie, had Christoph verteld, en was zeker zoveel zakenman als ik. Bovendien moest hij het instrument eerst maar eens zien en bespelen.

‘Het orgel van Trampeli in onze Nicolaikerk heeft ruim dertienhonderd taler gekost,’ zei ik.

‘Trampeli?’ zei Mendelssohn. ‘Johann Gottlob?’

‘Nee, Friedrich Wilhelm: een zoon.’

‘In onze Nicolaikerk, twee straten van het Gewandhaus vandaan, hebben wij een orgel van de vader.’

‘Ik hoop nog tijd te hebben om het te horen,’ zei ik. ‘Ons Trampeli-orgel heeft dertienhonderd taler gekost, alles bij elkaar, dus inclusief de orgelkast. De dossierkasten in ons stadhuis werden een tijdje geleden getaxeerd op tien taler per stuk. Mijn violen zijn niet zo kostbaar als het orgel waar de musicus zijn hemelse klanken aan ontlokt, maar duurder dan de dossierkast waar de ambtenaar zijn dorre akten uithaalt.’

‘Is uw calculatie niet wat vaag?’ vroeg David.

‘Betalen kan David vast wel,’ veronderstelde Mendelssohn. ‘Bij mij wordt hij behoorlijk betaald en hij is met een rijke Française getrouwd.’

‘Wíj hebben alleen maar ons talent,’ zei Hilf.

David kneep zijn ogen half dicht tegen de sigarenrook.

‘Een opmerking met een zwavelig luchtje eraan. Zum Coffee Baum heet het hier, niet Auerbachs Keller.’

Zonder bijgelovig te zijn, had ik me niet op mijn gemak gevoeld in een huis waar volgens Goethe de baarlijke duivel op Faust had ingepraat. Zeker een vioolbouwer moest altijd op zijn hoede zijn voor de geest die alles vernietigt.

‘Looft Hem met snarenspel!’ zei ik half bezwerend en half schertsend, met een gebaar naar Davids viool.

‘Komt in orde,’ zei David, terwijl hij me joviaal op mijn kromme rug klopte.

‘Ik nodig u uit in mijn werkplaats. Neemt u de postkoets richting Carlsbad. En anders kom ik met het instrument naar Leipzig.’

‘Ik schrijf u wel. De post weet Adam Stark in Markneukirchen te vinden?’

Ik knikte.

Toen had David, om met Mendelssohn een paar orkestzaken te kunnen bespreken, van plaats gewisseld met de jonge buitenlandse componist, van wie ik de naam eerst niet goed had verstaan. Hij bleek Verhulst te heten, Johannes Verhulst, en hij kwam uit Holland. Een grote man met een blozend gezicht en een blond baardje. Hij was ook violist, zei hij, al kwam er van spelen niet veel meer. Toch wilde hij graag eens naar het Vogtland komen om in mijn atelier rond te kijken. Kwam ik naar Leipzig met de nieuwe viool of met andere instrumenten, dan kreeg ik twee vrijkaartjes voor de Grote Boekhandelaarsbeurs, waar hij optrad met zijn orkest. Hij had het met zijn drieëntwintig jaar – wist ik van Christoph Hilf – al gebracht tot dirigent van de Euterpe-concerten.

‘Hebt u ook in het buitenland gestudeerd?’ vroeg hij.

‘Ja, in Italië. Toen ze hier bij Leipzig afgerekend hadden met Napoleon, kon ik eindelijk op studiereis naar het zuiden.’

‘Naar Cremona?’

‘Naar Alba. Weet u waar dat ligt?’

Hij schudde zijn hoofd.

‘Niet ver van Turijn. Vroeger was het Frans, nu hoort het tot het Koninkrijk Sardinië. Pressenda was mijn leermeester, Gianfrancesco Pressenda. Hij leeft nog. Het is tegenwoordig een tijd van malaise in de vioolbouw, maar mannen als Pressenda en Vuillaume in Parijs bewijzen dat het anders kan. Mijn leermeester werkt naar Stradivari, met toch een persoonlijke stijl. Je herkent hem aan de f-gaten en de f-kleppen, die hij altijd sterk uitholt. Prachtig hout heeft hij en een prachtige lak. Hij wordt nu al vervalst, heb ik gehoord.’

‘Het is moeilijk om aan een nieuwe viool te komen die echt goed is,’ zei Verhulst. ‘Ze presteren het bijvoorbeeld om de inleg niet in te leggen, maar te tekenen en de toets uit een zwartgeverfd stuk hout te snijden. De krul is een homp, zo lomp of de ratten eraan geknaagd hebben.’

‘Wat je niet ziet is nog veel erger,’ zei David, die de laatste opmerking had gehoord. ‘Ze passen geen behoorlijke zangbalk in het bovenblad, maar ze snijden hem met het bovenblad uit één stuk. De randverstevigingen en de hoekblokjes laten ze gewoon weg. Misschien denken ze dat wij of onze leerlingen dat niet merken.’

We waren het helemaal eens.

‘Het hoeft geen Stradivari te zijn,’ vond David.

‘Natuurlijk niet,’ zei ik. ‘De vooroordelen tegen goede nieuwe violen moeten de wereld uit. De naamcultus moet verdwijnen. Als iedereen maar klakkeloos de oude meesters nabouwt, staat de ontwikkeling stil. We moeten verder. Iemand als Jakob Stainer sla ik bijzonder hoog aan, maar ik ben al lang geleden afgestapt van het Stainer-model…’

‘Mooie toon, maar te klein voor het Gewandhausorkest,’ zei David.

‘En voor Euterpe,’ voegde Verhulst eraan toe.

‘Iets van de mildheid van Stainer heb ik wel proberen te behouden,’ zei ik, ‘al ben ik na mijn leertijd bij Pressenda overgegaan op het Italiaanse model met de lagere welving. De orkesten worden groter en de techniek stelt andere eisen.’

‘De oude Italiaanse lak…’ begon Verhulst.

‘Ik denk dat ik weet wat u wilt gaan zeggen. Lakgeheimen zijn onzin. Het gaat om vakmanschap over de hele linie, om de zorgvuldigheid waarmee je als bouwer werkt en om het gehoorzamen aan de wetten van de akoestiek.’

‘De godgegeven wetten,’ merkte David op.

‘Zeker,’ zei ik, me afvragend of hij een grapje maakte. ‘Sommige bouwers hebben niet het vakmanschap in huis om oude Italianen na te bouwen. Als het misgaat, wijten ze dat niet aan hun tekortkomingen, maar aan een geheim in die oude Italianen, dat verloren zou zijn gegaan. Ze hebben de meest fantastische ideeën over Stradivari’s violen, over geheimen die in bijbels verborgen zouden zijn. Er zitten in de Schrift inderdaad geheimen, maar dat zijn andere.’

David trok grijnzend en met zijn ogen half dichtgeknepen aan zijn sigaar.

‘Hoe is de situatie in Markneukirchen?’ vroeg Verhulst. ‘Zijn er bij u in de stad ook beunhazen aan het werk?’

Ik knikte.

‘Tot onze schande moet ik zeggen dat het juist Vogtlanders zijn die met een anders kalf ploegen, die instrumenten met fantasienamen signeren of plaatsnamen op etiketten vervalsen.’

‘Ook voor u vervelend,’ zei Verhulst. ‘Kwalijke zaak.’

‘Bijzonder kwalijke zaak,’ beaamde David. ‘Weet u uit uw hoofd een voorbeeld?’

Ik zag dat niet alleen Christoph Hilf, maar ook Schumann en Mendelssohn de dikke rook wegwuifden om geen bouwer van apocriefe violen te missen.

‘Taronimus Amati in Absam,’ diepte ik uit mijn geheugen op. ‘Een belediging voor Jakob Stainer, nietwaar?’

Mendelssohn glimlachte. Schumann trok zijn wenkbrauwen op.

‘Ignatius Locatelli… Bongini… Guarnielli… Pumpada…’

‘Pumpada,’ herhaalde David met ploffende lippen. ‘Als het maar Italiaans is. Ik geef toe, dat het wel goed klinkt: Roberto Sciumani, Felice Mendelson-Bartoldi da Lipsia…’

‘Dan weet ik van een vioolbouwer…’

‘Ja, vertel,’ drong David aan, die er speciaal voor ging zitten met zijn hand onder zijn kin.

‘Ik weet van een vioolbouwer die in zijn viool de namen “Sapino” en “Acero” schreef. Beroemde namen, die hij in een oude viool op het bovenblad en het onderblad had zien staan, niet wetend dat het de Italiaanse woorden zijn voor vurehout en esdoornhout.’

Iedereen aan tafel lachte.

‘Het is natuurlijk altijd handig om te weten waar je viool van gemaakt is,’ grinnikte David.

De Davidsbündler zullen moeten opmarcheren tegen de filisters in de vioolbouw,’ merkte Schumann op.

Ik rechtte mijn rug. In het Neue Zeitschrift für Musik las ik alles wat hij schreef en ik was bekend met de energieke Florestan, de wijze Eusebius en de evenwichtige Meister Raro, de leden van zijn geheime muzikale genootschap.

‘Een toost op maestro Sapino-acerrissimo uit Markneukirchen!’ riep Mendelssohn, terwijl hij de champagne die naast zijn bier stond hief.

Ik had iets moeten wegslikken. De beroemdste componist van Europa toostte op een eenvoudige vioolbouwer!

Daarna had hij etenswaren laten aanrukken.

Etenswaren… Een wringend gevoel in mijn maag ontnuchterde me en bracht me terug tot de werkelijkheid van 22 april. Ik had nog niets gegeten en nauwelijks iets gedronken. Hoe laat was het? Ik keek op de klok. Een uur was ik in Leipzig geweest…

Er was zelfs geen bodempje bier meer in huis en daardoor moest ik genoegen nemen met water. Tussen de slokken door scheurde ik met mijn tanden happen van een homp brood, omdat ik me de tijd niet gunde iets beters klaar te maken of te gaan halen. Om mijn onrustige maag te kalmeren nam ik uit mijn cederhouten kistje een sigaar.

Wat was er in de Coffee Baum veel gerookt! Vooral Schumann hulde zich in nevelen. Hij had bij vlagen een afwezige indruk gemaakt. Tijdens de gesprekken met David en Verhulst had ik telkens gefascineerd naar hem gekeken. Het leek wel of er twee Schumannen waren, zoals er minstens drie Davidsbündler waren: de een zat met zijn lippen getuit en zijn ogen halfdicht verzonken in dromen en gedachten; de ander had zijn scherpe blik op de buitenwereld gericht en legde ideeën op tafel die sprankelden als de verse glazen champagne die de waard, de reddende engel, opgedoken uit een blauwe rookwolk, daar neerzette. Champagne en Beiers bier, dat was Schumanns favoriete combinatie. Mendelssohn wist er ook raad mee. Allemaal wisten ze er raad mee. Wat een mensen, en wat een verschil met Markneukirchen!

Ik moest eruit. Werken kon ik vandaag niet meer. Voor de bouwers in loondienst, die alle slagen van de kerkklok telden, was de werkdag al bijna voorbij. Het was te laat om een wandeling naar de kant van de leemgroeve te maken, en zeker te laat en te koud voor een wandeling door het bos, richting Schöneck. Het Nieuwe Kerkhof vlak bij huis zou me te somber maken en daarbij: ik had al genoeg teruggekeken. Ik zou niet stilstaan bij Nickel, Hanns, Lorenz, Gottfried en al mijn andere voorouders die violen gebouwd hadden en niet bij het graf van mijn vader en leermeester Johann Stark. Ook niet bij Christian Hüttel, mijn arme collega die Kerstmis ’34 met violen op zijn rug richting Adorf was gegaan en omgekomen in de sneeuwjacht. Er bleef niets anders over dan een wandeling door het houten stadje dat zo weinig op het stenen Leipzig leek. Misschien hoorde een bouwer van houten violen wel in een houten stad…

Ik deed mijn voorschoot af, nam jas en hoed van de haak, keek nog eens naar de viool en deed de deur achter me op slot. Omdat de zon niet hoog meer stond en al een heel stuk voorbij de Nicolaikerk, ging ik niet rechtsaf langs het diaconaat, maar links langs de tuinen, richting Markt.

De dagelijkse geluiden van Markneukirchen begonnen te verstommen. De vreemdeling die voor het eerst door de stad liep, kon de indruk krijgen dat de Markt, de Totengasse, de Obere Strasse, de Schönbacher Strasse en alle andere straten en stegen in voortdurende staat van verbouwing waren, zo driftig werd er heel de dag gehamerd en gezaagd en – minder luidruchtig, maar niet minder aanhoudend – geboord en geschaafd. Hij zou kunnen denken dat tweeduizend mensen hun stad veranderden, omdat ze er niet tevreden over waren.

De werkelijkheid was anders.

Toen ik langs de apotheek op de hoek van de Markt en de Totengasse liep, hoorde ik achter me het orgel van de kerk inzetten. Het moest Carl Horlbeck zijn; hij speelde, begeleid door krachtige slagen uit de smidse in de Totengasse, Luthers lied Een vaste burcht is onze God. Ik bleef staan. Het was dagen geleden dat ik goede muziek had gehoord en nooit maakten tonen een diepere indruk dan wanneer ik moe en hongerig was. Ik moest naar binnen. De rest kon wachten.

Ik keerde om en liep door de poort onder de toren naar het geplaveide plein tussen de school en de kerk. Meer nog dan de kerk was de klokketoren een vertaling in hout en steen van Luthers lied. De muren van zijn vaste burcht konden een aanval doorstaan. Hij had een vorstelijke poort en zijn sierlijke spits stak het kleine kerktorentje, dat op het kerkdak zat als een klein prinsje op een te groot paard, naar de kroon. Machtiger dan het orgel in de kerk en krachtiger dan het ijzer onder de voorhamer in de smederij klonken zijn klokken, de twee kleine en de grote met het opschrift

 

Georg Hirschfeld v. Freiberg hat mich gossen

aus Feuer und mit Hitz bin ich geflossen ao 1663

Gott allein die Ehre

De Nicolaikerk was met de tonen van zijn klokketoren en de stem van Grimm een deel van mijn leven. Alleen als ik met de ogen van een vreemdeling keek, zag ik dat hij de vergelijking met de Nicolaikerk in Leipzig, die zuilen had als ragfijne palmen uit het paradijs, of met de stoere Thomaskerk van Bach niet kon doorstaan.

De deur was open. Niet dat ik Carl Horlbeck uit de weg wilde gaan – hij was een van mijn weinige vrienden hier – maar omdat ik na de ochtenddienst naar tonen verlangde in plaats van naar woorden, probeerde ik ongezien naar binnen te sluipen, ervoor zorgend dat de wind de deur niet uit mijn handen trok.

Er waren er in de stad nog een paar die de manualen, het pedaal en de registers wisten te bespelen. Dit was Carl: ik herkende zijn manier van vertragen aan het eind van het lied en de lengte van het slotkoord. Misschien had hij Luthers lied ge

bruikt om zijn vingers en zijn fantasie los te maken. Na geklos van voeten en geschuif van registers begon hij tot mijn verrassing aan een preludium van Mendelssohn. Meteen was ik weer terug in het Gewandhaus en de Coffee Baum. Wat zou het prachtig zijn als Felix Meritis zijn plan uitvoerde om een voettocht door het Vogtland te maken; stel je voor dat hij dan in deze kerk het orgel kwam bespelen!

Het lukte me te gaan zitten zonder de vioolbouwersbank te laten kraken. De overweldigende muziek van Mendelssohn maakte me klein, alsof ik in een klankkast zat, gemaakt door een Grote Bouwmeester. Een klankkast vol orgelende muziek. De pilaar waarachter ik me verschuilde kon de stapel zijn. Het vlakke plafond met zijn dragende balken het bovenblad met de zangbalk. Er waren drie klokken in plaats van vier snaren. De opening naar boven in de viool was er ook in de kerk, overdrachtelijk dan. In plaats van een etiket met een vers – mortua dulce cano – waren er zerken met inscripties op de vloer. Met de altaarkapel, die tegen de kerk was gebouwd als de hals aan een viool, hield de gelijkenis op. Niemand zou op het idee komen een viool te bouwen met Mozes en Aaron of de kruisiging in houtsnijwerk, of met de kop van een van de vier evangelisten in plaats van de krul. Dat een van Stradivari’s violen de Messias werd genoemd, had een andere reden: een handelaar had er zijn klanten zoveel over verteld, zonder het instrument te laten zien, dat ze die viool met de Messias van de joden waren gaan vergelijken. Al was onze kerk niet zo mooi als haar naamgenoot in Leipzig, onze gilden hadden hun uiterste best gedaan om van de eenvoudige ruimte iets goeds te maken. Het mooiste vond ik altijd de bidstoel van de smeden met zijn hoefbeslag. Mijn voorgangers in de loffelijke kunst van de vioolbouw hadden kort na de oprichting van hun gilde de galerij laten bouwen. In die tijd, meer dan anderhalve eeuw geleden, hadden ze niet alleen de kunst, maar ook het geloof nog ernstig genomen! De evangelische vioolwers uit Bohemen die voor de terreur van de Contrareformatie naar Markneukirchen waren gevlucht, moesten we dankbaar zijn. Door een verhaal van dominee Grimm had ik pas goed begrepen aan wat voor ellende ze in die tijd ontsnapt waren. Wat Grimm vertelde ging dan wel over Tirol, maar dat maakte volgens hem geen wezenlijk verschil met Bohemen. Jakob Stainer – want over hem ging het – werd er door de rechters van de Roomse Kerk van beschuldigd dat hij samen met kleermaker Jakob Meringer geschriften van Luther gelezen had. Zo kon lezen een misdaad worden. Hij zou zelfs wat zij noemden ketterse uitlatingen hebben gedaan. Stainer en Meringer waren allebei veroordeeld, vertelde Grimm, die uitlegde hoe ze voor hun rechters hadden moeten verschijnen: in boetekleed, met de karwats in de ene en een brandende kaars in de andere hand. Zo wilden de rechters ze dwingen hun geloof af te zweren, terwijl de ketterse boeken verbrand werden. De twee hadden dat niet gedaan en de moed gehad hoger beroep aan te tekenen. De wereldlijke rechter nam ze zoveel als hij kon in bescherming, zodat de geestelijkheid van de zweep en de kaars had moeten afzien. Het Consistorie had Stainer en Meringer laten arresteren. En ook toen had Stainer zijn geloof en zijn beroepseer niet verloochend. Als de betiteling “eikenboom der gerechtigheid?” voor iemand gold, dan wel voor hem… Er lag nog een hele serie opdrachten te wachten: violen voor het klooster Rothenbuech in Beieren. Uitstel hadden de Roomse geestelijken hem niet gegeven, alleen toestemming om het werk in de gevangenis af te maken. Een halfjaar lang had hij gezwoegd. Toen ze hem vrijlieten, was zijn gezondheid geruïneerd. Zijn geldkist ook. Hij werkte door, maar omdat hij alles naar eer en geweten wilde doen en zonder hulp van wie dan ook, bouwde hij zijn violen langzaam. Nu betaalden violisten er een vermogen voor, maar Stainer had met zijn grote gezin honger geleden. De zorgen hadden hem zo gedrukt, dat hij krankzinnig was geworden. Ik zou bidden voor zijn zielerust.

Horlbeck had de muziek van Mendelssohn intussen uitgespeeld en was begonnen aan een preludium en fuga van Bach. Denkend aan Schumanns gezegde “Bach is mijn dagelijkse bijbel” besloot ik nog even te blijven zitten.

Niet alleen met Horlbeck, maar ook met cantor Johann Friedrich Gruber kon ik goed opschieten. De avonden dat we zonder aardse toehoorders samen muziek maakten, was de kerk ons toevluchtsoord. Alle Bach-cantates die we in de kast konden vinden speelden we door, waarbij Horlbeck de ontbrekende instrumenten en vrouwenstemmen met een slimme registratie invulde. Het laatste waren we bezig geweest met de niet zo bekende cantate Wo soll ich fliehen hin. Gruber had de tenorria gezongen, met de hoogste noten een octaaf lager, terwijl ik me aan de halsbrekende altvioolpartij gewaagd had. Ook de andere twee keken naar de muziekavonden uit, omdat het niet altijd een pretje was meer dan vierhonderd kinderen les te geven. Ze hadden dan wel de hulp van de ervaren rector Just, maar die was ook niet meer de jongste. Dag in, dag uit leerden ze al die kinderen de letters, het spellen, het lezen en de grondslagen van het geloof… Voor meer was nauwelijks tijd. Geen kennis van de aarde en de natuur en geen geschiedenis, vakken die toch berijk waren voor een stad die muziekinstrumenten uitvoerde naar de verste hoeken van Europa en zelfs naar Amerika!

Ik besloot Horlbeck niet te storen bij het studeren. Geduldig wachtte ik tot alle vier de stemmen de fuga ingezet hadden en sloop geruisloos de kerk uit.

Ik was van huis gegaan om de Markt over te steken en de Hohe Gasse naar beneden uit te lopen tot de Schönbacher Stra§e en dan langs Trobitzschen weer naar huis te gaan. Wanneer in dit jaargetij het ijs van de Schwarzbach gesmolten was en de bomen aan de oever en in de Bienengarten begonnen uit te lopen, was het een mooie wandeling. Maar vandaag liep alles anders. Toen ik de Markt bijna overgestoken was, stond het wandelen me plotseling tegen. Omkijkend zag ik hoe rommelig onze Markt was: niet ruim en open zoals in Leipzig of zelfs in mindere steden als Zwickau of Eger, maar volgestouwd met een ordeloze verzameling grote en kleine bouwsels. De granieten postmijlpaal op de Markt, die de dertig uren gaans naar Leipzig aangaf, het waterleidinghuisje en de oude waag met de twee grote brandspuiten konden blijven, maar waarom moest midden op de Markt, recht tegenover het stadhuis die afschuwelijke brouwerij staan met allerlei rommel eromheen? Kon een lelijke stad mooie instrumenten voortbrengen? Alle huizen waren van hout en sommige stonden met hun ontoonbare achterkant naar de Markt als onbeschofte bezoekers op een ontvangst. Het plein was niet eens geplaveid; het liep naar het zuiden sterk af en op regendagen werd het een glijbaan. Uit de zijstraten woei de weeë geur van mesthopen je tegemoet. En dat in een stad die modern wilde zijn en de hele wereld van muziekinstrumenten voorzien.

Met mijn sigaar was mijn zin om te wandelen in rook opgegaan. Bovendien had ik dorst gekregen. Maar ik had weinig behoefte om hier aan de Markt in de Goldene Löwe of de Schwarze Bär te gaan zitten met God weet wie. Het drinken in die kroegen was een ander drinken dan dat in de Coffee Baum. Gebeurde het daar rechtop en met allure, hier zopen ze onderuitgezakt, voor zover ze nog zaten. Niets was in de Goldene Löwe van goud en mannen als leeuwen zaten er al helemaal niet. In Leipzig hadden we champagne bij het bier geken. In Markneukirchen deden ze dat niet, en ik zou het ook niet doen. Al was er iets te vieren: de voltooiing van mijn viool, thuis in je eentje champagne drinken was belachelijk. Het leek me het beste, thuis mijn kruik te halen, die in de Goldene Löwe met versgetapt bier te laten vullen en dan meteen weer te vertrekken. Ik hoorde nu eenmaal niet tot de instrumentenbouwers die thuis hun bier brouwden, legaal of illegaal. Er zat niets anders op, en ik moest nog opschieten ook, om thuis te zijn voor het donker werd.

Met mijn kruik baande ik me door de nevel van tabak, bier en zweet en het kreupelhout van stoelpoten en uitgestrekte benen van jongens die vaker hier zaten dan in de werkplaats een weg in de richting van de tap. Carl – niet mijn vriend de organist, maar de zoon van Fickerhansel – was er natuurlijk: die hoorde hier zo langzamerhand tot het meubilair. Talent had hij wel, net als zijn vader en de zwager die hem het vak had geleerd, maar hij maakte van zijn buik een afgod en kreeg een steeds verzopener gezicht.

Op het moment dat ik over Carls uitgestrekte benen wilde stappen, grepen zijn vingers als de tanden van een kwijlende hondebek mijn jaspand.

‘Kijk eens wie we daar hebben,’ zei hij meewarig. ‘Mannetje Stark. Lang niet gezien. Hij wil zijn biertje thuis opdrinken. Hij voelt zich te goed voor ons. Prachtige viooltjes bouwt hij. Toch woont hij nog steeds in hetzelfde huisje met strooien dakje…’

Ik probeerde mijn jas behoedzaam los te trekken, maar de dommekracht was sterk en mijn jaspand sleets. Het werd stil opeens, omdat iedereen wilde horen wat ik de zoon van Fickerhansel te zeggen had.

‘En Mannetje Adam loopt nog steeds in dezelfde gerafelde jas. Weet Mannetje dat? Kan Vrouwtje Eva hem niet eens naaien?’

Iedereen begon te lachen. Ze raakten me op mijn tere punt. Er stond geschreven: “Het is niet goed dat de mens alleen zij”, en niemand wist beter dan ik hoe waar dat was.

Pas toen de dronkemansgreep verslapte, kon ik doorlopen naar de tap om te wachten tot Eberlein tijd voor me had. Weer werd het stil. Wie weet wat voor gezichten ze trokken achter mijn rug.

Het zou goed zijn als de Vioolbouwersbond de hand hield aan de regels die hij zelf had opgesteld, maar één oud gildevoorschrift hadden ze wat mij betreft terecht afgeschaft. Vroeger moest de gezel die meester werd binnen een jaar trouwen. Deed hij dat niet, dan was hij verplicht voor ieder vrijgezellenjaar een gulden in de kas te storten. Ik begreep wel dat de vioolbouwers nakomelingen uit hun eigen kring wilden hebben, maar waar zou ik, als die regel nog bestond, zo gauw een vrouw vandaan moeten halen? Wie wilde mij hebben, met mijn kromme rug en mijn rechtlijnigheid in de leer van de vioolbouw en de leer van de Lutherse kerk? Ik had nog niet eens een gezel. Niet iedereen wilde werken naar hoge maatstaven voor een lage beloning. Het levende bewijs hing achter me op een stoel.

‘Voor Stark geen vrouw: die legt zijn hoofd wel in zijn eigen schoot,’ zei een sonore stem achter me. Een toespeling op mijn kromme rug.

Ik zette mijn kruik op de tap en keerde me om.

‘Ik ben niet een van de zielige figuren die dag in, dag uit hetzelfde onderdeeltje van een fabrieksviool zitten te vijlen!’

Er ging een hoongelach op. En ze wachtten of ik nog meer te zeggen had. Dat had ik: het devies van mijn nieuwe viool dum vixi tacui, mortua dulce cano zou ik niet opvolgen. Ik rechtte mijn rug zoveel ik kon.

‘Jullie mogen over mij en mijn violen denken hoe jullie willen, maar ik werk in mijn eigen huis, met mijn eigen hout, mijn eigen gereedschap en mijn eigen ideeën.’

‘Wij niet?’ riep iemand achteraan; ik dacht de stem van Dürrschmidt te herkennen.

‘Huis, hout en guts hebben jullie. Tenminste, zolang de bazen dat goedvinden. Maar ideeën? Ik luister alleen naar de violisten. Ik hoef geen rekening te houden met wat de patroons en de handelaars willen. Ik hoef geen geestdodend werk te doen. Er zijn er in de stad steeds minder die een complete viool kunnen maken. We hebben tegenwoordig al klankkastmakers, krulmakers, halsmakers – die net zo vrij zijn als mijn geit met het tuurtouw om haar hals – toetsmakers, staartstukmakers, stemschroefmakers, lakkers, besnaarders, en het zullen er als het zo doorgaat nog wel meer worden.’

‘Zo erg als in Schönbach is het hier niet!’ riep de oude Christian Rossbach, die niet in de gaten had wat hij met die uitspraak over een Boheemse stad over zijn eigen woonplaats zei.

Ze begonnen meelijwekkende verhalen op te hangen over de toestand van de arbeiders in Schönbach. Die Christian Rossbach… Hij was een van de vioolbouwers die hun talenten begraven hadden: op zijn oude dag deed hij niet veel meer dan de onderdelen die anderen naar zijn werkplaats droegen een beetje passend maken, aan elkaar lijmen en lakken. En als die lak dan tenminste nog mooi was! Hij gebruikte altijd dezelfde snel drogende, keiharde spirituslak, die een viool smoorde als een nauwe boord de keel van een zanger.

‘Luister jij eens even, viooldominee,’ zei Klemm, een van de thuiswerkers, die geloof ik leefde van het halzen maken. Hij was anderhalf hoofd groter dan ik. ‘De handelaars waar jij zo op neerkijkt, doen toevallig wel zaken met de hele wereld. Neem de firma Israel Kämpffe en Zonen. Wel eens van gehoord zeker? Met wie doen die zaken in Leipzig? Met August Crone. Met Adam Star… ik bedoel met Adam Schwab. Met Heinrich Hoffmann. Met Christoph Schulz. Met Steinacker. Met Frege & Co. Misschien zeggen die namen je iets. En in het buitenland: met Baldenecker in Amsterdam. Met…’

‘Twintigduizend violen per jaar maken we hier!’ viel Dürrschmidt hem in de rede. ‘Waar ter wereld vertonen ze dat?’

‘Jij weet zeker niet waar vioolbouwers van hier al geweest zijn?’ ging halsmaker Klemm verder, demonstratief op zijn stompe vingers tellend. ‘Frankrijk. Italië. Malta. Zweden. Amerika. Holland. De Roofstaten van Afrika, als gevangene…’

Het maakte weinig indruk op me. Waarom de hele wereld bereizen, als aan je producten alles behalve de prijs te wensen overliet? Zeggen deed ik dat niet, om niet meteen de kroeg uitgegooid te worden.

‘Het is waar dat we meer instrumenten maken dan toen de vioolbouw hier begon,’ zei ik. ‘Toch staan we niet hoger dan in 1677. En toen, na de Dertigjarige Oorlog, waren de tijden heel wat slechter. We zijn steeds verder van onze bestemming afgeraakt. In de tijd van Caspar Hopf konden we op Markneukirchen en het hele Vogtland nog trots zijn. Maar moet je nu eens kijken! Hoeveel vioolbouwers hebben we hier? Tachtig. Strijkstokmakers een stuk of dertig. En ik weet niet hoeveel thuiswerkers. Wat presteren we nu helemaal? We zijn al zover dat Vogtländer een denigrerende uitdrukking is. Ik heb met massaproductie en handelaars niks te maken. Ik zorg zelf voor de verkoop. Ik betaal geen premies. Ik begrijp het standpunt van de handelaars wel met hun arbeidsdeling en hun mechanisering: kortere arbeidstijden, lagere kosten. Maar denken jullie dat een echte violist geïnteresseerd is in rommel? Luister: wie hier lid is van de Vioolbouwersbond heeft de gelofte afgelegd, misstanden af te schaffen…’

‘De gilden in Saksen moeten zelf afgeschaft worden!’ schreeuwde er een.

‘Wat voor misstanden?’ riep Dürrschmidt.

‘Om met de minste te beginnen: bepaalde bouwers volgen slaafs de regels en de maten, de sjablonen, zonder rekening te houden met de eigenaardigheden van het stuk hout dat ze in handen hebben.’

‘Heb ik het al die tijd verkeerd gedaan,’ zei Rossbach spottend.

‘Overal zie je slordig uitgesneden f-gaten. Zelfs bovenbladen van hout met kwasten. In plaats van ebbenhout gebruiken ze zwartgeverfd beukenhout en het echte ebbenhout gebruiken ze om er kammen uit te snijden, geen vioolkammen, maar haarkammen voor ijdele vrouwen!’

‘Moet jij nodig zeggen!’ werd er geroepen. ‘Kale neet! Kale vrijgezel!’

Onhandig genoeg was ik weer bij het onderwerp vrouw uitgekomen. Maar ik hield ook niet iedere dag een preek. Haastig ging ik verder.

‘Het is niet meer: hoe dien je de klant, maar: hoe ben je hem te slim af. Kunstmatig craquelé: klankkast zwart maken, afslijpen en dan overlakken. Net echt, en leken laten zich verlakken. Moet ik namen noemen? Christian Schönfelder, jullie kennen hem allemaal. En die verstaat de kunst van het oud maken dan nog; hij is een bedrieger, maar tenminste een virtuoze bedrieger. Anderen doen het stumperig, en de grootste sukkels laten het bedriegen over aan de drukker die de valse etiketten maakt.’

‘Wie kopen jouw violen? Wie moet er zo nodig een Stark om op te krassen?’ werd er geroepen.

‘Ferdinand David,’ zei ik voorbarig.

‘Wie is dat dan wel?’

Ik greep pathetisch naar mijn hoofd.

‘Voor die beunhazerij en al dat bedrog krijgt Markneukirchen vroeg of laat de rekening gepresenteerd! En al degenen hier in de stad die zich vioolbouwers noemen en het vak tot een aanfluiting maken, zouden ze moeten opsluiten!’

Klemm kwam dreigend overeind. De hele groep stond op en ging achter hem staan.

‘Niet op water en brood,’ zei ik met een afwerend gebaar. ‘Nog minder met de karwats – de tijd van de Roomse inquisitie is al lang voorbij – maar met hout en gereedschap. Alleen om eens te kijken wie er nog een meesterproef kan afleggen als in de goede jaren van het Gilde, dat wil zeggen vóór Napoleon. Toen moesten ze binnen drie weken hun meesterwerk tot stand brengen, dat drie instrumenten omvatte. Ten eerste: een viool van mooi hout, inlegwerk in de hals, driedubbel inlegwerk in boven- en onderblad. Ten tweede: een luit van even mooi hout, zuiver in alle registers. Ten derde: een viola da gamba met zes snaren, zonder één tekortkoming. En alle drie de werkstukken geel gelakt, zonder vlekken.’

‘Ten vierde, ten vijfde, ten zesde,’ lalde de zoon van Ficker

hansel. ‘Eberlein, geef me mijn zevende kruik.’

De hele herberg lachte.

‘Weten jullie wie dat nog kan?’ onderbrak ik hen. ‘Immanuel Gläsel met zijn eenentwintig jaar. Maar velen kunnen dat niet meer. Ze mogen zich geen vioolbouwers meer noemen. Meubelmakers zijn het, timmerlieden! Timmerlieden zonder het heilige vuur! Ik zeg jullie: eer zal een kameel door het oog van de naald gaan, dan dat een timmerman een viool timmert!’

Getergd begonnen ze op te dringen. Het werd steeds warmer in de Goldene Löwe, maar ik was aan het woord en wilde het verhaal dat ik begonnen was afmaken.

‘We hebben veertien jaar ruzie gehad met de meubelmakers. Het dossier daarvan is dikker dan de klankkast van een contrabas. Allemaal omdat ze zo nodig gitaren moesten bouwen en toetreden tot onze Vioolbouwersbond. Dat is gebeurd. Maar het is een slechte zaak. Laten de meubelmakers en de timmerlieden bij hun eigen vak blijven. Laten ze dingen maken zoals het Schlössel in de Bienengarten, een juweel voor onze stad. Dat heeft een timmerman samen met een metselaar gebouwd.’

‘Wij hebben hongerige monden te vullen!’ riep Klemm. ‘Daar weet jij niks van, kale vrijgezel!’

‘Laat jij je kinderen meewerken in je werkplaats?’ vroeg ik.

‘Hoezo?’

‘Kinderen horen niet de godganse dag in de werkplaats. Ze horen op school. En wat laat je ze op zondag doen?’

‘Moeten ze soms drie keer naar de kerk, oude kwezelaar?’

‘Ze moeten, om iets over muziek en instrumentenbouw te leren, naar de nieuwe school van Wilhelm Petzold.’

De halsmaker lachte honend.

‘Kinderarbeid is een kwaad!’ riep ik. Maar ik was een roepende in de woestijn. Ze kwamen nu dicht om me heen staan, voorop Klemm met zijn door het halsmaken geoefende handen.

‘De bijl ligt aan de wortel!’ schreeuwde ik.

De gespannen vuist van Klemm trilde vlak voor mijn neus.

‘Stark, ga je thuis bezatten,’ zei Eberlein, terwijl hij zijn armen op zijn vette buik over elkaar sloeg. ‘Ga koralen mekkeren met je geit. Ik heb hier in mijn zaak geen profeten nodig.’

Ik griste een handje groschen uit mijn zak en gooide het kletterend op de tap. De anderen gingen zwijgend opzij. Uit mijn overvolle kruik een bierspoor morsend op de vloer liep ik de Goldene Löwe uit.

Daar zou ik voorlopig niet meer terugkomen.

Het schemerde al en de wind blies sterker en killer in mijn bezwete gezicht. Zo haastig als de volle kruik het toeliet liep ik naar huis om de geit, die veel langer dan anders had moeten wachten, op te stallen en hooi te geven. Daarna hing ik mijn jas en hoed aan de spijker bij de deur en zakte neer op mijn stoel, uitgeput en teleurgesteld. In de kroeg had ik gelijk gehad. Maar niemand overtuigd. De houtkrullen die nog op mijn werkbank lagen liet ik liggen. Ik kon het niet opbrengen ze bij elkaar te vegen. Het gereedschap zou ik morgen bij daglicht wel opruimen. Om bij het vallen van de nacht nog iets te kunnen zien, stond ik op en stak het stompje kaars in de blaker op mijn werkbank aan. De viool lichtte rood op; het was alsof ze uit zichzelf zou gaan spelen. ‘Mortua dulce cano…’ fluisterde ik, kijkend naar de fraai gesneden f-gaten, het sierlijke, volmaakt symmetrisch gewelfde bovenblad, de bijna witte kam en de diepzwarte hals. Zacht tokkelde ik de darmsnaren een voor een aan. Om nog meer te zien – ik zou mijn licht niet onder de korenmaat zetten! – stak ik met de kaars een fakkel aan van grof dennenhout, de soort waar beunhazen hun jammerhout van maakten. Brandhout voor de hel, dat waren ze. Nu de volle kruik. Rustig drinken kon ik niet; tegen mijn gewoonte in dronk ik de kruik in één keer gulzig leeg. Het bier gaf geen nieuwe kracht; het putte me nog verder uit. Doodmoe was ik van al het gepraat. Ik had meer gezegd dan anders in een week. Mijn benen, mijn armen, mijn hoofd, mijn hele lichaam, alles werd loodzwaar. Mijn rug brandde als vuur. Werktuiglijk kleedde ik me uit, doofde de fakkel en vond in de Egyptische duisternis mijn bed.

Ondanks mijn verzadigde buik kon ik niet slapen, omdat in mijn hoofd de gedachten niet tot rust wilden komen. Ik maakte overuren om de balans van deze ongewone dag op te maken. Winst was mijn voltooide viool, het beste instrument van maestro Sapino-acerrissimo. Mijn gebeden voor het slagen van de viool waren verhoord. “Zo iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen.” En winst was het orgelspel van Carl Horlbeck, dat me goedgedaan had. Maar aan de verlieskant stond te veel: mijn eenzaamheid, de ergernis over de misstanden in de stad, waar ik niets, maar dan ook niets aan kon veranderen. Hoorde ik thuis in Markneukirchen? Velen vonden van niet. Was het dan niet beter het bijltje erbij neer te gooien, hout en gereedschap op een wagen te laden en weg te trekken? Robert Schumann – doctor Robert Schumann intussen – Felix Mendelssohn, Ferdinand David, Johannes Verhulst, dat waren mensen met oren aan hun hoofd… Mijn hoofd was moe… Mijn oogleden werden zwaar… Ik had niet zoveel moeten drinken…

Van boven klonk een machtige stem.

Ik verstijfde.

Hooret nu dit/ gy dwaes ende hertenloos volk: die ogen hebben/ maer en zien niet/ die oren hebben/ maer en horen niet/ En zult gy-lieden my niet vreezen? Zult gy voor mijn aengezichte niet beven?

Ik had de stem nooit eerder gehoord. Maar ik herkende hem onmiddellijk. Terwijl heel mijn lichaam begon te beven, bukte ik mijn kromme rug nog dieper en dorst niet op te kijken. Hij herhaalde de woorden die Hij door Zijn profeet Jeremia gesproken had tot het volk van Israël.

Uwe wooninge is in ‘t midden van bedrog: door bedrog weygeren sy my te kennen. Ziet/ ik zalse smelten en zalse beproeven. Ziet, ik zal mijne woorden in uwe monde vyer maken en dit volk tot hout/ ende het zalse verteeren.

Het was of het vuur al brandde, of ik de verterende hitte al aan den lijve voelde. Een rechtvaardige God was de HEER, de God der heerscharen, maar ook een strenge God, die woord hield. Wilde Hij ons beproeven? Of mij alleen? Was ik in Zijn ogen hoogmoedig?

Gaet om door de wijken van Jerusalem/ ende ziet nu toe/ ende vernemet ende zoeket op hare straten/ of gy yemant vindet/ of er een is die recht doet/ die waerheyd zoekt: zoo zal ik haer genadig zijn. Adam! Adam Stark!

Ik werd geroepen! Was ik uitverkoren? Of riep Hij me op de oude Adam af te leggen, voor het te laat was? Het angstzweet brak me uit; het bloed begon te jagen aan mijn slapen. Steeds koortsiger werd het bonzen; het leek wel of er klokken begonnen te beieren in mijn hoofd. Een afschuwelijke gedachte beklemde me: misschien was ik al dood! Voor de tweede keer riep Hij met luider stemme mijn naam: Stark! Adam Stark! en bekrachtigde Zijn oproep met een donderslag.

Voor het spookachtig rood verlichte venster verscheen de schim van mijn buurman. Zijn slagen op de deur gingen haast ten onder in het luiden van klokken, het schreeuwen van mensen en dieren, het loeien van de wind en het knappen en kraken van brandend hout. Ik struikelde naar de deur. Mijn buurman was in rook opgegaan. Het was of de smid in de Totengasse me met een ijzeren greep naar zijn vuur trok om me te brandmerken met een sissende *S*. In mijn nachthemd weerloos als een kind, moest ik me schrap zetten om de deur tegen de verzengende storm in weer dicht te krijgen en te vergrendelen. Ik hoefde niet verder te kijken om te weten wat er gebeurde: Markneukirchen brandde in een hels vuur!

Ik griste een mooie viool uit een mooie kist, smeet hem in een hoek en verpakte mijn mortua-dulce-cano-viool. Mezelf verpakte ik razendsnel in schoenen en jas. De dikke stof deed het zweet in stromen langs mijn lichaam gutsen, maar ik zou de bescherming van de jas straks niet kunnen missen. In een van de zakken liet ik mijn scherpste mes glijden. Zo zouden mijn viool en ik niet weerloos zijn in de koude bossen buiten de stad. De ruiten knapten uit hun sponningen. De hitte drong naar binnen. Mijn tijd was om. Ik moest weg onder dit strooien dak en weg uit de stad. Maar ik mocht niet weg: als burger van de stad Markneukirchen was ik verplicht mee te helpen bij het blussen van de brand! Wat had dat voor zin, wat kon ik met mijn verplichte laddertje en strooien emmertje uitrichten tegen het oordeel Gods? In de verstikkende rookwolken schoten schimmen voorbij van mensen die iets van hun have en goed probeerden te redden. Hoestend pakte ik de emmer die bij de deur stond en gooide hem leeg in de richting van het vuur: een druppel op een gloeiende plaat. Veel zag ik niet, maar wel dat het vuur in de buurt van de kerk en de toren het hoogst oplaaide. Met de emmer als vrijbrief in mijn ene hand en de vioolkist in mijn andere hand begon ik te rennen, weg uit de helse hitte en rook, in de richting van de leemgroeve, waarachter ergens Adorf en Oelsnitz lagen. Mijn benen waren zwaar van het bier. Ik moest proberen over het Nieuwe Kerkhof de nieuwe weg naar Adorf te bereiken, ook al zou ik daar helpers uit de omliggende dorpen tegenkomen. Vurige scheuten teisterden mijn rug en mijn struikelende voeten.

Voorbij de laatste, nog niet brandende huizen van de stad moest ik stilhouden. Mijn hart bonkte en ijskoude lucht joeg in stoten door mijn luchtpijp. Ik keerde me om. De ovenhitte sloeg me in het gezicht. De emmer viel uit mijn hand. Daar lag de stad. Het bedorven paradijs, waaruit ik was verjaagd. Het klokgelui was verstomd. Hoe aan ieder huis en ieder levend wezen het vonnis voltrokken werd, kon ik niet zien, maar ik kon het raden. De klokketoren met gesmolten bronzen klokken brandde. De Nicolaikerk met de vioolbouwersbank brandde. De kansel van kunstig houtwerk brandde. Het orgel brandde en zijn blaasbalg blies de laatste adem uit. Het besmeurde meubilair in de Goldene Löwe brandde. En de school met boeken. Mijn grootvaders bijbel. De houtvoorraad van mijn vader en mij. De voorraad van alle bouwers. Het goede hout. Het slechte hout. Alles brandde. In een flits begreep ik dat ook mijn geit brandde, als niemand anders haar uit de stal bevrijd had. Ik stond als vastgenageld. De kreten van mensen en dieren gingen onder in het gebulder van de vuurstorm. De knal van een ontploffing. Hoog laaiden de helse vlammen op, hoger dan de toren van de Nicolaikerk.

‘Weg hier!’ schreeuwde ik schor, terwijl ik de vioolkist aan mijn lichaam drukte. ‘Weg! Naar Leipzig!

De roman werd eerder gepubliceerd bij De Bezige Bij, Amsterdam, 1992. Een eerdere versie van hoofdstuk 1, De beproeving, verscheen in De Gids, augustus 1991. Foto: David Burgess.

 

hoofdstuk 2. Dissonant